'De list van de hienliper Kaaimer' Fries Genootschap geeft prenten van Lap uit LEEUWARDEN - „En nu zend ik UEd de kaamers daar ik geen eerder gelegentheit had. Hoopende dat dezelve naar genoegen zullen zijn, want ik heb verf van Amsterdan gekreegen welke vrij wat beter is. Nu zend ik UEd hiernevens nog een oudheidt van het vlegten van het haar, en nog twee kleine plaatjes, het Groot 1 Gulden 25 Cent, en de kleine ieder plaatje 50 Cent. Zoo UEd geen gading aan de zelve maakt gelieft dan zoo goed te zijn om de zelve met den schipper terug te geven." Deze regels zijn ontleend aan een brief, die Hendrik Lap, te Hindeloopen, op 17 april 1850 met de beurtschipper verzond aan Wopke Eekhoff te Leeuwarden. Hij was de „UEd", die voor nog geen rijksdaalder een aantal gekleurde tekeningen over oud-Hindeloopen in zijn bezit kon krijgen. Dat Eekhoff, liefhebber van oudheden en mèt Roosjen en Kroeze auteur van het in 1855 verschenen werkje Merkwaardigheden wn Hindeloopen (ter plaatse bekend als „het" „Hylper book"), deze en andere tekeningen van Lap dankbaar accepteerde, blijkt uit de verzamelingen van het Fries Museum. Uit dit kleurige materiaal heeft het Fries Genootschap een keuze gemaakt en die met de originele begeleidende tekst en met toelichtingen van Gert Elzinga (Prentenkabinet) en mevrouw Sytske Wille-Engelsma (kostuumafdeling) zojuist in het licht gegeven. Deze week krijgen de leden van net Genootschap de in oblong uitgegeven publicatie onder de titel Het Hindeloopen van Hendrik Lap toegezonden. Die titel is overigens betrekkelijk en had eigenlijk beter kunnen luiden: „De Hindeloopers van Hendrik Lap", want het boekje met zijn fraaie kleurenreproducties bevat afbeeldingen van jonge en oude Hindeloopers in de verschillende kostuumvariaties plus drie interieurs. Van Hindeloopen zelf dus geen enkel stadsgezicht. Zelfs de tekening van het oude Hindelooper huis (voorgevel), die het museum ook van Lap bezit, is niet opgenomen. Overigens: sommige prenten van Lap zijn hier en daar al eens gepubliceerd, maar de volledige drachtendocumentatie was nog nimmer in het licht gegeven. Dat is dan nu het geval, terwijl ook de begeleidende toelichting van Lap, in het „Hylper" en in het Nederlands, daarbij is afgedrukt. Uit het werkje (oblong formaat met 14 grote reproducties) blijkt, dat Hendrik op 17 mei 1824 te Hindeloopen geboren werd als de natuurlijke zoon van de dienstmeid Doed Wiggerts Lap. Bij de volkstelling van 1829 woonde hij met zijn moeder aan de Galgepólle. Zijn moeder stierf in 1836 en in 1839 woonde Hendrik als leerling in bij de schoenmaker Jan Alderts Engels en diens zuster, ook een Doed. In 1850 was hij schoenmakersknecht, in 1862 en 1869 woonde hij bij anderen in en op 22 februari 1874 overleed hij in zijn geboorteplaats. Hij zou op verschillende manier aan de kost zijn gekomen, maar een bescheiden bron van inkomsten moeten ook zijn tekeningen zijn geweest. Drie Hindelooper meisjes aan het „touwdansen", zoals Hendrik Lap het touwtjespringen noemt (ca, 1850). --- Naïeve documentatie Men neemt aan, dat Hendrik zichzelf het tekenen heeft geleerd: vooral in zijn oudere prenten proeft men de naïef. Later scnijnt hij aanwijzingen te hebben gekregen van de bekende schilders van net geromantiseerde Hindelooper interieur: P. W. Sebes en Chr. Bisschop. Mogelijk hebben zij ook invloed gehad op het kleurgebruik van Lap, dat bont en fris is. In elk geval verbeterde hij later duidelijk perspectief en verhoudingen, al zijn de figuren in zijn interieurs veel te klein gebleven. Lap is met Eekhoff in contact gekomen - zo kan men lozen - via ds. H. A. Ferk. Eekhoff had een commentaar geschreven bij een in 1847 uitgegeven staalgravure van een Hindelooper kamer naar een tekening van Izaak Reijnders. Daar kwamen reacties op, waarna Eekhoff meer betrouwbare gegevens zocht. Die vond hij in het werk van Lap. In deze ..jaarwisselingsgave" van het Genootschap zijn van hem afruki alle kostuumtekeningen plus Brie interieurs. In dit verband zegt Elzinga zeer juist, dat Lap „een wereld tekende en documenteerde, die in zijn jeugd al nauwelijks meer bestond." Zijn tekeningen vormen ook vrijwel de enige oudere documentatie omtrent de Hindelooper klederdrachten en interieurs en daarom werden zijn Hindelooper kamers ook nagebouwd op de Historische tentoonstelling in 1877 en in 1881 ook in het Fries Museum, waar men ze dus nóg kan zien. Lap kende uiteraard de taal van Hindeloopen en hij gebruikte die ook bij zijn tweetalige beschrijvingen, waardoor een stuk volkscultureel idioom is bewaard. Zelfs voegde hij aan een brief aan Eekhof met de mededeling: „Dit ies de list van de hienloper buete kaaimer" een rijmpje toe. Aldus „De list die ies no deen. lek lis de pinne del. Et work ies no biired, De kaaimer ies op stel. lek hoopje nou ek mar, Dot et no goed mij wesse En dot elk een dis taal Mei aadigheidt mei lesse." --- Vragen De uitgave van Laps tekeningen werpt intussen wel enkele vragen op omtrent de authenticiteit. In zijn tijd was Hindeloopen immers al erg afgetakeld, de dracht kwam nog slechts sporadisch voor en complete interieurs waren er ook al weinig of niet meer. Wie de uitvoerig gemeubileerde kamers op de prenten ziet, mag dan ook wel veronderstellen, dat Lap tot combinaties is gekomen, maar dat nergens (meer?) de „kaaimers" zo rijk waren ingericht en aangekleed. In dit verband kan dus twijfel worden uitgesproken met betrekking tot de betrouwbaarheid van de interieurs in het Fries Museum. Ten aanzien van de klederdrachten is er minder reden tot reserve. Maar ook hier schijnt Lap te zijn afgegaan op mededelingen van ouderen en misschien op hier en daar nog aanwezige stukken. In elk geval kan hij niet worden vertrouwd als hij zegt: dit is de dracht van 1600 en even later van 1700. Trouwens, hier en daar geeft Lap ook stoffen aan, die in de 17de eeuw nog niet in gebruik waren. En zijn voorstetting van net vlechten van het haar „vet et mids Dan de zantiende eeuw" moet ook met een korrel zout worden genomen: hij is er niet bij geweest. Hoe dit zii, door deze fleurige en kleurige publicatie wordt na zoveel jaren meer algemeen de aandacht voor deze Hylper amateurschilder gevraagd. Hij is die (late) belangstelling ten volle waard. SYTSE JAN VAN DER MOLEN --- Examenklas met lof geslaagd Alle registers open bij ,The absolute monarch' LEEUWARDEN - Een redelijk talrijk publiek, waaronder veel jongeren - het betrof hier tenslotte een van het Wikor uitgaande voorstelling - heeft maandagavond kunnen kennisnemen van twee dingen: een onderhoudend revuachtig toneelstuk, gebaseerd op het leven van de Engelse koningin Elizabeth 11. En een demonstratie, zowel wat acteurs als technici betreft, van het kunnen van eindexamenstudenten van de London Academy of Music and Dramatic Art. Ja, eigenlijk nog van een derde facet: de fantasie en de vakbekwaamheid van de leerlingen van de Wimbledon School of Art, die als examenopgave hadden gekregen het ontwerpen en maken van de meer dan honderd costuums, het dekor en de belichting. Wel, de uitvoering als geheel gaf een benijdenswaardig voorbeeld van waartoe talent, studie, fantasie en geestdrift voor het gekozen vak kunnen leiden. „The Absolute Monarch" is geschreven door directeur Roger Croucher en Vicki Ostroumoff van het LAMDA Theatre. Croucher heeft het stuk ook geregisseerd. Hoewel deze scènes uit net leven van Elizabeth tot stand zijn gekomen op verzoek van het WIKOR, heeft bij de Londenaars duidelijk niet alleen het streven voorgezeten om met een aantrekkelijk stuk een tournee door Nederland te maken. Maar ook: om de studenten enerzijds alle mogelijkheden te bieden om te tonen wat zij kunnen, anderzijds om hen te testen in zang, dans, acteren, schermen, klassiek toneel (Shakespeare en Schiller), clownerie, muziek, mime, poppenspel en het zeggen van poëzie. Hoewel de ernst in deze revu van 22 elkaar snel opvolgende taferelen zeker niet ontbrak - en niet alleen in de fragmenten van de beide tragedies - droeg het geheel toch een overwegend lichtvoetig karakter, waarbij men zich het ene ogenblik in een circus waande, het andere in een cabaret. Geschiedenis, op deze wijze dramatisch „gedoseerd", is wel een ideaal middel om een publiek te amuseren, dat misschien niet zo bijzonder voor de historie - ook niet die van Engeland en Schotland in de tweede helft van de 16de eeuw - geïnteresseerd is. Maar de manier waarop hier in bonte opeenvolging en niet altijd chronologisch (er werd ook wel in de tijd teruggegrepen) in contrasterende scènes, alle registers van het drama werden opengetrokken, was zo direct, zo levendig, zo onderhoudend en geestig ook vaak, dat de jonge spelers herhaaldelijk met een open doekje werden beloond. Aan het slot kregen zij een zeer langdurig applaus, wat de groep zichtbaar plezier deed. Aan plezier heeft het deze aanstaande acteurs trouwens geen moment ontbroken. Er werd voortdurend knap geacteerd, met hoogtepunten in het vleugje Shakespeare (King Richard II) en het langere fragment van het in het Engels vertaalde stuk van Schiller, Maria Stuart (1800), met de (gefantaseerde) ontmoeting van Maria met Elizabeth. Er werd ook voortdurend heel goed gezongen, gedanst, acrobatiek bedreven, clownerie getoond, met maskers en in travestie gespeeld (mannen als vrouwen dansend met Henry VIII). Kostelijk „totaaltheater" viel er te genieten bij de potsierlijke uitbeelding van de Armada (waarbij het pubhel. door blazen voor de noodlottige storm moest zorgen!), de vrolijke taferelen met de zingende kwakzalvers, bij de dwaze schermpartij. De uitvoerige aankleedceremonie win Ehzabeth m een aan het carnaval van Rio herinnerende uitmonstering verwekte de nodige hilariteit. Aan het slot keerde zij nog eens terug om de beroemde „golden speech" in het parlement te houden: een indrukwekkend slot van een fraaie theateravond. Wel, wat het Harmoniepubliek betreft: de acteurs en ontwerpers zijn gisteravond zonder uitzondering geslaagd! SYTSE JAN VAN DER MOLEN --- fries mozaiek De kunstigheden van een oud-timmerman Willem van der Leeuw 'soe it mar ris bisykje' ' „IK SIL it ris bisykje." zei Willem van der Leeuw uit Ureterp een paar jaar geleden, toen een schoonzoon hem vroeg of hij kans zag voor zijn ouders een houten paardje te snijden. De mensen in kwestie bezaten een model van een ouderwetse houten boerenwagen en daar hoort een paard bij. Maar hoe kom je aan zon beest? Tot zijn zestigste levensjaar is Willem van der Leeuw timmerman geweest. Hij weet dus wel wat je met hout kunt doen. Maar houtsnijden - liever gezegd: beeldhouwen in hout - is iets, dat zelfs niet elke ouderwetse timmer(vak)man kan. Vandaar de aarzeling. Maar Van der Leeuw heeft het geprobeerd. Hij was zeker niet ontevreden, toen hij het werk zijner handen bekeek. Hij had aangekondigd, dat de bijl erin zou gaan, wanneer het resultaat hem niet aanstond, maar die rigoureuze maatregel was niet nodig. Achteraf zegt hij: „Ik woe wol, dat ik fyftich jier earder witten hie, dat ik dit yn 'e f ingers hie." Een kleine vijf jaar geleden ging Willem van der Leeuw na de vakantie maar eens naar de dokter. Hij was al een hele tijd niet helemaal in orde. 's Morgens ging het wel, maar in de loop van de dag kreeg hij zoveel last van een been, dat hij nauwelijks meer kon staan. En een timmerman heeft nu eenmaal geen zittend werk, zelfs niet wanneer hij in gemeentelijke dienst is. Enfin, na dat eerste bezoek aan de dokter heeft hij geen dag meer gewerkt. * De permanente expositie. * Willem van der Leeuw met zijn schavende timmerman * Skoanheit en skoanmem. --- Indrukwekkend Het was omstreeks die tijd, dat het houten paard voor de ouders van zijn schoonzoon ontstond. Dat werkstuk vormde het begin van een zowel naar kwantiteit als naar kwaliteit indrukwekkende serie. Wie nu in huize Van der Leeuw binnenkomt, ontwaart een soort permanente expositie. In de loop van het gesprek blijkt voortdurend, dat de bezoeker van alles en nog wat over het hoofd gezien heeft vanwege een lichtelijk verdekte opstelling. Toen Willem van der Leeuw nog onderhoudstimmerman was in dienst van de gemeente Opsterland - mooi werk, hij was „aerdich eigen baes" en was steeds in de gelegenheid het kwaad bij de wortel aan te pakken - was hij een druk bezet man. Naast zijn werk deed hij van alles en nog wat. De groentetuin vroeg tijd en energie, hij mocht (en mag) graag vissen, de voetbalvereniging „öerterp" kon op hem rekenen en noem maar op. Nu hij in de WAO zit, is er in feite niet veel veranderd. Achter het huis staat een werkplaats, compleet met kachel, waarin hij een groot deel van zijn dagen slijt. Hoewel niets hem drijft, merkt hij bij zichzelf dat hij harder' gaat werken naarmate een stuk zijn voltooiing nadert. Niet altijd vlot het even goed. Dan wil een half uurtje in de tuin werken wel eens helpen. Een pottenbakker die Van der Leeuws werk zag heeft hem eens geadviseerd met klei te gaan werken Dat materiaal biedt meer mogelijkheden qua vormgeving. Het advies is niet op" gevolgd. Willens en wetens heeft Yin der Leeuw de voorkeur blijven geven aan hout. Dat het werken daarmee zijn beperkingen heeft, weet niemand beter dan hij. „Jo kinne der allinnich mar hwat fan óf helje", legt hij uit, „en der neat oan sette." Het werken is soms ronduit spannend. Hij laat dat zien aan de hand van een girafje. Dat beest heeft op zijn kop een paar uiterst kleine horentjes. Die moesten worden gemaakt door net hout tegen de draad in te bewerken. Er hoeft dan niets mis te gaan, of het hele werkstuk is rijp voor de kachel. Hout van vruchtbomen (appel, peer, kers) is in het algemeen het best geschikt voor het snijwerk. Eik is natuurlijk erg mooi, maar eigenlijk wat te grof van vezel. Voor iep geldt hetzelfde. Het lukt in het algemeen redelijk aan het nodige materiaal te komen. Vrienden en kennissen helpen soms een handje bij de toelevering. Willem van der Leeuw begint doorgaans met het maken van een schets, die hem enig houvast biedt. De laatste tijd doet hij het daar echter ook wel eens zonder. Als hij vijftig jaar jonger was, zou hij iets willen doen aan anatomie. Zeker in de beginjaren merkte hij wel eens tot zijn schade cri schande, dat hij op dat terrein tekort schoot. Zo is hij een keer lelijk uitgegleden bij het maken van een kop van een boxer. „Dat bin rare dingen", zegt hij, sprekend over de vorm van de kop. Het resultaat was dan ook, dat het een geheel eigen soort boxer werd. Dieren vormen een belangrijk element in de collectie-Van der Leeuw: de huisverzameling bestaat onder meer uit een paard, een olifant, een kikker, een giraffe, een haan, een aap en een beer. Maar de mensfiguren ontbreken niet. Een van de knapste stukken is een man met een kind op zijn schouders. De grootste leek kan zien, dat dat het meest arbeidsintensieve stuk uit de verzameling is. Hoeveel werkuren daarin zitten, is niet bij benadering bekend. Dat houdt de schepper niet bij. Uit zijn woorden valt af te leiden, dat het wel eens een paar honderd kunnen zijn. --- Timmerman Na enige lichte aandrang is Willem van der Leeuw bereid te vertellen, welk werkstuk hem het liefste is. Dat is een timmerman, die aan het schaven is. „Dat fyn ik eins wol aerdich troffen," zegt hij, wijzend op 's mans typische houding. Wie voor dat stuk duizend gulden biedt, krijgt geen geluk, laat hij daarop volgen. Dat zou de indruk kunnen wekken, dat de rest van het werk wel te koop is. Dat is echter niet het geval. Weliswaar wordt er vrij geregeld geld geboden, maar mensen die dat doen worden teleurgesteld. Er zijn mensen die iets van Van der Leeuw in hun bezit hebben, maar die hebben er niet voor betaald. Zij hadden simpelweg het voorrecht, dat de „houtbeeldhouwer" het gevoel had iets voor hen te moeten doen, bijvoorbeeld omdat zij hem of een familielid behulpzaam waren geweest of omdat zij in vervelende omstandigheden verkeerden. In de huiskamer staan ook twee kopjes van een man en een vrouw. Wie goed kijkt, ziet dat het gezicht van de man dezelfde trekken heeft als mevrouw Van der Leeuw. Zij lijkt inderdaad sterk op haar vader, zegt zij. Aan de hand van een foto zijn die kopjes gemaakt voor haar verjaardag. Van ontroering heeft de jarige mevrouw Van der Leeuw bijna de hele avond tijdens de verjaardagsvisite zitten huilen. Dat was wellicht niet zo bevorderlijk voor het feestje, maar het zei wel iets over de waarde die zij hecht aan de portretten in hout. --- Kunstich Aan de onderkant van elk werkstuk staat de naam van de maker en de datum waarop het voltooid is. Kunstenaars doen dat ook. Maar niemand zal uit de mond van Willem van der Leeuw horen, dat hij zichzelf beschouwt als een kunstenaar. „Ik fyn minsken dy't hanwurk dogge yn in protte gefallen wol hast kunstners," zegt hij erop wijzend dat hij geen opleiding heeft gehad In artistieke richting: „Ik mocht bliid vveze, dat ik nei de ambachtsskoalle koe. Zijn werkstukken zullen wel „kunstich ' zijn, veronderstelt hij Overigens ligt hij niet wakker van de viaag, waar een hobby overgaat in het bedrijven van kunst: „Ik Tia der Ln protte plesier fan en ik meitsje in soad minsken bind. ---