BERNARD HAITINK TOEKOMSTIG DIRECTEUR ROYAL OPERA Leve de opera! Een keer per jaar meldt zich bij het gebouw van de Royal Opera in Covent Garden, hartje Londen, een oude dame met een zakje in haar hand waarin honderden van haar eigen haren zitten. Het is het resultaat van een dagelijkse en frondige inspectie van haar haarorstel. „Voor de opera", zegt ze, terwijl ze het zakje aan een portier overhandigt. Die geeft de haren weer aan Ron Freeman, die verantwoordelijk is voor make-up en pruiken, en die elk jaar hetzelfde met de gift doet. Hij bekijkt het zakje even peinzend, en gooit het in een prullenmand. „We bedanken haar natuurlijk hartelijk", lacht Freeman. „Maar die haren zijn niet te gebruiken. Pruikenhaar moet van zeer hoge kwaliteit zijn. De haren moeten zon beetje even lang zijn, dezelfde kleur hebben. Het moet dik, „We bedanken haar natuurlijk hartelijk", lacht Freeman. „Maar die haren zijn niet te gebruiken. Pruikenhaar moet van zeer hoge kwaliteit zijn. De haren moeten zon beetje even lang zijn, dezelfde kleur hebben. Het moet dik, mooi haar zijn". „Zoiets", zegt hij, „en pakt een paar bundels haar uit een la, die hij met een klap op een kastje legt. „Dat is pas haar. Het komt tegenwoordig meestal uit Azië. Soms kun je ook wel pruikenhaar uit Polen krijgen, maar dat is heel duur, al gauw meer dan 60 pond (250 gulden) per 500 gram". Niet iedereen gaat in zijn liefde voor de opera zo ver als de harensparende dame die jaarlijks haar oogst komt brengen. Het is evenwel een niet te loochenen feit dat de opera in Engeland (maar daar niet alleen) populair is, en zelfs „trendy" lijkt te worden. Malcolm McLaren, die men met enig recht een hogepriester van de pop-muziek mag noemen, een man met een fijne neus voor wat morgen op de hitlijsten staat en in die kwaliteit onder meer de „ontdekker" van de punk-muziek en Boy George's Culture Club, heeft het onlangs duidelijk gezegd. „De tijd van de op-music is aangebroken. Daar is geen houden meer aan", aldus McLaren. En zo is dat. Steeds meer Britse jongeren hebben de opera ontdekt, en menig criticus heeft daarvan inmiddels al, in woorden die verbazing naast ontsteltenis verraden, in zijn krant melding gemaakt. In de dure cocktailbars waarin zich Londens jeugdige elite pleegt op te houden, gaan de gesprekken niet meer over de verdiensten van alle mogelijke obscure pop-bands voor de wereld-cultuur, maar over recente opvoeringen van Puccini's Turancbt en Donizetti's Don Pasquale. Het tv-kanaal voor de Britse avant-garde, Chainel Four, heeft pas een hele reets verschillende produkties van lizets Carmen op net scherm gebncht, en er is natuurlijk de volle zalen trekkende film „Amadeus', waarin (de ook veel opera's geshreven hebbende) Mozart als cm soort punk-artiest wordt afgechilderd. Voor de Royil Opera kan de honger naar op;ra niet groot genoeg zijn. De vij echte klappers, op de zwarte rrarkt grif het tweeof drievoudigegeboden wordt). Maar daarvcor heb je dan ook iets. Een avoid in een van de meest beroerrde operagebouwen ter wereld, vijwel altijd met solisten van uitzonderlijke klasse op de bühne, en n de pauze staat de telefonisch bestelde fles champagne met je naam erop al klaar. De Royal Opera is even stijlvol als in trek. Als duur, zal menig eenvoudig kunstliefhebber willen aanvullen, maar dat wordt door de directie van de hand gewezen met: „U moet dat op mondiale schaal zien. Vergeleken met andere grote operagebouwen zitten we echt niet te hoog". Kortom, Bernard Haitink had het beroerder kunnen treffen. De chef-dirigent van het Concertgebouw-orkest wordt in 1987 muzikaal directeur van de Royal Opera, en heeft daarmee wel zo ongeveer de meest prestigieuze baan in de Britse muziekwereld in handen. De overgang is nu al niet zonder of slag of stoot gegaan. Dat ligt niet zozeer aan de Britten, die Haitink graag zien komen, maar aan Nederland, waar de directie van het Concertgebouw-orkest Haitink woedend maakte door ontijdig een persbericht over de transfer de wereld in te zenden. Het leidde tot een persconferentie waarin de kennelijk met een royaal ego uitgeruste Haitink over zijn relatie met de directie sprak in termen van „een botsing met blikschade", waarop de storm in wat niet meer dan een vingerhoedje water was, al weer snel ging liggen. Waarom is het juist Haitink die naar Covent Garden gaat? Dat heeft niet alleen te maken met zijn onbetwist grote en wereldwijde reputatie, maar zeker ook met de vele banden die de Nederlander al met Engeland heeft. Hij trad er voor het eerst in 1959 op, met het Concertgebouw-orkest. Tussen 1968 en 1978 was hij eerste dirigent (en vanaf 1970 muzikaal directeur) van het London Philharmonie Orchestra. Hij is daarnaast als gastdirigent bij andere Britse orkesten opgetreden, en heeft veel muziek van Britse componisten ten gehore gebracht (waarbij verschillende wereldpremières). Zijn naam op het gebied van opera maakte hij, voor wat Engeland betreft, door zijn verbintenis met het Glyndebourne Festival, waarvan hij sinds 1977 muzikaal directeur is, een zeer Brits festival met veel opera en zo mogelijk nog meer „snoo-appeal". ledereen die er in de Britse maatschappij een beetje toe doet, gaat naar net Glyndebourne-festival, dat zich op een landgoed afspeelt, met dames in het lang, heren in rokkostuum, en picknicken in het gras (met het damast onder de bordjes fazanten-paté en champagne in de glazen, want noblesse oblige en zo). Haitink, om op hem terug te komen, heeft ten slotte in het Royal Opera House ook al enige malen als gastdirigent gewerkt. Hij is door al die werkzaamheden zo bekend geworden, dat hij in 1977 een honoraire titel kreeg (KBE, Knight Commander of the Order of the British Empire) wegens „zijn uitzonderlijke bijdragen aan het artistieke leven in Groot-Brittannië". Op de plaats waar nu het Royal Opera House staat, stond al in 1732 een theater waar toneelstukken, opera's, oratoria en pantomimes te zien waren. Dit theater brandde op de avond van 19 september 1808 af, maar slechts een jaar later was op dezelfde plaats een nieuwe schouwburg verrezen. En wat voor een! Het nieuwe theater was zo luxe, zo groot (3100 stoelen) en zo duur, dat de directie zich genoodzaakt zag de prijzen te verhogen. Dat leidde tot de zogenaamde OP (Old Price) rellen die zo langdurig en bitter waren dat de oude prijzen weer in ere moesten worden hersteld. Wat men in die dagen niet voor de cultuur over had... In dit tweede operagebouw hebben tal van nu wereldberoemde opera's hun Engelse première gehad. Werken van Rosetti, Bellini, Donizetti, Verdi's Nabucco. Carl Maria von Webers Oberon beleefde er april 1826 zijn wereldpremière, waarbij de componist als dirigent optrad. Ook het tweede theater brandde af, in 1856. Twee jaar later was het derde en huidige theater op de puinhopen van nummer twee verrezen, iets kleiner dan zijn voorganger (2000 stoelen), maar gebouwd met de pracht en praal die hoort bij de Victoriaanse tijd. De avond dat het nieuwe operafebouw open ging leverde een lein incident op. Die avond, zaterdag 15 mei, werd „Les Huguenots" van Meyerbeer opgevoerd, althans drie van de vier acten, want toen de derde acte was afgelopen, was het al na twaalven, en, zoals de directeur op het podium uitlegde, „op zondag kunnen we natuurlijk niet spelen". Alle beroemde operasterren van de 19e eeuw waren in het gebouw van de Royal Opera in de loop der jaren te zien. Vaak werden zij gadegeslagen door koninfin Victoria die naar eigen balon, haar „Royal Box" had. Het balkon is nog steeds permanent voor leden van de Britse koninklijke familie gereserveerd en is verrassend klein. „We hoeven geen groot balkon", schijnt Victoria destijds te hebben gezegd. „We zijn zelf al groot". Van 1940 tot 1945 was er in het gebouw in Covent Garden geen opera te zien. De grote zaal werd omgebouwd tot een „Palais de Danse" ten behoeve van de onder Hitlers bommen zuchtende burgerij. Direct na de oorlog was net echter al weer gauw „business as usual". Het Royal Opera House is de thuisbasis voor niet alleen de Royal Opera maar ook Engelands leidende balletgezelschap, net Royal Ballet. Ook een tweede balletgezelschap, Sadler's Wells Royal Ballet, hoort er thuis, maar dit ballet is bedoeld om door de provincie te reizen en speelt maar zelden thuiswedstrijden. In de_ praktijk staat dus vrijwel steeds óf het operagezelschap, óf het Royal Ballet op het toneel. In 1984 was er gedurende 49 weken iets in het Royal Opera house te doen, een kleine 300 voorstellingen bij elkaar. „Dat is eigenlijk veel te veel", vindt Sir John Tooley, de algemeen directeur. Hij is eerstverantwoordelijke waar het gaat om de financiën van het Royal Opera House. Dat betekent dat hij gaat over een begroting van 22 miljoen gulden. ,J)at geld komt voor 55 procent van de overheid, voor 34 procent uit kaartverkoop en voor de rest van sponsors en donateurs". Sir John ziet het Royal Opera House niet ten onrechte als een bedrijf. Er werken 1050 mensen (onder wie 125 orkestleden, 135 dansers en 75 koorleden) die samen een verrassend veelzijdige vermaaksindustrie vormen. Want er is meer dan alleen het werk van de uitvoerende artiesten. Er is een afdeling die zich speciaal bezighoudt met de pruiken en make-up van de artiesten, er is een grote afdeling waar kostuums gemaakt worden, de menigmaal uitermate gecompliceerde decors worden in een eigen ruime werkplaats gebouwd. De Royal Opera House is, artistiek gesproken, „self-supporting" en wil dat ook zijn. Omdat pruiken en kostuums voor vrijwel alle opvoeringen uit de eigen magazijnen komen, kunnen de kosten van de produkties in de hand worden gehouden. Als dat niet zo is, en een opera moet worden „aangekleed", loopt dat direct zwaar in de papieren. In het jaarverslag '83-'B4 wordt zon opera genoemd: Boris Godoenov van Moessorgski, een produktie die 140.000 pond (600.000 gulden) kostte! Maar vrijwel altijd kan uit de ijzeren voorraad worden geput. De Royal Opera House heeft in drie opslagruimtes 30.000 pruiken en 250.000 kostuums liggen, goed voor de aankleding van de 90 meest opgevoerde opera's en voor 140 balletprodukties. Ron Freeman leidt de kleine afdeling van het Royal Opera House die gaat over pruiken en make-up. De 30.000 pruiken die hij in voorraad heeft, worden allemaal apart in dozen bewaard. „We doen het niet zo als in Italië, waar alles maar bij elkaar geflikkerd wordt", zegt hij met aanzienlijke beroepstrots. Voor nieuwe produkties is het soms nodig nieuwe pruiken te maken. „Vaak kun je oude pruiken een beetje bijwerken, maar soms moet je ook helemaal bij nul beginnen". Het is een uitermate secuur en tiidvergend werkje waarbij steeds kleine bosjes haren worden vastgemaakt aan wat uiteindelijk de pruik moet worden. Waarom worden daarbij alleen echte haren gebruikt? „Echt haar is onvergankelijk. Het blijft altijd goed. Het is bovendien al gauw te zien wanneer er van namaakhaar gebruik wordt gemaakt. Dat willen we niet. Het moet echt lijken, ook voor de mensen op de voorste rif- De make-up nemen de artiesten tegenwoordig meestal zelf voor hun rekening. „Het koor en de meeste Britse solisten hoef je niet op te maken. Dat doen ze zelf wel. Alleen artiesten van het continent willen dat ik het doe", aldus Freeman. Het intieme contact tussen ster en make-up-man heeft zn aparte risico's. „Als ik verkouden ben, dan doe ik een masker voor, want de artiest mag natuurlijk niet ook verkouden worden. Aan de andere kant: ik heb het niet makkelijk als je met zon knoflook etend typc te maken hebt. Die pak ik meestal terug door de volgende dag ook iets smerigs te eten . Janice Pullen, die de kostuumafdeling leidt, heeft haar eigen problemen met sterren. „De meesten willen in te nauwe kleding", zegt ze lachend. „Soms gebeurt het wel eens dat wij de schuld krijgen als een ster ruzie met de dirigent of zo heeft gekregen". „Dan zeggen ze: het ligt aan de mouwen van mijn jurk. Die passen niet, en daardoor kan ik niet goed zingen. Meestal hang ik de jurk dan een half uurtje weg. Daarna geef ik 'm weer ongewijzigd terug, en dan is het bijna altijd goed. Da's een stuk beter, zeggen ze dan". Aan de kosten van een opera wordt niet in de laatste plaats bijgedragen door de honoraria die de dames en heren solozangers plegen te krijgen. Vooral de top-artiesten krijgen zeer riante bedragen in handen, zo rond 5000 pond (20.000 gulden) per opvoering. Peter Katona is de man bij de Royal Opera die solisten moet zien te vinden bii de plannen om bepaalde opera s op te voeren. Dat is een taak die gaandeweg zwaarder wordt, zegt hij. „Het aantal werkelijk grote zangers en zangeressen wordt steeds kleiner". Hij somt op: „Uit West-Duitsland krijgen we nu nauwelijks nog grote stemmen, uit Italië ook niet veel. Wij bouwen nu op ons eigen land en de Verenigde Staten. Het probleem zit 'm vooral in jongere zangers en zangeressen. Daar zitten maar weinig echt grote, excellente stemmen tussen , Dat heeft gevolgen. „De prijs f aat omhoog. Sommige Amenaanse opera's betalen echt te veel, meer dan 6000 pond per uitvoering. En de zangers accepteren zelf ook te veel opdrachten, omdat ze steeds onder druk staan. Daarmee bekorten ze hun carrière", aldus Katona. De ster is natuurlijk een heel belangrijke schakel in het artistieke bedrijf dat Royal Opera House heet. Als je Placido Domingo of Joan Sutherland op het toneel hebt staan, weet je zeker dat de zaal vol zit, en dat buiten heren in rokkostuum zo beschaafd mogelijk om zwarte kaartjes vechten. Een klein, maar vitaal schakeltje is de winkel van het Royal Opera House, waar niet alleen de obligate boeken, platen en videobanden, maar ook een aantal opvallende presentjes te vinden zijn. Kastpapier bijvoorbeeld, dat bedrukt is met de muziek van een opera van Donizetti. Van goed begrepen eigenbelang getuigen de „stille snoepjes" die bedoeld zijn om opkomende kuchjes en hoestjes te bedwingen, en de „bitter chocolates", die expres niet in papiertjes zijn verpakt om geritsel tijdens uitvoeringen te voorkomen! Het operagebouv bij Covent Garden --- SPIONAGESCHRIJVER FREDERICK FORSYTHE 'De KGB vindt mijn werk leerzaam' Zonder wek en platzak zette de Britse journalist Frederick Forsythe ziet in 1968 aan een tafel en schreef in 35 dagen zijn eerste boek: 'De da,r van de jakhals'. Een in 1962 gesitueerde thriller over de voorberefling en uiteindelijke aanslag op de Franse president De Gaulle. lasis voor het verhaal vormden Forsythe's ervaringen als Parijse correspondent van het Britse persbureau Reuter. Wat hem met zijl jarenlange nieuwsverslaggeving: voor kranten en televisiedocumentaires niet was gelukt, bereikte hij nu: het boek werd een bestseller en bezorgde hem wereldfaam. 'De dag van de jakhals' is inmiddels in 14 talen uitgebracht en verfilmd. Geïnspireerd publiceerde hij binnen drie jaar tijd twee andere boeken: 'Geheim dossier Odessa' (over de jacht op een oud-nazi en eveneens verfilmd) en 'De honden van de oorlog' (over de staatsgreep ineen kleine republiek in Afrika). Ook deze boeken gingen als warme broodjes over de toonbank en maakten de Brit multi-miljonair. Zijn verhalen waren zo waarheidsgetrouw dat de in 'Geheim dossier Odessa' beschreven nazi daadwerkelijk door de Westduitse autoriteiten is gearresteerd. Forsythe's onthullingen over internatbnale wapenhandel in 'De honden van de oorlog' gaven voedsel aan het gerucht dat de auteur zélf plannen had ontworpen veor een staatsgreep. Een bewering die hij tot op de dag van vandaag vil bevestigen noch ontkennen. Vijf jaar laig bleef het stil rond Forsythe. Tot in 1979 'Het alternatief vai de duivel' verscheen. Het verhaal over vrijheidsstrijlers uit de Oekraïne die de grootste tanker ter wereld kapen. Opnieiw een groot verkoopsucces. Hoewel hij het voor het geld niet mee' hoeft te doen, kan Forsythe het kennelijk niet laten. Nu, weer vijf jaar later, ligt zijn nieuwste thriller in de winkels, 'Het vierde p»tocol'. Een verhaal waarin werkelijkheid en fictie elkaar zoals il tijd afwisselen, geheel passend in het nucleaire tijdperk. Veelvoudig miljonair en tot in de verste uithoeken van de aardbol bekend, maar de schrijver is gebleven zoals zijn boeken: recht door zee, geen fratsen. De zoon van een eenvoudige middenstander laat zich gemakkelijk herkennen. Zijn jongste thriller 'Het vierde protocol' is een nieuwe proeve van bekwaamheid, geschreven ep zijn oude type-machine. Wat beweegt een man, die schrijven haat, een aardige bankrekening heeft en zijn levensdagen roemrijk zou kunnen slijten, tot een herhalingsoefening? „Het is waar dat ik schrijven vreselijk vind. Als er een soort magische sleutel zou bestaan waarmee een roman zo uit mijn hoofd op papier zou komen, io\i «lij dat zeer welkom zijn. Zolang die er niet is, blijft het behelpen. Het was dit keer weer precies als altijd. Je loopt tegen een gegeven aan dat je bezighoudt en dat zich langzaam in je hoofd ontwikkelt tot een mogelijk verhaal. Je werkt net idee uit en op een gegeven moment ben je rond. Dan wordt het tijd voor de beslissing: doen of laten? Als je iets dat goed is hebt uitgewerkt, je hebt de research gedaan en het is op het schrijven na klaar, dan is het al gauw zonde om te zeggen: het was een leuke ervaring, maar schrijven vind ik nu eenmaal vervelend, dus weg ermee. Daarbij komt dat ik het zalig vind om verhalen te vertellen. Dat is echt het leukste wat er is. vandaar toch weer een nieuw boek". - Hebt u schrijven altijd al vervelend gevonden, ook ais joumabeschrijving ei de dialoog. Er zijn schrijvers, zoas bijvoorbeeld Graham Greene, lic meesters zijn in karakterontwkkeling. Greene besteedt daar »ok veel tijd aan. Bii mij is het tacltig procent verhaal enoeschrijvkg. Daar gaat het om. De overige t»intig procent is niet meer dan ien ruwe karakterschets. Over 'ohn Preston, de man uit mijn laatse boek, vertel ik niet eens hoe hij er uitziet. Niet hoe lang hij is, o: hij blauwe of grijze ogen heeft. Nauwelijks iets van zijn acntergrffid. Voor een held is dat heel weirig. Er is wat dat betreft in mijn Doeken geen balans, maar die aaniak blijkt toch populair te zijn". ...Het onderzoek was steeds de mtdaging. Het verhaal zien, waaraan een ander voorbij gaat. De feiten achterhalen en de concurrente te snel af zijn. Het schrijven moest. Ik was nieuwsverslaggeyer. Het moest allemaal in vijfhonderd tot maximaal duizend goorden. Voor een beetje zaak neel weinig dus. De jongens van de features en de bijvoegsels kregen twee maanden om iets uit te zoeken en alle ruimte om het te publiceren. Bij ons nieuwsmensen J^as het: snel, snel, morgen de Krant in. Het schrijven was maar een heel klein onderdeel van het werk en daardoor ook veel minder een kwelling". „Mijn lezes vinden kennelijk ook dat het gat om het mechanisme. Het venaal moet lopen als een horloge. )e taal is niet literair of mooi. Het s zonder stijl. Het is zoals in de knnten. Op de man af, zelfs zonder spannende woordkeus. De feitm doen het werk. In korte verhalffi is dat heel anders. Daar zit je liet aan feiten vast. Dan heb je net het probleem van sub-plots die in één plot moeten samenkomer. Hoe raar het ook klinkt: in kote verhalen heb je de ruimte om en zonsondergang te beschrijven..n mijn romans is dat zonde van d* tijd. - De stijl in uw romans is ma-9er, zeker \n verhouding tot die in j*u> verhalen. Alles is onderge- Khikt gemaakt aan de feiten. j-.Maar die zijn ook het leukst. **et is als een puzzel, alle stukjes moeten uiteindelijk passen, alle ÜJnen moeten bij elkaar komen. *f zijn voor een schrijver vier "'ngen om rekening mee te houden: het verhaal, de karakterontwikkeling van de personages, de - Uw laatste boek speelt ten dele in het recente verleden en loopt door tot in 1987. Andropov en Tsjernenko zijn dood, er is een nieuwe leider in de Sowjet-Unie. U beschrijft hem als een oude, zieke man, zittend in een wagentje en met een ondoorgrondelijke blik. Een man die kortom als twee druppels water lijkt op Andropov. En uw oud-collega's maar in de kranten schrijven dat, als Tsjernenko dood gaat, de jonge generatie van Gorbatsjov en Romanov het roer zal overnemen. Is dat niet een beetje al te cliché-matige benadering van de feiten? „Laat ik eerlijk zijn. Tijdens het schrijven van 'Het vierde protocol' kwam ik in grote problemen. Ik wilde een verhaal aannemelijk maken waarin de Sowjet-leider, zonder de KGB erin te betrekken, samen met Philby, de overgelopen Britse spion die als kolonel bij de KGB had gewerkt, een complot beraamde dat in Engeland moest worden uitgevoerd. Wat lag er meer voor de hand dan Andropov als leider te kiezen. Die man was hoofd van de KGB geweest en kende Philby persoonlijk en het zou dus logisch zijn geweest dat hij hem voor een dergelijk complot in de arm zou nemen. In de eerste versie heette de Russische leider dus gewoon Andropov, die zoals we allemaal weten ziek was, in een wagentje zat en zon blik had. Toen ging Andropov dood. Dat was natuurlijk niet sportief van hem. Had hij nog een paar jaar feleefd, dan was er niks aan de and geweest". spionnen als enigen de realiteit zien. „Ik ben natuurlijk niet noodzakelijk de stem van mijn karakters. Wat de man in mijn boek zegt, heb ik in werkelijkheid uit de mond van zo iemand opgetekend. De spionagewereld is, in tegenstelling tot wat de mensen denken, geen fantasie-wereld. Een agent die wèl in die sfeer zou handelen, is een slechte agent en redt het niet. Politici kunnen rustig roepen dat er volgend jaar weer volledige werkgelegenheid is, terwijl iedereen weet dat dat onzin is Spionnen moeten zich aan de feiten houden en hebben niets aan illusies. Dat is de les van de geschiedenis. Je kunt onderhandelen, verdragen maken, maar landen zijn altijd bezig daar onderuit te komen als ze een voordeel zien. Met die realiteit moeten spionnen werken. Terwijl politici kunnen zeggen: kijk eens wat een mooi verdrag . „Tsjernenko kwam, een man die Philby nooit gekend kon hebben. Hij is een aparatsjik, van oorspong uit de provincie en zou als insider in het Centrale Comité nooit een dergelijk complot hebben gemaakt. Ik moest dus doen alsof Tsjernenko ook was overleden en hij een oude opvolger had gekregen die ook bij de KGB had gewerkt, wilde ik miin verhaal aannemelijk houden. Maar je hebt gelijk, straks is er waarschijnlijk eenjonge opvolger, hoewel in dat land niets zeker is en het zelfs in dat geval nog de vraag is of er wat verandert. Met Andropov heb ik moeten smokkelen, maar het deert het verhaal verder niet dacht ik". - Rode draad in het boek is de radicalisering van de Britse Labour-party. De beschrijving van het politieke proces heeft een voortdurende ondertoon van cynisme. U laat een van de leiders van de geheime dienst zeggen dat politici in dromenland leven en - U was ook politiek redacteur. Dat is vermoedelijk de snelste manier om cynisch te worden „Tja, dat is zeker waar. Ik ben op zijn minst sceptisch, maar ik bliif een democraat. Ik heb in Oost- Duitsland gewoond en in het Spanje van Franco. Ik ken extreem links en extreem rechts, dus niemand hoeft mij iets te zeggen: het is allemaal hetzelfde en voor democratie is nooit iets beters bedacht. Maar dat neemt natuurlijk niet weg dat je somber wordt als je naar Labour kijkt. Die radicalisering is al sinds 1973 aan de gang. Veel communisten zijn partijlid geworden. Het is de vraag of één man, of die nu Michael Foot of Neil Kinnock heet, die ontwikkeling kan keren, ik zie dat, registreer de feiten en maak een verhaal over waar die ontwikkeling mogelijk toe kan leiden". - Een verhaal met een profetische inslag, zoals dat voor al uw boeken geldt. „Het gaat mij om het verhaal, om wat mogelijk is of kan zijn. Ik kies geen partij, daar zitten mijn lezers niet op te wachten. Als ik naar het conflict in de mijnen kijk, dan erger ik me net zo hard aan het optreden van de werkgevers en de regering, als aan de brutaliteiten van de stakers, die werkwilligen aanpakken. Ik voel me uiteindelijk niet persoonlijk betrokken bij het politieke bedrijf. Ik ben geen ljd van een partij en zal het ook nooit worden". ze hebt opgespoord zijn ze heel be reidwillig. Ze vinden het enig om over hun 'levenswerk' te vertellen. Bovendien: in de VS is het hele plan voor de bom op Hiroshima nu openbaar en zijn zelfs, ik geloof door een stomme fout, de plannen van Teller voor de waterstofbom gepubliceerd, dus wat wil je nog meer". - Het schrijven. Het is inderdaad een bijna journalistieke benadering. Als je uw beschrijving van het Kremlin-circuit leest, is het alsof je The Russians van Hedrick Smith onder ogen hebt. „Ik heb dat boek gelezen natuurlijk. Kijk, het is zoals het is. Ik kan het niet anders zien dan hij". - Het doorsnee detective-lezerspubliek gaat aan u voorbij. Die vinden uw boeken te zwaar, te ingewikkeld. - Onderzoek is een vitaal onderdeel van uw werk. Als u in een bijzin een straat beschrijft in pakweg Lugano, dan bent u er waarschijnlijk even gaan kijken. „Zeker, ik ga overal naar toe en praat met iedereen. Als ik schrijf dat de portier van het Amstelhotel - noem eens wat - Jansen heet, dan is het leuk te horen dat lezers zeggen: verdraaid, het is waar. Die man heet echt Jansen. Een Zuidafrikaan zal het worst wezen, maar die ergert zich weer aan een verkeerde beschrijving van een plein in Pretoria. Vandaar: onderzoek. In dit geval ben ik een dagje naar België geweest, twee dagen naar Glasgow, vijf naar Zuid- Afrika, maar in totaal ben ik niet meer dan tweeënhalve week van huis geweest. De rest kon ik in Engeland doen". - Vroeger ging u ook ondergronds, de onderwereld in. Met uw huidige bekendheid kan dat waarschijnlijk niet meer. „Dat is veel moeilijker geworden, zo niet onmogelijk. Aan de andere kant gaan er nu deuren open die vroeger gesloten bleven. Mensen vinden het interessant om met een beroemde schrijver te praten. Om al die technische details, bijvoorbeeld over zon kleine atoombom, bij elkaar te krijgen, moet je met veel deskundigen praten. Ook dat valt mee, je bent niet echt van het officiële circuit afhankelijk. Wetenschapsmensen voelen zich doorgaans heel vrij om te praten. En er zijn tal van mensen die zich uit hobby met defensie bezighouden. Als je „Mijn publiek is niet in uitstapjes geïnteresseerd. Ik kan halverwege èen boek natuurlijk wel zeggen: en nu stoppen we de handeling en lassen we een ondeugend weekeindje op het platteland in. Een zogenaamde ontspannende liefdestoestand. Niet omdat het verhaal het vereist, maar gewoon omdat ik dat leuk vind. Twintig pagina's verder moet ik dan zeggen: weekend voorbij, we pakken He draad weer op en gaan met het verhaal verder. Da's onzin natuurlijk. De lezer raakt erdoor uit zijn concentratie. Het werkt averechts. Als ik een kort verhaal schrijf is dat anders. Dan is er tijd voor de zon achter de pijnbomen en het mooi, mooi, mooi. - Leest u boeken van collega's? „Ik lees Le Carré. Heel prettig is dat. En Ted Allbeury. Als ontspanning, want ie gaat elkaar natuurlijk niet kopiëren. Gorky Park was prima, het Rode Plein nog wel beter. Alleen die Russische namen hé. Ze hebben er soms wel drie. Daar word je als lezer gek van. Ludlum? Tja, die doet geen onderzoek. Op elke pagina staat minstens één fout. Heel storend". -Ted Allbeury was zelf agent bij de Britse geheime dienst. Hij is ervan overtuigd dat de KGB al zijn boeken leest, omdat ze er misschien wat van kunnen leren. „Alle spionage-romans komen uiteindelijk in Moskou terecht Ik sprak eens met een hoge KGB-officier en die zei me: natuurlijk meneer Forsythe, ik ken The Odessa File. De Jakhals had hij ook gelezen. Hij vertelde me dat sommige passages verplichte leerstof waren tijdens de opleiding van nieuwelingen. De manlei waarop de Jakhals aan pasp ten kwam bijvoorbeeld fl., I leerzaam vond hij dat Ek tei leuk dank u, altijd tot uw dienst, meneer '. Frederick Forsythe ---