BUITENLAND. ALGEMEEN OVERZICHT. „Ongegronde sensationeele krantenberichten" heeft president Taft in een mededeeling aan den Mexicaanschen minister van Buitenl. Zaken genoemd hetgeen er geschreven wordt over de zeer opvallende militaire manoeuvres le land en ter zee welke de regeering der Unie laat houden in de onmiddellijke nabijheid van de Mexicaansche grens. Intusschen gaat men te Washington voort aan dezen zoogenaamden sensatielust krachtig voedsel tegeven. Naar Reuter meldt, heeft het Amerikaansche departement van Marine gisteren den kruiser „Chester" gelast te vertrekken naar Tampico in Mexico, vermoedelijk, zoo heet het, ten einde de verbindingen open te houden onafhankelijk van de telegraaf, daar de lijnen bij uitbreiding van de troebelen waarschijnlijk afgesneden zullen worden. Met den „Chester" zijn ook de gepantserde kruisers „Tenessee", „Montana" en „North Carolina" uit de haven van New-Yoik. naar de Golf van Mexico verbokken. En dat alles voor manoeuvresl President Taft, die, evenals Dickenson, de minister van ooilog, naar het Zuiden is vertrokken om daar eenige redevoeringen te houden (Dickenson moet een oogje houden op de „manoeuvies") vreesde blijkbaar de algemeene gevoeligheid der onderling kibbelende en vechtende Mexicanen te kwetsen, en vandaar zijn uiilegging. Volgens het telegraafagentschap-Wolff bestaat, dank zij deze „manoeuvres" het gevaar voor een buitenlandsche oorlog of eenige andere beweging, waarin veitioudingen van Mexico tot andere mogenheden betrokken zouden kunnen zijn, niet meer. Naar het het heet, zou Wilson, de gezant te Mexico City, de mogelijkheid van een oproerige beweging tegen de Amerikanen en hun eigendommen gevreesd hebben en bang zijn geweest, dat de regeering van president Diaz niet in staat zou blijken, de onlusten te onderdrukken. Doch de aanwezigheid van een sterke Amerikaansche troepenmacht aan de grens, nog gesteund door het vlootvertoon, zal wel voldoende zijn om mogelijke onlusten te voorkomen. De Mexicaansche regeering heeft — in plaats van aanleiding om zich door de maatregelen der Yankees gepiqueerd te gevoelen — integendeel reden om de troepenconcentratie langs hare grens toe te juichen, wijl daaidoor het binnenrukken van revolutionnaire benden, die zich voornamelijk op het grondgebied der Unie trachten te vormen en daar proviand en ammunitie binnensmokkelen, wordt verhinderd. Van internationaal standpunt valt op de handelwijze der Ver. Staten — met het oog op de wel niet formeel en uitdrukkelijk, maar toch stilzwijgend aanvaaide toepassing van het beginsel der Monroë-leer — geen kritiek te oefenen. De beiichtgever van de „Associated Press", die president Taft op zijn reis naar het Zuiden vergezelt, meldt heden — Vrijdag — in een telegram uit Charlottesville ln Virginia, dat alle twijfel aan de bedoelingen der Regeering wat de ïroepenzending naar de Mexicaansche grens betreft, opgeheven is. De Vereenigde Staten willen dat er aan de revolutie in Mexico een einde komt, en de Amerikaansche troepen zijn nu naar het zuiden gezonden, om langs den Rio Grande een militaire borstweiing te vormen, ten einde het optreden van benden en de smokkelarij van wapens en manschappen over de grens te beletten. Men meent, dat, door aldus de verstrekking van contrabande en voorraden af te snijden, de revolutionnaire beweging, die nu al ongeveer een jaar lang van ongunstigen invloed is op den algemeenèn toestand, zonder eenig resultaat te bereiken of uitzicht te geven op de vorming van een nieuw verantwoordelijk bestuur, spoedig tot een einde zal komen. Men kan dus wel spreken van „manoeuvres" — maar waarbij dan de troepen voorzien zijn van scherpe patronen en gekleed in ooilogsuitrusting. Gisteren heeft de Portugeesche regeering op de Engelsche stoomboot „Aragon" te Lissabon den journalist Veiga Faria laten gevangen nemen als verdacht van medeplichtigheid aan het anti-republikeinsche komplot van Poitugeezen te Rio de Janeiro. Faria, zoo weet de „Pall Mali Gazette" te verhalen, stond juist op het punt naar Vigo te vertrekken, waar hij met andere bij het complot van Rio de Janeiro betrokken samenzweerders een onderhoud zou hebben. De aanhangers van koning Manuel zijn, verzekert het blad verder, zoowél te Londen als te Parijs ijverig werkzaam om hem zoo mogelijk zonder, maar desnoods met bloedvergieten weer op den troon te brengen. Oogenschijnlijk wordt aan de royalistische beweging weinig waarde ge-' hecht, maar de „Pall Mali Gazette" verzekert toch dat koning Manuel zoowel onder de edelen als onder de boeren veel aanhangers telt, terwijl de Republiek nog steeds niet onvoorwaardelijk op leger en vloot kan rekenen. Wat dit laatste betref', luidt het oordeel van allen tot oordcelen bevoegden, dus eenstemmig. Voegt men daarbij nu nog het feit, dai de breuk tusschen de conservatieve republikeinen onder Almeida, den minister van Binnenl. Zaken, en de radicalen onder Alfonso Costa (Justitie) eiken dag grooter wordt en het vertoon van homogeniteit, volgens de verklaring van Almeida-zelf, slech's comediespel is, ten einde voor de op 30 April te kiezen en op 20 Mei bijeen te roepen volksvertegenwoordiging allhans een ietwat dragelijk figuur ie maken, dan blijft er geen andere conclusie over — hoe de ministers ook trachten den buitenlandschen correspondenten (die er echter niet inloopenl) een rad voor oogen te draaien ■— dan deze: de Portugeesche republiek staat op zeer losse schroeven, en de janboel daarginds is, zoowel op politiek als op economisch gebied, groot. De „Popoio Romano" wrijft zich de handen van boosaardige voldoening over het feit, dat „sinds den „Kulturkampf'Mn Pruisen nooit door eenig minister zóó ernstige verklaringen zijn afgelegd" als dezer dagen in de Pruisische Kamer van Afgevaardigden door Von Bethmann Hollweg. Het blad constateert dat, na de breuk met Frankrijk en Portugal en na de moeilijkheden niet Spanje, de H. Stoel het grootste belang erbij heeft een conflict te vermijden met Pruisen en de andere Duitsche Staten. Hoe- gaarne zou het blad zulk een conflict zien ontstaan, vooral indien daardoor dan nog een wijziging zou kunnen worden gebracht is de beschikkingen betreffende het bezoek van den Duitschen kroonprins aan Rome, zóó, dat in plaats van Zijne Hoogheid, „der Herr Vaier" in hoogst eigen persoon kwam I Want als het zóó doorgaat, zal het te Romein het jubeljaar, wat bezoeken van vorsten betreft, misschien blijven bij dat van den Rooden Peter. Uit Turijn wordt n.l. aan den „Matin" gemeld, dat ook koning George van Engeland niet komt, doch den hertog von Connaught sturen zal. Wat al tegenvallers! Ten slotte zal Victor Emmanuel's dikke vriend Fullières nog de „clou" worden van de officieele feestelijkheden. ... Doch —om terug te komen.op het onderweip, aangeroerd door den „Popoio Romano": de houding der Pmisische regeering legenover den H. Stoel, naar aanleiding der jongste pauselijke decreten I Uit een artikel van de half-officieuze „Kölnische Zeitung" vernemen we, dat de ontstemdheid onder het Protestantsche Duitsche volk tegen den H. Sioel reeds dateert van de uitvaaidiging der tegen het modernisme gerichte encycliek „Pascendi". Daarmee zou, volgens bet Keulscne blad en naar het oordeel van den rijkskanselier, de H. Stoel begonnen zijn „steenen te werpen in den Duitschen (lees: Evangelischen) tuin". Totdusveire meenden we, dat er van Roomsche zijde in den Evangelischen tuin alleen maar geworpen werd met „rotte appelen", welke allesbehalve vleiende benaming de Protestantsche predikant dr. Johanny te Weenen eenige jaren geleden toepaste op de afvallige slachtoffers der Los-van-Rome-beweging. Doch neen, er komen nu ook steenen over de bergen „ultra montes" aangezeild en zij ploffen neet in den Duitschen tuin. Men denke maar eens, aldus de „Kölnische" „aan de Borromaeus-encycliek, aan het decreet over de afzetbaarheid der pastoors, over de communie der kinderen [in Pruisen acht de regeering een vervroegde eerste H. Communie blijkbaar een bemoeilijking van het geregeld schoolbezoek tot den door de wet bepaalden leeftijdstermijn Red.], aan het motu proprio „saciorum Antistitum" met den daaiaan verbonden tekst van den modernisten-eed, aan het decreet over het financieel beheer van bepaalde instellingen door geestelijken met de voor Polen gegeven dispensatie en aan den Silvesterbrief van den Paus aan kardinaal Fischer". Ziedaar de steenen! Nu beroept het blad zich o.a. op de uitlating van den Cenlrumsafgevaardigde Dittrich, die verklaarde : „deze maatregelen der Curie zijn ons ietwat vreemd voorgekomen.':' Doch met uit hun veiband geiukte teksten is het — weliswaar gemakkelijk, doch — niet loyaal manoeuvreeren. Immers, wanneer we het stenografisch verslag van Diltrich's rede 'nalezen, hooren we den afgevaardigde het volgende zeggen: „Deze maatregelen zijn ons ietwat vreemd voorgekomen, wijl wij in Duitschland de modernistische strevingen steeds hebben afgewezen en ons ervan bewust waren dat althans in Noord-Duitschland dergelijke strevingen niet bestonden. Doch het gevaar voor het Zuiden, ook voor het Zuiden van Duitschland, bestond, en daarom is het begrijpelijk, dat de Cuiie scherpe maabegelen nam, ten einde het Katholicisme tegen gevaien te beveiligen." „Da liegt der Hase im Pfeffer," maar op deze woorden vestigt het nationaal-libeiale orgaan de aandacht zijner lezers nietl --- FEUILLETON. De familie Praetorius. door ANSGAR ALBING. 106) Finder stiet een kreet van verbazing uit, doch vroeg niets. De Senator ging voort op nog zachteren toon: »Ik zal u dan naam van Caesars vader niet noemen, de overleden Amring was het niet; laat u dat genoeg zi.;n... Het is jaren, jaren geleden. Wij kennen den naam evenmin als gij. Wat moesten wildoen? Sinds eeuwen had niemand tegen de eer van onzen naam ook maar het ger.ngsie kunnen inbrengen. Moesten wij ons moreel ten gronde richten? Neen. Na langdurige beraadslagingen werd een uitweg gevonden: mijn vrouw en ik namen het arme schepsel, dat toch niet boeten kon voor den misstap zijner ouders, aan als ons eigen kind. Wij hadden nog geen kinderen. Van bad Pyrmont uit werd het geboortebericht de wereld ingezonden. Le comedie, welke mijn arme Helene daarbij meest spelen, legde de kiem voor haar langdurige ziekte. Zij schenk later mij weliswaar vele jaren later mijn Herman, doch zij zelf kwijnde langzaam weg. Toen mijn ouders stierven, wisten neg alleen — Julie, ik en Helene van het gé;eurde, behalve een oude dienstbode, die thans ook al docd is. Mijn zuster trouwde met Amring. Noch Herman noch Caesar kennen het geheim. Val mij thans niet in de rede, want anders vind ik misschien de kracht niet meer, om üit te spreken. De eer der familie was dus gered. Maar zonderling: met Caesar viel niet veel te beginnen. Van kindsbeen af was hij bij de hand, maar süjfhcofdig, onhandelbaar. Juist als zijn mceder in haar jeugd, geheil alwijkend van de overigen uit onze familie, lichtzinnig tot het uiterste. Er was geen opvoeden aan. Doch .genoeg daarvan — icen hij meerderjarig werd, zag ik graag dat hij compagnon werd van mijn zwager Albrecht Brewer, want een ding is waar: Caesar is een uitstekende kop. »Brewer was niet slecht met hém af, want Caesar werkte hard. Wel gat hij ook heel groote sommen geld uit voor zijn vermaak, en daarom ook heeft mijn zwager tot op den fruidigén dag met hem geen contract willen-afsluiten, ofschoon Caesar zelf dit verlangt. Nog niet zoolang geleden was ik van plan geen testament te maken. Dan zouden mijn beide zoons — als zoodanig gelden, zij immers voor de wereld en voor wet — mijn wettige erfgenamen zijn geworden. Maar, zooals ik zeide, met Caesar ging het niet. Nu hebben zich onlangs nieuwe gjjvallen voorgedaan, die het mij tot gewetensplicht maken aan Caesar niet dezelfde rechten toe te kennen als aan mfnkind Herman. Caesar is op het oogenblik niet in Brazilië, maar in Monte Carlo. Vraag mii niet}, ik zal toch alles medcdeelen! Zooals ik dan zeide, zijn er dingen voorgevallen, die mij niet rustig laten sterven, als ik den ondankbaren jengen gelijk stel met mijn kind. De moeilijkheid is nu maar deze, hoe ik het testament zoo kan opstellen, dat het juridisch standpunt onaantastbaar blijft, en de wereld toch niet te weten komt, van wien Caesar een zoon is. De eer mijner familie moet onbesmet blijven. Ik verwacht mijn zuster ]ulie spoedig van Leipzig terug. Dan zal ik aanstonds met haar en met mijn advocaat de zaak bespreken. Het testament moet er komen. Gij, m'n beste professor, zult mij, een beklagenswaardige, tachtigjarigen srijsaard, niet weigeren de laak van execu.eur te aanvaarden —« j» Goede, beste m'neer de Senator, hce kan ik in zulk een moeilijke zaak met de vereischte omzichtigheid handelen? Hebt gij nooit gedacht aan jaresidendt Brewer?» »Misschien zou hij de andere executeur kunnen zijn. ik zelf heb daaraan herhaaldelijk gedacht. Maar ziet ge, bteste Finder: Herman is uw vriend. Hij houdt van u. Aan uwe beschikkingen zal hij zich hst gemakkelijkst onderwerpen. Daarenboven hebt ge slechts uit te voeren wat ik bij testamentaire beschikking bej^alen zal. Zoudt gij aan den schoolvriend van uw vader dezen dienst willen weideren? Ik stel vertrouwen in tl. Gij hebt, teen gü katholiek zijt geworden, een langen, zwaren strijd moeten doormaken- Ten slotte zijt gij uw meest innerlijke, beste overtuiging gevolgd. Dat eerbiedig en bewonder ik, al heb ik mij over den door u gedanen stap zoo peëergerd, dat ik u een tijdlang slecht behandelde. Maar ik heb u toch lief — uit geheel mijn hart. U kan ik vertrouwen. Wilt gij rr,'i dus den laatsten dienst bewijzen, dien ik u in dit leven misschien vragen kan?« »Neen, neen«, riep Finder, van zijn stoel opspringende, »een dienst wil ik u bewijzen — gaarne, de Hemel weet het, maar niet den laatsten! Wees overtuigd van mijn (oewi'ding, maar spaar u zelven, gij zijt zoo ontroerd.« »Eerst moet ge alles weten. Voorloopig min dank voor uwe bereidwilligheid. Wat is God goed, dat Hij mij op den avond van mijn ieven nog zulk een trouwen vriend schenkt! Lalen we thans samen eenige brieven van Caesar lezen, die ik bewaard heb; wacht, ik zal ze halen — wie klopt daar nu weer? Binnen?« De • huisknecht diende Senator Göhringaan... mijnheer kwam voor e;n gewichtige zaak. »Laat mijnheer den Senator binnen komen. Jammer, dat wij verstoord worden, beste professor. Misschien gaat hi; weer gauw weg. Blijf maar hier; zoon heef van de politie heefi n:et te veel tijd over.* Toen Göhring binnengetreden was, vroeg de professor na de eerste begroeting toch, ot hij zich mocht verwijderen. »0 neen, blijft hier, als 't u belieft*,. zeide politieman, »het is geen geheim, dat ik heb mede te deelen.* En hij haalde uit den zaak van zijn wijden ulster een pakje te voorschijn en begen dit open te maken, ferwiil h" gil"1" lachend zeide: >U zult een croole verrassing beleven, mijnheer de Senator, en riij rmsscnieu zeer dankbaar zijn. Kijk eens — kent p;j dit kostbare parelsnoer?» »Om Gods wil, senator, waar komt dat vandaan?» riep de oude heer verbleekende en naar het sieraad grijpende. «Nietwaar, dat is een verrassing?» «Senator, zeg*, kuchte Praetorius, »hce — waar vandaan — hoe komt dit deracd in uw handen?* »De vreugde maakt u zenuwachtig!* »Geef hier!* Praetorius rokte het tncer vn zijn handen en wierp het aanstonds daa[°P> alsof hij zich aan de paarlen gebraiid had, ver van zich weg op het tapijt. Met sidderende handen klampte hij zich vervolgens vast aan de zijleuning van zifn stoel. Verbluft vroeg de politieman: »Komaan? Wat heb ik voor onheil gesticht?* . Ook Finder begreep de manier van doen van den grijsaard niet. Deze ceed zich zelven geweld aan en zeide na een onbehaaglijke pauze: »Als ik u bidden mag -•).'■> komt gij aan deeen collier?* Daarbij wees hij met de rechterhand op een leuningstoel. Senator Göhring knoopte zijn ulster los — de professor nam hein dien hoffelijk af — en ging zitten. Vol verwachting keek Praetorius hem aan: »Vertel toch, aS 't u belieft, Senator!* (Word* vervolgd.) --- PRINS LUITPOLD JUBIIA IS. Het koninkrijk Beieren zal Zondag een feest vieren zooals er in de geschiedboeken van eenig land wellicht nog nimmer een werd opgeteekend — den negentigsten verjaardag van zijn prins-iegent Luitpold. Geheel Duitschland neemt deel aan de hulde, die bij deze gelegenheid wordt gebracht aan een vorst, voor wien in zijn land slechts haiten kloppen vol geestdrift en sympathie en op wiens feestdag — ook buiten Beieren's en Duitschland's grenzen — geen andeie stemmen ver,omen worden dan die van liefde, eerbiedige vereeiing of hoogachting. Sinds den lOen Juni 1885 — diie dagen vóórdat zijn neef Lodewijk II een zoo tiagischen dood vond in het Starnbergermeer — bestuurt deze stoere Wittelsbacner het koninkrijk Beieren in naam van zijn — thans 63-j'arigen —neef Otto, die met een door nevelen omfloersden geest in stilte en vergetelheid een plantenteven leidt, op het kasteel Fürstentled. In de schoone bisschopsstad Würzburg, in een der fraaist gelegen kasteelen van geheel Duitschland, zag Luitpold Karel Jozef Willem Lodewijk als derde zoon van den toenmaligen kroonpiins Lodewijk van Beieren den 12en Maart 1821 het levenslicht. Reeds op zijn veertienden verjaardag kreeg de knaap, die een bijzondere voorliefde toonde voor het wapen der artillerie, zijn benoeming aU kapitein bij het'eerste Beiersche artillerieregiment, en met levendige vreugde begroetten officieren zoowel als manschappen „Beieren's eersten kanonnier." Na in 1841 zijn bevordering te hebben ontvangen tot kolonel, werd hij zeven jaar later luitenant-generaal en chef der Beiersche artillerie en vervolgens inspecleur-generaal van het geheele Beiersche leger. In den oorlog tegen Pruisen — 1866 — werd hij op den 25 Juli, in een heet gevecht tegen de Pruisische overmacht, zwaar gewond. Vier jaar later zou hij, na iniusschen Beieren's weerkracht volgens Pruisisch model hervormd te hebben, met de Noordduitsche troepen den Rijn overtrekken en in den bloedjgen strijd tegen Frankiijk getuige zijn van de heldendaden zijner Beieren. Meer dan zeven maanden leidde hij het harde leven van den veldlocht, om ten slotte op 3 December 1870 in naam van koning Lodewijk II aan den grijzen Wilhelm van Pruisen den briet te overhandigen die op den 18en Januari 1871 in de spiegelzaal te Versailles de wereldhistorische gebeurtenis der keizersproclamatie ten gevolge had. Destijds vermoedde prins Luitpold voorzeker nie*, dat hij eenmaal geroepen zou worden, om den Beierschen troon te bestijgen. Deze roeping bracht hem de voor het Beiersche volk zoo schrikwekkende dag van 13 Juni 1886, toen de door zijn volk zoozeer gevierde koning Lodewijk II den dood gezocht en gevonden had en de onmacht tot regeeren van diens broeder Oito prins Luitpold als den naasten aanverwant aan het roer van Staat riep. Den 26e daaraanvolgende legde hij als prins-regent plechtig den eed af en sprak daarbij o. a. deze woorden: „De oude koningstrouw der Beieren heeft zich opnieuw schitterend getoond in deze motilïjke en verschrikkelijke omstandigheden, die mijn geheele Huis en het koninkrijk yeréenigd hebben in hetzelfde gevoel van rouw. Op den avond mijns levens legt de Voorzienigheid mij den zwaren plicht op de teugels der regeering ter hand te nemen. Moge het mij vergund zijn, tot welzijn van het trouwe en door mij zoo innig geliefde land met vrucht te kunnen arbeiden." Hoe heerlijk is deze wensch in vervulling gegaan! Welk een schat van weldaden heeft de vijf-en-twintig jarige bestuursperiode van dezen Nestor der Europeesche vorsten gebracht aan Beieren en het Beiersche volk! Kunsten, wetenschappen, handel, industrie, landbouw, wetgeving, weerkracht, alles —de jubilaris mocht het gisteren bij de nationale huldiging in het paleis te München met volle recht in zijn dankwoord op de rede van prins Loewenstein, den voorzitter, van de Kamer der Rijksraden, verklaren ■—nam gestadig toe in frissche ontwikkeling en bloei, terwijl (en dit zal heel Beieren eenparig getuigen) onvermoeide plichtsbetrachting en vaderlijke zorg voor de rechten zijner onderdanen, gepaard aan een uit diepe overtuiging vooitspruitenden godsdienstzin en een innemende hartelijkheid in het verkeer met zijn volk dezen heerscher kenmerkten. Intusschen bleven de rampen des levens ook aan piins Luitpold niet bespaard. Den 10 Maart 1864 stierf zijn broeder, de populaire koning Maximiliaan II op den. 2eu April van datzelfde jaar zijn zuster, aartshertógin Hildegarde, en ruim drie weken later zijn gemalin, prinses Ferdinande van Toskanen, met wie hij twintig jaren gelukkig gehuwd was geweest. Drie dooden in zijn allernaaste omgeving binnen twee maanden tijds 1 In 1906 verloor hij zijn kleindochter Maihilde en in 1908 zijn zoon Arnulf. Zóó bereikte prins Luitpold, als ieder ander bepioefd door menschelijk leed, en zich zelven geen enkelen aibeid van staatszaken en regeeiingszorgen besparende, den buitengewoon hoogen ouderdom van negentig jaren. En met welk een ongekende frischheid van geest en bewonderenswaardige gezondheid des lichaams viert de jubilaris,,wiens spieien en zenuwen door bosch- en berglucht, door matig leven, lichaamsoefeningen eu jachtbediijf ges.aald schijnen te zijn tot een onverwoestbare kracht, dezen dag! Met zijn martiale gestalte gelijkt hij een dier reusachtige knoestige boomstammen uit de eeuwenoude bergbosschen van zijn vaderland. Kenschetsend is de wijze waaiop hij, eenige dagen geleden, in een schiijven, gericht tot den minister van EertJienst Von Wehner, uiting gaf aan de dankbaarheid, welke hem bezielt bij het bereiken vaneen patriarchalen leeftijd schier zonder de gebreken van den ouderdom te kennen. „Mijn hoogen leeftijd en krachtig gestel", aldus de jubilaris, „dank ik naast God vóór alles aan de versterking en het harden van mijn lichaam van mijn jeugd af. Het is mijn wensch, dat de rijke zegen, die voortspruit uit de lichamelijke ontwikkeling, ook het deel worde van de jeugd van mijn land. Ten einde onder dit opzicht de reeds bestaande instellingen op werkzame wijxe te ondersteunen, bepaal ik, dat elk jaar aan de middelbare scholen gedurende het zomerseizoen tot het houden van een schoolfeest een dag vrijaf worde gegeven, waarop het resultaat der lichamelijke ontwikkeling door openbaie iurnoefeningen en lürnwedstiijden kan worden nagegaan. Tegelijkertijd'sticht ik voor elke plaats, waar zich een of meer middelbare scholen bevinden, een medaille, die telken jaar als eere-prijs aan die instelling of schoolklasse zal worden toegekend, die bij de tuinoefeningen of wedstrijden van het schoolfeest heeft overwonnen." Zóó leeft deze negentigjarige populaire vorst nog met hart en ziel het leven mede van zijn tijd. Met trots en vereering ziet Beieren en heel Duitschland op tot dezen waaidigen regent, die èn als vorst èn als mensch (trooster en helper van ontelbare armen en behoeftigen) èn als zoon der Katholieke Keik op zoo schitterende wijze de wapenspreuk in eere houdt der Wittelbachers. Vast in detiouw, „in Treue fesf'. Moge Beieren zich nog lang verheugen in het bezit van zijn beminden prins-regent Luitpold 1 --- VAN ONS PARLEMENT. TWEEDE KAMER. 9 Maart. Minister Kolkman's verjaardag. — Zijne verdediging. — Hij krijgt zijn zin. Minister Kolkman was heden jarig. De meest pleizierige wijze om dien dag te vieren is nu juist niet om in de Tweede Kamer een zoo weinig sympathiek ontvangen belasting-ontwerp te verdedigen als de verhooging der successierechten. Heel den dag zweefde bovendien hem boven het hoofd het aangenaam vooruitzicht, om ook den avond no^ in net Kamergebouw le moeten doorbrengen, maar na de pauze werd de avondzitting dan toch afgelast, mits men heden met de algemeene beschouwingen klaar kwam. En men kwam klaar, al werd het dan ook op slag van vijven. Den avond kon de Minister dus aan zijn gezin wijden. En wel onder pleizieriger vooruitzichten dan gisteren, want de sland van zaken lijkt me iets beter dan gisteren. De heer Patijn, die heden zijn rede voortzette, kwam aan het slot tot ein conclusie, die ik gisteren, gehoord het eerste deel, niet meende te mogen verwachten. Als men waarachtig meent, dat, in zijn geheel genomen, ons Nederlandsch belastingstelsel door aanneming van dit wetsontwerp zal achteruitgaan, dan kan men toch moeilijk vóórstemmen. Toch zullen de heer Patijn en zijn vrienden dit doen, zooals hij aan het slot van zijn rede veitelde; iij aanvaarden dit ontwerp op „afbetaling". Op afbetaiing, omdat de linkerzijde, dit staat nu wel vast, als zij nog eens ooit de baas wordt, heel wat meer uit de successie halen zal. De heer Vliegen stelt nu al voor 11 a 12 millioen; de heer Treub noemde geen bedrag en de heer Patijn wil zelfs tot 4 pCt. gaan in de rechte lijn. Hoe dit zij, zij zullen niet tegenstemmen dus. Ook uit den anti-revolutionairen hoek kwam nu een ander geluid dan de barsche verwijlen van den heer Van Asch van Wijck. De heer Middelberg kwam namens „vele partijgenooten" verklaien, dat zij het ontwerp zullen aanvaarden, omdat het is een „welgeslaagd compromis". M. a. w. de heer Van Asch van Wijck zal blijven staan in een kleedingstuk, dat men in den regel niet noemt. Geen wonder, dat hij mopperend in de Kamer rondliep. Het sterkste van alles is, dat ook de heer De' Wijckerslooth in zijn iepliek kwam verklaren, dat hij toch maar vóór zou stemmen. Ik moet zeggen, dat deze afgevaaidigde gauw tevreden is. Het deed mij denken aan de historische kinderhand. Gisteren zei hij, dat hij zich alleen zou la'en vermuiwen, als de Minister toezegde, zijn armen landbouwers en boeren genadig te willeh zijn bij het invoeren van de Rijksinkomstenbelasling. Heden beloofde de Minister, dat hij dit eens wilde „overwegen" — welke belofte met het gebruikelijke lachsalvo ontvangen werd — en reeds verklaarde de afgevaaidigde van Wijk bij Dunrstede, dat hij met die belofte zeer voldaan was. Enfin, dat is er dus weer een. Alles bij elkaar is er weinig vrees meer voor veiwerping, want ook de sociaaldemocraat Vliegen was buitengewoon mak in zijne repliek. Men kan zich over een en ander niet anders dan veiheugen. Het ware toch al te gek geweest een bevrienden Minister — en dan een als de heer Kolkman — den nek te breken over een ongelukkige elf ton. De Minister was dan ook zelf wel het meest verbaasd geweest over de veelhoofdige oppositie en niet ten onrechte begon hij met te zeggen, dat hij bij zooveel sritiek van bevriende zijde haast spijt had, dat hij daar ooit achter die groene tatel was gaan zitten. Ja, dat begrijp ik, er was heusch veel overdrevens in. En heel de uitstekende verdediging van den Minister was dan ook een voortdurend preludium op het bekende: pourquoi tant de bruit pour une omelette! Echt op zijn Kolkmansch — d. w. z. nuchter en praktisch — gooide hij al de belastingtheorieën naast zich neer, lap e hij heel de geleerde en quasi-geleerde rommel eenvoudig aan zijn laars. Sprenger van Eyck, Gleichman, Pieison, Treub, Leioy-Beaulieu en hoe de financieele specialiteiten meer mogen heeten, zijn hem geen aankijken waard, het „engagement légal" -*- d. i. de overeenkomst waarop in 1878 de volksvertegenwoordiging de successiewet aanvaardde — kan men van hem cadeau krijgen; de spitsvondige verdeeling tusschen directe en indirecte heffingen niet! dan phrasen. Er moet geld zijn en hij, Minister, moe, zorgen, dat het er komt, voila tout. Welnu, een der middelen is deze wet. Impopulair is dit soort wetgeving niet, het publiek betaalt gaarne in dit soort belasting. En wat hij nu ter verbetering en meerdere heffing heeft voorgesteld, gaat waarlijk in een gezond democratische richting. De kleintjes worden ontlast, de grooten betalen wat meer. Bij elkaar komt er elf ton meer uit. Dat is de moeite niel, om er zooveel „misbaar" voor te maken. Letterlijk zijn dit de woorden van den Minister. Al die angst voor het te zwaar belasten van het onroerend vermogen is overdreven, de boeren maken het tegenwoordig goed. Het is ook volstrekt niet waar, dat het roerend bezit bevoordeeld wordt door het afschaffen van het onbillijke recht van overgang. In plaats van te spreken van afschaffing van dit recht kan men beter spreken van samensmelting met het successierecht. Zoo verdedigt de Minister ook het recht van progressie. Dat ligt precies in 's Ministers lijn: de duiten halen, waar ze het best gemist kunnen worden. Het is wel jammer, dat ook de rechte linie het moet ontgelden, want dit recht is den Minister altijd als een onrecht voorgekomen, maar het kan nu eenmaal niet anders. Trouwens veel is het al weer niet. En die nu gewetensbezwaren heeft, die „moet dan maar tegenstemmen". De Minisier zal dat niemand kwalijk nemen, hij kan er ook niets aan doen. Het zal wel losloopen, zooals we boven gezien hebben; Minister Kolkman krijgt zijn zin wel. En als ik dan wat wenschen mocht, dan zou het zijn, dat ik in de eerste 11 ton een flink stuk zou moeten bijdragen. En gij, lezer? W. --- BINNENLAND. Amsterdam, 10 Maart. UIT FRIESLAND. Een schipbreuk. —• Enrgratie. — Nog steed;. hooger. — Openbare leeszalen. De heeren K. de Jong, accountant, te 's-Hage, en C. de Vlaming, te Amsterdam, hebben dezer dagen nopens den stand van zaken der strookartonfabriek te Leeuwarden een rapport uitgebracht, en ter griffie van de arrondissements-rechtbank gedeponeerd, welks conclusie inhoudt, dat de crediteuren niet op volledige betaling hunner schuldvorderingen zullen kunnen rekenen, weshalve een faillissement zal moeten volgen. Volgens voornoemde deskundigen is n.l. het voor een stroocartonfabriek benoodigd kapitaal niet meer aanwezig; terwijl evenmin veiwacht kan worden, dat onder de gegeven omstandigheden deze oi gene kapitalist volgaarne de daarvoor noodige specie beschikbaar zal stillen. Tot nu toe zijn toch alle pogingen mislukt, om een combinatie in het teven te toepen, die óf de fabriek met toebehooren in haar geheel overnam, öf in staat zou zijn, het voor haar reorganisatie noodige geld te fourneeren. Die geringe overname-trek kan geen verwondering baren aan hen, die weten, dat heden ten dage de meeste stroocartonfabrieken aan haar ondernemers weinig of geen winst opleveren. Evenmin kan men zich verwonderen over het mislukken der pogingen betreffende het vinden van het voor de bedrijfsreorganisatie vereischte kapitaal, wanneer men die ook door het bedoelde rapport belichte reorganisatie-voorwaarden in verband brengt met de sinds 1902 geleden verliezen. Deze verliezen verslonden n.l. niet alleen de gedurende het tijdperk 1896—1901 gemaakte winsten, maar tastten ook zoodanig het maatschappelijk kapitaal ad f 1,800.000 aan, dat dit einde Dec. 1906 geheel verloren was. Of de herinnering aan de in de periode 1896— 1901 en met name in 1900 gemaakte winsten voor de vennootschap een beletsel geweest is, om, voordat het te laat was, het spreekwoord in practijk te brengen: als het getij verloopt, moet men de bakens verzetten? Stof voor een antwoord op deze vraag bevatten o.i. de door de heeren rapporteurs De Jong en De Vlaming gemaakte opmerkingen, omtrent de hooge productiekosten, de dito onderhoudskosten en de daarentegen te lage afschrijvingen op gebouwen en machinerieën. „Een behoorlijk bedrijfsadmiotstratie", — aldus werd in verband met deze gebreken door de beide voornoemde accoun'snts verder geconstateerd — met prijsberekening, zooals in een fabriek vam dezen omvang geeischt mocht worden, tras niet aanwezig. Ware indertijd een dergelijke fabrieksboekhouding ingesteld, vermoedelijk zou men dan ten halve zijn gekeerd, mi plaats van ten heele gedwaald." D«ze verklaring zal voorzeker door crediteuren beaamd worden. Volgens den door beide boven meeröralen genoemde deskundigen in hun rapport opgenomen staat van baten en lasten op den 34en Jan. j.l. bedroeg n.l. het actief f 248,220.-36, of f 345,758.48 „minder" dan het passtef. Evenmin als er redelijkerwijs aan getwijfeld kan worden, dat dit nadeelig saldo voor menigeen der betrokken schuldeischers een belangrijke schadepost zal zijn, kan niet ontkend worden, dat de sluiting en a.s. opheffing van de Leeuwarder Stroocartonfabriek voor de daarin werkzaam geweest zijnde arbeiders in economisch opzicht een ramp genoemd moet worden. Bewijsmateriaal voor de waarheid dezer laatste verklaring valt te putten niet alleen uit de „recente" advertenties in de „Leeuw. Ct.," waarin om stoffelijken steun voor de ontslagen arbeiders der stioocartonfabriek gevraagd werd, maar nog meer uit de niet zeldzame onoverkomelijke hinderpalen, welke velen van hen reeds gevonden hebben en vinden in den strijd voor het veroveren van een menschwaardige plaats aan den levensdisch. Behalve uit de zooeven genoemde steunpetities blijkt de zonneklaarheid van dit feit uit de emigraüeberichten, welke tegenwoordig door de Friesche locale Pers opgenomen worden. Volgens een dezer berichten zijn verleden jaar uit onze provincie vertrokken 163 gezinshoofden en 310 vrijgezellen, van wie er 32 welgesteld, 399 mingegoed en 42 behoeftig waren. De meesten van hen veilieten onze provincie met het doel, om in Amerika of Duitschland een beter bestaansmiddel te vinden. Vermeerderd men de beide vermelde emigranten-getallen met de 140 vrouwen en 312 kinderen der gezinshoofden, dan kan men aan de weet komen, dat onze provincie verleden jaar door vertrek naar het buitenland circa 900 van haar inwoners kwijt geraakt is. Dit verlies dreigt dit jaar nog grooter te zullen worden. Alleen uit Heerenveen e.o. en uit het dorpje Oldeboorn vertrekken toch over een paar weken iesp. 30 en 10 personen naar de Nieuwe Wereld. Groot is tegenwoordig ook weer in de gemeente Wonseradeel, alsmede feolsward de trek naar Amerika. Uit deze stad en uit onderscheidene plaa'sen der voorgemelde gemeente, als Hichtum en Aium, maken zich gezinnen gereed, om binnenkort te vertrekken. De gunstige berichten, alsmede uïtnoodigingen, hun voorbeeld te volgen, welke die huisgezinnen van hun in het verre Westen gevestigde bloedverwanten meermalen ontvangen hebben, zijn voorzeker aan hun land» verhuizings-plannen allesbehalve vreemd. Nog overvloediger dan de emigratie-berichten zijn de huidige mededeelingen omtrent de voortdurende stijging der reeds hooge koopen huurprijzen van boerderijen en „losse" landerijen. Greidplaatsjes van 7,35 è 11 H.A. in Wonseradeel, brengen thans evenveel huur op, als 15 jaar geleden bouw- en greidplaatsen van 36% H.A. Boerderijen, welke toen gekocht werden voor f 3000 het pondernaat, of 36% A, zijn thans zoo prijzig, dat men de huur wel op f 40 a f 50 per pondernaat stellen mag. De huuiprijzen van z.g. losse landerijen stijgen nog wel f 20 hooger. Ook de andere bouw- en greidstreken onzer provincie leveren overvloedige stpf voor het vermelden van dergelijke berichten op. B.v. het dorp Haulerwijk, waar de prijzen der kleine en groote keuterijen hoog beginnen te worden. Vooral is dit het geval met de z.g. huisplaalsen, welke in de kom van het dorp zoo maar per „spint" (een 75e deel van een H.A) voor f 100 verkocht worden. Op de vraag, of als gevolg van dergelijke koop- en huurprijzen het bedrijf van pachtboer nog een bestaan opleveren kan, meenen wij te moeten antwoorden: Op het greidgebied wel; mits eerstens de vee-, melk-, boteren kaasprijzen zoo hoog zijn als sinds geruimen tijd het geval is, en tweedens de oogst van het grasgewas den veehouder in staat stelt, op een greidplaats van dezelfde grootte in stede van gelijk vroeger 15, 25 koeien te voederen. Dalen de prijzen der voornoemde drie producten, of mislukt wegens erge droogte of enormen regenval de hooi- en grasoogst dan moet op die vraag een ontkennend ant woord gegeven worden. De openbare leeszaal te Sneek is de vorige maand bezocht door 1432 personen. Wie een open oog en hart heeft voor de gevaren, waaraan jeugdige personen blootgesteld worden, wanneer op het gebied van litteratuur zoowel groene als rijpe vruchten onder hun bereik liggen, kan zich o. i. over die drukke nering der Sneeker leeszaal niet verheugen. Evenmin is de algemeene bekendheid omtrent den weinigen trek van een groot deel van het lezend publiek in ernstige lectuur in staat, de profetie in vervulling te doen gaan, dat de openbare leeszalen het wetenschappelijk peil vau ons volk verhoogen zullen. In Detiekking lot de hoofdstad onzer provincie meenen wij als lichtstraal reeds thans te mogen eon stateeren, dat verwezenlijking der daar in het werk gestelde pogingen tot stichting eener Kath. leesïtaal aan de klandizie der neutrale openbare loesgeltgenheid niet weinig afbieuk doen zal. FRISIUS. ---