„Wetsontwerp wezenlijke beperking onderwijsvrijheid" LVGS en GVOLK achten concept wet op het basisonderwijs verwerpelijk (Van onze onderwijsredactie) DEN HAAG/ENSCHEDE - Hoewel het Landelijk Verband van Gereformeerde Schoolverenigingen (L VGS) en de Gereformeerde Vereniging van Onderwijzers, Leraren en Kleuterleidsters (GVOLK) in het concept wetsontwerp basisonderwijs van minister Van Keme- nade het beginsel van de integratie van basis- en kleuteronderwijs en verschillende onderwijskundige overwegingen niet zonder meer afwijzen, is het geheel van het concept voor hen toch verwerpelijk. Beide organisaties schrijven dit in een gezamenlijk commentaar op het concept, dat is toegezonden aan de minister van onderwijs en wetenschappen. Bij de fundering van hun afwijzende houding denken beide organisaties met name aan de ongrondwettelijke eisen inzake de samenstelling van het schoolbestuur, het verplicht stellen van de zg. schoolcommissie, de onteigening van gebouwen (zie hiervoor ook pagina 5 van deze krant), de verregaande overheidsbemoeienis bij de huisvesting en een loodzware planprocedure die veel minder rechtszekerheid biedt dan de huidige wetgeving. R. van der Laan, demissionaris secretaris van de LVGS S. J. Sietsma. voorzitter G VOLK --- Beperking Vrijheid Dit alles - aldus het commentaar - betekent voor ons een wezenlijke beperking van de vrijheid van onderwijs. „Al deze vrijheidbeknottende maatregelen kunnen wij slechts zien als een onderdeel van het streven om de macht van de overheid te vergroten, hetgeen ten koste gaat van die groepen in onze samenleving die deze opvattingen niet delen. Dat blijkt ook uit de hele geest van het wetsontwerp, waarin sprake is van een voortdurende miskenning van het eigen karakter van het bizonder onderwijs". In een inleidend hoofdstuk schetst het commentaar het principiële uitgangspunt van waaruit het concept - wetsontwerp in beschouwing is genomen. In deze paragraaf stellen beide organisaties onder meer: „Het is voor gereformeerde ouders een geloofszaak, in de meest pregnate zin van het woord, dat op hen de volle verantwoordelijkheid rust voor de opvoeding van de kinderen die God aan hen heeft toevertrouwd. Bij de doop van hun kinderen, kort na de geboorte, hebben zij aan God beloofd hun kinderen overeenkomstig de christelijke leer niet alleen te onderwijzen, maar ook te laten onderwijzen. Omdat de kerk de gemeenschap vormt waar deze leer bewaard wordt, kan aan deze beloften alleen ten volle recht gedaan worden, wanneer er' een geestelijke eenheid is tussen gezin, kerk en school. We zijn dankbaar voor de situatie in ons land, waar dit in vergaande mate mogelijk is zonder extra financiële inspanningen voor de ouders. We zijn ons ervan bewust dat deze situatie tamelijk uniek is in de wereld. Toch ervaren wij haar niet als een gunst van de overheid, maar als een uitwerking 'van de grondgedachte van onze Nederlandse staat, die immers is voortgekomen uit de strijd om God te kunnen dienen naar zijn Woord. Daarom zijn de ouders in de vorige eeuw in verzet gekomen, toen een liberale bovenlaag het erop toelegde alle kinderen van staatswege in rationalistische geest te doen opvoeden. Ze hebben metterdaad getoond voor deze zaak liever krom te liggen dan van staatswege kosteloos onderwijs te aanvaarden. Ze hebben het als beëindiging van grof onrecht ervaren, dat door de grondwetswijziging van 1917 het van de ouders uitgaande onderwijs met dat van staatswege financieel werd gelijkgesteld, zodat de vrijheid van onderwijs niet alleen formeel, maar ook materieel verzekerd was. Al deze feiten zijn genoegzaam bekend, maar het komt ons zinvol voor ze nog eens te herhalen nu de wet die het monument was van de financiële gelijkstelling, de LO-wet 1920, op het punt staat als verouderd vervangen te worden. In zoverre deze wet vervangen of aangepast moet worden, dient het hierboven geschetste beginsel ongerept te blijven. Wij erkennen dat de overheid ten aanzien van het onderwijs in het algemeen een aantal verantwoordelijkheden heeft. Zij stelt regels voor de onderlinge aansluiting binnen het scholenstelsel en tussen school en maatschappij. Zij mag bovendien verlangen dat het door haar beschikbaar gestelde geld op verantwoorde wijze wordt besteed. Deze beide elementen zijn neergelegd in het grondwettelijk begrip „eisen van deugdelijkheid" als typering van de subsidiëringsgrond. Het mag echter niet zo worden dat die subsidie, bedoeld en aanvaard om de onderwijsvrijheid materieel te verzekeren, gebruikt wordt om die vrijheid en de daaraan verbonden verantwoordelijkheid voor de ouders te ondergraven. Daarom mogen deze eisen van deugdelijkheid niet verder gaan dan voor hun doel noodzakelijk is. Ze mogen de eerste verantwoordelijkheid van de ouders en de afgeleide verantwoordelijkheid van bestuur en onderwijsgevenden niet aantasten, en zeker niet de beoogde geestelijke overeenstemming tussen school, gezin en kerk bemoeilijken. Het beste zou naar onze mening zijn, wanneer de overheid, meer nog dan in de huidige LO-wet geschiedt, zich beperkt tot marginale toetsing van de deugdelijkheid van het aan niet van haar uitgaande scholen gegeven onderwijs. Vanuit deze principiële visie willen we in het hiernavolgende het conceptontwerp van wet op het basisonderwijs onder de loep nemen, in de hoop er aldus toe bij te dragen dat een ontwerp aan de Staten-Generaal wordt aangeboden waarin de rechten en vrijheden van het bijzonder onderwijs gewaarborgd zijn." Aldus de beide organisaties in hun inleidend hoofdstuk. --- Duitse gereformeerden steunen antiracismefonds LEER - De synode van de Evangelisch-Gereformeerde kerk in Noordwest-Duitsland heeft een voorstel afgewezen om de jaarlijkse subsidie aan het racisme-program van de Wereldraad van Kerken te schrappen. Jaarlijks zal de kerk 10.000 mark blijven bijdragen. Het bedrag zal echter niet ten laste mogen komen van de algemene begroting, die ruim 30 miljoen mark groot is, maar moet worden opgebracht door vrijwillige bijdragen der kerkleden. Aan het besluit de subsidie te handhaven ging een heftige discussie vooraf. De strijd concentreerde zich voornamelijk op de vraag of de Afrikaanse vrijheidsbewegingen de fondsen van de Wereldraad van Kerken inderdaad voor humanitaire doeleinden gebruiken, waarvoor ze bedoeld zijn. De vergadering werd bijgewoond door zwarte leden van de Zuidafrikaanse zusterkerk. Alleen wanneer de vrijwillige bijdragen niet het vereiste bedrag van 10.000 mark halen, zal het ontbrekende uit de algemene middelen worden bijgepast. DEN HAAG - Luitenant-generaal A.J.W. Wijting is met ingang van 1 december 1976 benoemd tot generaal. Generaal Wijting die momenteel voorzitter is van het Comité Verenigde Chefs van Staven zal in de per 1 december 1976 vastgestelde organisatie voor het ministerie van defensie de functie van chef defensiestaf gaan vervullen. --- nieuwe boeken Het eerste vak Dit Unie-cahier is het vervolg op „Denken over godsdienstonderwijs" en geeft aspecten van en rondom het godsdienstonderwijs in de bovenbouw van het christelijk voortgezet onderwijs". Voor een algemene beoordeling van deze serie Unie-cahiers verwijzen we naar de recensie over het Unie-cahier: „Denken over godsdienstonderwijs". We geven nu een zeer summiere samenvatting van de inhoud. In de „Inleiding" (pag. 7) citeert de auteur, dr. A.J. Onstenk een jaarverslag van het christelijke gymnasium te Zetten uit 1870: „Godsdienstonderwijs is alleen niet genoegzaam, wij wensen godsdienstig onderwijs". Een zeer inhoudrijke opmerking! Voorts wijst hij er op, dat godsdienst wel als „het eerste vak" genoemd wordt, maar meestal niet de waardering krijgt als het voornaamste vak. „De ouders staan zich op de ouderspreekuren te verdringen voor de deur van de wiskundeleraar of de leraar frans, maar de leraar van het „eerste vak" ziet die ouders zelden of nooit" (idem, pag. 7). Opnieuw: een inhoudrijke opmerking! Dr. Onstenk geeft een korte schets van de geschiedenis van het godsdienstonderwijs; die hij „niet de meest indrukwekkende" noemt, maar „er zijn tekenen dat het godsdienstonderwijs inmiddels zijn plaats als vak met een eigen pedagogisch verantwoorde didactiek begint te vinden" (pag. 21). De schrijver wijdt een apart hoofdstuk aan „de leraar godsdienstonderwijs" en beschrijft de moeilijke, aparte positie van deze leraar, in veel gevallen een predikant. Hoofdstuk IV handelt over de leerlingen, die „in élk tafereel de hoofdrol" spelen (pag. 37 c.v.). Er worden juister opmerkingen gemaakt over „de jeugd van tegenwoordig"; over de houding die élke leraar, zeker ook de godsdienstleraar tegenover „de jeugd van tegenwoordig", maar ook tegen iedere individuele leerling moet aanemen. Een instructief hoofdstuk achten we Hoofdstuk V, handelend over: „Het godsdienstonderwijs en het Bestuur". Een facet van het schoolgebeuren, dat nog al eens verwaarloosd wordt, of-juist in deze tijd- „omgekeerd" wordt: „Een bestuur zal de vakdeskundigheid van de leraren moeten erkennen, de leraren de verantwoordelijkheid van het bestuur" (pag. 49). Ook in dit hoofdstuk komt het probleem ter sprake, waarmee veel christelijke scholen vandaag te maken hebben. Het probleem, dat de school bevolkt wordt door een „gemengd gezelschap": kinderen uit kerkelijke en uit niet-kerkelijke gezinnen. Daarna komen de ouders (in hoofdstuk VI; pag. 38-70) ter sprake. De auteur wil juist ook de ouders nauw betrekken bij het godsdienstonderwijs. School en huis mogen in dit verband beslist niet van elkaar vervreemden, daartoe „dient er een blijvende dialoog te zijn tussen school en gezin" (pag. 62). De schrijver pleit er voor, dat de ouders zich op de hoogte stellen van de inhoud van onderwijs-bladen, van pedagogische werken en hij stelt voor ze ook bij de godsdienstles te betrekken, door ze enkele lessen te laten bijwonen, een enkele van hen als gastspreker te vragen e.d. meer (pag. 67 e.v.). De heer Onstenk voelt wel voor het „schoolpastoraat", om het contact tussen school en huis te verstevigen, de jongelui beter te kunnen begeleiden; vooral bij de véle moeilijkheden in deze tijd (pag. 72 e.v.). In hoofdstuk VIII wordt het doel van het godsdienstonderwijs met de volgende woorden geformuleerd: „het begeleiden tot het ware mens-zijn in de meest wezenlijke zin; het ware mens-zijn dat de jonge mens enerzijds zelf moest zoeken en leren verwerven waarvoor hij zelf kiezen moet, maar dat anderzijds niet grijpbaar is door zelfontplooiing maar dat een gegeven is van een andere dimensie. Dat wil zeggen een gegeven in de zelfopenbaring van God in Christus, zoals de bijbelse boodschap die proclameert" (pag. 93). In modem-christelijke kringen klaagt men wel over de breedsprakerigheid en het moeilijk verstaanbaar zijn van de Bijbel; deze moet hoogmodig in modern nederlands vrij overgezet worden, anders is de bijbelse boodschap onbegrijpbaar voor de moderne mens en zeker voor de jongeren van deze tijd. Welnu; zet nu eens naast elkaar: de geciteerde formulering uit het Unieboek met alle mogelijke vehullingen en enerzijds en anderzijds geredeneer en de duidelijk, klare, voor ieder wel te verstane taal, die Gods Woord geeft over de doelstelling van onderwijs en opvoeding in bijv. 2 Torn. 3 : 14 - 17. Als we nu deze Unie-cahier-formulering gaan ontleden is te ontdekken, dat in deze doelstelling volledig „de leerling centraal staat en niet de Bijbel of de leer van de godsdienst" (pag. 97). In verband met deze doelstelling wordt gesproken over de „sterke behoefte aan de theologie van de bevrijding" (pag. 107) en „de hoop die vandaaruit gekoesterd kan worden op een veranderde wereld" (pag. 103). We zijn niet alleen met de formelering, maar ook met de inhoud wel vér verwijderd van de klare boodschap van Gods Woord. Voor de praktijk geeft ook deze auteur diverse suggesties: (pag. 113 - 120) en enkele lesmodellen als praktijkvoorbeelden (pag. 121 t/m 139). Voor de schoolpraktijk zijn hieruit wel enkele bruikbare ideeën te halen. Gelukkig is deze auteur nog wel voorstander van het gebruik van de Bijbel bij de godsdienstles, al komt deze én in de suggesties én in de lesvoorbeelden wel erg weinig voor. Ook in dit boekje wordt aandacht geschonken aan de dag-, weekopening en dito sluiting; het vieren van kerkelijke feestdagen en meer dergelijke onderwerpen. De auteur besluit zijn boek met uitgewerkte voorbeelden resp. van een kerstsamenkomst en een paasbijeenkomst (pag. 165 t/m 182). Godsdienstonderwijs (geen fraai woord; we kennen echter geen betere benaming) is bijna altijd al een moeilijk en een apart vak geweest. Enerzijds het eerst, het voornaamste vak, anderzijds nauwelijks gewaardeerd en vaak erg weinig belangstelling van de zijde der leerlingen. Sommigen menen, dat dit vak geen leervak is en men daarvoor geen Cijfer kan geven („geloof kun je niet meten"); anderen willen de kennis van dit vak op dezelfde wijze beoordelen als die van elk ander vak. Ook dit vak heeft in de loop van de onderwijsgeschiedenis zijn ups en downs gekend; het is ook meegezogen in de wurgende greep van het intellectualisme of het ontkwam niet aan het minstens even grote gevaar van het mysticisme. We achten het met dr. Onstenk een goede zaak, dat dit vak weer eens onder de loep genomen wordt en zo zijn eigen waarde ontvangt. Want de waarde van dit vak is inderdaad uniek; omdat er geheel en al gewerkt moet worden met dat levende Woord. Maar dan moet dat Woord ook zijn eigen waarde behouden! En daaraan schort het ook weer in dit Unie-cahier. S.J.S. N.a.v. „Het eerste vak" aspecten van en rondom het godsdienstonderwijs in de bovenbouw van het christelijk voortgezet onderwijs, door dr. A.J. Onstenk; Uitgave Kok te Kampen onder auspiciën van de Unie: „School en Evangelie". Prijs:/ 18,90. --- geref. kerken Beroepen te Rotterdam-OosT?*^ Sliggers te Alkmaar en Broet H Langendiik. * Op Aangenomen naar Terneu*>n . de Graaff te Heerde-WapS*. bedankte voor Driesum-Dam *« Bergentheim, Oostelijk-Fu^, IJmuiden, Amstelveen (in sam d' king met Mijdrecht) en Zoete?**' --- Geref. kerken (syn.) Beroepen te Steenwijk en Katwiiv Zee: P. van der Horst te Giel?" Rijswijk. ,essen- --- Geref. Gemeenten Beroepen te Aalburg: J. yjol Rijssen. •* --- Nieuwe abonnee gewonnen? wj^m o IP^¥) flnjt ar^< ■___■ ■***^ *~--— ' - fUnW rlli K U IslW GC_L_J/ : P^er-rSetekende abonneert zich tot wederopzegging op het : V^ZT^ : NEDERLANDS DAGBLAD j : Naam: : Adres: • | Woonplaats: ... : : Gironummer: ....•: : Handtekening: .. : ' kwL-T 961 d StUren V°°r het abonnementsgeld (f 36.85 per j : kwartaaD ontvangt u een accept-girokaart. : Opgegeven door: .. : ■ AdrG^' * Een vorstelijk ! w°°pas | : DtzS ifnkleUre«nP°Ster/portemonnee/za,