De kosten Wanneer wordt iets eigendom van de Spoorwegen? „Nooit", antwoordt de heer Van den Heuvel resoluut, „daar blijkt nogal wat misverstand over te Dfr staan. Het is niet zo dat je iets na een bepaalde periode je eigendom mag noemen. lemand de geiu vindt, mag het houden zolang de verliezer niet op komt dagen e" heeft er zelfs het vruchtgebruik van, maar eigendom wordt het nooit en als de verliezer zich meldt moet het gevondene teruggegeven worden. Wij kunnen daaraan natuurlijk niet beginnen. Wij bewaren de voorwerpen gemiadeld drie maanden. Daarna wordt de zaak verkocht, maar de opbrengst is ten allen tijde ter beschikking van de belanghebbende. Die moet dan natuurlijk wel de kosten betalen, zodat het soms voordeliger kan zijn maar niets te vragen Maar iemand die een portemonnee met 500 gulden verliest kan na jaren altijd nog bij ons komen om het bedrag terug te krijgen, als hij de verliesdatum weet". --- Verkoping Bij het B.G.V. worden drie soorten goederen onderscheiden. De rommel gaat meteen de vuilnisbak in, de mindere kwaliteit gaat naar de opkoper en de kwaliteitsgoederen vinden hun weg via een openbare verkoping naar een nieuwe eigenaar. Die verkopingen hebben een zekere faam, staat in het bekende gele spoorboekje, onder verwijzing naar het Notarishuis, Achter Sint Pieter in Utrecht, waar 4 maal per jaar de gevonden spullen, die niet zijn teruggevraagd, worden verkocht. De reputatie blijkt wanneer men de trap van het statige huis achter de Dom beklimt en de veilingzaal betreedt. Een opeengepakte menigte luistert en kijkt naar wat veilingmeester L. H. van Rijn heeft aan te bieden. Deze goed van de tongriem gesneden erfhuk meester-van-het-notarishuis- Utrecht — zoals zijn functie vol gens het visitekaartje officieel heet — verstaat de kunst om ___ een rekordtijd een maximaal aantal goederen van eigenaar te laten verwisselen. Een drietal mensen sjouwen de hoeden, helmen, fototoestellen koffers, parapluies en 'wat er ver! der ten verkoop wordt aangeb. den' af en aan, om de aspirantkopers te tonen wat onder de hamer komt. Overigens hebben die kopers tijdens twee voorafgaande kijkdagen de gelegenheid gehad de handel van dichtbij te bezien, om te voorkomen dat ze een kat in de zak kopen. Na het bekende éénmaal-andermaal ten derde male, gevolgd door een hamertik is één van de honderden parapluies voor drie gulden, een horloge voor een tientje, een nertscape voor ruim 600 gulden en een verrekijker voor 45 gulden van de hand gegaan. Onder de vele kijkers en kopers bevinden zich een tiental dames en heren, die geen verkoping overslaan. „Ik kom hier al zestien jaar," vertelt een gepensioneerd binnenhuisarchitect, „de laatste jaren heb ik nooit een overhemd of kostuum in de winkel gekocht en, kijk, de schoenen die ik aan heb, tikte ik hier voor drie gulden op de kop. Voor het geld dat ik overspaar ga ik met vakantie. Vorig jaar was ik een maand in Roemenië. Ook daar kan ik de mensen mee laten profiteren van mijn voordelige aankopen. Een kelner was bijvoorbeeld heel blij met een prachtige das, waarvan ik er hier acht voor een tientje koop". Een dame met een thermosfles koffie voor zich, zit verdiept in een kruiswoordpuzzel, maar met een half oor luistert ze naar de veilingmeester om te horen wanneer de badhanddoeken, waar ze haar zinnen op heeft gezet, aan de beurt komen. Overigens kan niet iedere aankoop een koopje genoemd worden. Soms wordt de prijs van een artikel zo hoog opgedreven, dat het de nieuwwaarde te boven gaat. 'De hele „expositie" overziende vraagt men zich wel af hoe men een invalidewagen of skies kan vergeten of een bontmantel kan laten hangen zonder er ooit navraag naar te doen, om maar niet te spreken van de 30 kunstgebitten, die de heer Van den Heuvel uit de hand verkocht aan studenten tandheelkunde. Wie mocht denken dat het Bureau Gevonden voorwerpen door de periodieke verkopingen — de eerstvolgende vindt plaats op 3 en 4 april — een winstgevende dienstverlening door de Spoorwegen is, vergist zich. „ „O nee, er moet dik geld dij, zegt de heer Van den Heuvel, „maar daarvoor zijn we dan ooK een service-bureau". Tj. S. d. V. --- De 19e-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland boeken bespreking Men hangt vergeefs aan 't uiterlijk zijn hart Wat mat tiras of koper wordt gebonden, Dat spat aan 't eind, hoewel het eeuwen tart Vergaapt U niet aan hout of steen uitwendig De ware Kerk staat vast en duurt bestendig. Drs. H. P. Rosenberg. Staatsuitgeverij: Den Haag. 227 pag., prijs ƒ 25.00. Met dit gedicht van Vondel beëindigt drs. Rosenberg het voorwoord van zijn boek „De 19e eeuwse kerkelijke bouwkunst." Het gedicht van Vondel is bedoeld als troost bij ht wegvallen van veel bouwwerken uit deze eeuw. Deze gebouwen bestaan echter niet uit „zielloos hout en steen" en is het slopen ervan niet alleen een tech nische bezigheid. Bouwwerken vertellen over hun ontwerpers, ze maken zijn gedachten en mening openbaar; ze vertellen, ze zijn als het ware een diaprojectie van de tijd waarin zij ontstonden. Dat de kerkelijke bouwkunst uit de 19e eeuw daar geen uitzondering op maakt, laat Rosenberg zien in de samenhang met de geschiedenis. De Hervormde Kerk had het recht zich zichtbaar te presenteren. De overige mochten erediensten houden maar in kerken die niet „zichtbaar" waren. In 1576 besloot de Nationale vergadering van de Bataafse Republiek dat er geen bevoorrechte of heersende kerk in Nederland mocht bestaan. Dit was de aanleiding tot het bouwen van een groot aantal Rooms-katholieke kerken (van 1796 tot 1840 verrezen er 150). De protestantse erediensten werden in Middeleeuwse gebouwen gehouden en pas in de laatste 25 jaren van de 19e eeuw ontstond er behoefte aan nieuwe protestantse gebouwen door stadsuitbreidingen, maar ook door het ontstaan van de Gereformeerde kerken. De diaprojectie vertoont ook de invloed van de liturgie op de kerkbouw. In de Roomse kerk is dat de terugkeer naar de eucharistie en een actief deelnemen van de gelovigen aan de misliturgie, wat een overzichtelijke kerkruimte vereiste. In de protestantse kerken blijft de liturgie in hoofdzaak gelijk. De preekstoel staat centraal en er is een ruime plaats voor het doopvont. De avondmaalsviering heeft nauwelijks invloed op de kerkbouw. Na een ons inziens wat korte schets van historische achtergrond en liturgie gaat Rosenberg over op de verschijningsvormen van deze kerken: neo-gothiek, neo-classicisme. De bouwmeesters van deze stijlen ontvangen veel aandacht; met name de grote 19eeeuwse kerkenbouwer Pierre Cuypers. Minder horen we over opdrachtgevers, kerkelijke autoriteiten en zeker het kerkvolk blijft onzichtbaar in de donkere hoeken van deze kerkgebouwen. Dat is jammer, want voor hen is er toch gebouwd. Hoe voelden zij deze werken aan? Hoe brachten zij deze werken tot stand? Ook hierover moet in de kerkelijke archieven toch stof te vinden zijn. Natuurlijk weten wij wel dat deze achtergronden in het algemeen niet spectaculair zijn en voor de bedoeling van dit boekje niet noodzakelijk, maar daarom niet minder boeiend. Dit boek is in de eerste plaats bedoeld als inventarisatie van deze bouwkunst ten behoeve van het monumentenregister. Veel van deze gebouwen zijn jarenlang in het vergeetboek geweest. Zij komen nu plotseling in de belangstelling - helaas vaak in negatieve zin. Oorzaak van deze belangstelling is sloop, verandering van bestemming, verval. We denken hierbij o.a. aan de Koninginnekerk te Rotterdam. Op zon moment realiseren we ons, dat deze 19e eeuw verder weg staat dan wij tot nog toe beseften. Natuurlijk zijn er oorzaken als ontvolking van onze binnensteden die deze gebouwen overbodig maken, maar ook het leeglopen van de kerken heeft tot gevolg dat deze gebouwen niet meer hun oorspronkelijke functie vervullen binnen de kerkelijke gemeenschap. Natuurlijk er is een trek naar de buitenwijken van de steden en daar moeten nieuwe wijkkerken worden gebouwd, maar doordat de kerken niet meer op centrale punten staan, verliezen ze een deel van hun functie. Een positieve kant van die decentralisatie is, dat de kerkgebouwen dichter bij de gemeente en het werk van alle dag staan. Onze kerken mogen geen decors zijn maar het volledige leven van de gemeente moet zichtbaar worden We missen in dit boek wel wat informatie over de bouwkundige achtergronden, materiaalkeuze en mogelijkheden, verwerking van nieuwe materialen, produktietechnieken, die ingrepen op de verschijningsvorm. Ook konstruktiewijze en detaillering zijn niet aanwezig, al moeten we opmerken dat het dan wel een dik boek zou zijn geworden. Verder misten wij (en dat lijkt ons wel een belangrijk punt) hoe deze gebouwen in hun omgeving zijn ingebed. Ook het &%_T___.vtaden wij wat aan cte karige kant: er wordt overzicht gegeven maar over het algemeen ontbreken de details. gemeen Ondanks deze beperkingen zii wij blij met deze uitgave, zi]n w mo^sTomi^ een dergelijk bS moest ontstaan, willen de voortbrengselen van de 19e eeuwT. niet ontglippen. UW ons weAlonshn!ethomnen Steen waaraan geef? een yJSL*** ver«apen, het f_7_ Jf v. beeld van strom-^en en levensbeschouwingen die de'vo nge eeuw beheersten8 „En"? zo be sluit drs. Rosenberg zijn boek. „deze bouwkunst is het waard u» oorspronkelijke of desnoods j» nieuwe bestemming bewaard w blijven." . c N. v. d. o- Een archiefplaatje van de Rotterdamse Koft'nginnekerk. een 19e eeuw. bou-tHoerk, dat in 1972 on- danks vele protesten werd ge sloopt. --- Vergeetachtige klanten van de Nederlandse Spoorwegen UTRECHT — „We kijken hier verder dan onze neus lang is, anders komen we er nooit uit", zegt de heer H. van den Heuvel, hoofd van het Bureau Gevonden Voorwerpen van de Nederlandse Spoorwegen. En dat is wel nodig ook met de 84.000 artikelen, die de NS-klant jaarlijks in de trein achterlaat. Van die 84.000 gevonden voorwerpen worden er 18.000 al op de verschillende NSstations aan de rechtmatige eigenaar teruggegeven omdat haj zich binnen 5 dagen na het verliezen of vergeten meldt. Maar de resterende 66.00 voorwerpen gaan in kisten verpakt naar de grote loods aan de Concordiastraat in Utrecht, waar de heer Van den Heuvel er zich met zijn mensen over ontfermt. Zij zorgen ervoor, dat alle spullen worden gesorteerd, geregistreerd en — het belangrijkste — voorzover mogelijk aan de eigenaar worden teruggestuurd. „We krijgen per Jaar zon 30.000 schriftelijke aanvragen naar een verloren voorwerp en aan 46% daarvan kunnen we voldoen", vertelt de heer Van den Heuvel. „De treinreiziger die iets verliest kan zijn bezit, als het gevonden en aangegeven is, terugkrijgen op het station waar het is gevonden, als hij tenminste binnen vijf dagen komt. Na die termijn moet hij een verliesformulier invullen en naar onze afdeling sturen. Het is belangrijk dat de goederen zo nauwkeurig mogelijk omschreven zijn en dat de verliesdatum is opgegeven. Alles wordt hier namelijk op datum ingeschreven. Veel formulieren worden echter slordig ingevuld. Men zit er vaak naast wat de datum betreft. Nu is het wel zo dat we daarin soepel zijn. We nemen soms wel een marge van een week. Er komt veel geheugenwerk aan te pas. Vaak herinneren we ons een bepaald voorwerp en dan komt het toch nog bij de eigenaar terecht. Ook de omschrijving van het verloren voorwerp laat veel te wensen over, vaak weten de mensen het merk van hun horloge niet eens. Maar het is onze hobby om de spullen weer terecht te brengen". Aandachtig kijkt en luistert 't koperspubliek, om zich niets te laten ontgaan van wat onder de hamer komt. (ND-foto's). . „ erf. actie. Naast hem üe heer Van der, „Éénmaal, andermaal ■■ _■• Heuvel, huismester L. H. van Rtjn De chef van Bureau Gevonden Voorwerpen in zijn „kledingmagazijn". --- Diefstal Het meer intensieve gebruik van het NS-materieel brengt ook extra moeilijkheden met zich mee. Reed vroeger een treinstel steeds op een relatief klein traject, tegenwoordig met het intercity-systeem doorkruist een trein het hele land. Het is daarom mogelijk, dat men iets verliest in Rotterdam, maar dat het teruggevonden wordt in Groningen. .De prijs van de dienstverlening van Van den Heuvel en zijn staf is dezelfde als het bewaarloon in de bagagedepots op de stations, nl. 35 cent per dag. Bovendien moet de porto betaald worden. Nu bekijkt het bureau wat kostenberekening betreft de zaak ook soepel. Voor een voorwerp van weinig waarde behoeft nooit zoveel betaald te worden, dat het de reële waarde te boven gaat. --- Langs de oude Zuidhollandse kerken Door Wiert J. Berghuis. UHfr Bosch en Keuning NV, Baarn, w Pag. Dit boekje over de Zuidhollandse kerken is een zeer plezie™ leesbaar werkje, dat naast de schrven gebouwen ook de njei sen, die deze gebouwen bevolkte', dichterbij brengt. Het boek g