W- l OP VRIJDAG VISCH. Helleflynder HEILBOT is smakelijk, voedzaam en gemakkelijk te bereiden. Mef recepten fT POND's. «makelijke bereiding* cent blik Engros: M. P. de Labella - Amsterdam _^^^»33MÊ^Ê^^^tMU^^tÈ --- |f N. Doelenstraat Amsterdam VVWi Kamer, vono» »4.--*\ Vj/ Incl HollO"d«ch ontbot. S met badkamer f 6- ' --- DELFTSCHE SLAOLIE IfflfffWl DELFRUE 40 et. + i 7y2 et accijns P.■; kg. ftftdsl Ë EXTRA 9« en ?£ et* (1/1 en 1/2 ~esch) W&m DE L FIA 4o „ + ir-/, „ „ „% „ 1 K^feSST 5S »35 » < ) KÜWnWI MAYONNAISE.in.potjes IIN 0F I j@^l"":r (inclusir-f fiesch) TlTiyillj 60 et. en 35 et. (1/1 en 1/2 potje) lIE — I Onze artikelen voorden thans De prijsverlaging van de plantenvetten Delfrite en Delfia Natuurlijk blijft de superieure | gr—- \S ~ 8 Kzif * i * zonder bons af geleverd heeft eenvoudiger verpakking noodzakelijk gemaakt Calvé-kwaliteit onveranderd K "I"#"* „ClS*"* f «|H MM —il-, M» miT^^^^^^^^^ --- GENIE OF CHARLATAN? IVAR KREUGER ALS MENSCH EN ALS MAGNAAT door BARON K. DRACHENFELS. (ex-particulier secretaris van den Luciferskoning.). Internationalisatie van Kreugers bedrijf. — Zijn verwonderlijke eigenschap om steeds geld los te kunnen krijgen. — De eerste monopolies. — Op weg naar beheersching eener wereldindustrie. IV. *) NADAT de positie van de firma „Kreuger & Toll" nogmaals versterkt was, had Ivar Kreuger machtige wapens genoeg ln zfln bezit om zijn droomen te verwezenlijken van een wereldtrust voor de lucifersindustrie. Hfl wendde het oog nu naar de daarvoor aangewezen slagvelden, de internationale wereldmarkten. In dien tfld waren de voornaamste afnemers ▼an Zweedsche lucifers Groot-Brittannië, op den voet gevolgd door Duitschland en de Vereenigde Staten. Later volgden Nederlandsch Oost-Indië en China. Kreugers concurrenten waren vooral België, Japan en Tsjecho-Slowakije. Dezen drie machtigen vijanden nu verklaarde Kreuger den oorlog. Maar oorlogvoeren kost geld, veel geld. Kreuger liet thans de technische leiding van het bedrijf over aan zfln verschillende beproefde en zich onder zfln leiding bekwaamd hebbende agenten en vertrouwensmannen en zette zichzelf ervoor om het noodige geld los te krijgen. Hij begon met in 1920 naar de Vereenigde Staten te reizen, waar hij nauwe betrekkingen aanknoopte met het machtige, goed-ingevoerde en als conservatief bekend staande bankiershuis Lee, Higginson & Co., in Boston, welk huis hem verder trouw terzijde heeft gestaan. Daarna begon hij met een leening van 35 millioen kronen in Zweden, welke onmiddellflk overteekend werd. Met dat geld kocht Kreuger lucifersfabrieken in Engeland, een aandeel in het machtige „Solo"-lucifersbedrflf in Oostenrijk, eenige fabrieken in Zwitserland «n hfl vestigde een firma in België, die een belangrijk aandeelenbezit verwierf bij Belgische lucifersfabrieken. In Duitschland kocht hij de „Deutsche Zündholzfabriken A. G." ;te Kas.'sel en de „Stahl & Nölke A. G." in Hamburg op. Daarmede waren de 35 millioen Kronen natuurlijk heen. Een leening kon Kreuger niet meer geheel in Zweden plaatsen, omdat daar een crisis begonnen was (deze duurde van 1921 tot 1923). Toch slaagde Kreuger erin de helft van een leening van 45 millioen Kronen wederom in Zweden geplaatst te krijgen. De andere helft plaatste Higginson & Co. voor hem in Londen. Een nieuwe uitbreiding van Kreugers bedrijven volgde. Hij kocht fabrieken in Nederland en in Frankrijk, trachtte Japan de Indische markt te ontnemen. En weer had Kreuger geld noodig. Opnieuw liet zijn reeds eerder genoemd zelfvertrouwen dat het hem nooit aan geld zou ontbreken hem niet in den steek. Hfl kreeg geld door middel van een nieuw door hem opgerichte Amerikaansche firma, de „International Match Corporation", waarvan directeuren waren: Percy Rockefeller, Samuel Pryor (van de Remington Arms Co. Ltd.), Henry O. Havemeyer, Adrian H. Larkin en Frederic W. Allen, allen bekende Amerikaansche financiers, die dus het bestuur vormden van een „Amerikaansche" (!) firma, met „internationale belangen". Kreuger had de mentaliteit van den Amerikaanschen geldbelegger goed bestudeerd! De leeningen die Kreuger onder dit mom op de geldmarkt te New Vork bracht gingen erin als gesneden koek. Onmiddellijk ging zijn vleugeladjudant, Krister Littorin, naar Britsch-Indië om er lucifersfabrieken op te richten. Hooge tarieven maakten namelflk den invoer aldaar bezwaarlijk. Bijna tegelflkertfld vestigde Kreuger door middel van zijn medewerker Hoffmann in Augustus 1923 te Vaduz (Licht énstéin) een geheimzinnige firma; de „Continéntal Investment A.G." Zoogenaamd zou deze firma in het leven geroepen zijn om de hooge belastingen te ontduiken die Kreuger zou moeten betalen van de hooge winsten die zijn lücifersbedrflven maakten., In werkelijkheid echter was deze firma er voor bestemd een belangrijke rol te spelen in het labyrinth-achtige gebouw dat de verschillende Kreuger-concerns vormden. Het kapitaal van deze firma bestond ook weer gedeeltelijk uit aandeelen van andere zusterinstellingen, die uitgewisseld waren tegen aandeelen. De boekhouding van deze firma te Vaduz was zód ingewikkeld, dat ook later nooit iemand iets ervan heeft kunnen begrijpen. Zeker is, dat zfl wemelde van fictieve posten. Intusschen ging de uitbreiding van Kreugers bedrijf en van het aantal leeningen voort. In 1924 werd een groote leening te Londen ge- | plaatst, dan weer te New Vork, dan weer elders en overal bleek voldoende geld opgebracht te kunnen worden. * » * Kreuger kreeg zijn eerste Europeesche lucifersconcessie in December 1925, in Polen. Het contract, dat geteekend werd door den minister van financiën Grabski, verleende Kreuger het monopolie van lucifersvervaardiging en verkoop in Polen voor den tijd van 20 jaar. Als contraprestatie leende Kreuger Polen zes millioen dollar tegen een rente van 7 %, en garandeerde de Poolsche schatkist een jaarlijksche inkomst van 5 millioen Zloty als aandeel in de winst op den lucifersverkoop. Het Poolsche publiek had het in het geheel niet begrepen op dit monopolie. Als gevolg van eenige interpellaties in de Sejm moest Grabski tenslotte aftreden. In November 1925 werd een invoer-monopoliecontract geteekend met de regeering van Peru, voor 200.000 pond sterling per jaar. Ook in Peru ontketende dit een storm van protest en men zegt dat er groote sommen uitgegeven moesten worden om personen, die hooge functies bekleedden, om te koopen. Intusschen ging Kreuger maar steeds door met uitgifte van leeningen, vorming van schflnfirma's en uitwisseling van aandeelen. Voor iemand die niet uit ervaring weet wat alleen maar in technisch opzicht vastzit aan het in bedrijf houden van zooveel reusachtige concerns en de uitgifte van leeningen, is het heel moeilijk te begrijpen welk een ongelooflijke werkkracht, kennis van zaken en taaiheid noodzakelijk zijn voor de uitvoering van Kreugers plannen van financieele ontwikkeling. En welk een organisatie moest hij opbouwen om den dienst van zijn leeningen te laten functioneeren! Niemand dan Kreuger, en Kreuger alleen zette dit gebouw op, kon dit gebouw opzetten, in zulke forsche en stoutmoedige, maar, zooals later altfld bleek, zorgvuldig voorbereide lijnen. • * * Na de kleinere landen waren de grootere aan de beurt: Kreuger begon met Italië. In 1926 kreeg hfl een belangrflk aandeel in de Fabriche Riunite di Fiammiferi door middel van verschillende agenten die waarschijnlflk in het geheel niet wisten dat zij voor den Zweedschen Luciferskoning handelden. Evenzoo ging het met de Togo-fabrieken in Japan. In datzelfde jaar zou Griekenland een leening uitgeven onder toezicht van den Volkenbond. I De Volkenbond zond een imposante delegatie van deskundigen naar Athene, om een nauwkeurig onderzoek te doen naar de Grieksche begrooting, den handel, den algemeenen economischen toestand. Kreuger gaf stilletjes een zakenkennis van hem, den bankier Missalidis, order om te zien wat hij kon bereiken. Missalidis had een paar conferenties met den minister van financiën, en het gevolg daarvan was dat Kreuger Griekenland een millioen pond sterling leende tegen 8J %, in ruil voor een monopolie voor 28 jaar. De deskundigen van den Volkenbond verlieten verontwaardigd het land! Daarna probeerde Kreuger een monopolie te krijgen in Duitschland, maar dat mislukte. Kreuger had al driekwart van de Duitsche lucifersindustrie in zijn bezit, verkregen in den inflatie-tijd, voor 16 millioen goudmarken, zooals later is bevestigd. Er lekte echter iets uit van de onderhandelingen die Kreuger met de Duitsche regeering over een monopolie voerde; er volgde een heftige perscampagne, politieke, partijen kwamen tusschenbeide, en het plan was van de baan. In November 1926 richtte Kreuger te Amsterdam een nieuw financieel filiaal op, „N.V. Financieele Maatschappfl Kreuger & Toll", met een kapitaal van een millioen gulden, dat geheel overgenomen werd door de Zweedsche Kreuger & Toll. Omgekeerd nam deze Nederlandsche firma de aandeelen van de Zweedsche zustermaatschappij a pari over en het verschil met den koers van inschrijving werd in het reservefonds gestort, wat een voordeelige wijze van ontduiking der Zweedsche belastingen was. In 1927 had Frankrijk financieele moeilijkheden en Kreuger trachtte in verband daarmede onmiddellijk onderhandelingen over een monopolie te openen, die in 1924 al begonnen waren, maar uitgesteld moesten worden wegens sterke linksche oppositie. De toenmalige ministerpresident Poincaré, Loucheur, en eenige andere vooraanstaande politici voelden er wel voor om Kreuger een monopolie te verleenen, omdat hij de eenige financier scheen die bereid was de Fransche schatkist te helpen. Den JOen Juni 1927 legde de Fransche regeering het parlement een wetsontwerp voor ter verleening van een lucifersmonopolie aan Kreuger, maar het werd met 281 tegen 243 stemmen verworpen. Desondanks werden de onderhandelingen voortgezet en op 29 October onderteekende Kreuger een contract met een geldigheidsduur van 20 jaar, waarin de Fransche regeering hem zooveel concessies deed, dat men gerust van een officieus monopolie kon spreken. Kreuger nam daarvoor 75 millioen dollar 5 % obligaties van de Fransche regeering over en de toestemming van het parlement was omzeild. Deze transactie was de grootste die Kreuger tot nog toe had verricht en de wereldpers hield er zich druk en bewonderend mee bezig. Bijna onopgemerkt hiernaast geschiedde de verkrijging door Kreuger van monopolies in Ecuador, Estland, Litauen, Hongarije, Joegoslavië en de Dominicaansche republiek, later nog Roemenië. Ook Kreugers belangenuitbreiding elders ging voort. Hij veroverde ongeveer een derde deel van de Engelsche lucifersindustrie, wat een evenredige vooruitgang beteekende in Canada, Britsch-Indië en Brazilië. In Japan kreeg hij door fusie van al zijn firma's in de „Daido Lucifers Maatschappij" de beheersching van 50 % van de Japansche lucifersproductie. Het geld bleef Kreuger toestroomen en dus was weer een reorganisatie noodig van het geldreservoir, de schatkist van het Luciferskoninkrijk, de Kreuger & Toll Co. Het kapitaal van de Nederlandsche branche werd verhoogd tot 10 millioen gulden (natuurlijk op papier) en ettelijke andere manipulaties werden verricht, die het reeds tamelijk ondoorzichtig beeld van het Kreuger-concern I nog wat meer verduisterden. Maar dat zag in dien .tijd nog niemand. Ivar Kreuger had het hoogtepunt bereikt van zijn duizelingwekkende opkomst. Men achtte hem tot alles in staat. Wanneer hij gezien werd in Monte Carlo schreven de bladen dat hfl de zes grootste hotels en drie casino's van de Riviera zou koopen. Hij verliet de Deutsche Bank na een korte conferentie met den directeur-generaal Wassermann en Berlijn meende met zekerheid te weten dat de bank voortaan in Kreugers bezit was. Hij blijft zes uur over in Genève en den volgenden dag vertelt men elkaar dat hij eenige ministers van buitenlandsche zaken bij zich in het hotel heeft laten komen om hun te vertellen wat zfl moeten doen. Ik was eens zoo onvoorzichtig met een Amerikaanschen ingenieur de Citroen Automobielfabrieken in Parfls te bezoeken en een paar dagen later stond in een krant dat Kreuger de fabrieken zou koopen en dat zfln vertegenwoordigers het bedrijf reeds aan het inspecteeren waren. Kreuger had toen belangen In de lucifersindustrie van 35 landen en beheeTschte ongeveer 60 % van de wereldproductie. Zfln persoonlijk prestige was dan ook fabuleus, zfln connecties waren grenzenloos. De toenmalige directeuren van de Bank voor Internationale Betalingen te Bazel, Leon Frazer en Quesney, bewonderden hem. Toen Kreuger in 1930 naar New Vork zou komen telegrafeerde hij Eugene Meyer, gouverneur van de Federal Reserve Board, bfl zijn aankomst in New Vork bfl hem te komen, omdat hij hem iets te zeggen had. Men vertelt dat Kreuger een van de weinige financiers was waarnaar Hjalmar Schacht wilde luisteren. En de wflize Monsieur Chéron zou erg gesteld zijn geweest op Kreuger, die Frankrijk in tijd van nood hielp. Kreuger kon het zich veroorloven in zijn kantoor in Vastra Tradgardsgatan te Stockholm, ir> üe Avenue Victor Emmanuel 111 te Parijs, of op Park Avenue 791 te New Vork de bekendste staatslieden en financieele magnaten op te bellen. En er was geen man in de wereld die niet zeer zorgvuldig geluisterd zou hebben naar die kalme, melodieuze, eenigszins aarzelende stem. (Wordt vervolgd.) (Nadruk verboden.) *L IXI in het Avondblad van Woensdag: 27 December. RAVMOND POINCARÉ. --- KUNST VONDEL'S GYSBREGHT VAN AEMSTEL. Een sterk dramatische voorstelling door de Amsterdamsche Tooneelvereeniging. BOEIENDE REGIE. Er was ons een „Gysbreght" beloofd, die In vele opzichten anders zou zijn dan de voorstellingen der laatste jaren en het publiek dat den Stadsschouwburg tot den nok gevuld heeft, is niet bedrogen uitgekomen. Voor een kleine poort in den Amsterdamschen stadswal aan de Haarlemsche zij, staan mannen en vrouwen, op den muur een paar soldaten en uit de poort verschijnt de Heer van Aemstel om, staande op de neergelaten val°rug, zijn dankbaarheid uit te spreken over het einde van het beleg. Vóór hem strekt zich het vlakke polderland uit, en de „Haerelemmer dflck" waarlangs de vijand is gevlucht. In de modder van den dijk steken degens, er ligt een wagenwiel, een kuras, een schild, door de vluchtelingen achtergelaten. Alhier, daar 't leger lag, is 't veld alszins bezaaid Met wapens en geweer, verbaasd van 't lijf gereten Van ingebeelden schrik, en uit de hand gesmeten Om zonder hindernis te vlieden langs den weg. Zoo zien wij al dadelijk een zeer reëele, om met te zeggen realistische monteering en ensceneering en deze stijl is ook in de volgende tooneelen uitmuntend volgehouden. In de sobere, eenvoudig gemeubelde zaal van Gyshreght's kasteel (derde bedrijf) zit de slotheer In gepeins achter een zware tafel, als van een trapje, rechts, dat klaarblijkelijk toegang geeft tot de vrouwenvertrekken, Badeloch komt, en terwijl zij als 't ware nog tusschen slaap en wake, de treden afdaalt, vertelt zij wat haar verschrikt heeft in den droom. Ook hier een volkomen natuurlijke bewegelijkheid in de tooneelen, die de actie versterkt. Het is waar dat dit realistische en bewegelijke niet in alle opzichten harmonieert met den monumentalen bouw van Vondels drama, en met de statige gedragenheid der alexandrijnen. Maar het is toch zeer zeker in harmonie met den geest van het werk, met de tafreelen die in Vondels vers worden verheeld, met den feilen hartstocht en de heftige opstandigheid die herhaaldelijk in het woord tot uiting komen en die door deze enceneering relief hebben gekregen. Deze voorstelling liet ons een zeer menschelijken Gysbreght zien en een die toch aan voornaamheid, aan grootschheid, aan formaat mets heeft ingeboet. Integendeel, zouden wij ■willen zeggen. Want juist door deze levendigheid kreeg de gevoelsstroom die van Vondei's vers uitgaat een ongekende warmte, meer diepte en innigheid. Ook de slotscène, Gysbreght's afscheid van zjjn stad, was ditmaal op indrukwekkende wijze geënsceneerd. Geen ruime zaal, geen binnenplaats achter het slot, maar een aanlegsteiger aan den oever van het IJ, een dikke mist die boven het water hangt, een soldaten bemande schuit welke aan den .oever ligt gemeerd. Hier wil Gysbreght zijn vrouw en kinderen vaarwel zeggen, hier komt! Badeloch tegen de scheiding in verzet, hier knielt Gysbreght met de zijnen en stort broer Peter zijn gebed en hier, boven het water; klinkt ook de stem van den (onzichtbaren) Rafaël, die Gysbreght vermaant zijn kruis te dragen. Wij zien hoe allen scheepgaan, en. staande op de plecht van de schuit spreekt Gysbreght het slotvers, dat door deze ensceneering zeker indrukwekkender klonk dan ooit: Vaarwel, mijn. Aemstierland! verwacht een' andren heer! Albert van Dalsum's opvatting van de Gysbreght-figuur is bekend, wij hebben daarover reeos herhaaldelijk geschreven, maar zij past uitaruuntënd in den stijl van deze opvoering. Een mannelijke en hartstochtelijke Gysbreght, godvruchtig maar strijdbaar, wiens hartstocht altijd groot en voornaam blijft en die nooit slaaf wordt van het geweld zijner driften. Van Dalsum's fiere en forsche dictie en zfln magistrale voordracht boeien van begin tot einde. Hij vond ditmaal in de Badeloch van Char- lotte Kohier een gelijkwaardige tegenspeelster. Zij heeft de rol van Gysbreght's vrouwe sterk emotioneel weergegeven; zij speelde van binnen uit zonder eenig uiterlijk effect/bejag. sober, eenvoudig, maar levenswaar en hartstochtelijk. In den aanvang leek het, dat de voordrachtacunetenares het van de tooneelspeelster winnen zou, maar die vrees was ongegrond. Tenslotte is het verbaal van den droom een alleenspraak en geen deel van het dramatisch spel, en natawelijks was de droom verteld, of deze Badeloch vond haar plaats in den bewegelijken stroom van het draima, en zij wist er zich meesterlfllk te handhaven. 0»ok uiterlijk was zij prachtig. Tia Wiegman, di« haar costuimeering had .ontworpen, is Kls.arblijkelijk geïnspireerd geweest op sctrildei-flen en prenten -der- primitieven en zfl heeft van de Badeloch-figuur iets zeer bflizondars gemaakt. Ben Royaards was Arent van AecSstel en een indrukwekkende Axent. Zijn veiihaal :n het vierde bedrijf was levendig, rijk genuanceerd warm van toonen het samenspeel hier, tusschen hem en Oharlotte Kohier, behoorde tot de hoogste momenten van de voorstelling. Wij zagen een Bode van Jo Sternheim. Zfln opkomen, stil en bijna onopgemerkt, als een man die uitgeput is door den strijd, en; docdmoe door hetgeen hij heeft doorstaan, gaf gelegenheid tot een climax in het verhaal der gruwelen en Sternheim heeft de gelegenheid te baat genomen. Ook deze monoloog miste zijn uitwerking niet. Ben Groenier was goed als Vosimeer, valsch en schichtig en hij riep met zijn spel, vooral in de samenkomst met Egmond de juiste sfeer op. Oarpentier Alting was een mannelflke Bgmomd, Louis van Gasteren een ruige Diedrik van Haerlem en Ph. la Ohapelle gaf een goede creatie ais Gozewijm, met Nel! Knoop als Klaeris van Velzen. Toch was dit tooneel in de kerk der Klarissen niet in alle opzichten bevredigend. Het heeft bij vroegere voarstemngen wel eens dieperen indruk gemaakt. Vermoedelijk is dit voor een deel ook te wijten aan de wel wat al te sobere monteering van deze scène en aan de niet gelukkige opstelling van het kleine altaar. Mari van Warmelo vond als vader WiUebord niet bepaald een rol düe hem ligt en 2500 waren er nog wel enkele details in de bezetting die niet ten volle voldeden. Het probleem der reien en dat van RafaèH'B stem heeft ook Sn deze opvoering zijn oplossing niet gevonden. De verzen werden in het duister gesiegd, het tooneel bleef donker, de spreker cf spreekster bleef onzichtbaar. Alle reien werden door Willy Haak gezegd en zij had ds,arin zeer mooie en gevoelige momenten, rmaar - inderdaad liggen niet alle reien haar' in gelijke mate; somtijds was haar voc/rdracht alleen uiterlijk en miste men de warmte der innerlijke overtuiging. In de stem van Rafaël meenden wij die van Carpenti'sr Alting te herkennen (het programma vermeldt Dick Gabel) en zijn voordracht was zuiver en sterk. August Defiresne, de regisseur, heeft de hultie, die hen h„ üch7:elt vermannen om viCn een praatjesmaker in artistencafe fe -^laats van een & werker te worden. Hfl dankt die naar hfl zelf heeft getuigd, aan den schrijver Ernst von Wol- è nem als secretaris in dienst nam. T/i Müaehen nam hfl deel aan de oprichting van het tijdschrift „Simplizissimus".. waarvan hfl een der voornaamste medewe.\:ers werd, terwijl hfl werkzaam was bfl den uitgever Albert Langen. Hfl debuteerde met zwak, lyrisch-getint werk: de novelle „Melusine", waarop in 1897 „Die Joden von Zirndorf" volgde. Zfln naam vestigde Wassermann in 1900 met „Die Geschichte Renate Fuchs", waarin de hoofdpersoon een typische Wassermann-figuur is, een jonge vrouw, die „naar de ziel ongeschonden" een zedeloos leven leidt en ten slotte het leven schenkt aan een kind, dat „een beters wereld" aankondigt. Minder bekend is „Der Moloch", de roman, die in 1903 het licht zag en waarin de schrijver voor de eerste maal een juridisch probleem behandelt, een thema, dat hfl later in o.a. zijn „Oaspar Hauser" en „Dar Fall Maurizius" en het vervolg „Etzel Andergast" met voorliefde heeft gebruikt. In 1904 verscheen „Alexander in Babyion", een verhaal uit de oudheid, waarin Wassermann, zooals hij ook in latere novelles veelzijdig heeft gedaan, historische motieven benut om zijn eigen denkbeelden uit te werken. Na eenige minder geslaagde romans als „Caspar Hauser" (1908) en „Die Masken Erwin Reiners" (1910) publiceerde Wassermann in 1915 weer een boek, dat zfln naam op aller lippen bracht: „Das Gansemanchen" Maar bijzonder populair werd de omvangrijke roman in twee deelen „Christian Wohnschaffe", die tijdens den oorlog ontstond. Na den oorlog versohenen — tusschen 1920 en 1t)23 — de drie deelen van „Der Wendekreis" („Der Wendekreis", „Oberlins drei Stufen" en „Ulrike Woytdch"), die eigenlijk geen verband met elkaar houden, maar wier samenroeping een treffend teeken is van Wassermanu's verlangen om een groote romancyclus te schrijven naar het voorbeeld van Balzac, dien hij steeds hoog heeft vereerd, ofschoon zfln eigen werk weinig overeenkomst toont met dat van den sterken realist der „Oomédie humaine". Naar den geest vertoont Wasserman veeleer Scandinavische, Russische en Oosterscha invloeden dan verwantschap met de Fransche realisten. Kenmerkend is zijn verheerlijking van vrottwen, die den toets van een normaal zedelijk oordeel geenszins kunnen doorstaan. Men vindt die, reeds in „Renate Fuchs", maar nog meer in „Christian Wahnschaffe" en in „Faber oder die verlorenen Jahren". Neo-boeddhistisch heeft men Wassermsnn's wereldbeschouwing wel eens genoemd en zeker is de invloed van het Oosten in zijn k onmiskenbaar. Wahnschaffe's „bekeering", zijn strenge ascese en volstrekte armoede na een leven van genotzrooht bijvoorbeeld doet, door het ontbreken van alle gangbare moreele normen, en het volstrekte pessimisme zeer weinig Westersch aan. „Christian Wahmschaffe" is geschreven onder sterken invloed van Dostojewsky en over het algemeen kan men zeggen, dat Wassermann als romanschrijver meer een begaafd navolger dan een oorpsrr>akel;jk denker en schepper is geweest, meer „L'.terat" dan „Dichter", om de Duitsche terminologie te gebruiken. Wassennann's romanfiguren — zoo schreven wfl verleden jaar ter gelegenheid van zijn zestigsten verjaardag — zfln meer bedenksels, verstandelijke constructies, dan levende mensahen. Zfl vertegenwoordigen bijna altfld bepaalde „principes", die den schrijiver tegenover elkaar stelt en op elkander laat inwerken, waarbfl dan gewoonlijk zfln voorkeur van het oogenblik de overhand krijgt. Dat deze principes zoo er *oo vaak en als met de mode veranderd en tevens zoo vaag en zoo zwak gefundeerd aljn, is een bezwaar, dat van kracht blijft, ook als men met het weinig beeldende van ■Waseerroaam's schrijftrant genoegen wil nemen. Slechts een enkele maai en dan voornamalflk in zfln novellen schijnt de schrijver meer op zfln intuïtie dan op een vooraf vasteld, verstandelijke constructie te vertrouwen. Het was dan ook als verteller, nietj, als romanschrijver, dat hij zijn talent het best tot zfln recht kon laten komen. Ook in dit opzicht herinnert hfl aan zijn zooveel grooteren leermeester Dostojewsky. Waar mog bij komt, dat hfl verscheidene van zfln beste novellen, zooals „Witberg" en „Golowin" in Rusland raat spelen. In „Gotawwi", een van «fln meest gestaagde verteFfangen — in afzonderlijke uitgave bfl Fischer te Berlijn varschenen — stelde Wassermann een Russisch revolutionnair tegentrrer een aristocratische vrouw. Beide werelden plaatst hij betrekkelijk opjectief tegenover elkander, onverzoenbaar, omdat de vrouw, die hier het goede. *iet positieve vertegenwoordigt, ondanks de Bohflnbare onhoudbaarheid van haar „oude .wereld", rich zelf trouw blijft. Wassermann's voorliefde voor theorieën kamt ook duidelijk tot uiting in zfln essays, waarvan vooral zijn jemgd-studies over „Die Kunst der Erzahlung", later verzameld onder den titel „Imaginare Brikken" veel betengwekkends bevatten. In zijn lezingen, die hij in ons ramd heeft gehouden, deed Wassermann zich ook kennen als een speculatieve» geest met groote belangstelling voor de vraagstukken van den dag. JAKOB WASSERMANN. ---