Fries concentratie-rapport vergat de natuur en de watersport Ook op ander gebied schept de recreatie in het Friese waterland problemen Wie de soms beangstigende cijfers over de groei van de bevolking van ons land deze week in de regeringsnota over de ruimtelijke ordening heeft gelezen, zal het duidelijk geworden zijn, dat het gedrang naar en op de voor ontspanning beschikbare hoekjes in ons miniatuurstaatje in de naaste toekomst nog groter zal worden dan het al is, vooral als we ook nog rekening moeten houden met de stroom van buitenlanders, met name Duitsers. Men kan nu wel stellen, dat dit alles „natuurlijk" is en het komende Europa in dit opzicht de miljoenen recreatiebezoekers op één grote hoop gooit, maar dan moet men niet vergeten, dat er bijvoorbeeld in Duitsland zelf per inwoner ettelijke keren meer grond voor recreatie beschikbaar is dan bij ons. Er is dus in elk opzicht orde en regel geboden, temeer daar de wedloop van de met hun geld geen raad wetende Nederlanders en buitenlanders, die nog gauw-gauw een particulier stukje schone onaantastbaarheid in de wacht willen slepen, waar tenminste een woonschip mag liggen of een kampeerwagen staan, voorlopig wel geen einde zal nemen, tenzij de conjunctuur mocht omslaan. De recreatie in Friesland is in deze kolommen al meer dan eens aan de orde gesteld en dat ligt voor de hand. Wij hebben buiten de stamboekkoeien en de enkele fabrieken niet zo heel veel te bieden en al moet worden vastgesteld dat er met name voor de Zuidoosthoek en Gaasterland veel te hard op de VVV-trommel wordt geslagen — deze kleine hoekjes boa en heide vallen immers wee; bij de natuurrijkdommen, die provincies als Drente, Overijssel en het oude Gelre gelnkkig nog bezitten — het is duidelijk, dat vooral ons waterland een fraai en waardevol bezit is. De druk hierop neemt ook nog steeds toe en daarmee gaan allerlei onplezierige verschijnselen gepaard. De „fraaie" oever van een der Friese wateren: de Veenhoop met een ordeloze bebouwing van schiphuizen en dergelijke. „En we zitten zo gezellig bij elkander": ieder kruisje is een woonschip (Krüsdobbe bij Eernewoude; FG zijn terreinen, die eigendom zijn van „It Fryske Gea". --- Beschamend Beschamend is ook de situatie bij Eernewoude. Beschamend, niet voor de overheid, maar voor de particulieren, die hier nu eens de zo begeerde vrijheid is gelaten. Wat hebben zij tegenover het Pnncehof van die vriiheid gemaakt. Het hierbij afgedrukte recente kaartje laat het duidelijk zien: de hele omgeving van Krüsdobbe, Fokkesleat en Headamsleat is volgeplant met woonschepen, welgeteld 26 stuks, die een tijdelijke ligvergunning hebben gekregen. Wat men er aan vindt om zo gezellig (?) op elkaar te zitten, begrijpt een buitenstaander niet. Ook hier is verandering nodig en die komt er en gelukkig gauw. Immers, het wachten is nog even op de uitvaardiging — bij Koninklijk Besluit — van de veror- dening (vastgesteld door onze Provinciale Staten op 29 maart 1960) houdende maatregelen ter voorkoming van ontsiering en geheel of gedeeltelijke onbruikbaarmaking van het merengebied alsmede van overlast in dit gebied" en dan kan er worden ingegrepen. Deze verordening gaat bijvoorbeeld het plaatsen van woonschepen tegen in alle Idaarderadeelster wateren ten oosten van de Graft tot aan de gemeentegrens, alle Smallingerlandse wateren tussen deze gemeentegrens en Kromme le, Grytmansrak, Headamsleat, Krüsdobbe en Fokkesleat en aUe Tietjerksteradeelster wateren ten westen van de weg Oudega-Eernewoude tot de Heawei en vervolgens in noordwestelijke richting gedacht tot de Meersloot. Dit is dus het prachtige stuk waterlandse natuur ten westen en ten zuiden van Eernewoude en tussen Wartena en Eernewoude. En dan is dit nog maar een greep, want de lijst van wateren, die onder deze heilzame verordening vallen, beslaat drie bladzijden. Waar al die woonschepen straks naar toe moeten? Er zullen havens moeten komen, concentraties dus. In sommige gemeenten laat men zijn gedachten al gaan over een geschikte gelegenheid, die dan natuurlijk in de nabijheid van een woonkern gezocht wordt. Het zal wellicht voor wie met zijn woonschip moet verhuizen, minder prettig zijn de natuur met velen op een betrekkelijk kleine oppervlakte te moeten aeien, maar in de eerste plaats zijn er nu ook al hele schepenstraten ontstaan en in de tweede plaats zal en moet zon haven met groen en dergelijke wat aardig worden aangekleed. --- Wie is die man? S. van Meekeren IN augustus '53, toen hij eens kwam kijken waar Ezumazijl eigenlijk lag, scheen de zomerzon en waren de Dongeradelen zogezeid pronkjuwelen. Op 1 oktober '35, toen ze er — vers getrouwd — kwamen wonen, keken Sierd van Meekeren en zijn vrouw elkaar toch wel even aan, want het regende en stormde en de Dongeradelen leken zo ongastvrij als de klei zich in de natte bietentijd maar kan presenteren. Hoe zouden zij, geboren in het knusse Hindeloopen, waar de huisjes uit een soort gezelligheidsdrang tegen elkaar leunen en elkaar over de steegjes heen hun topgevels toereiken en hoe zou hij, gewend aan de bedrijvigheid van een stad als Zaandam, waar hij in '29 zijn waterstaatkundige loopbaan was begonnen, ooit kunnen aarden in dat grote waterschapshuis aan de Lauwerszeedijk? Aan dat strenge huis met de kamers, waarin schier nooit een straaltje zon kwam en met een uitzicht zó wijd en zó ver, dat elke gedachte aan een beetje gezelligheid, aan knusheid, warmte en een innig gemeenschapsleven meteen al op de vlucht gejaagd werd. „Wy hawwe hjir nou sneon 25 jier wenne en mei wille," zegt Van Meekeren; „it hinget fan Josels öf: as Jo Jo jowe, as Jo Jo net öfslute, is 't klear." De Dongeradelen hebben de roep dat ze een vreemde niet zo gauw accepteren. „Hwa't dat seit, ken de minsken hjir net." Nader gepreciseerd dan: dat ze andersdenkenden niet zo gauw in hun midden opnemen. „It moat net malder: ik haw riedslid west foar de PvdA en bin it nou noch foar de kombinaesje VVD-PvdA en ik bin foarsitter fan de Foriening fan Frijsinnich Herfoarmen yn Eastdongeradiel en ik haw ds^ gjin sprüt lést fan dat se my der buten litte. Krekt oarsom: wy dogge alles meiinoar hwat meiinoar dien wurde kin en dat is in soad." Van Meekeren heeft zich niet opgesloten in de hechte waterschapsburcht van Ezumazijl. Hij is Dongeradeelster meegeworden en vecht mee voor de Dongeradelen. Als Dongeradeelster, als raadslid, als waterschapsambtenaar. Neem die zomerpolder, die in 1951 daar „boven" Anjum droog kwam. Van Meekeren hoedt er zich wel voor om zichzelf op de borst te slaan. Zijn voorganger Kees Vogel was al twintig jaar lang aan het landaanwinnen ijn hij heeft het met enthousiasme voortgezet. In '51 dan werd die 51/. kilometer lange bitumendijk om de zomerpolder geslagen en zie nu, zegt Van Meekeren: 450 koeien worden er gemolken, 450 pinken, 1000 schapen en 25 paarden weiden er. Dat hebben we voor de Dongeradelen dan toch maar weer bereikt, want dat vee is allemaal van boeren en gardeniers uit deze streek, van wie velen hierdoor net dat extraatje méér krijgen, dat hen doet besluiten hier te blijven. Goed, de polders hebben er hun inkomsten van, bruto negentigduizend per jaar, maar de gemeenschap is er mee geholpen, zegt Van Meekeren. Méér dan met menig ander stuk landaanwinning, dat er maar ligt *c liggen, dat niet benut wordt, dat duur wordt en dan rijksambtenaren het valse bewijs in handen heeft dat landaanwinnen zo kostbaar is Laat ons uit eigen ervaring mogen spreken: er zijn niet zo heel veel wate-schapsopzichter? naar wie zo g-luisterd wordt en die in brede kring zovesi gezag h«bben als Van Meekeren van Ezumazyl. Toen de Contributie Zeedijken Oostdongera deel en de Aniumer en LioessenserpoHer hem nu 25 jaai geleden uit 68 sollicitanten tol hun gezamenlijke opzichter benoemden, hebben ze een man gekozen, die hart voor zijn vak heeft, zoveel, dat hij bij belangrijke beslissingen (Lauwerszee!) op de publieke tribune van de Tweede Kamer is te vinden en dat hij bekwaam genoeg werd geacht om benoemd te worden in de commissie voor de concentratie van de zeewerende waterschappen. Cncentratie! Dat Van Meekeren er niet „vies" van i^, bewijst wel het feit, dat hij in de oorlogsjaren óók nog opzichter werd van de aangrenzende Engwierumerpolder, zodat hij nu de zeventien kilometer zeedijk van Dokkumer Nieuwe Zijlen tot Peasens onder zijn hoede heeft. „Concentratie? Ja, van harte. In de tijd dat de verkeersverbindingen nog slecht waren en dat niet alle boeren tot kop en oren in het werk zaten voor hun coöperaties en hun landbouworganisaties, toen hadden de kleine waterschaDpen zin: de verantwoordelijkheid werd verdeeld én gedragen. Nu afstanden geen rol meer spelen, vakbekwame bestuurders haast niet meer te krijgen zijn en het om enorme bedragen en belangen gaat. is concentratie de enige oplossing voor een verantwoord beheer van de dijk én van de gemeenschapsgelden. Mits — mits de deelnemers aan concentratie weten waar ze aan toe zijn. En dat zijn we op dit moment in het noordoosten beslist nog niet". Van Meekeren is geen concen. trator om der wille van de smeer. Technisch kan men daar bij de drie waterschappen het werk nog best aan en als de Lauwerszee is afgesloten, is de zeewerende kering teruggebracht van 17 tot 3. kilometer. Hij is voorstander omdat hij voorstander is van het „draagt elkanders lasten". De zeewering is geen kwestie meer van wie de zee deert wie de zee keert — een standpunt, dat aan de zuidkant van de Lauwerszee nog al eens wordt gehoord. Het draagvlak voor de kosten van de zeewering moet zo groot mogelijk zijn, zegt Van Meekeren, als het kan even 'troot als het koninkrijk in Eu-opa is. Maar of Van Meekeren dat in die tien jaren, die hem nog van zijn pensioen scheiden, nog mee zal maken? Hij zal er in elk geval voor blijven vechten, dat idee kragen we wel. --- Jeugd van Brekkenpolder (nog) met melkboot naar school Eiland aan de zuidkust spoedig uit isolement? Brekken betekent gebroken land, waarin het water overheerst. Ook zonder die verklaring weet een ieder, dat het water in het polderland ten westen van de Grote Brekken bij Lemmer een zeer belangrijke factor is. Niet meer zoals vroeger, toen al dit land tussen de Langesloot, Ee, Woudvaart, Branderneer, Kromme Ee en Grote Brekken bij wijze van spreken voor eb en vloed lag. Het was echt „bütlan", maar sinds dr. E. van Weideren baron Rengers dit waterland tussen Lemmer, Sloten en Spannenburg—Follega liet inpolderen, is er ontzettend veel ten goede gekeerd, hoewel het water hier nog' altijd een belangrijke rol speelt. Wat evenwel slechts weinig of helemaal niet veranderde sinds in 1930 de landbouwonderneming „Over de Brekken" haar werkzaamheden begon, dat zijn de verkeersmogelijkheden. Wegen zijn er in de Brekkenpolder niet en daarom wacht deze particuliere ruilverkaveling uit het begin van deze eeuw opnieuw een verkaveling. Aan de voorbereiding daarvan wordt al geruime tijd gewerkt, maar het valt nog niet te zeggen wanneer dit werk in uitvoering zal komen. De 83-jarige landbouwkundige op Epema-state ir. IJsbrechtum heeft namelijk voorlopig verzet tegen deze plannen aangetekend. Niet omdat hij gewoon zonder meer „tegen" is, maar het gaat baron Van Weideren Rengers om de volgorde van de werkzaamheden. Hij wil eerst verkavelen en dan vooral aandacht aan de wegen schenken en niet omgekeerd. Dat er mettertijd wegen door dit 330 hectare grote gebied zullen lopen, staat evenwel vast. Voorlopig zullen de bewoners het er echter zonder moeten doen en dat betekent, dat zij voor het contact met de buitenwereld vooral aangewezen zijn op de boot. De meesten zijn georiënteerd op Lemmer, omdat de polder aan die kant het „dichtst" bevolkt is, maar er zijn ook bewoners, die naar Sloten varen, terwijl een enkeling de route via Spannenburg kiest. Aan die kant ligt een voetveer en aan de zuidkant van de Brekken is er ook een. Men kan over drie veren in de dichter bewoonde wereld komen, maar dat heeft zo ook zijn bezwaren, vooral aan de Lemster kant- Na het veer moet men -l^ar eerst een stuk polderdijk langs de Langesloot aflopen om vervolgens een voor auto's te berijden sintelweg te nemen, die naar de weg Lemmer-Sondel leidt. Via Lemmer zou men dus met een auto een eindweegs bij de polder kunnen komen, maar welke polderbewoner houdt er onder deze om- standigheden een auto op na.' Liever dan de omslachtige reis per fiets kiest hij langs die kant dan ook de melkboot, die hem in twintig minuten varen naar Lemmer brengt. Coöperatief of speculatief wat hun melkafzet betreft, allen maken gebruik van de coöperatiemelkboot, die voor de Novac-Oosterzee wordt bestuurd door F. Hoogterp. Moeders met zuigelingen in de kinderwagen varen met hem mee naar het consultatiebureau en ook de jeugd trekt met de melkboot schoolwaarts. 's Morgens om omstreeks half acht gaan Jelle, Durk en Jan de Jong, Koelie Betten, Ineke Morsink met Tine en Johannes Mulder aan boord, 's middags omstreeks half vijf zijn zij weer terug. De, melkvaarder waakt als een vader over hen, en dat is ook wel nodig, want Jan de Jong is pas leerling van de kleuterschool. De ouders sturen hem mee, opdat, als hij leerplichtig is, de overgang van de eenzame wereld aan de Brekken naar de drukte van de Lemster school voor hem niet te groot zal zijn. Uit zorg voor zulke kleinen heeft Hoogeterp aan de buitenkant van de kajuit een grendel laten zetten. Tijdens de vaart mogen de kinderen niet buiten komen; stel je voor dat er op de Brekken eens een peuter overboord sloeg! Als door strenge vorst het bootje niet meer kan varen, gaan de kinderen lopend naar Lemmer. Die wandeling van anderhalf uur komt gelukkig niet vaak voor. De kinderen hebben echter altijd steun aan elkaar, want zij gaan eensgezind naar dezelfde christelijke schcol, al zou onder andere woonomstandigheden de schoolkeuze misschien meer verscheidenheid vertonen. Eensgezind maakt men wat de fouragering betreft ook gebruik van de diensten van de speculatieve melkboot (Lankhorst, Osingahuizen), dfe door Kl. Deinum wordt bestuurd. Hij is de boodschapper voor deze kleine gemeenschap, die zon grote eensgezindheid aan de dag legt. De jongeren hebben hun eigen jeugdclub, die 's zaterdags in de avond bij toerbeurt bij een van de leden thuis samenkomt. Hier wordt de protestantse oecumene zo goed mogelijk in praktijk gebracht en de vrouwen hebben kortgeleden na afloop van een kraamvisitie besloten om voortaan op geregelde tijden bijeen te komen. Niet alleen om alles „bij" te praten, maar ook om te werken voor algemeen christelijke doeleinden. Onderling soms nog al ver verspreid wonen er in de Brekkenpolder, de Grenspolder en de Kooipolder met elkaar twintig gezinnen. Allen hebben gemeen, dat het water hen van de buitenwereld scheidt. De een trekt op Sloten, de ander op Spannenburg (Tjerkgaast) en een derde gaat naar Lemmer, maar met elkaar vormen zij een hechte groep, die het eiland heus niet zo slecht en eenzaam vinden, al zullen zij zich werkelijk niet tegen de komst van landbouwwegen verzetten. Dat zou niet in het belang van de bedrijfsvoering zijn en tenslotte zijn deze in afzondering wonende polderbewoners héél gewone mensen, die ook graag gebruik maken van alle moderne gemakken. De schoolgaande jeugd van de Brekkenpolder is weer door de coóperatieboot afgeleverd bij de overhaal in de Langesloot. --- SNEON EN SNEIN W£K£LW$ -Wr-W-Élk --- Veenhoop: rommel Wie daarvan een beeld wil hebben, neme eens een kijkje op de Veenhoop. Het is een klein dorpje aan de rand van het water en niet aan het oog onttrokken door geboomte. Maar het ligt aan het Grytmansrak en tegenover het samenkomen van Alde en Nije Headamsleat en Wide le. Het is een watersportcentrum in het klein geworden, maar- dan op de verkeerde manier. Wie met onbevooroordeelde ogen deze kolonie woonschepen, keten, hokken, slecht onderhouden schiphuizen, zomeroptrekjes en kampeerwagens ziet, kan maar één conclusie trekken: een ordeloze en smakeloze rommel, die Appelscha-trekken heeft aangenomen. Excursies uit het westen spreken hun ergenis over deze toestanden uit en begrijpen niet waarom dit zo blijft en ver- der woekert. Het is dan ook noodzakelijk, dat op korte termijn deze olievlek wordt ingeperkt en daarom heeft het bestuur van It Fryske Gea zich tot het gemeentebestuur van Smallingerland gewend met het verzoek nog voor het seizoen 1961 dit aan te pakken Er zijn al eens plannen over een recreatieoord op de Veenhoop gepubliceerd, die thans door de Heidemij worden uitgewerkt. Misschien zit uitvoering van dit broodnodig te verwezenlijken project weer vast op de financiën. Dat is dan te betreuren, maar moet een aansporing te meer zijn om te trachten voor recreatieve doeleinden in Friesland veel meer geld los te krijgen dan ons tot nu toe werd gegund. Als we dan toch de hele randstad en half Duitsland de nodige frisse lucht moeten verschaffen, moet dat ons ook mogelijk worden gemaakt. En waar er geen geld aan te pas behoeft te komen (door administratieve maatregelen: verbod van ligplaatsen van bouwen van hokken en keten, van neerzetten van vehikels) aarzele men niet. --- Vergeten hoofdstuk En nu we het toch over de recreatie in het waterland hebben, kan meteen even worden gewezen op een 'ergeten hoofdstuk in het recente Rapport van de Commissie Concentratie Boezemwaterschappen en Veenpolders, aan Gedeputeerde Staten uitgebracht. Dat vergeten hoofdstuk heet: Watersport en natuurbescherming. In een gesprek, dat wij met de heer M. Wiegersma, voorzitter van It Fryske Gea, hadden, wees deze er op, dat de commissie met geen woord over de belangen van deze zaken rept. Wel staat op bladzijde 2 van bijlage vier, als er gesproken wordt over een in en om het Princehof te vormen waterschap van ruim 9000 ha: „Het plassengebied van Eernewoude is buiten het waterschap gehouden", maar er wordt in het geheel niet gezegd wat men daarbuiten met onze plassen, wateren, vaartjes en poeltjes wil doen. Zeker, de grote meren zijn buiten de concentratie gedacht, maar de bekoring van het Friese waterland zit niet alleen in oceanen als het Tjeukemeer, maar veeleer in de vele tientallen kleine wateren en watertjes. De kaart bij het rapport geeft ook helemaal niet aan welke wateren de commissie zou willen afdammen, terwijl Frieslands watersport (die blijkbaar nog niet beseft welke gevaren hier opdoemen bij een eenzijdige agrarische en waterstaatkundige beschouwing!) dat toch wel mag weten. Er is in de Swette destijds wel degelijk rekening gehouden met de watersport, waarvan als voorbeeld het compromis inzake It Eilan bij Goëngahuizen kan gelden (de keersluizen staan in de zomer open), maar in het concentratierapport vindt men geen enkele aant-iyzing, dat in die richting oplossingen worden gezocht. Verder is het van groot belang — voor het hele aanzicht van ons waterland —, dat de nieuwe polderdijken niet vlak langs het water worden gemaakt, maar dat er buiten die dijken een enkele tientallen meters brede strook boezemland komt, waar het natuurleven zich vrij kan ontwikkelen. Bij een landschappelijk zo ernstige ingreep als waterschapsconcentratie betekent, kan onmogelijk alles op de éne agrarischwaterschapskundige kaart worden gezet. Er moet dan maar wat minder grasland binnen de dijken komen, als het algemeen belang (en dat is recreatie) dat eist. --- Weerpraatje (van ons zelf) De weerkundigen hebben het precies geregistreerd, de zomer van 1960 was fris, nat en somber. Vooral juli en augustus hebben een hele slechte zomerbeurt gemaakt. Augustus — nog altijd de typische vacantiemaand — heeft het al heel bont gemaakt met gemiddeld 147 mm neerslag tegen 76 mm norm-a' Nu is dat abnormale toch ook wel weer een beetje normaal, want augustus 1958 bracht 105 mm neerslag. Dat is het mensdom echter al lang weer vergeten, alleen de zon-.er van 1959 zal lang in het geheugen blijven met maar 49 mm neerslag. Een graadmeter van de zomerkwaliteit is ook het bezoek aan het strand te Terhorne. Het vorige jaar werder daar een 75.000 bezoekers geregistreerd tegen een 33.000 dit jaar. Dat is ruim de helft minder. Dit klopt ook wel met de omzet van de ijsbereiders, die ongeveer de helft minder hebben gemaakt dan het vorige jaar. Overwerken was er deze zomer niet bij. Dat geldt ook voor de grossiers, die de cafébedrijven van koele dranken voorzien. Hun omzet was ook ongeveer de helft kleiner. Zij verklaarden, dat er overigens niet zo heel veel verschil was met de omzet in 1958 en voorgaande jaren, waarmee dan is aangetoond, dat deze „zomer" vrij normaal is geweest. Dat geldt niet voor de hotelbedrijven langs de nieuwe rijksweg 43. Die melden een sterk toegenomen aantal overnachtingen. In Bolsward was dit direct in het begin van het seizoen al merkbaar en enkele Sneker hoteliers schatten nu de stijging op een veertig procent. M'sschien zit er onder de stijging ook een percentage tentbewoners, die uit nood naar een hotelkamer zijn verhuisd, maar de voltooiing van deze weg heeft toch wel duidelijk een zomerse winst gebracht voor de hotels langs de route. * * • Die winst zal een volgend jaar zeker nog toenemen, wanneer deze nieuwe weg nog meer bekendheid heeft gekregen. Afgezien van goed of slecht weer is dat natuurlijk helemaal niet zo leuk voor de mensen, die mede brood eten van het verkeer langs de E 10-weg. In Franeker had men het gevoel, dat de overnachtingsdrukte nog niet minder was dan verleden jaar. Intussen is men wat ingenomen met het feit, dat op het voor-richtingsbord op de kop van de Afsluitdijk de E 10 nu ook zal worden aangegeven. Dat in Groningen de weg naar Amsterdam over rijksweg 43 wordt gewezen vindt men al schadelijk genoeg, maar dat op Friese bodem op het punt van routebeslissing de E 10 niet was vermeld, vond men nog veel erger in deze somber makende zomer. Dat zal dan nu veranderen; hopelijk verandert het weer in de komende zomer zich ook in de geest van de onvergetelijke zomer van 1959. --- Oranjewoud is Frieslands toerbus-trekpleister 71 an het onlangs door het Natio•**• naai Overleg voor Gewestelijke Cultuur in Assen georganiseerde congres over „Recreatie en de gewesten" was ook een excursie over het noordelijk deel van de Hondsrug verbonden. De tocht voerde o.m. langs Drouwenerzand, dat zich de laatste jaren snel tot een trekpleister voor dagjesmensen ontwikkelt. Ter ondersteuning van dat feit werd vermeld, dat in het zomerseizoen een zeshonderd toerbussen deze verpozingsplaats aandoen. Ter vergelijking dlene, dat Rijs zomers een vierhonderd toerbussen op bezoek krijgt, Appelscha een dertienhonderd, terwijl in Friesland Oranjewoud de kroon spant met een tweeduizend bussen. Koploper in het Noorden is echter onmiskenbaar Emmen geworden, waar men op dik over de tweeduizend bussen per seizoen zit. ---