DE MENSCH ALS MEDICIJN-KAST. Van Aesculapius en Hygi'éa tot Philippus Theophrastus Bombastus. AESCULAPIUS (Asklepios), zoon van Apollo, was bij de Grieken en Romeinen de god van de geneeskunde. Hij had het in zijn vak heel ver gebracht, want niet alleen dat hij de zieken weer gezond maakte, hij maakte de dooden weer levend. Daar was Pluto allesbehalve mee ingenomen. Terecht maakte deze zich ongerust, dat zijn rijk daardoor geheel ontvolkt zou worden en hij haastte zich dan ook zich bij zijn broer Jupiter te beklagen, die het volkomen met hem eens was en Aesculapius was nu wel verplicht de dooden met rust te laten en zich alleen maar met de zieken te bemoeien. Dat deed hij dan ook en hierin werd hij krachtig geholpen door zijn vrouw of dochter, die voor de geneesmiddelen zorgde. Hygieia, de godin der pharmacie, was dus de eerste apothekeres. Het woord „apotheek" van Griekschen oorsprong, beteekende echter een magazijn in 't algemeen. Eerst ir, de middeleeuwen werd het woord apotheek uitsluitend gebruikt voor een magazijn van geneesmiddelen. Tot voor de revolutie snrak men in Frankrijk nog van een „Boutiot-e d'apothicaire", thans vervangen door „Pharmacie". Ofschoon de Ouden er dus een speciale godin voor de geneesmiddelen op nahielden, maakten de aesculapen uit de Oudheid hunne drankjes en zalfjes zelf klaar. Eerst in de laatste jaren van het Romeinsche rijk waren er in Rome enkele Pimentarii, die zich uitsluitend met het werk van Hygieia bezig hielden. In hoog aanzien stonden die heeren niet, want de keizers Theodosius en Valentius bepaalüen, dat ze geen enkele waardigheid mochten bekleeden en paus Pelagios II verbood aan zijn geestelijken om de pharmacie te beoefenen. De wet verbiedt den apotheker met een geneeskundige een overeenkomst aan te gaan voor het leveren van geneesmiddelen. Die bepaling is ook niet van vandaag of gisteren, want reeds in het begin der dertiende eeuw had de Duitsche keizer Frederik II iets dergelijks verboden. Blijkbaar was de artsenijbereidkunde een stokpaardje van den keizer. Hij heeft op dat gebied heel wat gereglementeerd. Een apotheker moest voor de geneeskundige faculteit eerst bewijzen van bekwaamheid hebben afgelegd en er werden twee inspecteurs aangesteld, die toezicht moesten houden dat de stroopjes, tincturen enz. goed werden klaargemaakt en wanneer ze daarin nalatig zouden zijn, dan wacntte hen de strop. Een zekere Nieolaus had een antidotarium gemaakt, waarin precies in alphabetische volgorde de bereiding van wd honderdvijftig geneesmiddelen was aangegeven en waarin ook stond voor welke ziekten elk middeltje probaat was. Het was een standaardwerk en keizer Frederik bepaalde dan ook, dat iedere apotheker de grondstoffen in dat werk genoemd, steeds in voorraad moest hebben. De grootvader van genoemden keizer, koning Rogier, had reeds een apotheek te Napels gesticht en dit zal wel de eerste in Europa geweest zijn, ofschoon de Arabieren, uie het in de geneeskunst heel ver gebracht hadden, reeds omstreeks 725 te Bagdad iets dergelijks hadden. Italië v.-as in de fatere middeleeuwen het land waar de apotheker zijn kunst moest leeren en uit Midden- en Noord-Europa ging men daar het vak bestudeeren. Op het laatst der veertiende eeuw vinden we ook ui ons land van apotheken gewag gemaakt, o.a. in 1391 te Utrecht. De apotheker was ambtenaar en stond in dienst van de stad of van den graaf. Later werd dat anders en dreef hij zijn affaire voor eigen rekening, maar omdat hij van zijn eigenlijke geneesmiddelen niet bestaan kon, verkocht hij er van alles eu nog wat bij. Voor de apothekers was de handel in suiker en allerhande Oostersche waren een hoofdbron •van bestaan. Hans Sachs laat in zijn „Beschreibung aller Stande auf Erden", de apotheker zeggen: Ich hab in meiner Apotheckn Viel Materij die lieblich schmcclcn. Zücker mit Würteen ich conficier, Mach auch Purgatzen und Clistier, A uch zu stereken den Kranken schwachn. Kann ich mancherlei Labung machn. Dass alles nach der Artzlc Iïath Der seinen Brunne gesehen hat. Ofschoon nog enkele van de middelen uit de grijze oudheid nog thans in hoog aanzien staan, wordt toch het meerendeel deiproducten van een vroegere apotheek niet meer in onzen tijd gebruikt. Theriak bijv., een middel tegen slangenbeten, dat door Andromachus, den lijfarts van keizer Nero, moet uitgevonden zijn en dat lang in hoog aanzien stond, is thans in onbruik geraakt en wie denkt er nog aan Mithridaat te gebruiken? Het was toch zoon probaat middel. Er waren maar eventjes vier en vijftig stoffen in verwerkt en het was door Mithridates van Pontus uitgevonden als een tegengift tegen alle mogelijke vergiften, d;e zijn aartsvijanden, de Romeinen, hem wel eens konden toedienen. Tot in de zeventiende eeuw waren het plantaardige en vooral ook dierlijke stoffen, die tot heil van den kranken mensch werden aangewend. Ja, zelfs de mensch zelf moest dienen om zijn medemensen van een of andere kwaal af te helpen. Bokkenbloed, wolfslever, gerookte zwaluwen, schorpioenen werden gebruikt. Dierlijk vet was ook een prachtmiddel en vooral menschenvet. Schreef niet Becker — in zijn tijd een beroemd scheikundige —- nog in 1G63 in zijn Parnassus medicinalis illustratus: Der Mcnseh, das Ebenbild, welchs Gott is angenehm, Hat vief und zwanzig Stück zur Arizeney bequem. Merg en beenderolie waren goed voor .i'dagra; de hoofdroos was bloedstelpend; met menschenvet werd een verlamd lichaamsdeel weer uitstekend bruikbaar geniiaakt. Dan hadden ze nog bijzonder onsmakelijke middelen ook uit allerlei uitwerpselen gefabriceerd en toen ze over een primitief destilleertoestel beschikten, vervaardigden die zeventiende-eeuwsche apothekers uit de hersenpan van een ter dood gebrachten, liefst jeugdigen, misdadiger, de zoogenaamde liquor cranii humani. Een podagralijder kreeg dat drankje te slikken en was je vergiftigd, dan kon een slokje er van ook uitstekende diensten bewijzen. Philippus Theophrastus Bombastus, alias Paracelsus, was bijzonder knap om een wond te genezen. Hij had een zalfje bedacht niet om op den patiënt te smeren, maar op het wapen waarmee de wond was toegebracht. De wond genas dan vanzelf wel. Soms ook niet, maar dat was niet de schuld van de zalf. Met dierlijke stoffen had deze doctor echter niet veel op. Hij hield meer van aftreksels en afkooksels van plantenstoffen en vooral van metaalzouten. Daar waren zijn collega's het niet mee eens en het zou nog lang duren voordat de apothekers zich ook met de chemicaliën gingen bemoeien. Een andere nieuwigheid, die hij invoerde was, dat hij van het Latijn niets weten wilde. Ondanks zijn mooien Latijnschen naam gaf hij zijn colleges in het Duitsch, schreef zijn verhandelingen in het Duitsch en gaf zijn middeltjes Duitsche namen. Maar met deze laatste nieuwigheid had hij al heel weinig succes. Zoethout, drop en kamillen moesten met allerlei voor het groote publiek onbegrijpelijke namen worden aangeduid. Chloras natricus, keukenzout te noemen was eenvoudig heiligschennis vonden de pharmaceuten van voorheen. Dat Latijn was ook zoo prachtig geschikt om allerlei domheden onder een wetenschappelijk manteltje te bedekken. En ze waren zoo graag wetenschappelijk. Ze rekenden zich tot de geleerden, maar dfar ontbrak nog heel wat aan. De voor zijn tijd zeer geleerde apotheker Tromsdorff laat zich over zijn vakgenooten aldus uit: „Slcents zelden zag ik mannen die bekwaam waren, des te meer stuitte ik op onkunde en gebreken. Studie der botanie en chemie wordt door het meerendeel geheel overbodig geacht." Maakten de apothekers wel eens een botanische excursie dan beschouwden ze het meer als een pretje. Er werd na afloop duchtig gegeten en gedronken en veel kennis hadden ze op hun buitenpartijtje niet opgedaan. Een satiricus schreef, dat de geneesmiddelen toch nog wel succes konden hebben, want dat ze door den Stank en den walgelijken smaak den patiënten zoo tegen stonden, dat de ernstigste ziekten uit angst voor die matieling het lichaam verlieten. ~Welke ongeste'dheid zou niet aan den haal gaan, wanneer ze dooi al die vuiligheid achterna gezeten wordtl" roept hij uit. In de pharmacie heeft het bijgeloof altijd een belangrijke rol gespeeld. De oorzaak van een ziekte zocht men veelal in een of ander duivelsch wezen, dat zich in het lichaam van den patiënt genesteld had. De taak van den arts was dus, dat wezen er zoo spoedig mogelijk op de een of andere man:er weer uit te krijgen en met een amulet of talisman, waarvoor dikwijls de zonderlingste voorwerpen gebruikt werden, moest dat geprobeerd worden. Soms maakten de dokters het zich al heel gemakkelijk. Ze schreven een of ander onbegrijpelijk woord op een stukje papier en dat moest de patiënt maar bij zich dragen. Aan zoon „recept" verdiende de apotheker niet veel. Geen wonder, dat ze trachtten met hun handeltje in allerlei Oostersche waren er wat bij te verdienen en ook zelf wel zoon beetje dokterden. „De duyvel, meester Hans, is dat mijn arm verbinden" Naar een ets van Kornelis Dusart. Theriakhandelaar bewijst de werking van zijn middel. --- VOOR LONGE OOGEN. KONINGIN ZIXI VAN IX. De geschied is van den toovermantel. DERDE HOOFDSTUK. BIJNA twee dagen reizen van de stad Nolle af, maar toch nog binnen de grenzen van het koninkrijk Nolland, lag aan den oever van een groote rivier een klein dorpje. Er stonden slechts armoedige tiui zen, want de bevolking van het dorp was zeer arm en er was maar één huisje dat er wat beter uitzag. Dit behoorde aan den veerman, die de niensehen de rivier overzette. Hij verdiende daarmee nogal behoorlijk geld, waardoor hij een aardig huisje kon laten bouwen. De veerman had twee kinderen, een jongen en een meisje, Margaretha en Thomas, die altijd Gerrie en Torn genoemd werden. Hun moeder was gestorven, toen ze nog heel jong waren, maar de veerman had Ie kinderen toch zoo goed opgevoed, dat alle menschen in "et 'Jorp de kinderen graag mochten lijden. • Maar op een dag trof hen een vreeselij k mgeluk. Op een stcrmaehtigen nacht verdronk de veerman toen hij een reiziger over de rivier moest zetten en de kinderen bleven alleen op de wereld achter. De eenige zuster van den veerman, die