De nijvere schoenmaker van Oosterlittens Op 'en paad mei Waling-Om (5) (Van één onzer redacteuren) - woonde in den ouden tijd te Oosterlittens een schoenmaker die geen 'uim bestaan had. Hij was vlijtig en oppassend, zijne vrouw was zuinig en hekwaam voor de huishouding, maar je menschen hadden een getalletje kinderen en zoo kwamen zij altijd maar sober rond. De baas verloor echter den moed niet, want het lag altijd voor vast bij hem, dat den eenen of anderen tijd zijne levensomstandigheden beter zouden worden. Zijne vrouw noemde dit dwaasheid, maar wat zij gelukkig vond: haar man zondigde er niet op door zich aan luiheid over te geven. Nu gebeurde 't, toen zij op een morgen samen aan het ontbijt zaten, dat de baas zoo zeide: „Wat heb ik dezen nacht een bijzonder helderen droom gehad. Er werd mii aangezegd, dat ik te Amsterdam op de Papenbrug mijn geluk kan vinden". „Gelukkig, dat het hier zoo ver af is", zei de vrouw, „anders zoudt gij dwaas genoeg zijn om er op los te gaan. Een droom is immers een drog'. Baas sprak er niet meer over, maar hij kon die droom den geheelen dag niet uit gedachten zetten. Dit gelukte hem niet voor hij des avonds in slaap viel . . . Het mocht wat! Hij droomde den volgenden nacht alweer, dat hij te Amsterdam op de Papenbrug zijn geluk kon vinden. Hij was van meening, dat dit toch wel iets konde betekenen, maar sprak hij er met zijne vrouw over. dan lachte zij hem uit en verzocht hem er van te zwijgen, want het was haar al te zot. „Een droom is een drog", zei ze dan. Met dat al: den derden nacht droomde de man alweer hetzelfde en even klaar en helder als de twee vorige keeren. Toen zei hij des morgens: „Nu valt er niets meer tegen te praten, vrouw, ik ga naar Amsterdam". En zijn vrouw mocht doen wat zij wilde om hem dit besluit uit het hoofd te praten, het hielp'haar niets. Baas begaf zich op reis. Te Amsterdam aangekomen liet hij zich aanwijzen waar de Papenbrug was - en daar wandelde hij nu maar wat rond. Wat hij er eigenlijk zoude vinden, daar kon hij zich geen denkbeeld van vormen. Den eersten dag vond hij er ook werkelijk niets. Den tweeden dag herhaalde hij zijne rondwandeling op en bij de Papenbrug, soms stond hij ook lange poozen stil; maar hij vona alweer niets. Zijne dwaasheid begon hem reeds half te berouwen, maar de baas schoenmaker was er de man niet naar, om spoedig den moed te laten zinken. Den derden dag deed hij hetzelfde wat hij de twee vorige dagen had gedaan. Maar nu werd hij tegen den avond aangesproken door een bedelaar, die zei: „Ik heb opgemerkt vriend, dat gij nu reeds drie dagen achtereen hier rondloopt of stilstaat. Wat zoekt ge als ik vragen mag?' „Wat ik hier zoek, kunt gij mij niet geven", antwoordde de baas kortaf. „Dat weet ge zoo niet", hernam de bedelaar, „als je mij niets wilt zeggen kan ik zeker niets doen". „Nu dan", zei baas, „toen ik nog thuis was heb ik drie nachten achtereen gedroomd, dat ik hier op de Papenbrug mijn geluk zou vinden". De bedelaar begon te lachen en zei: „Wel mijn goede man, ben jij nog zoo onnoozel, dat je aan droomen gelooft? Ik niet hoor! Ik heb kort geleden drie nachten achterelkaar gedroomd, dat te Oosterlittens in Friesland, in het bleekveld van den schoenmaker, die tegenover de kerk woont, een ketel met geld begraven ligt, onder een paaltje dat daar moet staan. Maar ik zal niet zoo gek zijn, daar heen te reizen". Dit hoorde baas met groote verbazing, maar hij wist zich bedaard te houden en zeide: „Nu, het zal het beste zijn, dat ik weer naar huis reis". Dit vond de bedelaar ook en nu ging deze zijns weegs". Hoe met het met de schoenlapper uit Oosterlittens afloopt zal straks Vlij ken. De goede man trok in elk geval veel profijt uit zijn bezoekje aan de hoofdstad. Een bezoek aan Oosterlittens deed blijken, dat er rond dit terpdorp uitstekend gewandeld kan worden door het ruime weidelandschap. De wandelingen voeren voor het grootste deel over verharde verkeerswegen, die echter niet druk bereden worden. Achter de zuivel- fabriek in het dorp is een parkeerplaats aan het water. Hiervandaan vallen ron- dwandelingen over Hennaard (in zuidelijke richting) en over Baard (in noordelijke richting) te maken. Om over Hennaard te kunnen gaan is het nodig over het bruggetje (heechhout) het fietspad te volgen tot aan ac brug (Waekensebrêge). Linksaf de brug over met Oosterlittens aan de linkerkant, Winsum aan de rechterkant en Spannum schuin rechtsvoor. Het ruime veld biedt alle uitzicht op de dorpen. De weg volgen tot aan de viersprong (lMgen Weg aan de linkerkant voorbijgaan!). Hiervandaan links de brug over. De weg buigt met een sierlijke bocht langs het water door het buurtschap Spijktille. Na ongeveer vierhonderd meter volgt een tweede brug, waarna Hennaard met zijn kleine terp en torenachtige klokkestoel komt. Over de Sassingaweg door Hennaard tot aan de driesprong, waar linksaf geslagen wordt. De weg is niet te missen als gelet wordt op het slechte wegdek. Vanaf dit punt is het nog drie kilometer slingerweg door de weilanden naar Oosterlittens. Halverwege ongeveer ligt het uit vier boerderijen bestaande buurtschap Schrins, terwijl vlak onder Oosterlittens de uit eveneens vier „pleatsen" bestaande buurt Wieuwens ligt. Oosterlittens komt men binnen over de brug en de Brêgebuorren. Linksaf It Plein over en voor de kerk langs de Huylckenstrjitte door naar de startplaats. Om naar Baard te gaan kan op hetzelfde punt gestart worden. Inplaats van over het bruggetje te gaan wordt Oosterlittens nu verlaten in omgekeerde richting, dus eerst door het dorp. Na de kerk linksaf, richting Baard. Dit eerste stuk weg is tamelijk druk, terwijl er ook de drukke weg Winsum- Mantgum overgestoken moet worden. Na deze kruising wordt Baard spoedig bereikt. Op de viersprong in het dorp linksaf voor de kerk langs. Na het café (links) komt een brug, die overgestoken moet worden. Meteen na de brug ligt aan de linkerkant een polderdijk - denk om het sluiten van de hekjes - die langs de Bolswardertrekvaart weer terug voert naar Oosterlittens. Halverwege ligt een brug over de vaart (Broektille), waar rustbanken langs het water staan. Zo komt men weer in Oosterlittens. De schoenlapper kwam er in zijn tijd ook terug, zo verhaalt ons Waling Dijkstra. „Tehuis gekomen voorzag hii zich van eene spade, begon in zijn bleekveldje te graven en had het paaltje, dat daar tot sieraad stond, spoedig verwijderd. Zijne vrouw, die tengevolge van zijn mislukte reis naar Amsterdam reeds slecht gehumeurd was, begon hem nu hevig te beknorren. Maar toen de baas na eenig zwoegen, een ketel met geld uit den grond tevoorschijn haalde, toen veranderde het kompas. Wat zeg je nu?" zei baas, „mag het nu gezegd worden dat ik te Amsterdam op de Papenbrug mijn geluk gevonden heb?'* De vrouw moest dit toestemmen. ... De ketel bevatte geld en de nijvere schoenlapper en zijn vrouw waren plotseling in goede doen geraakt. Ze spraken af gewoon door te gaan met werken en het slechts iets ruimer te nemen dan voorheen. Tegen hun dorpsgenoten zeiden ze niets van het geld. De ketel werd gebruikt boven het vuur. Er stonden op de ketel letters, die woorden vormden in een voor de schoenmaker onbegrijpelijke taal. Pas toen de dominee eens bij de schoenmaker op bezoek kwam werden de woorden vertaald. Er staat ook iets op te lezen maar 'daar kan ik natuurlijk niets van begrijpen Dominee zal het wel kunnen lezen" zo sprak de schoenmaker. Lezen kon de predikant wel, „maar de^bedoeling er van begrijp ik niet". Op de ke e stond in het latijn: „Onder dezen ketel fig"nog een ketel". Toen de dominee vlrtrokken was, zonder te znn ingelicht over de bedoeling van de tekst, sloeg de schoenmaker weer aan het graven. En inderdaad, hij vond nog een ketel met geld. Thans was onze schoenmaker een wel" gesteld man. Om de geschiedenis van ziin geluk in aandenken te houden liet hn een paaltje van hardsteen maken en in zijn bleekveld planten op de plaats waar hij de twee ketels met geld uit de grond had gehaald en waar vroeger een houten paaltje stond. Langer dan honderd jaren na den dood van de schoenmaker en zijne vrouw heeft, naar men zegt het paaltje nog op dezelfde plaats gestaan. En omdat het nommer 1 zo sprekend op het paaltje geleek, gaf men dat nommer den naam „het paaltje van Oosterlittens". Het paaltje is nu weg, maar zo het er nog stond, wat zou de wandelaar er nu aan hebben. Het geld is immers al door de schoenmaker opgegraven. De wandeling over Hennaard is ongeveer 7,5 kilometer lang. De gehele weg is verhard. De wandeling over Baard is ongeveer vier kilometer lang. De polderdijk is niet verhard. Oosterlittens is per bus bereikbaar. Naar Waling Dijkstra's „Uit Frieslands Volksleven" (1895) „Het paaltje van Oosterlittens". --- „Maak van thuisblijvers geen spoorzoekers" Toerisme (Van een medewerker) Onder het motto „Maak van thuisblijvers geen spoorzoekers" heeft de PTT een initiatief genomen, dat mensen moet bewegen om thuis voldoende gegevens achter te laten als ze met vakantie gaan. Een dergelijke actie is volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken bepaald niet overbodig, gezien de ervaringen de laatste jaren. „Gemakzuchtige, roekeloze, onbemiddelde, slecht voorbereide Nederlanders hebben de ambassadeurs vorig jaar meer werk bezorgd dan ooit," aldus een woordvoerder van het ministerie. In 1980 heeft het ministerie in 341 gevallen mensen moeten opsporen (222 gevallen in 1979). „Dat betekent dat 341 Keer een groot apparaat ingeschakeld moest worden om één Nederlander te vinden. We kunnen dan ook niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is om reisroute en vakantie-adres achter te laten, of bij een trektocht geregeld te bellen." Ook het achterlaten van nummers van bank- en girorekeningen en verzekeringspolissen kan volgens het ministerie m veel gevallen van belang zijn. Veel Nederlanders wenden zich tot de ambassades en consulaten omdat ze in financiële problemen zijn geraakt. Het ministerie wijst er nadrukkelijk op, dat slechts in uitzonderingsgevallen bemiddeld wordt (vorig jaar toch nog in 1842 gevallen, tegen 1498 in 1979) en in nog minder gevallen geld wordt verstrekt in de vorm van persoonlijke leningen. Dat gebeurt uitsluitend in noodgevallen en alleen maar om terugkeer naar Nederland mogelijk te maken. In 1980 werd in 143 gevallen een rijksvoorschot verstrekt, aldus het ministerie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken wijst er ook dit jaar weer met nadruk op. dat in het buitenland het bezit of gebruik van verdovende middelen strenger wordt gestraft dan in Nederland. Vorig jaar werden 468 Nederlanders in het buitenland gearresteerd tegen 547 in 1979. Vanaf 1 januari dit jaar zijn al 175 Nederlanders in het buitenland aangehouden. In twee derde van de gevallen gaat het volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken om verdovende middelen. Het merendeel van de Nederlanders die in het buitenland in de gevangenis zitten verblijft in Duitsland: 92. Verder zitten Nederlanders vast in België (46), Spanje (30), Engeland (23), Frankrijk (23), Zweden (14) en Denemarken (10). ln totaal zitten 303 Nederlanders in het buitenland gevangen. Volgens het ministerie ontstaan er ook elk jaar weer problemen in verband met reisdocumenten. In een beperkt aantal landen neemt men genoegen met een paspoort dat verlopen is (minder dan vijf jaar), maar een dergelijk paspoort kan veelal niet gebruikt worden om geld te krijgen voor betaalkaarten of cheques. Slordigheid en onachtzaamheid zijn er de oorzaak van dat jaarlijks tussen de 15.000 en 20.000 paspoorten zoekraken. In zon geval wordt geen nieuw paspoort verstrekt doch alleen een formulier „laissez-passer", dat terugkeer naar Nederland mogelijk maakt. --- DE HELAAS NIET OVEL TE VERMIJDEN GROTE VAKANTIEDRUKTE IN DE ALPEN IS DEELS TE ONTLOPEN DOOR GEBRUIK TE MAKEN VAN DE ALTERNATIEVE ROUTES (OOK GESCHIKT VOOR CARAVANS). --- Verachting Wie zou - om maar eens iets heel anders te noemen - het prille begin van het Nederlandse cabaret uit de sfeer van louche theatertjes hebben getild om het aan de deftige museumbezoekers van toen voor te zetten? Zelfs Heijermans keek, zoals men kan lezen in zijn aanvankelijk onder pseudoniem(!) gepubliceerde roman „Kamertjeszonde', met verachting op Edouard Jacobs neer. Daar komt bii dat men de samenstellers van „De tijd wisselt van spoor" niet op het jaar 1900 moet vastprikken. De grenzen zijn hier vrij ruim gesteld, men heeft zich gericht op een tijdperk dat frofweg wordt begrensd door de jaren 890 en 1910. En dan nog: een schilder als Leo Gestel, hier aanwezig met een prachtig „Liggend naakt", was in 1910 nog maar nauwelijks uit het ei gekropen en hetzelfde geldt voor de componist Matthijs Vermeulen. Voor wat de schilderkunst betreft: Breitner is hier, ik zou haast zeggen natuurlijk, present met enkele van zijn beroemdste stukken: het gezicht op de Dam met de paardetrams, het portret van mevrouw Theo Mann-Bouwmeester. Het valt op dat de veel minder beroemde Willem Witsen met enkele van zijn beste schilderijen en aquarellen is vertegenwoordigd. Daarentegen krijgt men van Jacobus van Looy nauwelijks een indruk. --- Nostalgie Nostalgie is hier niet vermeden, maar staat ook weer niet hinderlijk op de voorgrond. Rondlopend door de zalen denk je al gauw: stel nu eens dat er zon driekwart eeuw geleden een vooruitstrevende museumdirecteur was geweest, die de vernieuwingen van zijn tijd wilde laten zien - dat had gekund. en als hij over de ruimte en de middelen had beschikt, had hij een manifestatie kunnen maken die als conceptie niet zoveel zou hebben verschild van wat we nu in Singer zien. Maar zulke museumdirecteuren waren er toen niet. Het eigentijdse kwam toen het museum nog niet in. Verder kun je je natuurlijk afvragen: in hoeverre had men in het begin van deze eeuw oog voor het bijzondere van die tijd? Wie zou het toen in zijn hoofd hebben gehaald bijvoorbeeld de politieke prenten van Albert Hahn (de „worgplaat" van Abraham Kuyper!) in een museum neer te leggen, of Herman Heijermans als toneelreus te presenteren? Wie zou het hebben aangedurfd de fotografie als volwaardige kunstvorm naast de schilderkunst te plaatsen? --- Cultuur-veranderingen rond 1900 op expositie (Door Hans van Straten) Een dagje museum Met een grote jubileumtentoonstelling, die alle ruimten van het gebouw - ook het ondergrondse Prentenkabinet - in beslag neemt, herdenkt het Singermuseum in Laren zijn 25-jarig bestaan. „De tijd wisselt van spoor" laat de veranderingen zien die zich omstreeks 1900 op cultureel gebied in Nederland hebben voltrokken. Schilderkunst, beeldhouwkunst, fotografie, industriële vormgeving, grafiek, tekenkunst, literatuur, theater, architectuur, kunstnijverheid, ze komen allemaal aan de beurt. Zelfs voor de muziek is een (bescheiden) kabinet ingericht. „De tijd wisselt van spoor" is duidelijk een tentoonstelling die bedoeld is voor een breed publiek. Het is geen expositie die probeert een nieuwe interpretatie te geven van een bepaalde periode, zoals Het nieuwe Wereldbeeld en de Symbolisten dat waren. Veel meer is het een terugblik in de trant van „Weet je nog wel...', het boek waarmee Friso Endt ons indertijd kwam verrassen. Enkele onderdelen - ik denk aan de Spijker-automobiel, waarvan hier een goed geconserveerd voorbeeld aanwezig is en aan de cabaretier Ëdouard Jacobs - lijken zelfs rechtstreeks uit dit boek geplukt. --- Kontant geld in de vakantie Kontant geld kan men meenemen in Hollands geld of vreemde valuta. Valuta van de gangbare Europese vakantielanden zijn bij de ANWBkantoren en banken verkrijgbaar. Het is aan te bevelen een gedeelte van de vreemde valuta in kleine coupures te vragen. Wil men grotere hoeveelheden kopen, dan is het raadzaam eerst kontakt op te nemen met het ANWB-kantoor of de bank. Voordeel van kontant geld is dat men vooraf geld in Nederland kan omwisselen in de valuta van de landen waar men naar toe gaat; op het moment dat men in een vreemd land geld nodig heeft, zijn de plaatselijke valuta direct beschikbaar. Nadeel van kontant geld is dat het in het algemeen slechts tot een beperkt bedrag te verzekeren is tegen verlies en diefstal. --- Joffers Er zijn enkele typische Weissenbruchs, bij de Amsterdamse Joffers springt Lizzy Ansingh er uit. Isaac Israels, Floris Verster, Jan Toorop, Kamerlingh Onnes, Hart Nibbrig, Piet Mondriaan (nog niet herkenbaar als de vernieuwer die hij later zou worden); Bremmer, Van der Leek, Otto van Rees, alle drie met pril werk, voltooien het beeld waarin ook nog vrij veel schilders van de tweede garnituur zijn opgenomen. Van minder belang was de beeldhouwkunst van die tijd. Het is natuurlijk aardig hier Pier Pander te ontmoeten en van een compleet vergeten figuur als Frans van de Laar vindt men hier een zeer geestige, fijn gedane groep „Dao komme ze!", een stelletje mensen dat naar een in aantocht zijnde carnavalsstoet staan uit te kijken. Toen de Franse dichter Paul Verlaine in 1892 naar Nederland kwam, was dat voor diverse kunstenaars aanleiding hem uit te tekenen. Een keuze uit deze portretten vormt een van de hoogtepunten van de afdeling tekeningen en grafiek. De afdeling bouwkunst laat, met ontwerpen en foto's van Berlage, Kromhout (American Hotel), de diverse Cuypersen, De Bazel (modelboerderij Oud- Bussem) en Van Liefland (Scheveningse Pier) zien hoe hier de vernieuwing zich niet zonder moeite een plaats veroverde. Literatuur is een moeilijk te visualiseren onderwerp; we moeten het doen met een serie uitvergrote portretten en wat boeken. Meer toont de afdeling theater: daar beschikt men uiteraard over veel voyanter fotomateriaal, kostuums en affiches. Curieus is het enorme houten apparaat waarmee koningin' Wilhelmina haar natuurfoto's vergrootte. En uitbundige indruk maakt de fotografie van deze periode bepaald nog niet, het beste wat je van sommige foto's kunt zeggen is: het zijn net schilderijen in zwartwit. Voor mijn gevoel komt alleen Willem Witsen nier te voorschijn als een markant fotograaf en het is onbegrijpelijk dat er nog geen fotoboek aan hem is gewijd. Laat ik Verder alleen nog de muziek vermelden. Het is een leuk idee geweest een kabinet in te richten waar men met koptelefoons muziek van diverse componisten uit die tijd kan beluisteren, maar de speeldoos die in de onmiddellijke nabijheid is geplaatst, tingelt zó luid dat er van geconcentreerd luisteren geen sprake kan zijn. Men moet, wil men er toch iets van horen, de grammofoonplaat kopen die speciaal voor deze gelegenheid is vervaardigd. --- Zetfouten Er is ook een vrij omvangrijke catalogus uitgebracht, waarin men de diverse afdelingen in veelal uitstekende artikelen vindt behandeld. Helaas ritselt dit boek van de soms zeer vermakelijke zetfouten. De lezer vraagt zich af wat „Kees laat je schoen" eertijds wel voor een populair liedje geweest mag zijn, tot hem te binnen schiet dat hier wel eens „Kees laat je scheren" bedoeld kan zijn. En Harry G. M. Prick zal zich wel naar het hoofd hebben gegrepen toen hij zag, dat de eerste verzenbundel van Henriëtte Roland Holst hier vermeld staat als „Sonnetten en verzen in Terneuzen" geschreven. Die verzen waren niet in Terneuzen, maar in Terzinen geschreven. Terwijl bovendien de door hem geciteerde sonnetten zo raar zijn afgedrukt, dat ze niet meer als sonnetten te herkennen zijn. Dc tentoonstelling loopt tot en met 28 juni. Het Singer-museum is van dinsdag tot en met zaterdag geopend van 10 tot 17 uur en zondags van 13 tot 17 uur. Maandags is het gesloten. De toegangsprijzen: volwassenen ƒ 6. 60+ers en CPJ-ers ƒ 5,- en kinderen tot en met twaalf jaar ƒ2,50. ---