PUDDING FAB&ZBK. •_*- *ST *F>OLi *X.K • G&OIVrNCBJV --- Leeuwarder Courant Vrijdag 22 April 1932. VIJFDE BLAD. --- OORLOGSECHO'S. Als generaals in het strijdperk treden — Na de ontruiming van Antwerpen. — Bevelen van het groot hoofdkwartier in strijd met de inzichten van den koning. Brussel. 18 April 1932. Een proces, waarin voortdurend vrij onbewimpeld sprake is van den koning, de hoogste autoriteit in het land, is voorwaar geen alledaagsche gebeurtenis en daarom is het wel interessant even na te gaan, vóór de uitspraak vallen zal, hoe het „proces der generaals" zich heeft voorgedaan, het proces, dat door een extremistisch orgaan werd ingeleid bij zijn lezers onder den titel „Eindelijk zijn zij aan het vechten...." Dergelijke spot is wel heel goedkoop en velen, die, aan het Belgische front, den oorlog hebben meegemaakt, zullen er wel anders over denken. Vele opperofficieren hebben zich heldhaftig gedragen. En de hoofdpersonen in deze zaak züu niet van de geringste. Het betreft hier het proces van «neraal Lantonnois van Rode, gewezen bevelhebber van de 6e legerafdeeling, tegen generaal Galet, den tegenwoordigen chef van den generalen staf, auteurvan het werk „S. M. Le Roi Albert devant I'lnvasion". Wü hebben over dit werk reeds enkele artikelen geschreven. Men moet begrijpen, welke reusachtige deining het boek van Galet heeft teweeg gebracht in sommige militaire kringen en ook bü sommige politieke vüanden van_ den schrüver, die een protestant is en die hevig is aangevallen in verband met de militaire plannen een jaar geleden, om door te dringen in de atmosfeer van dit proces. In de zittingzaal hing een strijdlustige atmosfeer. Het kostte den voorzitter heel wat moeite om de heeren advocaten bü den grond van het debat te houden. Om aan te toonen, dat het proces heel wat verder ging dan de zaak van generaal Lantonnois, n.l. tot alle oud-strijders, die onder zijn bevel hebben gestaan, toen zün legerdivisie, met de 4e divisie van generaal Michel, een positie innam aan de Schelde, ten einde de verbinding van Antwerpen met de zee te verzekeren en verder hetveldleger tegen een Duitschen flankaanval te behoeden. Maar meer dan ooit heeft dit proces geleerd, dat de heeren generaals ook dan wanneer zij aan het hoofd van hun troepen front moesten maken tegen een vüand, hun onderlinge geschillen niet vergaten en hoe intrigue en wedüver, samen met hel verlangen om aan een bepaalde verantwoordelükheid te ontsnappen, een van hun grootste bezorgdheden is geweest. Men weet hoe de Antwerpsche vesting als de nationale Belgische vesting werd beschouwd door den koning. Zün opvatting was, dat het leger zich in Antwerpen moest nestelen, totdat geallieerde hulp-de Belgen zou komen ont-etteo. Maar toen bleek, dat de zware Duitsche artillerie jie .Belgische forten eenvoudig in gruis schoot, en nadtft was uitgemaakt, dat de Belgische troepen, zelfs versterkt door de Britsche mariuedivisie, niet tot een offensieve beweging tegen het Duitsche leger in staat waren, toen wüzigde hü zün opvattingen. Dat blijkt nu, op een afstand gezien, de groote verdienste te zün geweest van den koning, dat hü in de hachelükste omstandigheden zich nooit tot gevaarlüke beslissingen liet verleiden, dat hü wist weerstand te bieden aan alle uitersten, en zoowel strategische als tactische eischen, met het oog op ds geallieerde belangen, wist te doen gelden. Hü wüzigde zün inzichten en gaf het bevel, begin October, dat het gros van het Belgische leger op den linkeroever van de Schelde zou worden gebracht, terwül de 2e Belgische legerdivisie in de Antwerpsche vesting blüven zou, met de Britten. Maar dit bevel was geen aftocht. De bedoeling was het leger een nieuwe positie te verschaffen, beschermd door waterloopen en overstroomingen, om daar het hoofd te bieden aan een Duitschen aanval. De Duitsche artillerie kon er minder verwoesting aanrichten onder de Belgische troepen. | Zoo waren de inzichten van den koning van het grootste belang. De verdediger van generaal Gariet, oud-minister Janson, heeft het duidelijk verklaard. En generaal Galet heeft even duidelijk in zijn boek uiteengezet dat deze inzichten niet waren begrepen door het groote hoofdkwartier, dat werd meegesleept door de alles meerukkende beweging naar de zee, om aan den Duitschen druk te ontsnappen en dichter bij de geallieerden te zijn, weg uit de val tusschen de Nederlandsche grens en de Schelde, achter welke rivier, n.l. tusschen Leie en Schelde, een Duitsch leger opmarcheerde naar de kust. Het is een oogenblik van tragische, historische beteekenis geweest, dat hier werd opgeroepen, een oogenblik waarop is gehandeld door het groote hoofdkwartier in strijd met de bevelen van den koning. De bescherming van het operatiegebied van het Belgische leger, ten Noorden van de Schelde, was opgedragen aan de 6e en 4e legerdivisie, die aan de Schelde, aan het front Lokeren—Dendernionde waren genesteld. Deze divisies hebben op 8 October hun stellingen ontruimd om post te vatten achter het kanaal Gent—Terneuzen. Dat was het proces: de operaties van 8 October ende omstandigheden waarin zij werden uitgevoerd. Want generaal Galet schrijft in zijn boek, dat deze ontruiming, deze aftocht, absoluut in strijd was met de gegeven bevelen en dat de Duitschers hierdoor alle gelegenheid hadden om de verdedigers van Antwerpen van het gros van het leger af te snijden. D_..r de twee legerdivisies onder bevel stonden van generaal Lantonnois van Rode, — generaal Michel was overleden — heeft deze de uitlating smadelijk geacht en herstel verlangd, in den vorm van een verklaring in de bladen, met verbetering in de volgende edities van het boek. Des te meer, zoo meenden zijn advocaten, daar de niet ingelichte lezer den indruk krijgt, dat ds divisies hun stellingen hebben verlaten, zonder strijd en tegen de bevelen van het hoofdkwartier in, waardoor juist alle voorwaarden vereenigd zijn, die door het wetboek van militair strafrecht worden vereischt om een generaal te doen fusilleeren! Hiertegen werd door generaal Galet aangevoerd, dat hij generaal Lantonnois zelfs niet heeft genoemd in zijn boek en dat uit het algemeene verband duidel j blijkt, dat de bevelen tot ontruiming van de po/iie aan de Schelde werden gegeven door het groote hoofdkwartier. Hierover is uitvoerig gepleit. De advocaten hebben gelegenheid gehad om het leger-archief te onderzoeken, speciaal de bevelen voor den dag van 8 October. Hierdoor is dan uitgemaakt, ook door de partij Galet, dat generaal Lantonnois geen enkel verwijt treft. Generaal Lantonnois heeft op 7 October 1914 een bevel gekregen om stand te houden. Dit bevel gold voor 8 October. Denzelfden avond van 7 October ontving hij evenwel een aanvullend bevel voor 8 October, waarin de aftocht van de twee legerdivisies werd voorgeschreven, naar aanleiding van nieuwe berichten, speciaal omdat een Duitsch leger marcheerde tusschen Leie en Schelde en nabij Gent reeds in voeling was gekomen met Belgische troepen. Slechts het eerste bevel was goedgekeurd door den Koning. Het tweede niet. En toen 's anderdaags de koning in den nieuwen zetel van het groote hoofdkwartier, Selzate, aankwam, was de aftocht van de twee legerdivisies begonnen, tot groote verbazing van den koning, die dit niet had gelast en steeds het oog hield op algemeene strategische belangen. Den aftocht stuiten was niet meer mogelijk. Dat leert het proces. Of generaal Galet dan wel generaal Lantonnois gelijk zal krijgen bij de rechtbank is van minder belang. Het betreft hier alleen enkele zinnen, enkele uitdrukkingen over interpretaties. Op dan eisch van generaal Lantennors, vóór het proces, heeft generaal Galet niet kunnen ingaan, ten eerste omdat hij meende, dat zijn boek tot geen verkeerde gevolgtrekkingen aanleiding gaf en ten tweede omdat hij wist, dat er op ingaan zooveel zou beteekenen als een capitulatie ten opzichte van al degenen, die door zijn boek min of meer in het gedrang zijn gebracht en het nu op hem gemunt hebben. Capituleeren doet een generaal mi eenmaal niet Doch zij, die hebben gemeend de historische waarheid van het boek aan te tasten door deze zaak, habben zich vergist, want de juistheid der feiten, die zijn aangehaald, is zelfs door de tegenpartij bewezen. Waaruit blijkt, dat, indien bij de Duitschers, voor de Marne, ontreddering is geweest, ook bij de Belgische legerleiding vergissingen zijn begaan, die duur hadden kunnen kosten, maar die zijn goed gemaakt door het offer in den laatsten strijd aan den IJzer. BRUSSELAAR. --- HERINNERINGEN VAN EEN OUD COMMISSARIS VAN POLITIE. XIX De geheimzinnige teekenaar. Homo homini lupus; de eene mensch is een woif voor den anderen. Deze Latünsche spreuk wüst er op. dat het vroeger al niet beter was dan heden en het strekt den mensch niet tot eet, dat het heden niet beter is dan vroeger . Eigenlük schuilt in de aangehaalde uitdrukking ecu zekere beleediging voor den wolf, want dit diei belaagt zün soortgenooten alleen door uitersten honger gedreven, terwül de mensch dit zelfs doet uit wrok afgunst, ja, uit zucht naar vermaak. Nergens ervaart men dat beter dan bij de politio. Wat anonieme brieven vol gif worden daar niot aangebracht, opeenstapelingen van leugens c_ verdachtmakingen. Er kwam eens iemand bü me, die met Sinterklaas een pakje had gekregen, inhoudende .en miniatuur doodkist, waarin een popje, hetgeen niet eenvoudig beteekeude memento mori. maar dat blükens het büschrift bedoelae, dat de ontvanger weldra in dezelfde positie zou verkeeron als dat popje en daar de ontvanger een zenuwachtig mensch was, had dat lugubere cadeau hem heelemaal van streek gebracht. Het bleek, dat de doodkistenfabrikant iemand was, die wegens dronkenschap bü een firma was ontslaan en nu meende zün spüt over dat ontslag, dat hu alleen aan zich zelf had te wijten, niet beter to kunnen uitdrukken dan door den boekhouder dio er part noch deel aan had, de stuipen op het lijf teMaarnzooals ik zei, het is volstrekt "jet nojdw. dat haat en nüd de drijfveeien zun tot het plegen van handelingen, die bedoelen een ander te denken; d. geschiedt zelfs uit plezier zooals er menschen zün. die er vermaak m scheppen dieren te martelen. ... ~ Er vervoegde zich eens een heer bv me. die mi. een enveloppe ter hand stelde bevattende een teekentag met büschrift. Die teekening getuigde van eenige kunstvaardigheid, maar meer goeds kon men er niet fen zeggen, want de vooisteliing was meer dan schunnig. Blükens het adres was de teekening bestemd geweest voor de dochter van bedoelden heer, die beiden, als begrüpelijk is, zeer verontwaardigd waren, maar zij konden niemand verdenken; het meisje had met niemand ongenoegen gehad, was ingetogen en had er ook nooit een wanhopig ?n minnaar op na gehouden: dit laatste was vooral van belang, omdat je van afgewezen minnaais de gekste dingen kunt verwachten; bovendien was ze al eenigen tüd verloofd. Het büschrift van de teekening zei ook niet veel, want het was met de schrijfmachine geschreven. Ja, wat moest ik daaraan doen? Het was natuurlük meer dan wairschijnlü'k, dat de bedrijver van die schunnigheid het meisje 'kende en ook waarschünlük, dat hü in haar omgeving veikeerde, want hü zou toch wel de uitwerking v_i zün heldendaad willen zien, zoodat de menschen zelf mü toch eenigszins op het spoor moesten brengen, maar dat konden zü niet en ik kreeg ook wel den indruk dat zü niets voor mü verborgen hielden. De enveloppe en het papier hadden geen l>üzondere kenmerken, zoodat ik daar niet wijzer door werd en ik wist niet beter te doen dan den heer den raad te geven zoo weinig mogelük over het geval te spreken, maar goed te letten op de menschen met wie het meisje, dat op een kantoor werkte, in aanraking kwam; ik verwachtte meer brieven. In die verwachting werd ik niet bedrogen, want er kwamen er meer, met een climax van schunnigheid en blükbaar van denzelfden persoon afkomstig. Dit nu was het. wat ik juist moest hebben, want als het bü den eersten brief nog mogelük was geweest, dat hü aan een willekeurig meisje was gezonden, in welk geval er wel een ander meisje gekomen zou zün, die er ook een ontvangen had. nu leed het geen twüf >1 of de auteur was een bekende van de familie en ook bleek dit uit de büschriften. waarin op zekere gebeurtenissen gezinspeeld werd; 't is een feit dat men op den duur zn mond voorbü praat. De menschen werden zenuwachtig, maar bleven onwetend, want zü kenden niemand dien zü bekwaam achtten om de teekeningen te vervaardigen, omdat daar werkeüjk een tamelüke bedrevenheid voor noodig was. Het was welhaast uitgesloten, dat die dingen nageteekend waren omdat dergelüke viezigheid niet gepubliceerd kan worden en ik in de collectie pornografie, die in de politie-archieven berustte en nogal tamelü'k volledig was. niets vond, wat er ook maar eenigs zins op geleek. Maar zooals ik zei, de dader moest dichtbü zitten en daarom vroeg ik alle mogelüke inlichtingen omtrent kennissen en familieleden, die ik heel voorzichtig ging beküken, want de zaak was uiterst teer en ik moest alles vermüden, wat iemand in verdenking kon brengen, omdat ik begreep, hoe hoogst onaangenaam het voor iemand moest zün, onschuldig van zooiets ver dacht re worden. Omdat uitgesloten was, dat de artist tot den kring van familie en kennissen behoorde, re°s bü mü het vermoeden, dat de vervaardiger der teekeningen niet de auctor intellectualis was; dat hü dus de teekeningen in opdracht van iemand maakte, die dan zeer waarschünlük zelf de büschriften tikte. Ik ging daarom zoeken naar iemand, die da beschikking had over een schrijfmachine en dat waren er verschillende. Nu is het een groote domheid om van een schrijfmachine gebruik te maken, als men onbekend wenscht te blüven, want niets is zoo verraderlijk als een schrijf machine. Men denkt: alle [Tnder- en Remingtons komen van één fabriek e_ alle lettertjes zün geluk, maar daarin vergist men zich. want elke schrüfmachine, vooral als ze niet nieuw meer is heeft haar eigen schrift, als men dit maar met de loupe bestudeert: men vindt een defecte a of een schuinstaande b of een c. die niet goed doorslaat en al die kleinigheden maken het mogelük ve-elal met juistheid te zeggen, op welke machine iets is getikt, vooral als men de beschikking heeft over veel schrift. We gingen dus naar ve^ehilleLde kantoren en zonder nog te zeggen waar het precies om ging, namen we schrift van alle mogelijke schrüfmachines, dat daarna aan een minutieus onderzoek werd onderworpen. Ik vond toen, dat het schrift van een machine, die op een bankinstelling in gebruik was, merkwaardig veel overeenkomst vertoonde met het schrift op de enveloppen en de teekeningen en op die bankinstelling werkte de broer van den verloofde van het meisje. Ik stelde mü toen in verbinding met een der procuratiehouders dier bank om iets meer van dien broer te vernemen en hoorde toen. dat dit jonge mensch wel in de gelegenheid was van bedoelde schrijfmachine gebruik te maken, maar tevens vernam ik iets. wat mü nog meer interesseerde: een der andere employés van die bank stond bekend als een heel goed teekenaar en deze was met dien broer nogal bevriend. Maar, zei de procuratiehouder, die teekenaar is een buitengewoon nette jongen. Ik besloot het er toch maar op te wagen en verzocht den teekenaar bü mü te komen. Hü was niet erg op zün gemak en toen ik hem de serie prachtstukken voorlegde, boog hü het hoofd zonder te vragen wat dit te beteekenen had en dat zwügen was een volledige bekentenis. Trouwens, toen ik hem vroeg of hij de vervaardiger was, bekende hü met een kleur van schaamte en hü deelde mü mede. dat hü ze vervaardigd had op verzoek van zijn collega, die zoon beetje het onderwerp had aangegeven en die voor bijschriften en verzending had zorg gedragen. Hü zei, niet geweten te hebben, waarvoor zün collega de teekeningen noodig had. Die collega probeerde ook niet te ontkennen, maar sloeg al een even schitterend figuur als de teekenaar, want hü had zich tegenover zün kennissen onherstelbaar geblameerd en ik genoot wel van zün vernedering, toen hü, anders ac branie in de familie met het meisje en haar vader geconfronteerd werd en zün schande moest bekennen. Als ik zeg, dat het een jodenfamilie was, zal men er zich niet over verbazen, dat er een hartig woordje werd gewisseld, maar dat men ten slotte liever van een strafvervolging afzag; Israëlieten brengen niet graag familie voor den rechter, hetgeen ik altüd sympathiek heb gevonden. --- AUTOBUSDIENSTEN. Gisteren werd in het Provinciehuis een zitting gehouden van de commissie uit Ged. Staten van Friesland, ter behandeling van aanvragen voor het in werking brengen of het wijzigen van bestaande autobusdiensten. Voorzitter de heer S. W. de Jong. --- NIEUWE DIENSTEN. Nes—Leeuwarden. 1. Ondernemer H. Smidt te Wierurn Traject Nes--Leeuwarden over Wierurn, Hantum, Brantgum, Holwerd, Ferwerd. Zondags 1 rit, voornamelijk voor bezoek aan het Diaconessenhuis te Leeuwarden. De Nederlandsche Spoorwegen hebben bezwaren ingediend tegen het gedeelte Holwerd—Leeuwarden. De regeering noodzaakt de spoorwegen den dienst op Zondagen te beperken. Wordt nu een busdienst op Zondag langs een traject evenwijdig aan den spoorweg toegestaan, dan woidt de bus op deloyale wijze in de gelegenheid gesteld, zijn positie tegenover den spoorweg te versterken. De Noord Friesche Locaalspoorwegmaatschappij heeft ernstige bezwaren. Verdere concurrentie van autobussen zou haar in zoodanige moeilijkheden brengen, waaraan zij geen weerstand kan bieden. Vooral op Zondag heeft zij toch reeds met beperkingen van de zijde der regeering te kampen De Maatschappij verzoekt met allen aandrang haar het bestaan nog niet verder onmogelijk te maken. Gebr. Sprietsma te Dokkum, dienst Dokkum—Holwerd—Leeuwarden, hebben bezwaar, dat in hun traject op Zondag een anderen dienst zal loopen. Zij hebben tegen rijden op Zondag uit beginsel bezwaar, evenals een groot deel der bevolking. Het is hun gebleken, dat Zondags te rijden overbodig' is. Gebrs. de Jong te Sint Annaparochie c. s., dienst Franeker—Sint Annaparochie, ook op Zondag, veizoeken oplegging van een vervoerverbod van reizigers in plaatselijk verkeer op het traject Brantgum— Hallurn. --- BESTAANDE DIENSTEN MET WIJZIGING. Sandfirden—Sneek. 4. Ondernemer J. C Martens te Oudega (W,j Traject Sandfirden—Sneek. Uitbreiding tot dagelijkschen dienst, behalve Zondags. 2 ritten (tot dusver Dinsdag en Woensdag). B. Westra te Heeg, dienst Heeg—Sneek, heeft concurrentiebezwaar en verzoekt oplegging van een ven-oerverbod voor den Heeger opweg naar den straatweg. Gebr. de Jong te Heeg, dienst Heeg—Sneek hebben concurrentiebezvvaar en verzoeken oplegging van een ven-oerverbod voor den hoek Lijtshuizen— Hommerts of althans gelijke tarieven op dat traject. M. Westra te Gaastmeer, dienst Gaastmeer—Sneek, heeft concurrentiebezwaar en verzoekt oplegging van een vervoerverbod voor den hoek Lijtshuizen—Hommerts. B. en W. van Sneek merken op, dat tusschen Sandfirden en Sneek geen trein of tramverbinding bestaat, doch daf Ourjega slechts 10 minuten van hef station ligt --- Balk—Stavoren. 3. Ondernemer firma M de Boer le Balk Traject Balk—Stavoren over Harich, Oudega, Galamadammen, Koudum, Molkwerum. Dagelijks behalve Zondags 3 ritten. Bezwaren zijn ingekomen van W. Visser te Koudum, dienst Koudum—station Koudum; hij verzoekt oplegging van een vervoerverbod voor reizigers van Koudum naar het station en omgekeerd. D. Faber te Workum en gebr. Coehoorn te Lemmer, dienst Workum—Koudum—Balk, achten den dienst overbodig met het oog op hun eigen dienst; P. van Veen voor Balk—Stavoren en ringdienst Hoekstra en de Jong voor Oudega—Kolderwolde— Koudum, verzoeken de vergunning te weigeren of oplegging van een vervoerverbod van reizigers van Balk en Harich naar Koudum en omgekeerd. P. van Veen te Wijckel, dienst Balk—Stavoren acht den dienst overbodig. Adressant rijdt reeds op alle veerbooten daags 6 a 8 keer heen en terug. Bovendien is het traject van adressant korter, verschil 5 K.M. De aanvraag geschiedt enkel, om den dienst van adressant te benadeelen. Hij verzoekt de vergunning te weigeren of oplegging van een verbod van vervoer van reizigers met bestemming naar Warns en Stavoren. Hoekstra en de Jong te Kolderwolde beschouwen den dienst binnen de gemeente Hemeliimer Oldephaert en Noordwolde Hemelum—Warns—Koudum— Kolderwolde als een concurrentiebezwaar en meenen, dat de door hen aangevraagde dienst Woudsend— Stavoren over Koudum in dezelfde verkeersbehoeftsn als den dienst van de Boer zal voorzien, terwijl daarmede ook nog andere dorpen, als b.v. Woudsend zullen worden gebaat B. en W. van Hemelumer Oldephaert'en Noordwolde geven in overweging de vergunning niet te verleenen, omdat afbreuk zal worden gedaan aan de bestaande diensten van Faber, van Veen, Hoekstra en de Jong en Visser. De Nederlandsche Spoorwegen hebben tegen den dienst geen bezwaar, doch verzoeken te bevorderen, dat aansluiting op de treinen naar en van Sneek en op de veerbooten wordt gegeven. B. en W van Gaasterland achten den dienst voor een deel der gemeente van belang. (Firma de Boer verdedigt zich tegenover van Veen. Kortere route geldt slechts voor de later,door dezen gereden route over Kippenburg. De aanvraag geschiedt om zich te verweren tegen allerlei afbrokkelingen. Wordt deze aanvraag geweigerd, dan moeten alle nieuwe aanvragen naar Stavoren geweigerd worden). --- Sneek—Harlingen. 2. Firma S. B Dijkstra te Oosterlittens vraagt op het traject Franeker—Harlingen uitbreiding van den bestaanden dienst Sneek—Wommels—Franeker. De Nederlandsche Spoorwegen betoogen, dat hel verkeer tusschen Harlingen en Franeker door den treinenloop voldoende wordt bediend. Daarom is he*. doorvoeren van busreizigers niet toelaatbaar. Zn verzoeken uitbreiding niet ie verleenen. Naar het oordeel van de Nederlandsche Tramwegmaatschappij wordt de verkeersbehoefte Franeker— Harlingen voldoende voorzien door trein en autcbusdienst van der Pol te Franeker. De aangevraagde autobusdienst zal voor de tram belangrijke schade opleveren, omdat daardoor een rechtstreeksche veibinding per autobus Sneek—Harlingen tot stand komt. Aan die verbinding is geen behoefte, omdat am daarin voldoende voorziet. Zij verzoekt de' vergunning te weigeren. J. B van der Pol te Franeker, autobusdienst Franeker—Harlingen, acht de doortrekking van den dienst Dijkstra naar Harlingen overbodig, omdat hij, behalve op den eersten dienst, steeds aansluiting geeft. Hij verzoekt de vergunning te weigeren of oplegging van een vervoerverbod Franeker—Harlingen J. Boonstra te Wommels, autobusdienst Sneek— Wommels—Leeuwarden betoogt, dat de aanvraag is ingediend, omdat reclamant een aanvraag heeft ingediend voor het traject Wommels—Harlingen via Witmarsum. In de verbinding Franeker—Harlingen wordt voldoende voorzien. Daar de dienst van Boonstra en de dienst van Dijkstra voor het gedeelte Sneek—Wommels parallel loopen, zal de uitbreiding alleen voor Tzum een verbinding met Harlingen scheppen, die dooi adressant niet wordt gegeven. De trajecten van Wommels naar Harlingen over Witmarsum of over Franeker zijn ongeveer even lang, wat dus tot speculatie om het vlugst aan te komen zal leiden. Boonstra verzoekt weigering der uitbreiding als hem vergunning wordt verleend. B. en W. van Franeker achten den dienst overbodig, de Spoorwegen en de dienst van der Pol voorzien voldoende in de reisgelegenheid. B. en W. van Sneek meenen, dat voldoende in de verkeersbehoefte wordi. voorzien en achten in elk geval een vervoerverbod voor het plaatselijk verkeer Franeker—Harlingen noodig, met het oog op den dienst van der Pol. B. en W. van Hennaarderadeel achten uitbreiding vooral van belang voor Wommels en omgeving, omdat een rechtstreeksche aansluiting op bepaalde treinen van een hoofdstation kan worden verkregen B. en W. van Baarderadeel achten eveneens den dienst van belang voor een groot deel der ingezetenen der gemeente, ook met het oog op de spoorverbinding over den afsluitdijk. Er is een aanbeveling van de Neutrale Middenstandsvereeniging te Franeker. ---