Midzomer-einde Mei. Men schrijft ons Hoe spoedig kan alles verkeeren! De vorige week was, nu ja, voor de Meimaand dragelijk, gaf althans geen kleumsche regendagen; maar het verschil met de zoele lucht en den stralenden zonneschijn van den laatsten tijd is toch wèl groot. Geen wonder, dat onze stedelijke plantsoenen, die groote behoefte hadden aan warmte, daarvan profiteerden en zoo vertoonen ze zich thans in den luister van hun schoonheid, de late lente zich verbindende met den vollen zomer. Het is geen stedelijk chauvinisme als wij beweren, dat misschien weinige provinciesteden zoovele parken en plantsoenen onderhouden en goed verzorgen als Leeuwarden. Zeker, tal van plaatsen hebben uitgebreider beplantingen, maar zoo midden in de oude stad gelegen vallen er misschien weinig te noemen. Zoo zijn er in Leeuwarden b.v. de Arendstuin, het plantsoen bij het Ruiterskwartier en aan den Oostersingel werkelijk voortreffelijk aangelegde kleine parken, waar het goed rusten is in deze warme dagen. Het Rengerspark en de Prinsentuin zijn te over bekend en genoemd, om daarop nog te wijzen, maar het Westerpark, door de spraakmakende gemeente ook genoemd Vossenpark (naar den helaas gesloopten molen van Vosman) verdient thans ook zeer zeker vermelding; want de dienst der plantsoenen heeft daar met bloemen en planten een kleurschakeering weten te bereiken, die genoemd mag worden. Vooral van de zijde van den Westersingel geeft een bloembed aan den rechterkant een heerlijk kleureffect. We noemden zoo juist den molen van Vosman, die vroeger zulk een keurig beeld vormde met de stadsgracht langs den Westersingel. Toen de molen nog bestond was het plantsoen daaraan grenzend nog niet voor het ■publiek geopend; het waren meest niet onaardig geplante boschjes, die toch een lust Voor de oogen vormden, want men was toen met bloemperken enz. nog niet rijk gezegend. Aan de overzijde van de gracht, op den ouden dwinger, draaiden eveneens lustig de wieken van een ouden molen, gelijk ook op den dwinger achter den Prinsentuin. Ach, ware de toenmalige vroedschap bezield geweest met den geest van de tegenwoordige, zeker zou het zoo schoone terrein, waarop thans o. a. de huizen van de Westerkade prijken, niet voor een luttele geldsom zijn yêrkocht! Doch deze eenigszins somber getinte beschouwing wijke voor het feit, dat tegenover dit gemis zooveel andere plekjes zijn verkregen, waar alles groeit en bloeit dat het een lust is; het nieuwe park nabij het Kalverdijkje en de Ëoerhaavestraat moge als voorbeeld worden gesteld. Jong nog is het, maar reeds kunnen zoo aanstonds de groote rozenperken daar in bloei staan; de Meidoorn bloeit er, bescheiden struikjes nog, maar een belofte van geuren en kleuren. De Meidoorn, zij geurt niet alleen in de parken, neen, voornamelijk langs de wegen, daar zoo ruig geplant, nooit door een bekwame hand gesnoeid, nooit van de noodige voedingsstoffen voorzien, maar niettemin forsch groeiende en overdadig bloeiende, dat is Crataegus, de sterke. Jaar op jaar worden de struiken daar door schendende hand beschadigd, takken afgerukt, in plaats van althans met snoeischaar of een scherp mes afgesneden; niettemin zij handhaven zich. Meerdere aanplant zou ongetwijfeld het landschap ten goede Romen, de kosten van aankoop zijn tegenwoordig zoo luttel en in den tijd van weinig werk geeft het planten velen aanslag. Het is eigenaardig, dat langs wegen en slooten meestal de witte soort wordt gevonden; een paar prachtige roode exemplaren staan thans terzijde van de Beurs in bloei en voorts staan er langs den Noordersingel jonge Meidoornboompjes die een mooie belofte vertegenwoordigen. Maar, zooals wij zeiden, langs vele wegen staat thans de witte soort in bloei; aan den z.g. Hooge Dijk (weg van Beetgumermolen naar den Stienserweg) tusschen Ritsumazijl en het station Deinum b.v. staat de Meidoorn thans in vollen bloei, voor zoover de jeugd de bloesems niet heeft afgeplukt. Een jongetje b.v. vroeg ons: Moet je ook Meidoorns? daarbij wijzende op de bloeiende struiken. Ook bij Lekkuïn worden onderscheidene struiken gevonden, maar aan den Groningerstraatweg worden ze tot Zwartewegsend naar wij meenen niet meer aangetroffen. Waarschijnlijk uitgeroeid. Deze weg, leidende naar het Dorado van Leeuwarden (de groote Wielen, Vijversburg en de Friesche Wouden) werd in de beide laatste dagen door duizenden bereden, om van de wandelaars maar niet te spreken; die vormen tegenwoordig slechts een kleine minderheid, hoewel de belangstelling in de wandelsport toeneemt. Echter is de Groningerstraatweg daarvoor, vooral des Zondags, minder geschikt, er rollen daar dan te veel fietsen en auto's en wat meer van wielen is voorzien Zaterdag en Zondag beide was de drukte vooral des namiddags in één woord geweldig. Op den eersten dag kon men reeds van verre bemerken, dat op de Wielen iets bijzonders gaande was. Zooveel zeilen, als de vereeniging de Meeuwen daar bijeen bracht, ziet men zelden op den plas; de daar gehouden wedstrijd, begunstigd door Aeolus, leverde een prachtig gezicht op. Zondagmiddag was het verkeer op den straatweg nog grooter, het geklingel van de fietsbellen was niet van de lucht. Hij, die van kalmte houdt, doet op dergelijke Zondagen het best andere wegen te kiezen, want de rust is dan elders. Niettemin leveren dan ook de andere straatwegen een rijk contingent van rijwielen en auto's op, want vele werken der natuur zijn in onzen omtrek althans aanvankelijk slechts langs drukke wegen te bereiken. Maar overigens, hoe schoon zijn de velden, overgoten door de zonnestralen; het geel der boterbloemen, het bruin van de zuring zoo volkomen harmunieerende met den groenen ondergrond, een schilderij waaraan de mooiste kleuren helaas door de maaimachine en de zeis weldra worden ontnomen. --- PERSOVERZICHT. DE KABINETSFORMATIE. De Maasbode (r.-k.) wijdt een beschouwing aan de te verwachten kabinetsformatie. Het blad verwerpt de gedachte aan een Koninklijk kabinet, temeer waar een kabinet, steunende op een vaste meerderheid, mogelijk is. „Alle beweringen in de liberale en soc.-dem. pers ten spijt, is de constitutioneele toestand zeer eenvoudig: tegenover de in zich verdeelde linksche minderheid, staat een rechtsche meerderheid van 56 zetels in de Tweede en een daaraan ongeveer corresponderende meerderheid in de Eerste Kamer. Het niet benutten van zulk een meerderheid voor de samenstelling van een stevig rechtsch kabinet schijnt ons constitutioneel onverantwoordelijk. Bij ons weten is er geen rechtsche party, die de rechtsche samenwerking niet wil; dus kan deze er met aller goeden wil komen. Er wordt beweerd, dat vele liberalen en beginselloozen op den persoon dr. Colijn hebben gestemd. Het is best mogelijk, maar constitutioneel doet dit niets ter zake. ledere kiezer weet, dat dr. Colijn de leider der anti-revolutionnaire partij is en dat elke stem op hem een steun is op de anti-revolutionnaire partij. Wie de anti-revolutionnaire partij ni * vertrouwt, behoort niet op haar leider te stemmen. Wie haar wel vertrouwt, spreekt ook vertrouwen uit in de staatkundige overtuiging, waarvan de heer Colijn de pakkendste exponent wordt geacht. Vooral de liberal pers schijnt krampen te krijgen bij de gedachte, dat een katholiek eens formateur zou worden. Als de liberalen, wier politieke vertegenwoordiging in de Tweede Kamer op vier en in de Eerste op drie terugviel, een keel opzetten, alsof de katholieke fractie eigenlijk een misdaad begaat, wanneer een der 31 een formatie onderneemt, kunnen wii alleen lachen over zulk een vrijmoedigheid. Het spijt ons voor de liberalen, maar nademaal wij wonnen en zij verloren — en dat verlies was groot — is de toestand nu eenmaal zoo, dat niet zij maar wij het woord hebben en daarvan niet afzien, omdat de liberalen zoo bang zijn voor de „roomschen". De insinuatie over onze radicalerigheid (Vaderland), de praatjes over onzen procentueelen te geringen vooruitgang (N. R. Ct.), de dwaze voorstellingen over ons profijt van de Kieswet (Handelsblad), de zonderlinge bezorgdheid over onze geestelijke vrijheid, vermits niet slechts de bisschoppen, maar zelfs de Paus in dezen stemmenstrijd — waarin het trouwens ging over onze hoogte geestelijke belangen, zooals mgr. Lemmens nog eens uitdrukkelijk betoogt — zouden hebben ingegrepen (Avondpost), doen niet ter zake. De Katholieke Staatspartij is nu eenmaal veruit de sterkste, met welnemen van onze liberale landgenooten, zij zullen daaraan moeten wennen. Wij weten, dat de vraag gesteld wordt, of met de rechtsche partijen althans niet de vrijzinnigdemocraten kunnen meewerken. A priori is deze samenwerking onzerzijds nooit afgewezen. Maar zij lijkt ons thans niet noodzakelijk. En de homogeniteit van een kabinet, vooral op principieele punten, moet men niet noodeloos verwateren. In abnormale omstandigheden kan een zoogenaamd nationaal kabinet noodzakelijk zijn. Die abnormale omstandigheden eischen dan een werkelijk nationaal kabinet en staan de uitschakeling van een zeer sterke parlementaire groep, die bereid is verantwoordelijkheid mede te dragen, niet toe. Maar in zulke abnormale omstandigheden leven wij niet. Vandaar dat wij, evenals De Standaard, De Nederlander en tal van katholieke organen de totstandkoming van een kabinet, dat een positief christelijk regeeringsbeleid waarborgt, de constitutioneele oplossing van het oogenblik achten. Het parlement, dat allengs de gezonde constitutioneel banen scheen te verleeren, heeft aan deze oplossing behoefte. Het is dè nationale oplossing van het oogenblik en wie onbevangen den constitutioneelen toestand beziet, kan geen andere oplossing beter en dus meer wenschelijk achten. Het is de Kroon, die de personen aanwijst, bereid en gereed om voor deze oplossing de verantwoordelijkheid te dragen. Het is onze taak, als tolk van meer dan elfhonderdduizend katholieke kiesgerechtigden, deze oplossing aan te duiden als eene, die wenschelijk en bereikbaar is. Een christelijk kabinet, dat moedig de in Nederland verlangde en mogelijke concrete christelijke staatkunde voert, is het ministerie, dat wij wenschen. Wij hopen, dat dit het resultaat der gevoerde en nog te voeren besprekingen moge zijn". --- HET MINISTER-PRESIDENTSCHAP. In de N. R o 11. Cr t. (lib.) bepleit dr. E. van Raalte,» dat de minister-president van ons kabinet voortaan geen bepaald departement te beheeren zal krijgen; de algemeene taak van leiden en coördineeren stelt te zware eischen dan dat men nog een bepaalde portefeuille erbij zou kunnen waarnemen, al heeft een man als dr. Colijn dan kans gezien in den laatsten tijd van zijn presidentschap zelfs twee departementen te leiden. Bij de grondwetsherziening is in een ministerschap zonder portefeuille voorzien, maar deze herziening is nog niet definitief tot stand gekomen, zoodat momenteel de deur voor een portefeuilleloos ministerschap nog gesloten is. „Wij zitten nu nog vast aan het Grondwetsartikel, dat alleen maar kent ministers, die een departement onder zich hebben. Immers art. 77 (eerste alinea) luidt: „De Koning stelt ministerieele departementen in, benoemt er de hoofden van en ontslaat die naar welgevallen." Niettemin bestaat ook thans wel degelijk de mogelijkheid om den minister-president zoo goed als geheel en al van departementale beslommeringen te bevrijden en te bereiken, dat hij zich niet te veelvuldig en te lang aan zijn werkzaamheden van centrale figuur tusschen de leden van het Kabinet onttrokken ziet doordat hij zich te veel moet bezig houden met bovendien een eigen departement, met het bijwonen van de parlementaire beraadslagingen over van zijn departement afkomstige wetsontwerpen, enz. De oplossing — al jaren geleden door mr. S. v. Houten bepleit — is heel eenvoudig. Zij komt hierop neer, dat het goed zou wezen een Departement van Algemeene Zaken in te stellen, waaronder bv. zou vallen: a. het Kabinet van de Koningin; b. de benoemingen voor de Hooge Colleges van Staat; c. de Ridderorden en eventueel nog d. de algemeene onvoorziene uitgaven. Het zal wel onmiddellijk in het oog springen, dat een aldus opgezet departement inderdaad al heel weinig — en geen tijdroovende — beslommeringen zou behoeven te veroorzaken, terwijl men dan toch een regeling zou scheppen, die ook onder de ongewijzigde Grondwet den Minister-President in staat zou stellen zich feitelijk ten volle aan zijn taak als Premier te wijden. Een andere oplossing ware momenteel den voorzitter van den Ministerraad nog wel een portefeuille te laten torsen, maar deze dan aan een ander te doen overdragen, zoodra eenmaal de nieuwe Grondwetsbepaling rechtskracht zal hebben. Eer het zoover is, zal er echter waarschijnlijk toch nog wel een klein half jaar verloopen. Zoo lang het Kabinet met opzet onvolledig te laten, zou m. i. verre van gewenscht wezen, zoodat de zooeven aangegeven oplossing ongetwijfeld de voorkeur verdient. Wellicht zou het tevens niet kwaad zijn een kleine wijziging in het bij Koninklijk Besluit vastgestelde Reglement van Orde van den Raad van Ministers aan te brengen, door n.l. in dat Reglement te bepalen, dat de voorzitter door de Kroon wordt benoemd. Op die manier zou men immers aan een dwaas en op geen enkele wijze meer te rechtvaardigen verschil tusschen ons formeele en ons materieele, tusschen het geschreven en het levende staatsrecht een einde maken. Sinds jaar en dag plegen uit den aard der zaak de leden van den Ministerraad steeds tot hun voorzitter te benoemen de figuur, die dank zij de Kabinetsformatie en wat daarmee samenhangt, in werkelijkheid ook is en moest wezen hun voorman, de leider van het Kabinet. Dat gebruik is zoozeer één geworden met heel ons staatsrecht, dat het alleszins denkbaar ware, dat er eens ministers zouden zijn geweest of komen, die zelfs heelemaal zouden vergeten nog tot een officieele voorzittersverkiezing over te gaan! Intusschen, het bijvijlen van het Reglement van Orde is slechts een kwestie van bijkomstigen aard. Hoofdzaak is, dat men in dezen tijd ook ten opzichte van de inrichting van het Regeeringsapparaat de noodige aandacht geve aan wat goede efficiency eischt en dat men daarom thans niet langer aarzele den Minister-President van werkelijke portefeuille- of departementale lasten te bevrijden." --- IR. MUSSERT OVER DEN VERKIEZINGSUITSLAG. Volk en Vaderland (N.5.8.) bevat eën artikel van ir. Mussert onder den titel „Geslagen, maar ongebroken". Hij betoogt daarin dat de beweging niet in haar beginselen is geschokt en dat ha»r strijdlust en ruggegraat niet gebroken zijn en vervolgt: „Nog in den nacht van 26 op 27 Mei heb ik mij daarvan overtuigd in Rotterdam, den Haag, Haarlem en Amsterdam, waar ik duizenden kameraden bijeen vond en nog nimmer is het geloof in onze Beweging zoo sterk geweest als nu. Ik weet wel, er zullen zich velen afwenden, die den harden, moeizamen strijd niet kunnen of willen volhouden. Dat is goed. Dat is in overeenstemming met hetgeen een vriend der Beweging mij een paar maanden geleden zei: het gaat jullie veel te goed; ik hoop dat ge met vier in plaats van met tien man in de Tweede Kamer komt. Dan zal de Beweging zich samenvatten en dan eerst zal de basis voor den verderen strijd van graniet worden Welnu, wij komen met vier man in de Tweede Kamer en niet met tien. Wij hebben de kracht, den moeden de volharding om ons samen te vatten, om de basis van graniet op te trekken. Ik heb slechts één verzoek aan degenen, die willen vertrekken, n.l. doe het gauw. Ik moet binnen een maand weten waarop ik kan bouwen. Op dat fundament gaan wij verder. Zonder ophef, zonder uiterlijk vertoon, zal de tweede helft van dit jaar besteed worden aan de inwendige versterking der Beweging. In Januari moet de Beweging verjongd, frisch, sterk, gereed zijn om haar taak voort te zetten. De derde vraag is: kunnen wij in het parlement nu doen, hetgeen wij ons hadden voorgenomen? Het antwoord luidt: ja. Wij waren in de Tweede Kamer met 0 en in de Eerste Kamer met 2 mannen. Wij komen in de Tweede Kamer met 4 en in de Eerste Kamer met 4 mannen. Zij zullen het voorgenomen werk verrichten zonder hapering, zonder aarzeling. De Beweging marcheert dus verder: geslagen, maar ongebroken. Wij hebben ons volk nog even lief als vóór 26 Mei. Wij zijn er nog even sterk Van r tuigd, dat het in zijn kern, in zijn wezen een goed volk is. Daarom is deze verkiezing voor ons nationaal-socialisten geen teleurstelling om der wille van onze Beweging, maar om der wille van ons volk. Dit volk wenseht nog niet met ons onzen weg te gaan. Wij hebben het in deze jaren losser gemaakt van de partijen, waarop het jarenlang stemde; wij hebben het in beweging gebracht, maar het heeft nog steeds vertrouwen in onze tegenstanders en nog geen vertrouwen in ons. Daarover moeten wij niet vertoornd zijn, maar alleen bedroefd, omdat het waarschijnlijk hard, zeer hard, geslagen zal moeten worden, om tot het juiste inzicht te komen, want de wereld staat niet stil. Wij denken daarbij in de eerste plaats aan het imperium, aan Indië; aan de zestig millioen, die leven onder Nederlands vlag, aan de tweehonderdduizend, die daar de vlag hoog moeten houden en nu, na 26 Mei weten, dat zij voorloopig van het Nederlandsche volk niets te verwachten hebben. Maar de wonderen zijn de wereld niet uit. Wij hopen nog steeds op tijd te komen, om ons volk van den ondergang te redden, om het imperium te behouden. In ieder geval dragen wij daarvoor niet de verantwoordelijkheid. Onze verantwoordelijkheid is: voort te gaan, te bouwen met alle kracht, toewijding en liefde aan een sterke, hechte, offervaardige kern, die na korteren of langeren tijd, ons tot bezinning komend volk zal voorgaan op den nieuwen weg. De verantwoordelijkheid der partijen is en blijft vooralsnog: ons volk regeeren in de eenheid door democratie, die zij ons volk hebben voorgespiegeld vóór 26 Mei en die in een veelheid van wrijvingen en onvruchtbaar gekijf zal eindigen na een of twee of wellicht drie jaren. Moge er dan nog tijd en ruimte zijn voor de wederopstanding van ons volk. Kameraden: Sluit de gelederen. Drukt de helm vaster op uw hoofd en weest getrouw. Onze voorouders hebben wel voor heetere vuren gestaan dan wij nu en wij hopen aan het eind van onze dagen te kunnen zeggen: Het was een harde moeilijke strijd met open neergang, maar uiteindelijk met de overwinning bekroond. In de schaduw van het dal maken wij ons gereed om te gaan strijden!" --- verzekerd Een half milliard gulden BEDRAG^- I --- Barometerstand te Leeuwarden. De groote wijzer geeft den stand aan'van hedenmiddag 2 uur = 759.9 m.M. Het dunne lijntje geeft den stand aan v eergistermiddag 2 uur = 768.1 m.M. THERMOMETERSTAND. Hedenochtend 9 uur 64 gr. Fahrenheit. Eergisterochtend 9 uur 64 gr. Fahrenheit. Windrichting te Leeuwarden: Noordelijk. Temperatuur Groote Wielen: 20 gr. Celsius. Temperatuur Kleine Wielen: 21 gr. Celsius. Temperatuur Zwembad Huizum: 21 gr. Celsius. Mededeelingen van het Koninklijk Nederlandsch Meteorologisch Instituut te de Bilt tD den morgen van 31 Mei. Hoogste barometerstand 768.0 m.M. te Warschau, laagste 749.6 m.M. te Andanes. Verwachting (tot den avond van 31 Mei): Meest matige, noordwestelijke tot westelijke wind, zwaar bewolkt met tijdelijke opklaring, later weer kans op regen, iets koeler. ALGEMEEN OVERZICHI. Over Scandinavië en de Noorsche Zee ontwikkelen zich depressies, die zich oostwaarts uitbreiden. Tusschen de aftrekkende hoogedrukking in het oosten en een hoogedrukgebied op den Oceaan ligt een ondiepe onweersuitlooper, die vannacht reeds onweer bracht van Rochefort (Fr.) tot ons land. Op IJsland stijgt de barometer snel. In Scandinavië is de lucht bedekt, met regen in Noorwegen, terwijl in Zuid-Zweden kans op onweer bestaat. In Oost-Duitschland en Polen is het nog warm, maar dreigt, vooral in Duitschland, onweer. West-Duitschland en ons land hebben reeds sterke afkoeling. In Frankrijk ligt de scheiding tusschen warm en koud nog bij Parijs; het westen krijgt opklaring en koeler weer, het oosten onweer. In lerland en Engeland is de lucht gedeeltelijk opgeklaard en het weer vrij koel; in Schotland valt regen, onder invloed van de westelijke depressie. In onze omgeving zal deze depressie toenemenden wind en, na tijdelijke opklaring, waarschijnlijk opnieuw regen en verdere afkoeling brengen. Boezemwaterstand. De stand van net boezemwater te Leeuwarden was heden om 9 en 12 uur 16 c.M. boven Z.P. Gemiddeld 17.2 c.M. boven Z.P. Licht op: Maansop- en -ondergang. Mei Mei op onder op 31— 21.40 31 0.32 10.36 — 1 Juni —4.15 Juni I—2 21.42—4.14 1 0.52 11.51 — 2—3 21.43—4.13 2 1.12 13.07 — 3—4 21.44—4.13 3 1.30 14.24 — 4—5 21.45—4.12 4 1.52 15.44 ' — De afnemende maan gaat pas op na middernacht en schijnt dus niet in den avond. Laatste kwartier 2 Juni 6.44 uur. --- DE KUNST OM EEN „GOOD WINNER" TE ZIJN. Het Handelblad" (lib.) heeft zich geërgerd aan de relletjes, welke o. a. in Amsterdam door sommige groepjes politieke tegenstanders tegen colporteurs van de N.S.B, worden opgezet. „Hier komt een vorm van unfaire overwinnaarsmentaliteit tot uiting, die niet krachtig genoeg kan worden afgekeurd. Het schijnt voor sommigen al even moeilijk te wezen om een „good winner" te zijn als een „good looser". En het wijst op -n treurig gebrek aan sportieven geest om een verliezer uit te jouwen of te molesteeren. Evenmin is zulk optreden een bijster goede reclame voor de democratische opvattingen, welke nu over de fascistische hebben getriumfeerd. Al zullen verstandige Nederlanders de straatrumoermakers, die zich nu niet behoorlijk weten te gedragen, natuurlijk geen oogenblik met de dragers van een ordelijke democratie willen vereenzelvigen. Voor bovenstaande opmerkingen is te gegronder aanleiding, omdat tot dusve. de critiek op de methoden van de N.S.B, zich terecht heeft kunnen richten op den geest van bittere onverdraagzaamheid tegenover andersdenkenden, waarvan die methoden doordrenkt waren. Het ware een onverantwoordelijke en niet te verontschuldigen fout wanneer die mentaliteit nu i: een overwinningsroes op de anderen zou overslaan. Zoolang de N.S.B, binnen de grenzen Uer wet blijft, moet zij in een vrije gemeenschap het recht hebben om haar denkbeelden en staatkundige opvattingen met ordelijke middelen te propageeren. Overschrijdt zij (of een ander) die grenzen, dan dient de overheid krachtig in te grijpen. Blijft zij binnen die grenzen, dan dient haar recht op vrijheid van overtuiging tegen machtsmisbruik van anderen beschermd te worden, gelijk dit het recht vc:i eiken Nederlander is; zelfs al weten wij, dat de N.5.8., eenmaal zelf aan de macht gekomen, dit recht niet aan andersdenkenden zou verleenen. Dat lijkt paradoxaal, maar dat moet toch de consequentie zijn van een ware democratie in een werkelijken rechtsstaat. Er is geen enkele reden om de N.S.B, het martelaarschap toe te werpen. En 'er is nog veel minder reden om op straat een machtsmonopolie van wien ook, behalve van de wettige overheid, te tolereeren. Zeker niet een politiseerende menigte. De N.S.B, heeft haar campagne in de afgeloopen jaren op even grove als domme wijze gevoerd. De partij die voorgaf zich voor het heil van ons volk als geheel te interesseeren, heeft niet opgehouden om dat volk, voor zoover het waagde er een eigen meening op na te houden, te beleedigen en te belasteren, verdacht te maken en tegen zichzelf op te zetten. In dezen poel van demagogische haatzaaierij is dat deel van de nationale gedachte, welke de N.S.B, zegde te willen dienen: bevordering der nationale volkseendracht, volkomen verdrongen. Integendeel, aannemende dat het de N.5.8.-leiding met deze gedachte ernst was en dat niet persoonlijke ambities en zelfoverschattingen hier haar actie beheerschten, heeft deze beweging, door aan de nationale eenheid ideologieën en methoden te koppelen, welke ons volkskarakter volkomen vreemd zijn, zelve haar doel in den grond geboord. Misschien dat zij, na den gevoeligen klap welken zij thans heeft opgeloopen, hieruit een les zal weten te trekken. Het beste deel van ons volk is wars van grove dwangmethoden, van welken kant zij ook komen. Dat deel wil een eerlijken tegenstander, die in een eerlijken strijd het onderspit delft, eerbiedigen en zijn recht als minderheid volledig garandeeren. Voor het „Vae victis" moet in Nederland geen plaats zijn". ---