Hongaars nummer van De Tweede Ronde BIJEEN GELEZEN Het literair tijdschrift De Tweede Ronde blijft verrassen. Na een Vlaams nummer heeft het nu een Hongaars nummer uitgebracht, dat een boeiend uitzicht Diedt op de literatuur van het communistisch geregeerde land der Magyaren. Over de hedendaagse Hongaarse schrijvers en dichters is in Nederland vrijwel niets bekend, ondanks al het dierbaar gepraat over het ene Europa van de geest, en de cultuur van de Atlantische Oceaan tot de Oeral. De uit Hongarije afkomstige Erika Dedinszky, die dit Hongaarse nummer heeft verzorgd, zoekt naar de oorzaken van deze geringe Nederlandse belangstelling. Er zit, volgens haar wel iets in de veronderstelling, dat Nederland eigenlijk niet echt bij Europa hoort. Het is een Atlantisch land, dat wat instelling en interesse betreft veel dichter bij Engeland en Amerika staat dan bij net oude Midden-Europa. De Hongaarse literatuur geniet vooral sinds 1968 een voor Oost- Europa ongekende mate van vrijheid. Partijleider Janos Kadar zegt het zo: „Wij weigeren van onze dissidenten martelaren te maken." „Een systeem dat zich tamelijk zeker voelt en voldoende veerkracht en openheid bezit heeft meer aan oprechte kritiek dan aan een explosief zwijgen; dat heeft iedereen wel van „1956" geleerd,", zo constateert Erika Dedinszky. Behalve prozastukken staan er in dit nummer verscheidene door Erika Dedinszky in het Nederlands vertaalde gedichten, ondermeer van de dichter-schilder Béla Kondor (1931-1972), van wiens te- Schets van Ed de la Torre Tijdschrift voor literatuur W'.-__r 1984 Het omslag met een tekening van Lajos Vajda --- DE TWEEDE RONDE kenwerk reproducties zijn opgenomen. Van Imre Pentek, eens een socialistisch realist, is dit cynisch vers „Trotst": „Geen mens heeft het ooit voor me opgenomen, ik moest het zonder aanbevelingsbrieven stellen, niemand belde terwille van mij zijn relaties, tussen minzame bureaus ging het nooit over mij, geen VIP viel ooit onverwachts mijn kamer binnen, familie op sleutelposten had ik evenmin, geen krant liet mij toe in zijn kolommen, dus zeg ik terecht met taaie trots: ik werd een nul, maar wel op eigen kracht." Deze Hongaarse gedichten ademen, evenals die in de kapitalistische wereld, een sfeer van vervreemding, vereenzaming en wanhoop over de absurditeit van het bestaan. Zoals dit gedicht van Neeltje Maria Min, die in deze aflevering van De Tweede Ronde ook weer eens van zich laat horen met tien verzen: „De zoon van ouders die niet meer bestaan/trouwt, legt zijn onschuld af,/krijgt nageslacht./ Eén kind sterft jong/ een ander wordt jong zwanger./ Hij slaat zijn vrouw niet langer openlijk." „De helft van mijn leven heb ik opgezopen . .." heet een triest gedicht van de dichter-schilder Bela Kondor, die in 1972, pas 41 iaar oud, aan zijn woeste leven en alcoholisme ten gronde ging: „De helft van mijn leven heb ik opgezopen,/de andere helft was zon beetje,/ de zin van het geheel, ik zeg: was./ Toen vrat en zoop ik die ook nog eens op./Je kunt er een boel aan toevoegen./ Het scheren, het tandenpoetsen,/ in een boeiende scène over politiek discussiëren./wolvetanden laten staan in schaapskleren./heilige obsceniteiten begaan net/als iedereen naar je kijkt./lk was me nu in een dame schoon; niet dat dat helpt." De afdeling voor Light Verse bevat een pikant nootje: de eerste aflevering van een geïllustreerd „feuilleton" door Charlotte Mutsaers, aanvankelijk bestemd voor NRC/Handelsblad, dat er om redenen van welvoeglijkheid snel mee is gestopt. Zo ver ligt Nederland verwijderd van Hongarije. --- Magister Hocus Pas Op de achterzijde van Abramelijnse magie van Martin Koomen vraagt de tekstschrijver zich af of dit boek nu als een "culte thriller' of als een psychologische roman beschouwd moet worden. Het ligt nu voor de hand om te zeggen: het is beide. Maar aangezien de roman niet echt spannend is en de karakters van de personages niet diepgaand worden ontleed, lijkt het maar het beste om naar een andere omschrijving op zoek te gaan. Welnu, Abramelijnse magie lijkt me nog het meest een satire op de magisch-realistische roman, zoals die met name door Hubert Lampo wordt geschreven. In Lampo's vroegere werk, zoals De komst van Joachim Stiller en Terugkeer naar Atlantis, werd het aardse gebeuren in een geheimzinnig, bovennatuurlijk schemerlicht geplaatst. In zijn latere werk werd er voor allerlei mirakels, occulte zaken en alternatieve kennis een steeds grotere plaats ingeruimd. Zeg maar Judith, zijn laatste roman, was ook weer rijkelijk gestoffeerd met esoterische zaken en paranormale gebeurtenissen. Hierin zien wij hoofdpersoon Geert Claerhout druk in de weer met de studie van boeken, die occultisme, folklore, parapsychologie en mythologie tot onderwerp hebben. Dat hij zich tot deze materie aangetrokken voelt, heeft alles te maken met zijn behoefte om aan de sleur van het alledaagse leven te ontsnappen. In het boek van Koomen gaat het eveneens om een man die zich onbehagelijk voelt in de sfeer van gezapigheid en burgerlijkheid waarin hij langzamerhand verzeild is geraakt. Beroepshalve is hij verbonden aan het 'instituut voor folklore en mythologie', maar zijn functie weerspiegelt zeker ook de emotionele behoefte van deze Charles Davelaere om zich aan de regels en gewoonten van de normale maatschappij te onttrekken. Het kost hem geen moeite om te bekennen dat hij meer op boeken dan op mensen gesteld is. Wanneer hij een roman van de hem verder onbekende auteur Alexander Asselborn in handen krijgt, raakt hij geheel in de ban van dit curieuze geschrift. En zoals ook Geert Claerhout overdonderd raakt van een of andere occulte publikatie en op onderzoek gaat, zo neemt ook Charles Davelaere het besluit om meer over de figuur van Asselborn te. weten te komen. In Asselborns roman Experiment wordt verslag gedaan van de ontwikkelingsgang van een jongeman, die het leven en zijn innerlijk tot in alle uithoeken wil leren kennen. Hij geeft zich over aan een 'woeste zinnelijkheid' en begint tenslotte te experimenteren met de kennis die in de occulte wetenschappen ligt opgeslagen. Via de antiquaar Leo Sprenger krijgt hij het dagboek van Asselborn toegespeeld. Dit bevat aantekeningen over experimenten met een occult systeem, dat ontleend blijkt te zijn aan Het Boek van de Heilige Magie, dat geschreven werd door Abramelijn de Magus. Dit Boek zou door de Engelse occultist Mac Gregor Mathers in een Parijse bibliotheek ontdekt zijn en door hem in het Engels zijn vertaald. Voorts zou de 'beruchte Engelse magiër en dichter Aleister Crowley met dit systeem hebben gewerkt. Deze informatie klopt wel. Zelfs Abramelijn heeft bestaan, al wordt hij meestal aangeduid als Abra-Melin de Jood. In De Heilige Magie wordt ervan uitgegaan dat elk menselijk wezen een ziel heeft waaraan zich zowel een demon als een beschermengel hebben gehecht In dit toverboek worden de wegen aangegeven waarop men met de beschermengel in gesprek kan komen. Zodra dit gebeurd is, kan de tovenaar zijn wil opleggen aan de demonen, die onderhorig zijn aan de engelen. Wie alle stadia van het magiërschap heeft doorlopen, is tenslotte in staat om de lettervierkanten samen te stellen, die als talisman gebruikt worden, en waaraan grote krachten worden toegeschreven. De bibliothecaris van het instituut voor folklore en mythologie komt daadwerkelijk in contact met Alexander Asselborn, al is het duidelijk dat dit in de eerste plaats te danken is aan het initiatief van de laatste. Asselborn dringt zich feiteljk aan Davelaere op; de volgende dag heeft hij diens huis weer verlaten, zonder bericht achter te laten, maar met medenemen van kleding en kostbare spullen. Van meet af aan heeft de bejaarde maar kwieke Asselborn, met zijn indringende blik, die soms groen opglanst of waarin gele lichtjes opflakkeren (net zoals bij magister Hokus Pas uit de Torn Poes-verhalen), een dwingende macht over zijn bewonderaar. Over het verleden van Asselborn komt Davelaere ook het een en ander te weten. Diens naam wordt dan in verband gebracht met landverraad en pornografie. Volgens de antiquaar Sprenger is de persoon van Asselborn het vleesgeworden kwaad. Sprengers moeder was ooit dusdanig onder Asselborns invloed, dat zij te gronde werd gericht. Als jongen werd ook hij zelf door de magiër misbruikt en vernederd. Sprenger beschouwt Asselborn als een incubus, dat is een mannelijke duivel die graag fatsoenlijke vrouwen beslaapt. Nu en dan ervaart ook Charles Davelaere iets van de demonische machten in het karakter van zijn nieuwe kennis: 'Er was iets buitengewoon afstotends in het gezicht dat hij gedurende een fractie van een seconde trok, een trek van boosaardigheid waarin hete drift en gladde, gewiekste wellust om de voorrang streden. Soms voelt hij hoe Asselborns zwarte ogen zich in zijn rug branden: 'Bij het omdraaien en de eerste passen in de richting van de deur was het me te moede alsof ik één moment lang een hete stroom van haat ervoer, een overweldifende golf van boosaardigheid die aar oorsprong in Asselborn vond. Er zijn verschillende visies op Asselborn gangbaar, die door diverse mensen naar voren worden gebracht. Voor de nuchtere en vrijgevochten vriendin van Davelaere, die er steeds op aandringt dat hij de omgang met de magiër moet staken, staat het vast dat Asselborn een profiteur en een oplichter is. Voor Jan Konijn, die zijn baan op het parapsychologisch instituut heeft ingeruild voor het lidmaatschap van een occulte sekte, is Asselborn 'een afgezant van de Ouden, een Meester die ons het pad naar de wijsheid tonen en verlichten kan. Later duikt er ook een psychiater op, die beweert dat Asselborn één van zijn patiënten is en dat hij uit de inrichting ontsnapt is. De patiënt zou een schoolvoorbeeld van een mythomaan zijn die heilig gelooft in alles wat hij verzint. Duidelijk is dat de figuur van Aleister Crowley model heeft gestaan voor Alexander Asselborn. De Engelsman Crowley blies in het begin van deze eeuw het satanisme nieuw leven in. Hij bouwde in zijn leven een kwalijke reputatie op als landverrader, pornograaf, duivelaanbidder en drugsverslaafde. Zijn magische leer (door hem magick genoemd) ging terug op de negentiende eeuwse Franse occultist Eliphas Lévi, op yoga en andere oosterse mystieke kennis, en op seksuele magie. Dat feheel werd verrijkt met de openaringen die Crowley zelf had mogen ontvangen. Hij was van mening dat zijn leer alle bestaande 'slavenreligies' zou wegvagen. Davelaere stemt tenslotte in met Asselborns voorstel om een ritueel op te voeren, waarvan het doel moet zijn om wat meer geluk te brengen in het leven van de bibliothecaris. Half tegen zijn zin, zet de laatste een valstrik uit, maar aan het eind van de roman is het maar de vraag wie nu in de strik gevangen zit. Het is de bedoeling dat de magiër nu een staaltje zal laten zien van zijn Abramelijnse kunsten. Wat Asselborn in praktijk brengt, lijkt eehter nog het meest op de klassieke heksendans. Hij danst namelijk rond binnen een cirkel, die in werkelijkheid juist geen bestanddeel vormt van De Heilige Magie van Abra-Melin, smeert zich met een soort heksenzalf in en roept de Gehoornde God aan. Martin Koomen is goed bekend met de feschiedenis van de Europese ekserij, hij heeft daarover een populair-wetenschappelijke verhandeling geschreven, Het ijzige zaad van de duivel geheten. Ook de aanroep van Asselborn stamt uit het heksenritueel: Eko, Eko Azarak! Eko, Eko Zomelah! Eko, Eko Cernunnos'. Eko, Eko Aradal 'Arada' moet waarschijnlijk Aradia zijn, de Moedergodin ('Cernunnos' is de Gehoornde God). De uitkomst van dit ritueel is positief, meer zal ik er niet over zeggen. Zou Martin Koomen met Abramelijnse magie een lichtvoetige parodie hebben willen schrijven op het magisch-realistische genre van Lampo e.a., dan vind ik zijn opzet zeker geslaagd. Het boek is vaardig en met vlotte pen geschreven, al had het geen kwaad gekund wanneer zinnetjes als 'hij eende weg' en 'iets' vreemds (beleefds, stroefs enz.) minder vaak in de tekst te vinden zouden zijn. Spoorloos, het debuut van Fleur Bourgonje, begint op de klassieke manier van het avonturenverhaal. Hanna is een meisje wie de onrust in het bloed zit, een onrust die ze van haar vrolijke en zwerf - lustige grootmoeder heeft geërfd. Op een dag verlaat ze, met de koffer van oma, het ouderlijk huis en begint aan een reis die haar via Frankrijk naar Zuid-Amerika zal voeren. Ze zal 'overal thuis en steeds ontheemder' raken, om met de dichteres Ellen Warmond te spreken. Het gezelschap van de verdrukten en verworpenen der aarde zal steeds de hare zijn. In korte, afgemeten tafereeltjes schetst ze hun leven van armoede, uitzichtloosheid en (soms) verzet. De Franse episode is alleen vertegenwoordigd met een schets van een groep haveloze vrouwen, die wonen in een voddenschuur, en die de vuilnishopen van de grote stad nazoeken op bruikbaar afval. Hun biografie staat in het teken van ellende en sociaal failliet; ze werden op jonge leeftijd verkracht, in de steek gelaten of door een grootvader misbruikt. Door middel van prostitutie verdienden ze later vaak hun geld. Ook de vrouwen, die in de volgende verhaalschetsen aan het woord komen, en in Chili, Argentinië of Venezuela zijn opgegroeid, vertellen gelijksoortige verhalen. Hun verzet tegen armoede en knechting is dan de weg van diefstal en hoererij. In de gevangenissen, waarin ze regelmatig belanden, komen ze ook andere vrouwen tegen, vrouwen met een betere opleiding die zich op politieke wijze tegen het heersende bewind hebben verzet. Hun lot is meestal gruwelijker - hen wacht de wraakzucht van de martelaars die vaak in verminking en dood eindigt. Hanna schaart zich, in Chili bijvoorbeeld, achter de sociale strijd van deze laatste groep vrouwen: 'We schreeuwden dezelfde kreten in betogingen tegen het fascisme en zwaaiden met dezelfde kleur vlag. .. Drie lange jaren zwoeren we samen tegen net despotisme van vooroordelen en macht. In dit geval wordt Hanna's voorbeeld, een arts, opgepakt en stelselmatig kapot gemaakt in de martelkamer. Hanna wordt, als buitenlandse, slechts het land uitgezet. Zij lijdt mee met de onderdrukten, maar hoeft hun lot niet echt te delen. De beker van smart hoeft zij niet tot de bodem toe leeg te drinken. Hoeveel volle emmers zij ook uit de put der ellende naar boven haalt, steeds is er de wetenschap dat zij over de vrijheid beschikt om weg te gaan, dat zij de vrijheid heeft om te kiezen. Haar lijden is geen lotsgegeven, maar een psychologisch gegeven, dat op de een of andere manier uit Hanna's achtergronden verklaard moet worden. Wanneer Hanna op zeker moment tegen een vrouw zegt dat ze naar Nederland terugtaat, maar dat ze terug zal komen, rijgt ze te horen: 'Jij hoort hier? Hoezo? Je bent toch van daar?' In feite hoort ze nergens meer, niet in Nederland, niet in Zuid-Amerika; ontworteling is haar deel, haar nieuwe vaderland heet niemandsland. In de beschrijving van verbijsterende en wrede scènes hanteert Fleur Bourgonje de sobere Marga Minco-stijl. Veel van haar verhalen ademen de sfeer van de sociaal bewogen reportage. Wanneer ook de fantasie en het gevoel hun deel krijgen, wat soms mondjesmaat het geval is, is het resultaat, in literair opzicht, meteen een stuk interessanter. Nu al zijn vooral de jeugdherinneringen en de stukken waarin het leven van alledag in Andes-dorpen wordt geschilderd, alleszins de moeite waard. De enige vraag waarmee ik blijf zitten is waarom iemand, als een Moeder van de Smarten, zich zo aangetrokken voelt tot het leed en de misère van steeds weer andere mensen. Helaas wordt er op die vraag, in de gedeelten die over Hanna's jeugd gaan, volstrekt geen antwoord gegeven. Misschien een aardige opgave voor een volgend boek. GERRIT JAN ZWIER MARTIN KOOMEN - Abramelijnse magie. Uitgeverij Tabula, Amsterdam. Prijs: ƒ 26,50. FLEUR BOURGON JE - Spoorloos. Meulenhoff, ƒ 22,50. Martin Koomen Fleur Bourgonje --- Museum voor Beierse Sprookjeskoning De regering van de Westduitse deelstaat Beieren heeft besloten, een museum in te richten dat gewijd zal zijn aan leven en werk van de Beierse „sprookjeskoning" Lodewijk 11, die in 1845 op de Nymphenburg werd geboren en die van 1864 tot 1886 koning van Beieren was. Lodewijk II dweepte met de muziek van de componist Richard Wagner en liet in Beieren sprookjesachtige kastelen bouwen, zoals in Neuschwanstein en Herrenchiemsee. Door zijn mensenschuwheid en onverantwoordelijk beleid liep zijn regering volslagen in het honderd. Op 10 juni 1886 nam zijn oom Luitpoid het bewind over als regent. De koning liet zich opsluiten, maar ontsnapte en kwam door verdrinking om het leven. Op zijn honderdste sterfdag, in juni 1986, zal het koning Lodewijk 11-museum worden geopend. Het zal worden ingericht in twaalf zalen van het door hem gebouwde slot Herrenchiemsee. Er zullen ondermeer dokumenten en voorwerpen van de koning en uit zijn tijd te zien zijn. De inrichting van het museum moet dertig miljoen gulden kosten. --- Graf aan de Main In het Mainfrankisch Museum te Würzburg zal van 10 maart tot 5 mei een tentoonstelling te zien zijn, die is gewijd aan de verwoesting van deze Duitse stad aan de Mam in de oorlog. Op 16 maart 1945 werd Würzburg bij een bombardement bijna volledig in puin gelegd. Er kwamen 5.000 mensen om bij dit bombardement, dat de ondergang betekende van één van de mooiste historische steden van Duitsland. Op de expositie zullen 200 schilderijen en tekeningen te zien zijn die tussen 1945 en 1950 van de verwoeste stad zijn gemaakt en verder vele foto's, die Würzburg voor, tijdens en na de catastrofale luchtaanval tonen. Er zal ook een fragment liggen van de bom, die de beroemde Franciscaner kerk in een ruïne veranderde. --- Wending begint 40-ste jaargang Eén van de goede vruchten van de naoorlogse tijd is het maandblad voor evangelie, cultuur en samenleving Wending. Het droes aanvankelijk sterk het stempel van de doorbraak. Nu, veertig jaar later, schenkt het veel aandacht aan de vredesbeweging, de theologie van de bevrijding, de basisbeweging in en naast de gevestigde kerken en het feminisme. Veertig jaar geleden werd in Wending reeds geconstateerd, dat de atoombom als het er op aankomt een hels voortbrengsel is van een cultuur, die zelf tot in haar wortels in een crisis verkeert en daardoor in grote nood is. „Waarin bestaat deze nood? Niet hierin dat wij een revolutionaire wending der tijden beleven, waarin zich de liquidatie van het kapitalistische stelsel voltrekt en onder bloed en tranen nieuwe vormen van economisch en sociaal leven geboren worden .. . De diepste oorzaken van deze verwildering en normloosheid zijn niet te zoeken in de oorlog en de gevolgen van de oorlog, maar in het gemis aan een gemeenschappelijke en gezaghebbende gebondenheid aan hogere waarden." Dat schreef Wending in 1945. Nu, in 1985, is de atoombom nog steeds een hels voortbrengsel van een zieke cultuur. Maar van een liquidatie van het kapitalisme is geen sprake. Er heeft wel een uittocht uit de kerken plaats gehad. Van de opbouw van een nieuwe cultuur op basis van een hogere orde en gezag valt evenwel niets te bespeuren. Men moet eerder spreken van anarchie. In het komend jaar, dat evenals 1945 ongetwijfeld zal staan in het teken van de wending der tijd, wil Wending aandacht schenken aan de no-nonsensefilosofie in de huidige politiek, aan het feminisme en in april aan veertig jaar bevrijding. Het januari-nummer is gewijd aan de bevrijdingstheologie in Azië. Wie over de theologie van de bevrijding spreekt, denkt meestal alleen maar aan Latijns- Amerika. In Azië ontwikkelen zich echter onder de christenen ook ideeën die gericht ziin op bevrijding uit het slavenhuis van economische, politieke en ideologische machten, met name in Zuid-Korea, op de Filippijnen en op Sri Lanka, het voormalig Ceylon. De „Filippijnen bevinden zich niet alleen politiek, tussen El Salvador en Vietnam", maar ook theologisch tussen Azië en Latijns-Amerika, constateert Wending. Waarschijnlijk zijn nog nooit in een land zoveel christenen bewust betrokken geweest bij de voorbereiding van een sociale revolutie. Eén van de bekendste leiders van deze bevrijdingstheologie en -strijd is de rk priester, dichter en schilder Ed de la Torre, die van 1974 tot 1980 gevangen heeft gezeten en nu al sinds 1982 opnieuw in de gevangenis zit. Ed de la Torre onderscheidt drie vormen van lijden: „Er zijn mensen die lijden maar niet strijden,(vanuit ( een fatalisme. Er zijn mensen die lijden en daarom strijden. Dat gebeurt meestal met veel aarzelingen, omdat het een gewapende strijd is, samen met nietchristenen. Zij kunnen niet anders, maar worden nog steeds innerlijk door tweestrijd verscheurd. Tenslotte zijn er die strijden en daarom lijden. Zij hebben de bewuste keuze gemaakt. En daarmee staan ze in de christelijke traditie van het martelaarschap, van een getuigend lijden, dat tevens een belangrijk motief is in de Filippijnse culturele traditie. De verhalen over deze strijd en dit lijden geven nu vorm aan de belangrijkste manier van theologische bezinning, vooral via een mondelinge overlevering: „De opkomende theologie van de strijd neemt de vorm aan van getuigenissen, doordat onze martelaren tot ons spreken na hun dood in hun geloofstestamenten". Op Sri Lanka werkt sinds 1958 de Christian Workers Fellowship, een beweging, die buiten de gevestigde kerk is ontstaan en die het christelijk geloof wil verbinden met de eigen cultuur en religie van Sri Lanka, het boeddhisme en met marxistische ideeën. Bekend is de zogeheten arbeidersmis van deze beweging, die eindigt met een Sri Lankese versie van de Internationale. Vijaya Vidiyasagara legt dit als volgt uit: „De eerste christenen volgden de bevrijdende weg van Jezus Christus, die als Heer werd verkondigd. Ze werden vervolgd en tot martelaar gemaakt wegens hun onverzoenlijk verzet tegen Mammon, hun afwijzen van de goddeloze verering van de machtigen van deze wereld. Vandaag de dag hebben veel christelijke gemeenschappen in de Derde Wereld dezelfde weg in het volgen van Jezus gekozen. Deze kerk, die herboren is door de macht van de Geest onder de uitgebuiten en onderdrukten, houdt de geest van de rebel Jezus levend, die terechtgesteld werd als een opstandeling, een vijand van wet en orde .... Zij identificeert zich met de armen en onderdrukten in hun strijd en verlangens en juicht met de moeder van Jezus, dat God de machtigen van hun troon stoot en de armen verheft, de hongerigen met goeds overlaadt en de rijken met lege handen wegstuurt." --- litaartjes CDA-fractieleider in de Tweede Kamer dr. Bert de Vries: „De drie grote Kamerfracties hadden meer oog voor belangengroepen dan voor het kabinet. Het nauwe contact met pressiegroepen leidde tot een soort corporatisme dat een verlammende uitwerking had op besluitvormingsprocessen." Oud-Vara-bestuurslid 'Milo Anstadt: „Nederland heeft echt geen behoefte aan nóg een Tros. Als de Vara zich niet wezenlijk onderscheidt van de massa-omroepen, rijst de vraag wat de zin van haar voortbestaan is." De nieuwe bisschop van Den Bosch mgr. J. G. ter Schure: „Ik houd heel veel van de kerk en een beetje van de mensen." Dr. W. Beeren, de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam: „Als ik nou lees wat er allemaal aan avontuurlijks verwacht wordt door sommige mensen, vraag ik me af of ze zich realiseren hoe een museumapparaat in elkaar zit. Dat bijvoorbeeld restauratie een enorm belangrijke rol speelt: dat het ook je taak is kunstwerken door de eeuwen heen heel over te brengen." De Amsterdamse wethouder Jan Schaefer, lid van het PvdA-partijbestuur: „De winst in de opiniepeilingen is helemaal niet te danken aan goedkope kreten, die is te danken aan het feit, dat de partij nu eindelijk goed nadenkt over wat ons alternatief moet zijn." PvdA-fractieleider in de Tweede Kamer dr. J. den Uyl: „We willen vermijden de indruk te wekken dat de minima op een absolute manier te garanderen zijn." De r.k.-theoloog dr. Edward Schillebeeckx: „Ik vind het een falsificatie als bisschoppen aansporen tot gebed om meer roepingen, terwijl ze de hindernissen die ertoe hebben geleid dat het aantal sterk is teruggelopen, niet wegnemen." PvdA-voorzitter drs. Max van den Berg: „We moeten duidelijk blijven en tegelijkertijd moeten we laten zien dat we in staat zijn tot regeren. Daarin vast ook een zekere zelfbewustheid en ik moet zeggen: dat gaat ons momenteel aardig af." Mr. J. de Goede wordt deken van de Orde van Advocaten in Friesland. „De voorwaarden voor een goede rechtsvorming zijn kennelijk afwezig bij de Tweede Kamer en wet aanwezig bij de rechtspraak". Wethouder Schaefer over PvdAvoorzitter Max van den Berg: „Eén van zijn trucs: de agenda volproppen met onbenuttigheden en gewichtige zaken zelf of met het dagelijks bestuur rege- Theoloog Schillebeeckx: „De meeste bisschoppen zien niet in dat men nu zijn geloof veel kritischer beleeft. In plaats van hier op in te spelen en de mens te helpen, slaan de bisschoppen met hun dogmatische uitspraken en veroordelingen steeds meer kapot. Het woord Gods wordt de gelovigen als een baksteen toegegooid." Prof. dr. Karel van het Reve: „ledereen die boven de veertig is, wil de wereld zo veel mogelijk handhaven zoals-ie is. Als de katholieken de rites in het Latijn afschaffen, dan heb ik daarover de pest in. Als de padvinders niet meer op houtvuren koken, vind ik dat ook niet goed. Ik heb grote verachting voor het gedoe van de padvinders en voor de katholieke kerk heb ik ook geen goed woord, maar ze moeten wel blijven wat ze zijn." Minister mr. drs. L. C Brinkman van WVC: „Je moet nee durven zeggen in de politiek. Niet erom heen blijven draaien. Ook in het Hilversumse, anders ben ie geen knip voor de neus waard." Cellist Armer Bijlsma: „Wat de grote componisten betreft: ze leven in ons denken, nemen iedere generatie een andere gedaante aan. Onze Beethoven is een heel andere dan de Beethoven van onze vaders. En de Beethoven van Hans von Bülow was een andere dan die van Hanslick of Brahms." Prof. dr. Van het Reve: „Zo is ook met de CPN. Die hoort achter Tsjernenko aan te lopen en het democratisch centralisme aan te hangen en alle anderen er meteen uit te gooien want dat zijn verraders en provocateurs. Zo ken ik de CPN] zo ben ik er mee opgegroeid. Nu zijn het een stel lesbische vrouwen die over zeehondjes praten en zo. Wat moeten we daar nou mee?" „VVD-fractieleider in de Tweede Kamer drs. Ed Nijpels: „Ik zou het heel vreemd vinden als Wiegel, die net twee jaar Commissaris van de Koningin is, dat ambt zou willen ruilen voor een hoogst onzekere toekomst hier. Voor alle duidelijkheid: Hans wenst dat zelf ook niet." CDA-voorzitter P. Bukman: „Het spijt me natuurlijk, dat Van Commenee heeft bedankt voor het CDA, dat geldt voor elk W dat vertrekt. Maar ik vind het niet zon adequate reactie, stel je voor dat elk CNV-lid zou bedanken als hij het op een bepaald onderdeel oneens is met het CNV-beleid". ---