RECLAMES. Nierzand. Nierpis, Bier- en Blaassteen. Wanneer de nieren niet in orde zijn, kan het zich voordoen, dat het urinezuur, hetwelk dan niet uit het lichaam wordt verwijderd, zich afzet in de nieren of het nierbekken. Naar gelang van de grootte dezer afzettingen spreekt men van nierzand, gruis of steen. Zoolang de nieren niet goed werken, vermeerdert de afzetting op de reeds gevormde stukjes voortdurend en kunnen deze zich tot een aanzienlijke grootte ontwikkelen. Nierzand en -gruis kunnen met de urine het lichaam verlaten. Grootere stukjes blijven dikwijls in de blaas achter en vormen blaassteenen. Ook kunnen zij verstopping der urinewegen veroorzaken en menigmaal wordt een operatie noodzakelijk. Het is daarom van veel gewicht in te grijpen, zoodra gij verschijnselen van bovengenoemde ziekte opmerkt, als een gevoel van zwaarte en drukking in de lendenen, zoodat men te dezer hoogte behoefte «an steun heeft bij het loopen en zitten. De urine laat een fijn zand achter en de nachturine is dik en bevat een rood bezinksel. Het water komt soms druppelsgewijze, onophoudelijk heeft men aandrang en een branderige pijn, ook pijn in den rug van bötttu naar beneden en gericht naar de blaasstrfeek. _egint nog heden met het gebruik van Foster's Rugpijn Nieren Pillen, het speciale niergeneesmiddel, hetwelk aan de nieren haar oude kracht hergeeft en haar in staat stelt om de onzuiverheden, welke uw lijden veroorzaken, af te voeren. Zij grijpen uw kwaal in haar wortels aan. Te Leeuwarden verkrijgb. bij J. Wijbrandi Jzn., Kelders 171; en bij alle goede drogisten in -—n Friesland. Toezending gef m schiedt franco na ontv. v- postwissel a ƒ 1.75 voor iffilt_9x én' oI 10 voor zes jfff»j7pCTfK_ doozen. Eischt de echte ASuA*****f@ik f'ostor'3 Rugpijn Nieren Pil- I«ti, weigert elke doos, die u\t*m\rSai l!'et voorzien »s van neven- staand handelsmerk. 45 I Alleenverkoop der 1 ■ wereldberoemde! I P. C. Corsets. I IVAN DER LINDEN,» Tol. 531. NleuwesU^2|^J --- LEEUWARDER COURANT van Zaterdag 24 April 1915. Vierde Blad. --- Inkomst en bloei der oude Friesche Steden. LVII. Sneek VL (Slot). In het politieke leven heeft de stad Sneek, hoezeer vooruitstrevend de meeste burgers ook waren, een bescheiden rol in Friesland vervuld. Bij de vroeger zoo gebrekkige wegen en middelen van vervoer lag de stad min of meer achteraf. Toch bleef zij voor den Zuidwesthoek van ons gewest de Metropool aan de Geeuw, de hoofdplaats van het zuidelijk Westergo en ten allen tijde het aantrekkelijk middelpunt van de zeilsport. Er zijn er geweest, die zich illusies hebben gemaakt, dat Sneek de hoofdstad van Friesland zou worden, d e stad waar de gewestelijke regeering zou zetelen, en inderdaad was er eenige grond voor die ras vervlogen hoop of wensch. Het was in het beruchte jaar 1672, waarbij de drie r'en een zoo kwade beteekenis hadden. Redeloos was het volk. Reddeloos het land en Radeloos de regeering. Dit bleek echter voor en na wel eens meer het geval te zijn, maar nooit kwam in zulk een erge mate als in genoemd jaai „the rotten in the State" aan het licht. Eigenbelang en willekeur zaten voor bij de z.g. regenten en regeerders. Omkooperij, baantjesjagerij, wet- en rechtsontduiking waren aan de orde van den dag. Schijnvroomheid en huichelarij gingen met bedrog en arglistigheid gepaard en voor de ontwikkeling der groote menigte werd letterlijk niets gedaan. De z.g. Gouden Eeuw veranderde in haar laatste stadium in een voo z e eeuw, met looze, booze regeerders en ondeugend futloos volk. • „Bearn-Poep" (zoo werd Bernard van Galen, de krijgszuchtige kerkvorst van Munster, die ons volkje den oorlog had verklaard, genoemd) viel in Friesland. Keulsche benden trokken zuidelijker gewesten binnen of vereenigden zich met de troepen van Bearn-Poep. Frankrijk rukte door Gelderland en Brabant op Utrecht aan en Engeland bestookte onze handelsvloot met kapers op de zeeën en langs onze kusten. Toen begon de binnenlandsche oneenigheid en verweet het volk, niet geheel ten onrechte, aan de regenten, dat zij de oorzaak der ellende waren. De woordvoerders der menigte traden op als tolken en verkondigden de wijsheid, dat de regeeringsreglementen moesten worden herzien en de onbekwame bestuurders moesten aftreden. Zij eisch t e n, dat er een nieuwe bestuursregeling zou worden vastgesteld en dat niemand meer dan één ambt zou bekleeden, alsook dat geen Grietmannen of ambtenaren leden der Staten mochten zijn en dat voortaan niemand eenig ambt zou mogen verkoopen, voor geld overdragen of overnemen. Den ouden Statenleden, waarvan de meesten Grietman waren of ambtenaar of hadden „genegocieerd" in ambten, stonden deze Poincten Reformatoir van de brutale, zich te veel aanmatigende Leeuwarder Doelisten geenszins aan. De heeren moesten er zich eerst nog eens op bedenken en beslapen, werd hun gezegd. De veertien dagen, die hun werden gegeven om zich te beraden, verliepen spoedig en nog lieten de heeren niets van zich hooren. Maar de Doelisten, onder aanvoering van den Leeuwarder burgemeester De Blau, lieten de Regenten niet met rust. Het volk kwam hen te hulp en vroegen hun afgevaardigden „of de heeren haast klaar waren met hunne deliberatiën". Eindelijk, ter elfder ure, in letterlijken zin opgevat, kwam laat in den avond van 27 Sept. 1672 de boodschap „dat de Staten alle punten hadden aangenomen." Bij de uitgeschreven verkiezing, die volgde, zag men een heel ander „stel" Statenleden dan te voren, maar bij de installatie der nieuwe vertrouwensmannen rees al dadelijk de vraag: „wie zou de geloofsbrieven der nieuwe leden onderzoeken?" De oude Gedeputeerden verlangden dit te doen, maar krachtens reglement moesten 12 leden en 4 gedeputeerden, in commissie vergaderd, dit ambtshalve doen. Hierdoor ontstond hevige ruzie, met het gevolg, dat de pas gekozen Statenleden hun eigen geloofsbrieven onderzochten en nieuwe Gedeputeerden kozen uit hun midden. De oude regeeringsleden (d. w. z. de v o r i g e) dienden hierop 'hun beklag in, dat zij wederrechtelijk uit hun functie waren ontzet, te meer daar i ze nog een jaar zitting hadden en hun tijd wilden uitdienen. Daartoe schreven acht Statenleden, meest Griet, mannen, die zich „de Olde en wettelycke Regeennge deser Provintie" noemden, een Landsdag van al de vroegere Staten te Sneek uit, gaven eene verklaring van hun vermeend goed recht en bevalen Gedeputeerde Staten zich naar Sneek te begeven, nadat het stadsbestuur van Leeuwarden geweigerd had, hen in deze stad als Staten te ontvangen. Het ligt in de lijn, dat de nieuwe Staten de „01de Pretense" niet erkenden, maar het besluitelooze hof, de jeugdige stadhouder en zijne moeder neigden zich naar de „01de Heeren", wat hoogst gevaarlijk was in dezen troebelen tijd.' Ook stelden de steden en het leger zich partij en bleven „den olden verknocht". Een staatsgevaarlijk precedent dreigde alzoo te ontstaan in komende dagen v]bl onrust en ellende; daarom besloten eenige wijze mannen de hulp in te roepen van de Staten-Generaal, die drie heeren afvaardigden om de ontstane onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der minne bij te leggen niet ■alleen, maar ook, om de Staten met aandrang te •verzoeken en aan te manen tot betaling van hun aandeel in de militie, legerlasten en subsidies, waarin zij wegens de groote verdeeldheid onder_*3 in gebreke waren gebleven. De Edel Groot Mogende heeren verklaarden net zoo lang te zullen blijven, totdat de „poincten"' zouden bijge, ?d zijn. Tot Maart 1673 bleven „de 01de Fretense Staten te Sneek resideeren, „maer sy ghenerley effect sortceren", m. a. w. men *»t hen maar pr'atenl Geen belachelijker gei^ dan dat' hetwelk zien niet weet ,e doen eerbiedigen en zoo verliep de Sneeker actie van &u. Eindelijk besloten de heeren wijselijk „de zaak' onderling en zonder hulp uit den Haag in het reine le brengen, hetgeen gelukte." Na den oorlog met genoemde volken, die ons land millioenen guldens en duizenden menschenlevens had gekosl, brak voor Sneek een tijdperk aan van grooten bloei door de herleving van den buitenlandschen handel en in het bizonder dien op Engeland, dat, gelijk reeds vroeger, boter, kaas, vleesch, wol en vlas van ons betrok. Pas genoot Friesland van de zegeningen des vredes, toen de dwaze successie-oorlog, in 1702 aangevangen, ons land daarbij betrok. Het staatkundig verschil over de Spaansche erfopvolging deed de oorlogsfakkel in de Zuidelijke Nederlanden ontsteken. Ter dege schold men hier op den Franschen despoot, op den trouweloozen en oorlogzuchtigen Lodewijk XIV', die mede door onze bondgenooten werd bevochten. Dat schelden, razen en tieren, van hoogerhand aangemoedigd, had ten doel stemming te maken voor een krijg, die ons feitelijk niet aanging. Men maakte het volk wijs, „dat de vrijheid van gansch Europa" er mee gemoeid was en dat wij niet eerder mochten rusten, alvorens de macht van den despoot verdelgd was en zijne legerscharen vernietigd. Onder het volk zelf was deze opgedrongen oorlog, die slechts prinsen en legeraanvoerders in de gelegenheid zou stellen zich loffelijk te onderscheiden en hun heldenmoed aan den dag te leggen, niet populair. Men wist bij ervaring, dat dergelijke verdelgingscampagnes (al of niet gewonnen) geld en menschenlevens kostten. Uit Sneek klonk deswege een waarschuwende stem tegen den krijg, maar de Staten van Friesland, door Haagsche heeren bewerkt, heetten „eenstemmig gezind" om den oorlog aan te vangen. De zuur verdiende penningen werden schandelijk verkwist, doordat de repubüek der Vereenigde Nederlanden gedurende 10 jaren een leger van 40,000 tot 130,000 man op de been moest houden. Bovendien had de Staat gelijktijdig 50 zware linieschepen in dienst, waardoor de al reeds hooge nationale schuld met 350 millioen gulden vermeerderd werd. Gewoonlijk had Friesland voor zijn aandeel een tiende deel der oorlogslasten en andere kostt.r op te brengen. Toentertijd op 130 duizend inwoners omgeslagen, kostte die onzinnige oorlog ongeveer 300 gulden per hoofd, terwijl bij de tienduizend Friezen het leven er bij inschoten of jammerlijk werden verminkt. Het pluimpje ons gegeven, „dat Friesland, in de rij der Nederlandsche gewesten, in staat was zijn aandeel daartoe te betalen en zijnen aiouden roem te handhaven", was een zeer schrale troost. Met den vrede van Utrecht in 1713 vonden de regenten dan ook de rekening onder in den zak en de z.g. vernedering van den Zonnekoning bracht ons volk en land hoegenaamd geen gewin. De 18e eeuw bracht Sneek veel voordeel aan, door handel en nijverheid verworven. In het midden dier eeuw hadden tal van graan- en boterkoopers er hunne drukke zaken. Een „Schippers Compact" werd in 1748 opgericht door scheepsreeders tot onderlinge verzekering hunnei aandeelen en verdere belangen van hun gilde. Woensdags na Koppermaandag vergaderde het Compact van 34 leden tot het doen van rekening en verantwoording en tot het kiezen van bestuurders. Ook werden schippersknechten voor het binnenland en varensgezellen voor de buitenlandsche kleine vaart aangeworven of ingehuurd. Na 167 jaren bestaat de gewoonte tot inhuring van schippersknechten nog. Vroeger werden ook buisklokken en andere uurwerken in deze stad gemaakt. De ouderwetsche stoeltjesklokken kwamen meest van Sneek. maar de Jouster staartstukklokken hebben eerstgenoemde soort verdreven omstreeks 1780. De stoeltjesklok is een uitvinding van Christiaan Huygens, die in 1654 deze slingeruurwerken in den Haag door zijne medehelpers in den handel liet brengen. Een dezer knechten schijnt zich in 1662 te Sneek te ihebben gevestigd en deze zou de eerste klokkenmaker daar zijn geweest. Ook had men daar Bont- en Doekweverijen. De fabrieksbazen noemden zich „Bont- en Boeselreeders". Na 1685,t0en menLodewijk XIV had bewogen het Edict van Nantes, in 1598 bezworen, op te heffen, vluchtten een half millioen Hugenoten over de Fransche grenzen. Ongeveer honderdduizend vestigden zich in de Vereenigde Nederlanden er zoo kreeg Friesland ook zijn aandeel van de om des geloofs wille vervolgden. De naai Friesland uitgewekenen vestigden zich meest te Leeuwarden, waa» reeds sedert 163 G een Waalsche of Fransche gemeente bestond. Het aantal Réfugiés of uitgewekenen bedroeg in 1687 ongeveer 2500, die over verschillende plaatsen werden verdeeld. Met hen kwamen hier 21 Fransche Hervormde predikanten. Een van de leeraars werd den „ballingen" te Sneek toegewezen, waar echtei maai een gering aantal handwerkers of weversgezellen en slechts eenige mee; gegoeden onderdak en werk bekwamen. In 1686 werd ten behoeve van de Hugenoten een algemeene collecte in den lande gehouden. Dragers van Fransche namen in onze provincie zijn meestal afstammelingen van de Réfugiés. Tijdens de Patrioltenbeweging bleef Sneek' niet achteraan staan en in 1784 werd daar, in navolging van andere steden, een „Exercitie Genootschap" opgericht met goedvinden zelfs „van hunne Achtbaarheden". Het voormalige Stadsspinhuis op het z.g. „Klein Zuidend" werd daartoe ingericht. Doel en streven van dat Genootschap was „om zich in den nuttigen Wapenhandel te oefenen en bekwaam te maken", maar het Weef steeds bij het leeren van handgrepen van de vuursteengeweren en het marcheeren in looppas, lot het afschieten kwam men nooit, zoodat van schutterlijke schietvaardigheid en weerbaarheid feitelijk geen sprake was. Paradeeren en exerceeren was slechts het hoofddoel der vereeniging. Toen dan ook in de beruchte Septemberdagen 1787 de nood aan den man kwam, stoven de mannekes Patriotten op de nadering der Pruisische troepen als kaf voor den wind Luiteen. Een algemeene vhicht._vpjgde. Wie niet. zoo spoedig fón wegkomen werd door de triorafeerende partij gevangen genomen en naar Leeuwarden getransporteerd 43,000 Nederlandsche Patriotten (vrouwen en kinderen incluis) vluchtten naar België en Noord- Frankrijk, waar ze met behulp der Fransche regeeringscommissarissen te St Omer en Grevelingen werden gehuisvest en gevoed. In 1795 werden de kosten van dat onderhoud verhaald op de Bataafsche Republiek. Voor de Nederlandsche uitgewekenen nam jhr. mr. C. L. van Beijma de belangen waar als commissaris met mr. Johan Valckenaer, die, deswege gebrouilleerd, elkaar met de heftigste verwijtingen overlaadden. De Vrijkorpsmannen van Sneek en een aantal vooruitstrevende burgers, tot de partij der K eezen behoorende, moesten ten getale van ruim 300 de wijk naar elders nemen toen de Prinsenpartij, gesteund door Pruisische wapenen, overwinnaar bleef en de republiek, naar men zeide, weer gëoranjeseerd werd. Na 1795 namen de Keezen hun trekken waar en wreekten zij zich op de vroegere onderdrukkers, waarbij het vaak nog al hard en grof toeging, hetgeen de vorige heeren aanleiding gaf, om Sneek te schelden voor „een patriottisch nest." De Fransche overheersching bracht de goede stad steenen voor brood en zichtbaar kwam zij in verval. Onder Lodewijk herleefde wel de handel, vooral de sluik- of smokkelhandel, „blinde negotie" genoemd, maar het streng doorgedreven continentale stelsel van Napoleon deed groote afbreuk aan de vroegere welvaart en'velen berouwde het, dat zij in Maart 1795 om den Vrijheidsboom, voor het Stadhuis opgericht, hadden gedanst ter gelegenheid ran de komst der Fransche broeders en bevrijders, die later tirannen en uitbuiters bleken. De vlucht der Franschen in November 1813, mogelijk gemaakt door de hulp en steun der Overheid van het departement Friesland, deed de Sneekers ruimer ademhalen en er brak na het herstel van onze onafhankelijkheid een nieuw tijdperk van bloei aan onder Willem I, die alles deed wat handel en nijverheid kon bevorderen. De aanleg van groote Rijkswegen in ons gewest bracht Sneek wel den straatweg van de Lemmei naar Leeuwarden, maar bij het latere spoorwegproject vergat men dit belangrijke centrum van Frieslands Zuidwesten daarin op te nemen. Wel is er in 1850 gedacht aan een lijn Harlingen, Bolsward, Sneek, Joure, Heerenveen, maar die werd ten deele praktisch niet uitvoerbaar en niet rendabel genoeg geacht, wat het traject Sneek—Heerenveen betrof. Later heeft de Ned. Tramweg-Mij. beide bezwaren met lof overwonnen 1 Nu nog een tramlijn Spannenburg—Sneek, in aansluiting aan die van de Lemmer en een lokaalspoor van Sneek, Bolsward, Wommels naar Franeker. alsmede een verbinding van Akkrum of Irnsum naar Sneek, en deze stad zal groeien en bloeien, niet echter zooals door sommigen wordt ondersteld ten koste van Leeuwarden. Als het Sneek voorspoedig gaat zal Leeuwarden er mede van prohteeren, immers: „Tout ohemin a Friesland mène a Leuvarde", zei wijlen Henri Havard reeds voor 40 jaren en de Friezen, die Sneek als tweede centrum van het Zuidwesten onzer provincie wenschen, zien verder dan het uitsluitend locale belang van deze nijvere, florissante stad. welker geschiedenis ik in een zestal nummers zeer beknopt mocht beschrijven. Meppel P. JANZEN. --- Bij de Belgen in Gaasterland. Wat is 't toch een gekke wereld, zei m'n vriend, terwijl we, met een lekker windje in den rug, naar Gaasterland fietsten. Ik beaamde het ten vojle en voegde er aan toe,-dat ik dat vooral sedert Augustus 1914 had nen te kunnen constateeren. Ja, als iemand je dat nu eens had voorspeld/ dat je begin April 1915 't kaatsseizoen zou zie» openen in Gaasterland. Stel je voor, in dat oeroerconservatieve Gaasterland, waar de meest» menschen nog nooit een kaatser hebben gezien, laat staan een wedstrijd, waar ze van kaatssport' alleen zoowat den naam kennen, en dan nog wel door Belgen, op Belgische manier en bijgewoond door een publiek van ongeveer twee duizend personen, voor 99 procent Belgen. Dan zou je zoon mensch, zoon „clair-voyante" of hoe ze dan ook heeten mag, toch zeker voor absoluut krankjorum hebben uitgemaakt? En nou zie je eens, hoe raar 't kan". Ja, 't kan raar loopen in de wereld. Daar maak je nou jaren plannen om de menschen ook eens 't Belgische kaatsspel te laten zien en daar gooit 't noodlot, of de groote Moloch, je zoon paar duizend Belgen in je provincie, waaronder minstens een honderd „peloteurs" uit la pays du jeu de balie. En onder die honderd kaatsers zijn er zek'ef wel een twintigtal, die een heel goed figuur op onze „Internationale" zouden maken. Maar om bij de zaak te blijven, we fietsten door naar „mooi Gaasterland" om ten eerste: de Belgen eens te zien spelen en verder eens met het bestuur der „Sportvereniging Gaasterland" te spreken over een eventueel te houden wedstrijd, tusschen Belgen en Friezen op Hemelvaartsdag., Mooi Gaasterland, voor hoeveel Friezen is het nog „terra incognita" I „Wat zijn de menschen toch dom", zei m'n vriend, de filosoof weer. „Daar reizen ze nu zomerdag voor naar 't buitenland of naar Gelderland. Ze moeten de boschlucht genieten. En wat ze hier, in hun onmiddellijke nabijheid voor 't grijpen hebben, zien ze niet, of willen ze niet zien!" Want 't is mooi, Gaasterland I Als je op je karretje naar Kippenburg bent ge* fietst, en je stapt daar af, en je maakt dan een. wandeling over Elfbergen naar Rijs en je gaat dan achteruit de Rijster bosschen in,.honderd, tegen één, dat de meesten zeggen: „dat wist iktoch niet, dat Friesland zooiets moois bezat." En daar op Elfbergen, op 't mooiste, hoogste gedeelte van Gaasterland, heeft nu de „Sportvereeniging Gaasterland" een sportterrein ingericht, zooals men in geheel Friesland geen tweede ooit zal kunnen inrichten. Geheel door mooie, dichte bosschen omgeven, ligt daar een prachtig grasveld, op harden, rotsvasten bodem, groot genoeg 'om er twee onzer Bondspartijen tegelijk met glorie te kunnen houden. Maar niet alleen 't veld, ook de inrichting van" 't terrein is tip-top. Daar merk je, dat de meester, de organisator aan 't werk is geweest. Bij den ingang twee toegangen; één voor leden,-één voor militairen, de geïnterneerden hebben n.l. met hunnen vrouwen vrijen toegang. » En als men nu nagaat, dat er zoon 2500 geïnterneerden en misschien zoon 500 vrouwen en kinderea in Gaasterland zijn, dan begrijpt men, dat er nog al veel niet-betalende bezoekers op het terrein komen. Verder een ruime bergplaats voor fietsen, met uitstekende controle, een groote consumptietent met uitstekende consumptie en bediening, (alles door geïnterneerden), een f linke .tribune zelfs voor groote „luttes", wat wil men nog meer? We waren dan aan het fraaie, met Belgische, Hollandsche en Friesehe vlaggen gepavoiseerde terrein aangekomen en maakten direct al' kennhv met den heer van Riek, voorzitter der Sportver— eeniging, directeur der maatschappij „Gaasterland", de „baas van 't spul". En dadelijk kregen we al den indruk, dat 't daar in goed handen, was. Hij stelde ons voor aan densecretaris: „lieutenant" Botman, een jonge blonde Vlaming,: gekleed in de mooie groene uniform der Belgische jagers. 't Was een frappant schouwspel op dat mooie terrein; zoo moet het er bij de „Challengemilitaire" in Brussel uitzien. Honderden. Belgische soldaten omringden het speelveld.. Jagers; te voet, jagers te paard, guides, geniesoldaten,, forteresses; alle wapens van België lijken wel vertegenwoordigd. Vooral bij 't kaatsterrein (erwerd ook gevoetbald) ging 't levendig toe. \'t Zijn. meest Walen uit „Centre" en „Borinage", die 't spel beoefenen en spelers en toeschouwers zaten er reeds geheel in. We hebben direct al gezien,, dat er heel goede krachten bij zijn en 't een groot, onderscheid is bij 't gewone Zondagskaatsen hier.. Er zijn o. a. drie vijftallen, n.l. Rijs I (Decostiaux), Eakhuizen I (Delhalle) en Sonde! I (Bntniël), diemet de allerbeste spelers van België zouden kunnen spelen. Bovendien spelen de heeren dagelijks. „Wat een geluk", zeide ons een dezer brave kerels, „dat wij onze sport hebben. We hebben,-nu den geheelen winter hier omgeloopen. 0,, die verveling, monsieur, 't was verschrikkelijk!'* Dagelijks gaan ze naar 't sportterrein, som-migen loopen een uur om er te komen. Maar 't doel is bereikt, de verveling, die geestdoodende, degenereerende kwelduivel is verbannen. _ Zooals bekend is, heeft men een competitie' ingericht, doch het bestuur heeft, in overleg, meti het hoofdbestuur van den „Nederlandschen; Kaatsbond" en het bestuur der kaatsvereeniging; „Sneek", besloten op den te organiseeren tusschen Belgan.en *«_.' zen. En dat de Belgen ook in 't wel iets presteeren, hebben ze ZtL.-dag reeds b.wezen. dw d?£cttwee^ maal te verslag m^c»sS- en - Jef gheaüe,SePeenldbroede>reCva„ Arthur, dekkenden Belgischen kampioen. ■■*..■-' Zoo krijgt Friesland dus toch nog zijn „Inter-' nationale". Wel is 't niet de groote .wedstrijd om den lauwerkrans, doch deze belooft niet min- * •» der interessant te worden. Men zal nu eens in de gefegenheid zijn dew Bibsen in hun eigen speUe.zie_Pivt*ei) dooi boa zelf ingericht terrein, 't Plan bestaat n.l. om ook de beide .hestc parluren Belgen te laten spelen. Ilirr zal 't nu eer.s niet om gold, doch alleen om dc eer gaan. Komt, Friesehe kaatsliefhebbers, loont nu eens, dat gij or iets voor over hebt. Ge hebt jaren aaneen de reis naar Sneek gemaakt; ga nu den Hemelvaartsdag, dien ouden traditioneelen dag, eens doorbrengen in 't mooie Gaasterland. Ontvliedt dien dag eens uwe bedompte steden, de kale houwakkers, en breng eens een dag door te midden van het jonge groen der Gaasterlandsche .bosschen. ■ Laat ook voor u dien dag het parool zijn, hetzelfde wat ons door onze Belgische vrienden werd gegeven: Tot weerziens op den Hemelvaartsdag! Au revoir a Gaasterland! Sneek, April 1915 AMATEUR. ---