Armenzorg en Weldadigheid. (Van onze verslaggeefster). M a a s t r i c: h t, 26 Juni De Nederlandsdhe Vereeniging voor Armenüornae vereeniging erkentelijk moet zijn, dan ie Jtet ongetwijfeld voor het feit, dat zij «ver den stuwkracht, bet intiatief en de liefde van iemand als den heer Blankenberg mocht beschikken of beter gezegd, mag beschikken: ivant talloos zijn nog de gelegenheden, waarbij wij do bewijzen ontvingen van 's heeren Blanken-bergs on-verflauwde 'belangstelling. Uit het jaarverslag blijkt verder, dat ook -öift jaar de permanente commissie t-ott oplei«B-ng van nrmibezoekers met vrucht werkzaam bleef Dc door haai- georganiseerde cursussen over" 'de eischen van goed armbezoek weürten een aea groote belangstelling, dat het nood**elijk bleek eon tweede cursus te Amste-r- Aaan en een cursus te Haarlem, te (loen ih-omden. ■ ~ , , .... Een beknopte handleiding voor de prafetiJK Van hot armbezoek hoopt da vereeniging tegen Wt einde van dit jaar het licht to doen zaen. Kr zijn thans 1087 instellingen en personen bij de vereeniging aangesloten tegen 1125 m het Vorige boekjaar. .. Aan 't slot van Bijn rapport wijst het dwgelijksch bestuur er op, dat ten aanzien van de Versterking van hebt. ledental nog zeer'veel te doen valt. . , . In do plaats van de niet aanstonds henacs- Wre afti-edondo bestuursleden jonkvr. mr. •T. A barones.so van Verschuer ern de hoeren: J.- H - Kok, mr. A. H. van Kleffens, G. A. Uy, de Bruyn, tor. A. W. .Romkes en mr. G. 3. 8-preio-cr benoemde de vergadering: C. gravin van° Limburg- Stirum, lid van den Arnhemse-hen voogdijraad, en de heeren J. 3. P. Valeton '3 r., secretaris dar Vereeni- Ring ~Kinderzorg" iv de -prov. Overijsel te Zwollo, mr. L. B. v a n S 1 o t e r d ij k voorzitter van den armenraad te Loeaiiwa-i-den, IV A J C. Charlier, voorzitter van den aianenraiad en van hot burgerlijk armbestuur «• Maastridht Th. vk,n Leer, seoretans Tan den armenraad* te Heerlen en mr. *. ■»■ ïlvers, M van den armenraad en secretaris Van den voogdijraad te Middelburg. ■ Het voorstel van het bestuur om het rapport der commissio van advies üi zako liet maatschappelijk w-erk vonr oiivci-jnogeiiüo zieken en bunne huisgezinnen, welk rapport aeer boWwekkcnd belooft te worden, op oen Wdten-^wone algemeene vergadering m__ het Njaar te Utrecht te behandelen vond bij de aamwezio-en volledige instemming, . Bij den aanvang der middagvergadering herhaalde de voorzitter zijn woord van welkom en hij sprak kdaarbij de hoop uit, dat de somenwerking zoo hoog opgevoerd zal w-orden, dat niet alleen binnen de grenzen van het bi.l mogelijkheid bereikbare den armen en hulpbehoevenden' de hand tot steun kan worden toeëestoken, maar dat die hand ook m goed vertrouwen zal worden aanvaard. Ecu hartelijk woord van dank richtte mr. Bo Marees van Swinderen tot de hoeren mr. Üancn mr. D e Meyer e, vertegenwoordigers van de ministers van binnenlandsche zaken en van justitie, voor de belangstelling m het werken der vereeniging door hunne tegenwoordigheid getoond.' Fn ook sprak de voorzitter sijn vreugde er over uit, dat zoovele bekende philantropen, zoovele hooge geestelijken vnu. verschillende religies getoond heoben den arbeid van de vereeniging voor armenzorg en- weldadigheid te kennen en te woardecren. , . •,. Waar het de eerste keer was, dat mr. De Marees vari Swinderen de jaarvergadering Presideerde wenschte hij in het openbaar ta getuigen van zijn liefde voor de vereeniging, vaa zijn groote'bewondering voor mannen als den heer J. 1\ L. van Blanken erg en d dio niet onduidelijk uit de wet ".preekt, ""ruit to verwijderen'krachtens do overtuijnS, dat veelszins niet aanbeveling verdient Va Pa,r';iculïsro werkzaamheid ep het gebied it ■* armenzorg door subsidiën uit do gemeonte|Lj**h te moedigen en te steunen. *^*t die opvatting heeft spreker zioh dan ook gericht. Prof. Fabius zet dan uiteen, dat deze armenwet inderdaad aan gemeentelijke subsidiën ten behoeve van andere dan burgerlijke instellingen van weldadigheid weinig gunstig gezind is, evenals liet reeds het geval was met de wet van 1854. Ja, meor kan werden' gezegd. Zijn in hot algemeen de beraadslagingen over de wet van 1912 inde Tweede Kamer der S.-G. zeer kort geweest en weinig belangrijk, — die over do wet van 1854 zijn niet sleohts veel uitvoeriger en rijker van inhoud, maar ook heeft de kwestie van hot subsidieeren een hoofdbestanddeel van de besprekingen gevormd, zooals spreker nader aantoont. De bezwaren, itt het midden der vorigo eeuw schier van allon kant tegen het eubsidieeren van instellingen van weldadigheid aangevoerd, acht prof. Fabius alleszins gegrond en dit niet alleen voor dien tijd maar ook voor dezen. Volgens spreker hebben, naar het schijnt, do voor het verleenen van subsidiën gestelde voorwaarden tot dusver de praktijk doen ontstaan, dat daarmee .weinig is gerekend. Zoowel wat aangaat clen steun aan erkende 'nste'.liu.ijen van weldadigheid, als iv dit opzicht, dat. ook instellingen, die eigenlijk clat karakter dragen, subsidie ontvangen niet als instelling van weldadigheid, dus zonder dat de gemeentebesturen ook maar eenigermate aan de eiechen van art. 14 der Armenwet gehouden zijn. Het verminderen van die eischen zou, wat hot laatstgenoemde punt betreft, vermoedelijk weinig verandering brengen. Misschien ook niet om het eerstgenoemde. En voorzoover liet dit bier deed, zou de verandering waarschijnlijk eene minder gunstige zijn, in zoover ds subsidiën werden vermeerderd. Verder ware naar zijne overtuiging gewenscht, dat alle dergelijke subsidiën verminderd weiden, bepaaldelijk, indien daarmee gepaard ging inkrimping van allo burgerlijk armbestuur, met de bedoeling te komen tot het geheel doen verdwijnen van dio overheidsbemoeienis. Het is zeer -begrijpelijk, zegt de praeadviseur, dat velen beducht zijn voor liet gaan in die richting. Particuliere armenzorg zal — zoo meent men vaak — nooit ih allo gevallen kunnen voorzien. Maar de openbare armenzorg brengt in dit'opzicht geen beterschap aan, wel verergering, zooals oia. de Bosch Kernper, jhr. mv. Smissaert en anderen in woord en geschrift hebben trachten aan te toonen. Om particuliere armenzorg tot ontwikkeling, tot groote uitbreiding te brengen, is juist noodig dé zekerheid, de stellige zekerheid, dat zij, en zij alleen, voor de nooden der behoeftigen heeft te zorgen. Zoolang zij op eenigerlei wijze met openbare armenzorg verbonden is, kan men nocit oordcelen over hetgeen waartoe particuliere armenzorg in staat is; mist men het recht op het onvoldoende harer hulp te w-ijzen. Te vaak wordt bij armenzorg te voel aan de diaconieën gedacht, en vergeet men zoowel de rechtstreeksche armenzorg der particulieren, als de hulp van niet-kerkelijke instellingen. Op grond van een uitvoerig pleidooi meent prof.-Fabius, te kunnen concludeeren, dat het geen aanbeveling verdient terug te keeren tot een stelsel, dat'in de eerste helft der vorige eeuw tot zooveel misstanden aanleiding gaf en ook in 1845 wel niet radicaal is losgelaten, maar toch hier algemeen veroordeeld word. De tweede praejadviseur mr. A. F. baron van Lynden wijst erop, dat onder do beginselen waarvan werd uitgegaan bij bet wetsvoorstel, dat leidde tot de tegenwoordige Armenwet van 1912, behoorde, nevens cle handhaving van het subsidiair karakter der burgerlijke armenzorg met loslating van het beginsel der volstrekte onvermijdelijkheid, ook weder de vermindering van subsidies uit do fondsen van burgerlijke gemeenten aan instellingen van weldadigheid. „Dat cle wet. óp dit punt verouderd zou zijn of uit anderen hoofde aan ernstige kritiek zou blootstaan, heeft de ervaring dusver niet geleerd," concludeerde de Memorie van Toelichting. Dezo opvatting der Regeering vond geen zwaarwichtige bestrijding. Blijkens het verslag der Commissie van Voorbereiding in de Tweedo Kamer der Staten-Generaal hepen de meeningen omtrent de wenschelijkheid van subsidieering echter wel uiteen. De grooto meerderheid kan zich ten .slotte wel vereenigen niet de ontworpen bepalingen. indien maar' in de wet de bedoeling om slechts in zeer bijzondere gevallen subsidies toe te staan, duidelijk bleek. • Als zoodanige gevallen werden genoemd : le. verhoudingen, waarbij do subsidie voortspruit uit gesloten overeenkomsten of historisch verkregen rechten. 2e. gevallen, waarin tegemoetkoming m de kosten°van technische verbetering der armenzorg noodig is; 3e. gevallen, waarin hulp vereischt wordt ten einde bet hoofd te bieden aan onverwacht hooge eischen ten gevolge van tijdelijken bijzonderen nood; 4e. het verleenen van ondersteuning aon vereenigingen, die zich ten doel stellen te voorzien in bijzondere nooden, waarbij goede huip zeer kostbaar is. In hoofdzaak stemde de Minister, clie vermindering en, zoo mogelijk, eindiging van de subsidieering vau kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid voor zeer gewenscht hield, in met hen, clie als gevallen, waarin het verleenen van subsidie geoorloofd kan zijn, beschouwden die, hierboven onder ï<>. —40. vermeld, al achtte hij hot niet wenschelijk deze gevallen in de wet to noemen. Kr waren z. i. toch ook nog'andere „zeer bijzondere" gevallen denkbaar. Aldus kwam tot stand art. 14 van cle tegenwoordige Armenwet. • Het niet van belang ontbloot achtende om de praktijk van dit artikel te kennen, noodigde de praeadviseur de secretarissen van alle 33 armenraden, tot welker ressorten gezamenlijk 50 gemeenten behooren, uit, hem te willen mededeeien': door welke gemeenten subsidies zijn verstrekt aan andere dan burgerlijke instellingen van .weldadigheid ; aan welke instellingen dio subsidies zijn verstrekt; en welke do „zeer hijzoiidere gevallen" waren op grond waarvan de subsidie naar de wet geoorloofd werd geacht. Hoewel het aantal gemeenten die onder een armenraad ressorteeren, uiterst gering is in vergelijking met het aantal gemeenten, voor welke nog geen armenraad is ingesteld, meent baron van Lynden, dat men zich uit de, nu voorhanden gegevens, toch wel reeds een beeld kan vormen van do wijze waarop de voorschriften van art. 14 der armenwet bij de uitvoering worden opgevat. Terwijl men in enkele gemeenten zich niet streng gebonden schijnt te achten aan de perken, door dit artikel gesteld, schijnt men over het algemeen termen voor subsidieering gevonden te hebben dn gevallen, waar het meer sociale of hygiënische voorzorg betrof dan wet wat men eigenlijk armenverzorging pleegt te noemen. Maar hier moet men nu ook wedor letten op hot verschil van opvatting, dat er blijkt to bestaan over het plaatsen van instellingen op de lijst, bedoeld in art. 3 der Armenwet. Instellingen, die in de eene gemeente als instellingen van weldadigheid worden beschouwd en dus op de lijst worden geplaatst, blijven in de andere gemeente daarbuiten en worden daar ails instellingen van algemeen nut beschouwd, waaromtrent de beperkende bepalingen van art. 14 niet gelden. Bij de uitvoering van art. 14 kunnen zich ook complicaties voordoen. Als voorbeeld wijst spreker op een geval, dat in het vorig jaar bij den ütrechtschen Armenraad werd behandeld. Het bestuur der Vereeniging tot verbetering van Armenzorg te Utrecht — een vereeniging die als zoodanig''niet in een bijzonder geval verkeert, als w arm do wet subsidieering mogelijk acht — vroeg aan den gemeenteraad een' jaarlijkse!ie toelage voor hare afdeeling ■,x sociale hulp aan aifkeo. Na overweging meende de Armenraad dat gunstig kon worden geadviseerd op het verzoek om een subsidie, mits voldoende waarborgen werden gegeven, dat de afdeeling financieel los zij van hare moeder-instelling de Vereeniging tot verbetering van Armenzorg. Door het bestuur van de Nederlandsche Vereeniging voor Armenzorg en Weldadigheid uitgenoodigd eene bespreking van de subsidieering van kerkelijke en particuliere instellingen van weldadigheid van overheidswege in te leiden, heeft baron van Lynden gemeend, dit vraagstuk te moeten bezien uit het oogpunt van de hedendaagsche opvattingen omtrent armenverzorging in verband met de roeping die de genoemde instellingen in het samenstel der maatschappij hebben te vervullen en met de taak- die op de overheid rust op het gebied der armenzorg. Overweging van het vraagstuk, clat in do jaarvergadering van 1918 ter loops ter sprake Invam, leidde hem tot de volgende conclusies: a, Het publiek belang is betrokken bij eene oordeelkundige verzorging der armen; niet alleen van hen, diè in een speciaal noodgeval verkeeren, maar ook van die behoeftigen wien in het algemeen de middelen ontbreken voor hun levensonderhoud; b. De zorg voor deze armen behoort zooveel mogelijk overgelaten te worden aan de kerkelijke -en bijzondero instellingen van weldadig- heid ; c. De kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid moeten de noodige middelen om deze zorg naar behooren uit to oefenen, in de eerste plaats ontvangen van hare leden; maar deze middelen zullen steeds meer onvoldoende worden tengevolge eenerzijds van het ook door verbeterde inzichten- steeds kostbaarder worden van de armenverzorging, anderzijds van de steeds minder wordende mogelijkheid van het daaraan geëvenredigd offeren van liefdegaven; d. De oplossing van de hieruit voortkomende moeilijkheden moet niefc gezocht worden in onvoldoende voorziening in de nooden der armen, noch in het bevorderen van do meervoudige ondersteuning, noch in beperking van het ter. rein der instellingen door de armen zooveel mogelijk over te laten hetzij aan de burgerlijke armenzorg, hetzij aan instellingen voor speciale vormen van hulpverleening; e. Door subsidieering moet de overheid. zoo noodig, de kerkelijke en particuliere instellingen va-n weldadigheid in staat stellen de armen te verzorgen op de wijze als door het publiek belang, gevorderd wordt; die subsidieering behoort geregeld te worden na«r de mate der maatschappelijke belangen, die bij het werk van elke instelling betrokken zijn, en in' evenredigheid met het bedrag dat elke instelling ontvangt door de particuliere offervaardigheid ; f. De subsidie behoort gegeven te worden door de gemeente. Het Kijk behoort een deel daarvan aan de gemeente te vergoeden. Elk dezer conclusiën wordt nader door den praeadviseur toegelicht, De vraag verdient overweging, zegt hij tenslotte, of niet bepaalde inkomsten tot bestrijding van de kosten vau de rijkssuibsidicering zouden kunnen worden aangewezen. In Zwitserland wordt een tiende van de opbrengst der alcohol-administratie bestemd voor de bestrijding van, het alcoholisme. Zou zoo niet éen deel van bepaalde staatsinliom.steu die getrokken worden uit hetgeen men hot tegendeel van do armoede zoude kunnen noemen (vermogensïielasting?) niet bestemd kunnen worden voor cle bestrijding der armoede 't Op de door hem medegedeelde gronden zou baron Van Lynden willen concludeeren tot ceiio zoodanige Wijziging van art', li der Armenwet, dat subsidies uit de gomceiitefondsen niet behoeven te worden beperkt tot „zeer bijzondere gevallen", waarin -do subsidie ..volstrekt noodzakelijk" is, maar dat zuïke suibsti<:ics, onder do bepalingen als overigens in art. 14 gesteld, aan andere dan burger!ijka instellingen van weldadigheid kunnen worden verleend, indien deze dien steun behoeven om haro arméft op doelmatige wijze, zooals het maatschappelijk belang dit vordert, te verzorgen; dat cle subsidie niet mag overschrijden het drievierde deel van hetgeen door de leden der instelling wordt opgebracht; en dat voor x-en derde van de subsidie de gemeente door liet Rijk kan worden schadeloos gesteld. Als eerste debater meldde zich de ondervoorzitter der vereeniging, mr. A. Fen t en er, v on Vlissing èn, die verklaarde de praeadviezen te hobben gelezen in cle volgorde, waarin zij werden afgedrukt. Met a.lle waardeering voor het werk van prof. Fabius, vond_ spreker daarin toch veel, dat hij bern tegen-' spraak uitlokte en het praeadvies werd don ook van tal van kantteekeningen /oorzier,. Toen las hij het praeadvies van baron van Lynden en ziet, daarmede kon hij zich zoo ten vollo vereenigen, daarin werden aoozenr zijne denkbeelden weergegeven, dat spreker van het woord zou hebben afgezien, warejbet niet, dat hij nog enkele dingen in het milden had te brcns'cn. Aangenomen, aldus mr. Fentener van Vlissingen, dat aan eht subsidieeren inderdaad zoo ernstige bezwaren verbonden zijn, als professor Fabius, en met hem vele anderen, aannemen, dan nog zou ik willen vragen, of wij niet goed doen die bezwaren te aanvaarden om het grootere euvel te weren dat armenzorg uitsluitend een overheidszaak zal worden. Spreker gelooft intusschen niet, dat de aan het 'subsidieeren verbonden bezwaren inderdaad zoo overwegend zijn. De reciasseoringsarbeid bewijst dit zijns inziens. De regeling bij dezen tak vau arbeid gevolgd is van dien aard, clat de reclasseéringspogingen in handen zijn van particuliere instellingen, terwijl de geldelijke steun van overheidswege wordt iverstreict. 'Klachten over het aantasten van da zelfstandigheid der instellingen w-erclen zelden «f nooit geuit., en al acht spreker het blind aanvaarden van dit systeem voor armenzorg geenszins wenschelijk, toch meent hij, dat er heel wat uit te leeien valt. Met mra Van Lyndon wenscht spreker de vraag, of het aanbeveling verdient; de wettelijke grenzen der subsidieering ruimer te maken, volkomen in bevestigenden zin te beantwoorden. De tweede spreker, de heer L e c h n e r, verklaarde principieel aan de.i kant van prof. Fabius to staan. Zoolang cle kerk helpt en dr.t niet alleen in noodgevallen, zoolang particuliere vereenigingen hun steun verleenen, rcht spreker nieuwe proefnemingen met subsjdieering van overlieidswoge niet gewenscht. Spreker zou baron van Lynden willen vragen of er aan de door hem voorgestelde controle van overheidswege niet groote bezwaren verbonden zijn en cf hij inderdaad verwacht, dat do door hem voorgemelde subsidie de uitkeeringen noemenswaard ruimer zal maken. Overigens, aldus spreker, blijf ik van oordeel, dat in aansluiting met de sociale verzekering, ■beperking van arbeidsveld een levensvoorwaarde blijft voor een doeltreffende ar- menzorg. Nadat de voorzitter den inmiddels ter vergadering verschenen Commissaris der Koningin ih de provincie Limburg, jhr. 11 uys e h de Beerébrouck, welkom nad geheeten, was het woord aan den heer Adrian i, die meende, dat de bezwaren vau prof. Fabius in hoofdzaak gaan tegen den vorm waarin samenwerking tusschen overheidsbemoeiing en particulier initiatief dikwijls tot uiting komt. Dat een goede samenwerking i.iderdaad kan bestaan, bewijzen de uit de Kinderwetten voortspruitende werkzaamheden. Ook de drankbestrijding en de bestrijding der tuberculose toonen het aan. Noodig is, volgens spr., een o r g a n i s c h e samenwerking tusschen de beide verschillende functies die elkander noodig hebben en tot één geheel kunnen geraken. Het wil den heer Adriani verder voorkomen, dat de wetgever artikel 14 der Armenwet, dat toepasselijk is op alla instedingen van weldadigheid, zoo heeft geformuleerd dat niet anders te concludeeren valt dan dat hij alleen gedacht heeft aan de zoogenaamde huiizittendo armen. Gevolg zijn tal van verwrongen interpretaties. "Wijzigt men het artikel zoo dat het alleen op armbesturen in den engeren zin van het woord van toepassing is, dan kan spreker zich met de opvatting van prof. Fabius vereenigen. Subsidieering aan ander soort instellingen kan volgens den heer Adriani de armenzorg zeer zeker ten goede komen. De heer Th. van Lier ziet zich door de streng afwijzende houding van prof. Fabius uit ziju tent gelokt. De opvatting van den hoogleeraar: Dc kerk van Christus mag nooit willen andere diceconalo hulp van stoffelijken aard verleenen dan die, waartoe de middelen zijn bijeengebracht door feestelijk motief", acht spreker voor bestrijding vatbaar. Het wil den heer Van Lier voorkomen, dat professor Fabius te zeer vasthoudt aan de historie. Sinds lang toch is het niet meer uitsluitend de kerk die zich met de zorg voor de armen belast, ook particulieren hebben dat terrein betreden. Daarbij komt nog, dat sinds 18ö4 veel veranderd is in den aard en de omstandigheden, waaronder armoede ontstaat. Met de door baron Van Lynden getrokkan conclusies kan deze spreker zich volkom;ö vereenigen en daarbij zou hij dan willen een algemeene rijks armenbelasting, waardoor ieder naar draagkracht er toe zal medewerk m om den nood te lenigen. Mr. F. B. Everts meent, dat de geheeie quaestie allereerst beheerseht wordt door, cle. vraag: hoe staat het werkelijke leven tegenover de quaestie, waar het hier om gaat*' en clan blijkt, dat allerlei trucjes door de overheid worden gebruikt om artikel 14 toepasselijk te maken op al die instellingen, welke men subsidie deelachtig wil doen worden, en die ook w-el degelijk vallen onder art. I vnn de armenwet. Artikel 14 is al lang ecu wasseu neus. Ma.kt bijvoorbeeld één kerk-?'iike instei ling bezwaar om subsidie te ontva 'gen voor de kinderbescherming, en zouden zij er niet tegfrn opkomen, wanneer men beweerde, dat zij door bet aanvaarden van dien ste lil te kort schieten in de liefde? Spreksr eindigt met de wensch uit te spreken, dat de b-perkende bepalingen van art. 14 geheel uit de wet zullen verdwijnen. Prof. mr. D. "P. D. F. us. die '*.-f, Mop het woord kreeg, zet uiteen, clat hij de beteekenis van de door het best iar gestelde vraag dieper heeft opgevat dan nu. Everts. Dat "V vraag werd gedaan, acht hij overigens niet vreemd, omdat Liefdadigh-ii naar Vet mogen en dergelijke vereenigingen steeds staan vcor een tekort, en juist voor nen dio met een liefdevol hart zicih wijden aan cl? verzorging valarmen, is de verleiding groo- om aller.gs het oog eenigermate te sluiten voor de wijze waarop de gelden binnenkomen. Spreker zal ben dit allerminst verwijten, al acht hij waarzaaniheid gewenscht. Om iets grootsch te hereiken toch is noodig een daaraan geëvenredigde inspanning. De heer Van Lier heeft gezegd, dat armenzorg zich toont in het aanwenden der gaven. Spreker zou daartegenover willen plaatsen hefc woord van mevrouw Muller— Lulofs: Wat is armenzorg zonder weldadigheid? In onze dagen vertoont zich overal een neiging om te leunen op de publieke kassen. Spreker zou daartegen willen waarschuwen. Trouwens geen van de sprekers van heden is blind geweest, voor het feit, dat de openbare hulp gevaren heeft. Een van die gevaren schuilt volgens prof. Fabius in de controle van overheidswege. . Het helpen van den arme m het algemeen belang acht spreker de grootste smaad die. op den arme gelegd kan worden; en de overheid doet het zoo, zij kan het immers niet uit liefde doen. • De tweede praeadviseur mr. A. T. baron v a n L y n d e n kan zich met veel clat prof. Fabius gezegd heeft •vereenigen. Do bezwaren die hij heeft ontwikkeld tegen de overheidsarmenzorg stemmen spreker dankbaar, omdat hij, wat het kardinale punt betreft, daarmede één lijn kan trekken. Prof. Fabius heeft echter bet algc.iiiee.il hclsang voorgesteld als iets, 'kt volgens baron V.-ui Lyudon niet juist is. Tciveel werd het o-eïdeniifieeerd met vrees; en tooh ligt er z.i. "wel degelijk de altruistisdhe aan ten grondslag om de anensnhen op te heffen uit den toestand, waarin zij zijn Verzonken. Oolc deze- spreker heeft den indruk gekregen, dat professor Fabius zich te veel liet lijden door zijn historischen zin; en dat hij zich daarnaast 'te veel heoft verloren in zijne idealen. Professor Fabius vreest, dat de particuliere liefdadigheid benadeeld zon worden door de subsidieering; spreker zou eerder willen aannemen, dat zij er door geprikkeld worclt. Maar ten slotte dient toch de. vraag: hoe wordt het best de armoede bestreden en opgeheven, alle andere- kwesties te overhoersehen en dan wil hij vragen : zijn wij niet gekomen in een tijd waarin de liefdadigheid moet wijken voor cle weldadigheid? Konden do kerkelijke instellingen inderdaad ten volle doen wat vau hun verwacht wordt, dan zou niemand subsidie weftsidben. Ock spreker aanvaardt haar slechts uit noodzaak. Komt men de par-iieuliere instellingen niet te- hulp, dan eerst, de feiten bewijzen het, znl de overhoiclsibeinneiinE z'uli steeds verder uitbreiden. Üe heer Lechner wil spreker ant.woordc, dat controle van overheidswege noodig is om ïjjisbrnik te voorkomen. En wat cle subsidieering betreft, zoodra deze hooger wordt zou een deel vian het door particulieren bijeengebrachte, zal zij inderdaad een govaar kunnen worden Itesumeeroiid wenscht baron van Lijnden nogmaals duidelijk te doen uitkomen, dat de bedoeling van de door hem voorgestane subsidieering geen andere is dan van overheidswege een zoo gering mogelijke armenzorg te zien uitoefenen. De voorzitter bracht daarop den beiden praeadviseurs en allen die verder het woord gevoerd hebben dauk voor hunne bemoeiingen. Ontvangst ten stadhuize. In een der met prachtige gobelins behangen zalen van het zevcntiend'eeuwsche raadhuis der stad Maastricht, werden de congressisten, na afloop van de middagvergadering, dcor h gemeentebestuur ontvangen. De burgemeester, mr. Van Oppen noemde het een aangename taak den gasten welkom te mogen heeten. Immers hun taak, het verbeteren van den arenzorg, heeft ieders sympathie. Te goed weten wij, aldus spreker, dat de weldadigheid nog niet steeds beoefend wordt op een wijze die er toe bijdraagt, het pauperisme te doen verminderen. Mogen dan ook de besprekingen in onze stad gehouden, zijn tot heil van de minder bedeelden onder de Nederlandsche bevolking. En mochten uwe werkzaamheden u nog eenigen vrijen tijd toelaten, dan hoop ik, dat gij die zult durven doorbrengen op een wijze, welke do meest aangename herinneringen aan onze stad bij u zal achterlaten. De eerewijn wercl hierop rondgediehd en op uitnoodiging van den burgemeester wijdden do gasten het eerste glas aan den voorzitter x ~u armenzorg en weldadigheid. Jhr. mr. N. C. de Marees va ?i S w i nderen nam daarop het woord om namens alleen dank te zeggen voor de hartelijke ontvangst niet alleen, maar ook voor de groote welwillendheid, welke de vereeniging van den beginne af van den burgemeesteren l -ïardoor van de geheele gemeente Maastricht mocht ondervinden. AVij zijn naar hier gekomen, aldus spreker, niet te speuren of hier weldadigheidszin bestaat. Dat wisten -wy allang en ten jrervlojde hebben de laatste jaren het nog eens op de meest overtuigende wijze aangetoond. Eu juist daarom zouden wij zoo gaarne hebben een Limburgsch vendel, dat als keurtroepen in onze rijen strijdt. Door ons een zoo ruimte mate van gastvrijheid te verleenen, hebt gij, mijnheer de burgemeester, ons in de gelegenheid gesteid hier vrienden te winnen voor onze goede zaak. Wij zijn u daar onuitsprekelijkdaukbaar voor. Met de beste wenschen voor do verdere bloei en groei van de stad Maastricht eindigde jhr. Van Sw-inderen zijn hartelijke toespraak, waarna hij zijn glas ledigde op het welzijn van burgemeester Van Oppen. Van de gelegenheid om het fraaie Maastrichtsche stadhuis te bezichtigen werd door alleen dankbaar gebruik gemaakt. --- STATEN-GENERAAL EERSTE KAMER. OVERZICHT. 'x 's-G ravenhage, 26 Juni. Des Senaats voorzitter heeft de gewoonte, van tijd tot tijd naar buiten te doen blijken, dat de Kamer ook belangstelling koestert voor andere gebeurtenissen dan binnen haar onmiddellijke aandacht liggen. Zoo wijdde hij heden een korte rede aan de nabije vredeseluiting, herinnerende aan alle goede dingen, die wij gedurende den corlog al zoo hebben verricht. Om te eindigen met een beroep op het saamhorigheidsbesef, dat ons „onder Gods zegen en onder de regeering van koningin Wilhelmina het vrije, onafhankelijke Nederland" zal doen blijven. Luide instemming van alle kanten — geen demonstratief stilzwijgen uit tien semirevolutionairen hoek. Senator Polak (zijn collega bleef ontbreken) had de kieschheid, de apotheose niet' door zijn tegenwoordigheid te ontsieren en kwam eerst later. De behandeling der weinig belangrijke agenda vorderde 6lechts een paar uren, doch van den voorzitter een groote dosis scherpzinnigheid. De stemmingen voor de benoeming van een commies-griffier, die eindigden met een aanwijzing door het lot stelde die op zwaren proef en de afhandeling van een aantal wetsontwerpen ender een nummer vereenigd nicfc minder. Bij het ontwerp tot wijziging van de wet houdende tijdelijke bepalingen betreffende het vervoer en de nederlage van goederen wezen de heeren Bergsma en Van der Maes s © n de S o m b r e f op den overlast, die bona fide personen minder om drastische bepalingen dan wel om hun toepassing door minder beschaafde ondergeschikte ambtenaren. De Minister van Financien beantwoordde de klagers met een aangenaam discours over de taak vau den ambtenaar, zijn rechten en verplichtingen. Waaruit wij begrepen hebben, dat de zaak blijft zooals zij is en dat de minister geen kans ziet,- aan plagerijen een eind te maken. Het ontwerp wijziging der zegelwet lokte den heer Van Holt h e. tot Echten uit zijn tent: naar aanleiding van de bekende verklaringen omtrent de plannen des ministers in de gewisselde stukken wees hij ep de zware lasten van de bezitters van onroerende goederen tegenover de veel geringer lasten van die van roerende goederen. In de opgegeven plannen inzake de effectenbelasting zag hij een nieuw bewijs vau een. hem ongewenscht voorkomende tendenz. Maar de heel- Van Nierop — iv een fijn en levendig speechje — en de m i n i st e r wezen den heer van Hol the op de technische bezwaren, die tegen het plan bleke i te bestaan en oorzaak zijn geweest- van het cpgev'en daarvan. De lieer Van Nierop knoopte hieraan eenigo besichouwingen van wijder strekking vast betreffende de mogelijkheid vau b-e^v t""o-l.ieffing op onroereüd goed in het algemeen. --- OVERZICHT. x 's-G ravenhag o, 26 Juni Wie aan de consequente toepassing van het staudWnt der communi*-tische. fractie, de Kamer slechts als spreoktribune bij uitnemendheid te bezigen, nog twijfelen mocht, kan hedenmiddag genezen ziju. De heer Kruyt bleek het onueodig te hebben geoordeeld, zich zelfs van bet reglement van orde op de hcogte te stellen. Teen, in het late middaguur, 'bij het ontwerrj tet wijziging van de Vreemdelingenwet (wijziging met de strekking ou ver-wij ld© uitzetting van ongewenschte elementen, zelf.< zoo zij in het bezit zijn van- behoorlijke papieren- mogelijk te maken-) de interpellatie Kruvt inzake de behandeling vau Bussen, aan de erde kwam... bleek dit Kamerlid eerst kort geleden clo wetenschap te hebben verworven, dat liet cssenbioele deel van oen !,:tvrpsilatie het stellen van. vragen is! De voorzitter gunde later eou kijkje achter di coulissen van het eommunistkoh parlementarisme: hij had den heer Kruvt gerraagd, of de-ze de regeering al mededeeling godaan had van de punten, waaromtrent hij wenschte te worden ingelicht. Wzavop de heer Kruyt had vastgesteld niet te weten, dat liij vragen stellen moest. Sn er inderhaast een bad voorgelegd die, zonder ~fundament — gelijk mini?ter Heemskerk het uitdrukte — niet de b«is vau eenige discussie vormen kon. Afgezien nu van het primair bezwaar, dat de regeering onmogelijk binnen een uur tijds gegevens zou hebben kunnen verzamelen, noodig vcor de beantwoording van wolke vraag ook. De interpellatie liep dus in het zand. En de heer Nolens, die «tvn bizondere voorliefde lieeft voor ordo — en andere gelijksoortige iirobelemu had moeite de Kamer te overtuigen, dat slechts uitstel redding brengen yim. Tevens werd tenslotte het wetsontwerp, dat met de interpellatie' verband ~scheen" (— merkte de heer Nolens niet gebruikelijke voorzichtigheid op —) te houden, afgevoerd. Ware dit niet geschied, de dreigende avondvergadering zou bebben plaats gehad ondanks het besluit, in de middagbiifenk.omst de agenda af te handelen. Alleen zou wellicht de gebruikelijke pauzs tusschen beide vergaderingen ontbroken hebben. Er is lang gediscusseerd ever het wetsontwerp tot beschikbaarstelling van gelden voor den aanleg van drinkwaterleidingen. De sterke opposjtie die tegen de gestre vsn het Rijksbureau voor drink watervoorziening. Verschillende leden vreesden ernstige belemmering van het particulier initiatief en zelfs ongewenschte oplossing van het vraagstuk der watervoorziening in verschillende deelen des lands door al te sterke concentratie. Dit alles onder invloed van het bureau. Minister Aalberse verzekerde, dat geenszins gevaren van dien aard te vreezen zijn en accenteerde nogmaals, dat de oppositie t^gen het bureau stellig overdreven is. Tenminste ■*-* als wij den 'bewindsman goed verstaan hebben. Hoezeer verzorgd, vat articulatie aangaat, bleek 's ministers rede nagenoeg onverstaanbaar: Eijn al te bescheiden geluid mag tegen de behandeling dei- Arbeidswet wel eenige versterking ondergaan, wil de verdediging van dit belangrijke ontwerp de perstribune niet geheel en al ontgaan. Thans bleek een verdediging nauwelijks noodzakelijk: dc Kamer repliceerde niet en bewilligde zonder meer in het voorstel, dat de gelegenheid opent, gelden a 4i % beschikbaar te stellen ten behoeve van waterleiding-aauleg. De discussie over het Twentsch kanaalplan, besloten door twee moties, -was grootendeels van technisehen aard. Men zie het verslag. --- Arbeidswet. Omtrent de Arbeidswet is eindeverslag uitgebracht. De heer Dresselhu y s hoeft met den heer Visser van Uzendoorn een amendement ingediend om, in het belang der productie en rekening houdende met de buitenlandsche concurrentie, bij de beperking van den arbeidsduur in het algemeen niet verder te gaan dan tot acht en een half uur per dag en a c h t en veertig uren per week. Zij meenen dat zulk een regeling voor de arbeiders niet bezwaarlijk behoeft te worden geacht. De heer 3 c h a p e r heeft een reeks amendementen ingediend, aan de toelichting waarop we het volgende ontleenen: Artikel 9. De bedoeling is, kinderarbeid tot 14 jaren nl ieder geval terstond te verbieden, terwijl na twee jaren een arbeidsverbod tot lo jaren wenschelijk wordt geacht. In dien tijd zal do Leerplichtwet moeten worden hemen en een uitbreiding der scliolen voorbereid. Artikel 12. Do bedoeling is te bevorderen, dat het (vcor de jeugdige personen) gewenschte onderwijs zooveel mogelijk worde gegeven in de uren, waarin volgens het ontwerp de jeugdige personen arbeid zouden moeten verrichten. Artikel 14. De bedoeling is voor alle arbeiders de Zondagsrust als regel verplichtend te stellen, zocdat bij de toepassing der wet zich cle regeering van de uitzonderingen ©p dien regel nauwgezet rekenschap zal 'moeten geven. Artikel lö. De 8-urige arbeidsdag zii ook vcor de arbeiders buiten fabrieken enz rege' Het bepaalde in het tweede lid geeft altijd nog gelegenheid van dezen regel af te,wijken voor bepaalde gevallen, waarin dit beslist niet anders mogelijk zou zijn. Artikelen 19 eu 20. Deze amendementen bedoelen het aantal overuren, waartoe vergunning zal mogen worden verleend, belangrijk -'n te krimpen ; terwijl tevens meer gelijkheid onder ds verschillende arbeidersgroepen ten aanzien van de overuren wordt gebracht. Artikel 2ó. De bepaling omtrent den leeftijd vcor het begrip „jeugdig persoon" wordt ten deele illusoir gemaakt, indien toch telkens aan personen beneden dien leeftijd gelegenheid wordt gegeven om onder abnormale omstandigheden arbeid te verrichten. Een ander amendement op dit artikel heeft de bedoeling om bij toepassing van het tweeploegenstelsel slechts een "-urigen arbeidsdag toe-te staan, terwijl een derde amendement den arbeidsduur voor bewakingsdiensten in geen geval langer wil stellen dan 10 uren per dag. Artikel 26. De minister zal ..telkens in geen geval voor een tijdvak van meer dan ces maanden" één uur per dag en 5 uur per week langer arbeid mogen laten verrichten in fabriek of werkplaats dan volgens het bepaalde in artikel 24. Deed de minister de toezegging, zulk een vergunning telkens in de Staatscourant te publiceeren, dan zouden de vakvereenigingen en de volksvertegenwoordiging geregeld kunnen controlee-en hetgeen op dit oogenblik worclt getolereerd. Artikel 28. Met de aanneming van dit amendement zou «orden bereikt, dat de overuren vcor mannen en vrouwen gelijk zijn en dat die overuren voor mannen zeer worden verminderd. Artikel 46. Het is gewensclit, dat jeugdige personen na 6 nur in winkels miet meer arbeiden. Dat voor vrouwen niet hetzelfde wordt voorgesteld, spruit vcort uit de vreesf, dst bi.j aanneming van zulk een voorstel de vrouwen als winkelpersoneel minder gewild zouden e\jn dan de mannen. Artikel 47. Des nacht.*- van 10 tot 6 uur ti oet althans de winkelbediende in ieder geval vij zijn, ook ep buitengewoon drukke dag-ia, ub den Zaterdag, enz. Bovendien dient d"> winkelbediende dertien uren onafgebroken rust gewaarborgd. De bedoeling van twee andere ameudmienten is, ook voor den winkelbedienie den Burigen werkdag als norm vast te stel'» waartoe desnoods een tweoploegenstelsel kan. worden ingevoerd. Dan kan ook een 36luiig.j rusttijd per etmaal worden gewaarborgd. Art. 62 Voor jeugdige personen mtg in geen geval een arbeidsduur van langer dan 8 uren worden toegestaan, en zeker niet in de slachte atmosfeer van de koffiehuizen en hotels. V' wts kan toegegeven - worden aan den dnn -"renden wensch der' koffiehuisbedienden om den S-iui-n--dag als norm in dc wet voor te schrij/ii. Artikel 64. Het komt den voorstïl'er» volslagen onjuist voor de verpleegsters en vwplegers, die louter uit toewijding hun treil: verrichten, ven de bescherming «ioo? de wet uit te sluiten. Artikel 65. Het hier gedaan vooi stel geeft den minister gelegenheid de invoe.-*ig van dfi S-urondag voor verplegend personeel twee jaren uit te stellen, om nieuw personeel te d:-xx aankweeken. Juist bij geringere af beuling zullen meer meisjes en mannen den verpleegdiens; begeeren. Bovendien behoort de bep duig, dat iv geen geval de beperking van den arbeidsduur verder dan tot 8 uren per dag mag gaan, met het oog b.v. op de krankzin rgengcs'.-.ihten. te vervallen. De heer Van Rappard heeft eindelijk een amendement op art. 83 -ngedieal