MINISTERIE VAM BINNENLANDSCHE ZAKEN. Db MINISTER van BINNENLANDSCHE ZAKEN , Gelet op art. 3 van het Koninklijk besluit van 20 Deember 1865 (Staatsblad no. 134) en op art. 3 van het .oninklijk besluit van 18 Januarij 1866 (Staatsblad no. 3); Gezien zijne beschikkingen van 24, 27 en 31 October, Ben 10 November j.1., geplaatst in de Staats-Courant an 25 en 28/29 October, 2, 7 , 9 en 11/12 November jl., Verklaart, met wijziging van bovengenoemde beschikingen , artt. 1 en 2 van genoemde Koninklijke besluiten an toepassing op het dorp Harich (gemeente Gaasterland), rt 1 van het Koninklijk besluit van 20 December 1865 Staatsblad no. 134) op nieuw van toepassing op de geïeente Vreeswijk, en niet langer van toepassing op de emeente Noord-Waddinxveen en de voormalige gemeente .uidschalkwijk , thans uitmakende een gedeelte van Haarimmerliede en Spaarnwoude. 's Gravenhage , Van wege den Minister , en 14 November 1866. De Secretaris-Generaal, 3. SCHRöDER. Ds COMMISSARIS bes KONINGS in de provincie Friesland renet bii deze, ter kennis van de belanghebbenden , dat in Bureaux van het Provinciaal Bestuur te Leeuwarden ter inage liggen de voorwaarden der op den 23 en 27 dezer te Gravenhage te houden aanbestedingen van• 1. de levering van gerookt Spek , gezouten Vleesch en witte 2 de^eve-ing van Karldoek, blaauwe Baai, blaauwe Voering" baai wollen Dekens, bonte Overtrekken voor Matrassen »n Dito voor Kussens ; een en ander ten dienste der Marine. Leeuwarden, den 14 November 1866. Van PANHUIJS. — " --- BEKENDMAKING. De COMMISSARIS des KONINGS in Friesland brengt er kennis van de ingezetenen, dat op den 13 November jl het bestaan is verklaard an de Veepest, onder de Runderen van CHRISIIAAIN ANS DRAAIJER te Harich, gemeente Gaasterland, en at in verband met de andere maatregelen tot onmiddeljkê beteugeling der ziekte, door den Burgemeester is ge.omen het navolgend besluit: Veepest, no. 4. „De Burgemeester van Gaasterland, overwegende, dat „de Veetyphus is uitgebroken onder Harich bij den Landbouwer CHRISTIAAN JANS DRAAIJER, „Gelet op art. 3 van het reglement tot beteugeling. „van de veepest in deze provincie, goedgekeurd bij Ko„ninklijk besluit van 5 December 1865, no. 88, „Verklaart voor besmet het Westerend Harich , Bepaalt dat de lijn van de verdachte kring wordt be„grensd ten Zuid-Westen door de Spookershoek vaart tot „de brug bij J. Kampen; ten Noord-Westen en Noorden „door het water de Rien , de grensscheiding tusschen „Gaasterland en Hemelumeroldephaert en Noordwolde; „ten Oosten door de Bokkelaan en den Lijkweg; ten „Zuid-Oosten en Zuiden door den rijdweg van Balk „naar Rijs, genaamd de Nieuwe Weg; en van dien weg „de Noord-West zijde. „Dit alles onder nadere goedkeuring van den Heer „Commissaris des Konings in Friesland. „Balk, 13 November 1866. „De Burgemeester van Gaasterland, „(get.) va.n SWINDEREN. De COMMISSARIS des KONINGS vestigt er voorts de andacht op : dat, volo-ens de bepalingen van het betrekkelijk provin■aal reglement, in des Burgemeesters besluit aangehaald, i het "hierboven gemeld verdacht verklaard gebied geen .-, uit-, door- of vervoer van Runderen, Schapen, Bokken, eiten of Varkens, ongesmolten Vet, onbereide Huiden, ■.rsch geslagt Vleesch , Beenderen , Klauwen , Horens, loed en verderen Afval van die dieren, Mest, Koehaar, shapenvellen , onbereide Wol, Koedekken, Hoorntouwen, ooi, Stroo en gebruikt Stalgereedschap mag plaats hebin , dan met toestemming van den Burgemeester en op s wijze door hem te bepalen; dat in dat gebied geene Honden mogen losloopen, en de -, uit-, door- en vervoer van al het boven opgenoemde j'nacht van zons-ondergang tot zons-opgang verbodenis. De Commissaris des Konings koestert het vertrouwen, it de ingezetenen de maatregelen door het Provinciaal sstuur en den Burgemeester in dezen genomen , of verder nemen krachtig zullen ondersteunen, opdat, onder 'oogeren 'Zegen, de vreeselijke ziekte, die zich nu ten 'eeden male op Frieslands bodem heeft geopenbaard , niet -ne algemeene ramp moge worden , terwijl het als hoogst enschelijk moet worden beschouwd , dat de veehouders wuwkeurig toezigt houden op hun vee, daarbij geene reemde kooplieden of andere personen toelaten, en de kadgevingen opvolgen, die van verschillende zijden zijn ge_ven, tot gezondhouding van hun vee. Leeuwarden, den 15 November 1866. De Commissaris des Konings voornoemd, Van PANHUIJS. --- 3de BIJVOEGSEL, BEHOORENDE TOT DE LEEUWARDER COURANT van Vrijdag den 16 November 1866. --- LEEUWARDEN, 15 November. VERGADERING der Staten van Friesland. Zitting van den 13 November. Aanwezig 42 leden. Worden aangebragt punten: 54. Mededeeling van gedeputceide staten wegens perceelen behoorende tot de dijkscontributie van Hemelumer Oldephaert. — Ter griffie gelegd, om te kunnen dienen bij de behandeling van punt 13. 55. Idem omtrent den legger van de Heerensloot en de verbetering van dat vaarwater. — Verzonden aan de commissie voor punt 30. 56. Idem omtrent de uitkomst der baggerwerken op de Pollen vóór Harlingen. — Ter griffie gelegd , om later te worden behandeld. 57. Verzoek van W. S. Jong te Harlingen, om ongesmolten schapenvet te mogen invoeren, — Idem. 38. Mededeeling eener vooralsnog niet geïnstrueerde aanvrage om subsidie voor een kunstweg van Ferwerd naar den zeedijk. — Voor notificatie aangenomen. 59. Voorstel tot subsidiering van den aanleg eens kunstwegs van Joure naar Snikzwaag en Akmarijp. — Commissoriaal als punt 45. 60. Idem van de doortrekking van den weg van Noordwolde over Boijl en Elsloo naar Makkinga. — Idem. Rapport wordt uitgebragt en ter griffie gelegd wegens punten: 36. Reglement voor den St. Johannesgaster polder. 28. Voorstellen tot verhooging van onderwijzers traktementen. 15. Reglement ter beteugeling van de hondsdolheid. 34. Wijziging van het reglement ter vervanging van den floreen door het kadastraal inkomen. Aan de orde is de behandeling van punt 12. Dijksreglement van Hemelumer Oldephaert c. a. — Een amendement van den heer Bokma, bij de behandeling van art. 3, om de zaak aan te houden en van gedeputeerde staten een nader onderzoek omtrent de grenzen van het waterschap op te dragen, wordt verworpen. Na breedvoerige beraadslaging wordt het reglement vastgesteld tot en met art. 3 en de verdere behandeling verdaagd tot morgen voormiddag ten half tien uur. Zitting van den Uden. Aanwezig zijn 43 leden. Rapport wordt uitgebragt wegens punt 11. Ontwerp-rcglement op het onderhoud en bestuur van het waterschap het Oud-Bildt. — Ter griffie gelegd, om later te behandelen ; wijders drukken en ronddeelen. De beraadslaging wordt voortgezet aangaande het ontworpen dijksreglement van Hemelumer-Oldephaert c. a., waarvan de 3 eerste artikelen bereids zijn vastgesteld. — Het reglement wordt verder in zijn geheel goedgekeurd en aangenomen , behoudens wijziging op deze en gene artikelen. Rapport wordt hierna uitgebragt wegens punt 33. Ontwerp-dijksreglement voor Wonseradeel c. a.. — Ter griffie en drukken , om later te worden behandeld. Eveneens wordt uitgebragt: a. Verslag wegens punt 26, verzoek van het bestuur van Hindeloopen, om subsidie tot de kosten var. aanleg eens zeebrekere en steigers aldaar. — Ter griffie gelegd, om later te behandelen. b. Verslag wegens punt 30, verbetering van het vaarwater de Heerensloot enz.. — Idem. Aan de orde is alsnu het ontwerp-reglemcnt der dijks-contributie van Oostdongeradeel. — Het reglement wordt behandeld en in zijn geheel vastgasteld. De vergadering is verdaagd tot morgen , te half tien uur. Van den Isden. Aanwezig 40 leden. Aangebragt wordt punt 61. Voorstel van gedeputeerde staten aangaande te verleenen schadevergoeding aan schipper Kunst te Hoogezand , wegens bekomene schade door aanvaren tegen een steen, aan een der bakentonnen in het Slotermeer bevestigd. — Ter griffie gelegd , om later te behandelen. Rapport wordt uitgebragt wegens punten : 37. Verbinding eener landbouwschool aan de te Franeker op te rigten hoogere burgerschool. — Ter griffie, later behandelen. 35. Ontwerp van een nieuw reglement tot beteugeling van de veepest in Friesland, ter vervanging van het bestaande reglement. — Idem. 40. Verzoek van S. ten Cate e. s., leerlooijers, om niet alleen gedroogde , maar ook gezouten West-Indische huiden te mogen invoeren. — Besloten zijnde deze zaak terstond te behandelen , wordt dat verzoek der adressanten daarop ingewilligd, door wijziging in den bedoelden zin van het reglement ter wering van de runderpest. 53. Voorstel van den heer Andrea. , tot wijziging van het besluit ter verbetering van de traktementen voor onderwijzers.— Ter griffie, om later te behandelen. Aan de orde zijn punten: 45. Aanleg eens kunstwegs van Leeuwarden naar Giekerk over Lekkum, Micdum enz. —Overeenkomstig een amendement van den heer van Panhuijs wordt besloten tot den aanleg 25 O/g subsidie te verleenen , indien aan den weg eene kruinsbreedte wordt gegeven van 7 el, en van 20 0/rj subsidie , wanneer die breedte niet meer dan 6 el zal bedragen. 39/42. Inrigting van een eigen provinciaal waterstaatsbehcer, met betrekkelijk voorstel van den heer F. H. van Beijma thoe Kingma. — Besloten gedeputeerde staten te verzoeken in de zomerzitting vau 1867 voorstellen ten dezen aan te bieden en alsdan tevens te dienen van consideratiën en advies nopens het voorstel van den heer van Beijma thoe Kingma. De vergadering vereenigt zich wijders bij acclamatie met het voorstel des voorzitters, om gedeputeerde staten te verzoeken den heer Bolten den dank der staten te betuigen bij zijne aanstaande aftreding , voor de vele gewigtige diensten door hem gedurende zoo vele jaren aan de provincie, in hare waterstaatsbelangen ! bewezen. I 41. Verzoek van Wonseradeel om subsidie tot de diephouding ' der boyengeul te Makkum en tot vernieuwing der buitenvloed- ! deuren aldaar. — Voor eerst bedoeld werk 50 pet. van hoogsten ! / 700 als subsidie verleend , voor het andere geene bijdrage toe- ! gestaan. I 49 en 50. Adressen van de wed. J. H. van Rijs en A. M Feenstra te Hemelum, om vergunning tot invoer van runderen en vergoediDg voor aan de veepest gestorven runderen of voor gemis van gemaak. — Beide adressen afgewezen. 17. Verbetering van den waterweg van Galamadammen naar Stavoren. — De behandeling uitgesteld tot de volgende week. 18. Adressen omtrent de voorgenomene verbetering van het schecpsvaarwatcr Stroobos-Stavoren. — De adressen van de kamer van koophandel en fabrieken to Sneek en de gemeenteraden van Sneek en IJlst worden afgewezen en de verdere behandeling aangehouden tot na de afdoening van punt 17. 50. Rapport omtrent de uitslag der baggerwerken op de Pollen, bij Harlingen. — Overeenkomstig een amendement van den heer Albardi, gedeputeerde staten tot de einduitkeeringen op de toegezegde subsidie gemagtigd , met opdragt tevens, om den medeeigendom, die de provincie aan de aangeschafte hulpvaartuigen bekomen heeft, tegen vergoeding over te dragen. 57. Verzoek van W. S. de Jong te Harlingen , om ongesmolten schapenvet te mogen invoeren. — Afgewezen. 36. Wijziging van art. 72 van het reglement voor den St. Johannesgaster Veenpolder. — Tot de bedoelde wijziging besloten. 28. Voorstellen tot verbetering der traktementen van onderwijzers. De vergadering vereenigt zich met een amendement van den heer H. B. Klaasesz, om ten aanzien der voordragten uit Oostdongeradeel en .Engwirden nader onderzoek aan gedeputeerde staten op te dragen. Naar aanleiding van een voorstel der commissie wordt wijders besloten dit onderzoek mede uit te strekken tot de voorstellen wegens Baarderadeel. De vergadering is hierna verdaagd tot dingsdag den 20 November aanstaande, des middags 12 uur. De voorgestelde verordening ter beteugeling van de hondsdolheid in Friesland , punt 15 , luidt: De staten der provincie Friesland, Overwegende, dat de hondsdolheid in den laatsten tijd zich meermalen in deze provincie geopenbaard en verwoestingen aangcrigt heeft; Overwegende, dat de gemeentelijke verordeningen, als afzonderlijk werkende, niet voldoende te achten zijn, om deze ziekte te bestrijden ; Gelet op art. 131 der grondwet, zoomede op artt. 130 en 140 der provinciale wet; Hebben besloten en besluiten : Vast te stellen navolgende VERORDENING ter beteugeling van de hondsdolheid in Friesland. Art. 1. leder eigenaar of houder van honden, welke lijden aan hondsdolheid of verdacht worden van aan die ziekte te lijden, zoomede zij, wier honden door een dollen of van dolheid verdachten hond gebeten of met die honden in aanraking geweest zijn, zijn verpligt, die honden dadelijk te dooden of vast te leggen en opgesloten en vastgelegd te houden en daarvan te gelijker tijd kennis te geven aan den burgemeester der gemeente , waarin zich de bedoelde honden bevinden. Art. 2. Tot gelijke dooding of vastlegging en opsluiting , zoomede tot onverwijlde aangifte aan den burgemeester der gemeente , zijn verpligt de eigenaars of houders van andere dieren, welke door dolheid (rabies) aangetast of door dolle honden of andere dolle dieren of welke van dolheid verdacht zijn , gebeten of daarmede in aanraking geweest zijn. Art. 3. De burgemeester zorgt, dat dadelijk na de aangifte de in artt. 1 en 2 vermelde honden of andere dieren, die door dolheid zijn aangetast of welke daarvan verdacht worden gehouden indien deze niet zijn gedood, door een aan den veeartsenijkundige school te Utrecht gevormden veearts worden onderzocht. Art. 4. Indien uit het hem deswege te geven verslag blijkt of uit de hem medegedeelde feiten mag worden afgeleid of aangenomen dat de bedoelde honden en dieren door hondsdolheid (rabies zijn aangetast of door dolle honden of andere dolle dieren gebeten of daarmede in aanraking geweest zijn , worden de genoemde honden of dieren ten spoedigste gedood. Art. 5. Wanneer, om tot de dooding te kunnen overgaan, onteigemi g van aan hondsdolheid lijdende of daarvan verdachte honden en andere dieren en vernietiging der met smetstof bezoedelde voorwerpen , voor zoo ver deze niet voor ontsmetting vatbaar worden geacht, noodig worden bevonden , dan geschieden zij op grond der wet van 28 Junij 1851 (Staatsblad no. 125). Art. 6. Alle honden en verdere dieren, die ten gevolge van hondsdolheid gestorven en zij, die of door die ziekte aangetast óf daarvan verdacht gehouden zijnde, gedood zijn, worden in hun geheel, op een door den burgemeester te bepaleu afstand van de woning des eigenaars of houders , op zijn grond begraven in kuilen ter diepte van 2 el, waarvan al de aarde weder tot dekking moet worden gebezigd en die niet mogen worden geopend. ° Bij gemis van de noodige ruimte, geschiedt de begraving, op aanwijzing van den burgemeester of diens gemagtigdc, op eene andereplaats, zonder bezwaar van kosten voor den eigenaar of houder. & De eigenaars of houders zijn verpligt op bevel van den burgemeeester alle niet onteigend wordende voorwerpen, waarmede de aangetaste of verdachte dieren in aanraking ziin geweest te doen ontsmetten, op de door den burgemeester voor te schrijven wijze. Art. 7. Zoodra het den burgemeester óf uit het verslag, in art 4 bedoeld blijkt, of hij uit de hem medegedeelde feiten mag af-1 leiden, dat er zich in zijne gemeente hondsdolheid heeft geopen feaard, beveelt hij onverwijld de vastlegging van alle in de gemeente aanwezige honden. ■.., Hij geeft daarvan, met opgave van redenen , te gclij-cr wju kennis aan gedeputeerde staten. Art. 8. De gedeputeerde staten zijn bevoegd de vastlegging , zo°wel die bij artt. len 2, als die, bij het lste lid van art. 7 dezer verordening bedoeld, op te heffen en te bevelen , dat de honden, zoowel in de gemeente waar de ziekte zich heeft geopenbaard oi ' geacht wordt ontstaan te zijn, als in naburige en andere gemeenten der provincie, gedurende een door hen te bepalen lijn, niet anders op den publieken weg en in het veld mogen 'oopen, dan voorzien van een metalen muilkorf, overeenkomstig net daarvoor door gedeputeerde staten voor te schrijven model. Art. 9. Alle honden, met uitzondering alleen van die, welke als jagthonden den jager vergezellen , en van herdershonden , wciKe de kudde bewaken, worden gedood, indien zij op Qen PUD"T ken weg oC in het veld worden gevonden, zonder van de voorgeschreven muilkorf voorzien te zijn. De burgemeester der gemeente of de politie van zijnentwege zorgt voor do begraving. Art. 10. De kosten, die krachtens en ten gevolge van de artt. 3, 4, 5,6, lste en 2de zinsnede, en art. 9, laatste lid , van dU reglement worden gemaakt, komen, voor zoo ver zij niet uit s rijits kas worden gehoed , ten laste der provincie. Art. 11. ■ De ambtenaren, bedoeld bij art. 11 van het wetboek van strafvordering , de politiebedienden , de commiesen van s rijks belastingen en de in art. 3 bedoelde veeartsen zijn bevoegd tot het opmaken van propessen-verbaal ter constatering der overtredingen van dit reglement. , '.. - Do processen-verbaal worden door tusschenkomst van den Detrokken burgemeester ter vervolging opgezonden. Art. 12. Wie de bepalingen van art. 1 en 2 van deze verordening overtreedt of zich verzet tegen of niet opvolgt de bevelen, door den burgemeester, krachtens art. 6, laatste lid, en art. 7, lste ' lid gegeven, of in strijd handelt met de bevelen van gedeputeerde staten, vermeld bij art. 8, of niet toelaat de ambtenaren, beambten en veeartsen, bedoeld bij art. 11, en de personen door het openbaar gezag aan dezen toegevoegd, wordt, voor zoo ver dienaangaande niet reeds bij de bestaande wetten is voorzien, gestraft met eene geldboete van/10 tot/75, met of zonder gevangenisstraf van één tot zeven dagen. Aldus vastgesteld door de staten van Friesland. Het voorgestelde ontwerp van een nieuw reglement tot beteugeling van de veepest, punt 35, luidt: De staten der provincie Friesland, Overwegende, dat het, ten gevolge der in werking treding van de wet van 15 September 1866 (Staatsblad no. 150) en van andere wettelijke voorschriften, wenschelijk- mag worden beschouwd , dat het reglement tot beteugeling van de veepeet in de provincie Friesland, van 22 November 1865 , goedgekeurd bij koninklijk besluit van 8 December daaraanvolgende, no. 88 (Provinciaal Blad no. 133 van dat jaar), worde ingetrokken en vervangen door een reglement, hetwelk met vorenbedoelde wettelijke bepalingen in overeenstemniing is gebragt; Gelet op art. 131 der grondwet, zoomede op artt. 130 en 140 der provinciale wet; Hebben besloten en besluiten: 1. In te trekken het reglement ter beteugeling van de veepest in de provincie Friesland van den 22 November 1865 , goedgekeurd bij koninklijk besluit van den 8 December 1865 , no. 88, 2, Vast te stellen navolgend i REGLEMENT lot beteugeling van de veepest in de provincie Friesland. Art. 1. Onverminderd de daaromtrent bestaande wettelijke bepalingen, is de eigenaar of houder van zieke, kwijnende of van eene besmettelijke ziekte verdachte runderen of schapen verpligt daarvan terstond kennis te geven aan den burgemeester of een door hem aangewezen persoon in de gemeente, het dorp of de buurt, waarin zich het vee bevindt. De burgemeester zorgt dat het vee terstond door een deskundige wordt onderzocht en geeft van den uitslag van dat onderzoek ten spoedigste kennis aan den commissaris des konings. De eigenaar of houder moet het zieke, kwijnende of van besmettelijke ziekte verdachte vee, zoo veel mogelijk, van het schijnbaar gezonde afgezonderd houden. Art. 2. Blijkt uit het in art. 1 bedoeld onderzoek dat een of meer runderen of schapen door de veepest zijn aangetast of verdacht worden van door die ziekte te zijn aangetast, dan wordt, onverminderd de bepalingen der wet van 28 Augustus ISSI (Staatsblad no. 125), gehandeld overeenkomstig de voorschriften der wet van den 15 September 1866 (Staatsblad no. 150) en de naar aanleiding dier wet gegeven koninklijke besluiten en andere wettelijke bepalingen. Bij de toepassing hiervan worden , behoudens het bepaalde bij het koninklijk besluit van 18 Januarij 1866 (Staatsblad no. 3), door den burgemeester zoodanige bevelen gegeven, ter voorkoming van de verbreiding dersmetstof, als hij noodig zal rekenen. Art. 3. Bij het ontstaan der veepest iv eene gemeente wordt, ter voorkoming van hare verspreiding, de geheele gemeente of een gedeelte daarvan door den burgemeester verdacht verklaard. Zoodanige verdacht verklaring kan op gelijke wijze geschieden, wanneer do ziekte in eene naburige gemeente is uitgebroken. De burgemeester doet van zijn besluit onverwijld mededeeling aan gedeputeerde staten en aan den commissaris des konings, die het ter kennis van de ingezetenen brengt. Ook gedeputeerde staten zijn bevoegd de verdachtverklaring uit te spreken; zij brengen in het besluit des burgemeesters de wijzigingen aan', die zij nuttig oordcelen en kunnen do door hem gedane verdachtverklaring opheffen. Art. 4. I Voor zoo ver het koninklijk besluit van den 20 December 186--(Staatsblad no. 134) hieromtrent niet voorziet, mag in het aldus verdacht verklaard gebied geen uit- en doorvoer vau runderen , schapen, bokken, geiten en varkens, van ongcsmolten vet, onbereide huiden , ver. ch geslagt vlcesch, beenderen , klaauwen , horens, bloed en verderen afval van die dieren, mest, koehaar, schapenvellen , onbereide wol, koedekken , hoorntouwen , hooi, stroo en gebruikt stalgereedschap plaats hebben , dan met toestemming van gedeputeerde staten en op de wijze , door hen te bepalen. . Insgelijks is voor dat gebied verboden invoer van runderen en van ander vee, anders dan met gelijke vergunning van gedeputeerde staten. . Vervoer van vee en der overigens in do eerste alinea van dit artikel genoemde voorwerpen mag in dat gebied niet plaats hebben, dan met vergunning van den burgemeester der betrokkene gemeente en op de wijze, door hem voor te schrijven. De in-, uit-, door- en vervoer van al het in de eerste alinea van dit artikel opgenoemde is bij nacht, van zonsondergang tot zonsopgang, verboden. ' In het bedoeld verdacht verklaard gebied mogen geene honden losloopen. Art. 5. Wanneer in strijd met de bepalingen van het voorgaande artikel gehandeld wordt, kan het in-, uit-, doorgevoerde of vervoerde door hen, die tot verbaliseren bevoegd zijn, worden aangehouden en ten koste en schade des eigenaars in-, uit-, door- of vervoerders in afzonderlijke bewaring worden gesteld. De burgemeester geeft daarvan kennis aan den commissaris des konings, die beschikt over de verder te nemen.maatregel.n. Indien er geene termen tot onteigening bestaan , worden de aangehouden voorwerpen niet teruggegeven vóór dat de kosten van voeding, oppassing, bewaring, onderzoek en alle andere zijn betaald. Indien die voorwerpen, na 14 dagen in bewaring te zijn gesteld geweest, binnen 3 dagen daarna niet door den regthebbende worden teruggenomen, dan worden zij , op last van den burgemeester en onder zoodanige voorwaarden als noodig worden geoordeeld, verkocht, na aankondiging in een der in de gemeente meest gelezen nieuwsbladen, en de opbrengst, na aftrek van alle kosten, gestort in de kas van geregtelijke consignatiën. Art. 6. Langs de buitenzijden van het verdacht verklaard gebied worden, door de zorg van den burgemeester, op de daartoe meest geschikte plaatsen, witte borden gezet, waarop in zwarte letters, van ten minste vijf duim groot, de woorden: „Kring verdacht van veepest" zijn gesteld. Bovendien worden op de weiden en erven, waar de ziekte zich heeft geopenbaard of het zieke of verdachte vee zich bevindt , gelijke borden geplaatst, met het woord : ,Veepest". Het is verboden die borden weg te nemen, te verplaatsen of e beschadigen. Art. 7. Het verdacht verklaard gebied staat onder bijzonder toezigt van de politie. De daarin aanwezige runderen en ander vee worden door de zorg van den burgemeester geteld en daarvan een register aangelegd en aangehouden. Bovendien hebben gedeputeerde staten de bevoegdheid te bevelen dat de runderen en ander vee, of een gedeelte er van, met een door hen voor te schrijven merkteeken worden voorzien. De eigenaars of houders zijn verpligt dat merken toe te laten en het aangebragte teeken in stand te houden. Ten minste ééns in de week worden de runderen en het ander vee nageteld en door een deskundige bezocht, die daarvan, door tusschenkomst van den burgemeester, een naauwkeurig schriftelijk rapport inzendt aan den commissaris des konings. Van iedere merking, zoo mede van elke telling en hertelling wordt proces-verbaal opgemaakt. Art. 8. Behalve aan hen, die door het openbaar gezag daartoe zijn aangewezen , of wier ambtsbetrekking hen roept toegang te hebben tot het vee van veehouders, onder wier beslag zich de ziekte heeft geopenbaard, wordt die toegang verboden, tenzij schriftelijke toestemming van den burgemeester daartoe verkregen zij. De eigenaar of houder van het vee, zijne huisgenooten en bedienden zijn onder dit verbod niet begrepen. Deze mogen zich echter niet begeven in stallen of weiden aan anderen toebehoorende, waarin zich de ziekte niet heeft geopenbaard. Art. 9. Gedeputeerde staten heffen de verdachtverklaring op, zoodra zij, naar aanleiding van de aan hen uitgebragte rapporten, alle gevaar van besmetting voor geweken achten. Zij geven hiervan bij publicatie aan de ingezetenen kennis. De burgemeester zorgt dat ten gelijken tijde de borden, bij art. 6 vermeld , worden weggenomen en het merkteeken, bedoeld bij art. 7, zooveel mogelijk worde vernietigd. Art. 10. Het is verboden vee, afkomstig van stallen of weiden, waarin gedurende Jhet laatste jaar de veepest heeft geheerscht, in gemeene weiden te brengen. De eigenaars, beheerders of scharregters dier weiden zorgen . dat hun bij het vee, hetwelk in de weiden gebragt wordt, eene verklaring afgegeven worde van den burgemeester der gemeente, waaruit dat vee afkomstig is. Zij houden daarvan aanteekening in een door hen aan te leggen register. Art. 11. Het is verboden: a. binnen twee maanden, nadat de veepest in eenen stal of eene weide geheerscht heeft, daarin runderen, schapen, geiten, bokken en varkens te brengen; 6. binnen den afstand gelegen tusschen de grenzen van een krachtens art. 3 verdacht verklaarden kring en lijnen, die door gedeputeerde stalen om dezen kring worden aangewezen , rundvee, schappen, bokken, geiten en varkens te vervoeren, anders dan met schriftelijke vergunning van den burgemeester der gemeente waarin de vervoer plaats vindt. Art. 12. De kosten, die krachtens en ten gevolge der bepalingen van dit reglement worden gemaakt, komen, voor zoover zij niet uit 's rijks kas worden gehoed, ten laste dor provincie. Art. 13. De deskundigen, in dit reglement bedoeld, zijn : a. veeartsen, aan de veeartsenijkundigo school te Utrecht gevormd ; ~ andere deskundigen of personen. Zij worden in iedere gemeente door den b_.„ der goedkeuring van gedeputeerde staten , benoemT'^'«fc gen in zijne handen eenen eed al, waarvan het for,;' „Z. hgedeputcerde staten wordt vastgesteld. 'ur|n_li" °C 1 tering der overtredingen van dit reglement. ' erconsta. Gelijke bevoegdheid wordt toegekend aan de tijdebike h ten, krachtens art. 13 , laatste lid , aangesteld. ea'*- De processen-verbaal worden, door tusschenkomst betrokken burgemeester, ter vervolging opgezonden. ' en Art. 16. Wie de bepalingen van artt. 1, 4, 6, alinea 3 art 7 lid, artt. 8., 10 en 11 van dit reglement overtreedt' „f 'f verzet tegm of niet opvolgt de bevelen, door den bureem». t krachtens art. 2 , 2de lid , en van gedeputeerde staten in.e, i ' art. 7, 3de lid, gegeven, of niet toelaat de ambtenaren t ambten en deskundigen, bedoeld bij art. 15,'en de persons door het openbaar gezag aan dezen toegevoegd, wordt w!' zoo ver dienaangaande niet reeds bij de bestaande wetten* voorzieu, gestraft met eeno geldboete van ƒlO tot ƒ75 -.„,". zonder gevangenisstraf van een tot zeven dagen. ' Art. 17. Dit reglement treedt in werking op den dag, v_lge_.de on. dagteekening van het Provinciaal Blad, waarin het is geplaL» Aldus vastgesteld door de staten van Friesland. ---