KUNST. SIMON MARIS 60 JAAR. Een fijn stukje, zooals alleen Lizzy Ansingh, levendig, gemoedelijk, dit schrijven kan, brengt de „Dameskroniek". Het gaat over Simon Maris, een bekende figuur in de Am- Bterdamsche schilderswereld, die vandaag zestig jaar wordt. Wij laten onze lezers hier meegenieten van het geestige proza onzer geestigste schilderes: „Treed naar voren, Simon, zoon van den beroemden Willem, neef van den niet minder 'beroemden Jacob en Matthijs, en sta toe, dat & u bekrans. Ja, met een krans van rozen, ter eere van 1w kroonjaar. En daarmee zult gij met uw byzonderen kop meer dan ooit gelijken op «en Romeinschen keizer. Een goedhartig en zeer vrijgevig keizer, die het goede van het leven weet te waardeeren, en er anderen van laat meegenieten. Hoe menigmaal heb ik u aan een feestmaaltijd uw tafeldames zien bekransen! In den hoek, waar gij troondet, was het altijd geanimeerd; daar schenen de vrouwen wel op te bloeien. Ge hadt een bijzondere manier, ze te fêteeren. Ze behoefden volstrekt niet mooi te zyn, of jong; uw schildersoog zag altijd iets, dat het bekijken waard was: een bijzondere kleur van haar, een goedgevormde band, een bekoorlijk oor. Daarbij hadt gij een fijn gevoel voor grenzen, die nu eenmaal niet mogen worden overschreden. Zoo bleef de stemming in uw buurt een prettige, vroolijke, tot het einde van het feest... Mijn gedachten gaan ver, ver terug, wel meer dan dertig jaren. Naar de middagen, des Zaterdags, in uw atelier, die lange pijpela op het Spui, heel hoog! Wét een uitzicht! — waar de schilderessen thee schonken en Piet Mondriaan zachtjes mompelend zijn idealen Poogde duidelijk te maken. Hij heet sedert jaren Mondrian, mompelt in het Fransch en bet is al geblok, wat hij maakt, daar in Parijs... maar een idealist is hij gebleven en beroemd is hij geworden. Daar was Jet Hendrix, de critica, Hendrik Kroon, later dichter, Chris Huidekoper, die nu die grootsche, Spaansche landschappen maakt, destijds woonde hij op de Rozengracht in het vroegere atelier Van Jozef Israëls, waar hij schilderde en het orgel bespeelde. Op Simons atelier hadden wij maaltijden. Zij werden gehaald uit een naburig restaurant; mes, vork en lepel bracht ieder voor zich mee; Simon had groote schalen vruchten neergezet; hij was een volmaakt gastheer, hield zich zelf op den achtergrond en schoof ons vooruit... liet de anderen praten, verzen zeggen, oud-Hollandsche... Er wordt nu niet zooveel meer gefeest, wij ontmoeten elkaar niet meer geregeld. Maar de aardige, zorgelooze uren, doorgebracht met de thans her- en derwaarts verstrooide vrienden, zijn niet vergeten. Ik zie het atelier met de roode muurbekleeding; zijn studies naar een blond meisje, ik schilder mee; hoor zijn ïake critiek; denk aan vele oolijke brieven en verzen en geestige caricaturen die hy ons Zond; denk aan de tallooze bewijzen van zijn vriendschap en wensch hem vrede, vreugd en Voorspoed van harte toe." --- BEELDENDE KUNSTENAARS TE HILVERSUM. Tentoonstelling in het oude gemeentehuis. Tn eenige zalen van het voormalige raadhuis aan den Kerkbrink houdt de Vereeniging van Beeldende Kunstenaars te Hilversum haar eerste tentoonstelling in 1933. De expositie omvat naast eenig weef- ■en beeldhouwwerk ongeveer zestig schilderijen, teekeningen, etsen enz., alles werk der leden. Gistermiddag heeft de voorzitter der vereeniging, de kunstschilder JelleTroelstra by de opening der tentoonstelling dank gebracht aan het gemeentebestuur voor het wederom gratis afstaan der lokaliteiten. De burgemeester, de heer L a m b o o y heeft daarop de expositie voor geopend verklaard, waarbij hij huldigende woorden sprak aan het adres der vereeniging, wier leden ook in deze minder gunstige tijden bij voortduring van zulk een prettige activiteit blijk geven. De tentoonstellinfg blijft tot en met 18 Juni geopend. _ --- DE TRIËNNALE TE MILAAN. Men schrijft ont uit Milaan: Wie in deze maand Milaan bezoekt om de Triënnale, de groote, internationale, drie-jaarüjksche tentoonstelling van moderne decoratieve kunst en architectuur, te bezichtigen, zal Beker ender de bekoring komen van het vroolijke, levende, wèlverzorgde aspect van bloeiende wereldstad, dat Milaan meer en meer biedt. Reeds van het enorme nieuwe station af, imet zijn indrukwekkende constructieve overkapping, gaat het langs breede, royale boulevards en bloeiende plantsoenen naar het park, waarin het nieuwe gebouw der Triënnale, vlak achter het beroemde Castello Sforzesco, verlezen is. Als zoovele stichtingen in deze stad is cok deze nieuwe instelling in materieel opzicht geheel een geschenk van een zijner zonen, den gewezen Senator Bernocchi. En men ziet in alles dat het geschenk met gulle hand gegeven werd. Alle onderdeelen zijn degelijk en soms met kostbaar materiaal afgewerkt. In de groote Ealen en in de ingangshal hebben de bekendste moderne Italiaansche kunstenaars als Carra, Sobrero, De Chirico e. a. fresco's geschilderd Van enorme afmetingen. De monumentale trappen zijn versierd met architectonische reliëfs van Martin en Marini en aan den v oet van deze trappen staat een groot beeld van den onlangs gestorven beeldhouwer Libero Andreotti. Men heeft het plan dit gebouw tot een blijvend kunst-centrum te maken, een soort practische „beurs" voor moderne architectuur en toegepaste kunst. Als we het hoofdgebouw binnentreden, bemerken we direct bij den ingang een grooten, op den muur geschilderden plattegrond, waarop heel duidelijk de Hollandsche afdeeling is aangegeven, zcodat we de verzoeking niet kunnen weerstaan er recht op af te gaan om allereerst daar een kijkje te nemen. Zij ligt aan het einde van een breede gang, waaraan ook de afdeelingen Groot-Brittannië en Zweden zijn gelegen. Men ziet al van verre, behalve de groote letters „Olanda", twee der gekleurde vensters van J. Nicolas, die de gang als het ware afsluiten. De afdeeling maakt een rustigen en waardigen indruk. Hier is zeker een woord van warme waardeering op zijn plaats voor het werk van prof. Slothouwer en zijn helpers, die het geheel zoo keurig verzorgden. Er is hier vakkundig en juist gekozen uit het vele, wat Nederland ep dit gebied presteert, met als resultaat een zeer overzichtelijke collectie, die een zuiveren kijk geeft op het peil waarop onze moderne toegepaste kunst zich thans bevindt. Onze afdeeling kan dan ook zeer zeker de vergelijking met andere, ook van grootere naties, doorstaan. Het is onmogelijk hier al het aanwezige op te noemen; we bepalen cns dus tot enkele der meest in het oog vallende stukken. Behalve de reeds genoemde glas-in-lood vensters van Joep Nicolas, vinden we van dezen kunstenaar nog twee decoratieve muurpaneelen van ondoorzichtig glas. De Haagsche Kunstweefschool is vertegenwoordigd door twee groote decoratieve gobelins (naar teekening van Charles de Moor). Van Mendes da Costa en Hildo Krop is er architectonisch beelhouwwerk in hout; grafisch werk van Franken en Fokko Mees, prachtig drukwerk van De Roos en Van Krimpen, en, in vitrines, nog representatieve stukken ceramiek, mooi glaswerk, weef- en berduurwerk, goudsmidskunst, een collectie medailles en legpenningen, en zoo meer. Bekijken wij de andere internationale afdeelingen, dan zien we dat bijna alle landen, evenals het onze hun taak hebben opgevat en een niet al te uitgebreide keurcollectie van hun beste producten hebben gezonden. Alleen Duitschland maakt hierop een uitzondering; het stuurde alleen grafisch werk; doch deze afdeeling is dan ook zeer volledig. Italië heeft een belangrijke en mooie zaal, geheel gevuld met werk, gemaakt op initiatief der E. N.A.P.1., het offieieele regeeringslichaani ter bevordering der moderne Italiaansche toegepaste kunst. Dit lichaam verricht werkelijk veel en goed pionierswerk, want geen land is misschien zoo rijk aan echte oude volkskunst als Italië; doch in geen land is deze zóó vastgeloopen in een steeds zich herhalen der oude stijlen als juist hier. Behalve deze internationale afdeelingen bevat het hoofdgebouw of „Pallazzo dell-Arte" nog een ruime zaal, die met behulp van greote fotografieën een overzicht beoogt te geven der internationale architectuur. Ook hier treffen we bij herhaling mooie Nederlandsche voorbeelden, zoo b.v. bij de sportgebouwen: ons Olympisch Stadion; bij de fabrieken, die van Van Nelle te Rotterdam, alles met duidelijke vermelding van de namen der verschillende architecten. Buiten het eigenlijke hoofdgebouw vindt men, verspreid in het overal volop in bloei staande park, verschillende voorbeelden van moderne Italiaansche architectuur, geheel op ware grootte uitgevoerd. Een groep van vijf verschillende landhuisjes, zoo goedkoop en aardig mogelijk gebouwd en voor dit zachte klimaat natuurlijk overvloedig voorzien met overdekteen open terrassen, zonnedaken enz. Er is een huisje van een kunstenaar aan den oever van een meer, en eën alleraardigst huis voor een aviateur, met een garage voor een zeer uitlokkend er uitziend, klein tóeristen-ééndekkertje, de vleugels zoo kunstig opgevouwen als die van een levende bromvlieg. En dan gaat het langs breede groene lanen alweer naar den uitgang. EEN INGAMG. DER TRIËNNALE. --- AANWINST VOOR HET STAATSMUSEUM. Te Stuttgart. De rijke verzameling oud-Zwabensche schilderkunst in het Staatsmuseum te Stuttgart is verrijkt met een werk van Martin Schaffner, den voornaamsten meester der Ulmer schooi uit het begin der 16de eeuw. Het is een voorstelling van Maria met het Kind, gezeten voor een achtergrond van gedamasceerd fluweel. De schoone heldere kleuren en het granaatappel-motief in het weefsel gaven dr. Max Schefold aanleiding het ontstaan Van het stuk te stellen op ongeveer 1510. --- GORKI TE MOSKOU. Maxim Gorki, is van zijn winterverbiyf in Italië te Moskou teruggekeerd. Hij werd op het station ontvangen door een aantal vooraanstaande Russische kunstenaars. --- HET DANSENDE DORP EN DE ONTPLOFBARE PAASCHEIEREN. S k o p 1 j e, 22 April. HALF April staat de zon soms al blakend aan den Balkanhemel. Het plaveisel van Skoplje, Macedomië's hoofdstad, wordt dan ondraaglijk heet, en alleen aan de Vardar, die dwars door de stad vloeit, is wat koelte. Maar in de verte, in het Oosten, drijven de stapelwolken in rustige rijen boven de koele Zwarte Bergen, waar nooit een toerist komt, denkend dat er niets te beleven valt. En daarom toog ik op Paaschmorgen zingend door de verlaten velden, de lage zon tegemoet. Twee pikzwarte buffels en een blanke ooievaar woelden met genot in een grooten modderplas rond; en juist toen ik dit kleurige schouwspel gefotografeerd had, kwam er een groote boer op een klein ezeltje aanzetten. „Christos voskrese! de Heer is opgestaan!" riep hij mij toe, terwijl hij mij de hand gaf; en toen, vriendeiyk: „Waarheen gaat de reis?" „Naar het dorp Boulatchane." „Dan gaan we samen, want daar woon ik! Je komt toch zeker bij mij eten? Geef op die rugzak. Ush! Ush!" Hij zette den ezel met zijn hakken aan, en 'een half uur later waren wij in het dorp, louter witte huizen tegen een overdadig bloeiende en uitbottende, gele, witte en rozenroode helling. Toen we den hof van de boerderij binnenkwamen, riep hij hard: „Ik breng een gast mee!", en aanstonds sloofde de heele familie zich uit om het mij naar den zin te maken. Op de breede verandah rond den hof werden over een stroomatras prachtige eigengeweven tapijtjes uitgebreid, en daarop maakten wij het ons gemakkelijk met Turksche koffie, violette Paascheieren, zoetigheid en pruimenjenever. Tegen het middaguur verorberden wij, mannen boven de 25, een kapitalen lamsbout. Daarna komt de overige mannelijke bevolking aan de beurt, en dan pas de vrouwen, die natuurlijk moeten wachten tot hun respectieve heeren en meesters verzadigd zijn. En na nogmaals koffie, ging iedereen zich mooimaken vqor het dansfeest. Er zijn in den Balkan dikke dorpen en dunne dorpen. In West-Macedonië zijn geweldige heupen blijkbaar zeer gezocht, want onder hun stijve bovenkleed stoppen de vrouwen nog opgevouwen tapijtjes, om vooral maar niet mager te lijken. Maar in de Zwarte Bergen heerscht de slanke lijn. Een dunne roode gordel markeert het middel der meisjes. De mannen naaien op hun breede roodgele gordels rinkelende rijen muntstukken, die gepoetst zijn tot ze blinken als echt zilver. En daaroverheen loopt nog een kralenlint met bloemen en vogeltjes, maar vooral veel roode kralen harten. De meisjes zitten bij elkander op het balcon, plooien eikaars witte zijden hoofddoeken, en binden er een kralenlint omheen, ook met bloemen en hartjes, want anders waait de hoofddoek bij het daverende dansen weg! Voor het gemeentehuis buitelt de jeugd reeds lustig rond een fluitist en een doedelzakspeler. De Zuidslavische boeren werken hard, en de drie Paaschdagen zijn voor hen een waar feest, een geweldige uitbarsting van vreugde tusschen de bottende bloesems. En het symbool van deze vreugde, die, zooals alles op het dorp, alleen gemeenschappelijk genoten wordt, is de groote kolo, de klassieke rijdans der Slavische volkeren. Het zijn er over de honderd, die elkaar bij hand en schouder houden, de mannen voorop, de vrouwen achteraan. Honderden voeten daveren op de maat van de schrillende muziek. Rap en rank gaat het den rijvoerder achterna, in wijde slingers het plein over. De mannen zijn in 't wit, op hun roode gordels na; en alle meisjes dragen vlammende schorten. Elk heeft een ander motief, maar altijd voert rood den boventoon. En wanneer men door de wimpers naar de reïdans kijkt, is het of een groote guirlande van roode en witte rozen zich in statig wijde bochten door de zonnige lucht heenslingert. Langzaam wordt het licht rijp en zwaar als de glans van een gouden appel. De schaduwen der dansers worden langer, en wijzen allen naar den muur, die rond kerk en kerkhof loopt. Opeens danst de eerste jonge kerel de poort binnen, en de anderen volgen. Honderd kleine kruisen staan met hun witte armen aan het hoofdeind der graven, waarep de bloemen beginnen uit te breken. En nu, terwijl de fluitmuziek een oogenblik langzamer gaat, danst de jeugd den symbolischen dans der opstanding. Honderden jonge voeten gaan in galop langs de graven, op de maat van de plotseling weer uitjubelende muziek. Niets heiligschennends is er in dezen dans over het kerkhof; enkel reine vreugde: een vloedgolf van jeugd, waarin de laatste treurige doodsgedachte wordt meegespoeld. Wanneer we in de scheanering de boerderij binnenkomen, wordt er bij het licht der stallantaarns een varkentje gewasschen. De familie telt vijf-en-veertig personen, die op echt Slavische manier in één groote boerderij bijeen wonen. En daarom is het heel gewoon, dat er voor het groote Paaschmaal ook nog twee lammeren om hals gebracht worden. De oven is al aangestookt, en door den zoelen nacht stijgt de prikkelende reuk van het gebraad naar het balkon, zich mengend met de bloesemgeur en de zware waseming van de pruimenjenever. Het is de geur der groote feestdagen, die de anders zoo karige boer met passie opsnuift. Den volgenden morgen legt het heele dorp bezoeken af. Bij elke boerderij is onder den diksten boom een tapijt uitgespreid, met een schotel yoghurt, een kruikje jenever en een bord vol zoetigheid. Maar meen niet dat de gasten dit alles komen oppeuzelen! leder brengt, zooals dat behoort, zijn eigen spijs en drank mee, jenever, zure melk en altijd een kom met soep, waarvan allen proeven moeten. En overal is het een waar bombardement van purperen Paascheieren. Zoodra de gast gezeten is, pakken hij en de gastheer elk een ei, en tikken beurtelings de punten tegen elkaar. Wie de schaal van den ander stukslaat, wint En tijdens dit eierentikken worden nogmaals de traditioneele woorden uitgesproken: „Christos voskrese! De Heer is opgestaan!" Daarna wordt onder het prevelen van vele zegenwenschen voor oogst en familie de jenever uitgeslurpt. En de boeren meenen deze vrome wenschen, want onder al hun schijnbaar heidensche vreugde zijn ze diep godsvruchtig, ook al zijn ze niet zoo „vast in de leer" als hun Calvinistische collega's. Ze zijn volkomen tevreden met een ietwat vaag religieus sentiment, en voelen niets voor het uitziften van geloofsartikelen. De Slaven leven dicht bij de aarde, en weten niets van de tweespalt tusschen geest en lichaam, die het harde protestantisme in de westersche wereld heeft gebracht. Ze gaan naar de kerk omdat ze die mooi vinden en er zich gelukkig voelen. Ook wanneer de pope er niet is (dikwijls hebben drie arme bergdorpen samen één priester) komen ze hun kaarsjes offeren, en staren verrukt naar de schilderingen der heiligen op de ikonostas, den prachtig vergulden wand die kerk van altaar scheidt. Wanneer ze den Zaterdag voor Paschen te middernacht allen met kleine kaarsjes in de hand naar ds kerk komen, en de pope dan na de mis plotseling in den stikdonkeren nacht de deuren openwerpt en met dreunende stem uitroept: „Christos voskrese!" dan is dit van een mystiek die ook op den ongeloovigen westerling een diepen indruk maakt. Maar terwijl de brave landbouwers vredig eikaars purperen eieren oppeuzelen, kreeg één hunner, een bewoner van het grensdorp Dramtsje, het vreemdste geschenk dat hij ooit met Paschen ontvangen had. Vroeg op den morgen van den tweeden Paaschdag kreeg hij bezoek van een als boer gekleed persoon. Dit heer bracht een cadeautje mee, in een grooten doek geknoopt. Er zat echter geen zure melk in, en ook geen kippensoep of Paascheieren; maar een echte helsche machine. En daar de kerel en zijn vier kornuiten verder overdadig behangen waren met geweren, messen, revolvers, patroongordels en handgranaten, had de beer het weldra dcor, dat hij met Bulgaarsche comitadji's te doen had, ijverige leden van de bandietenbende van Vantche Mihailov, die zoogenaamd voor de „Macedonische onafhankelijkheid" vecht. Hoofsch, als alle Zuidslavische boeren zijn, bood hij den bandieten natuurlijk de morgenkof fie aan, ook al bleef het „Christos voskrese!" hem van schrik in de keel steken. Hij was hoogelijk verbaasd, toen de langste en baardigste bandiet hem daarna 700 dinar gaf, meer geld dan hij ooit bij elkaar gezien had. Als tegenprestatie moest hij twee geruite doeken met inhoud naar het stadje Kotchane brengen. In den tweeden doek zaten geen eieren, om aan de dansers uit te deelen, maar nog een helsche machine, die hun het huppelen wel leeren zou. De boer verklaarde echter, dat hij van het vele ploegen pijn in zijn linkerpols had, en dus voorloopig met één knalbom genoegen nam. Om zijn goeden wil te toonen, ging hij aanstonds op weg, verrukt nagestaard door de vijf comitadji's. Maar zoodra hij over den eersten heuvel heen was, zette hij koers naar den naasten gendarmeriepost. Daar werd alarm gegeven. Overal in den omtrek raakt de kolo in verwarring. De leden van de vrijwillige boerengarde lieten Paascheieren, dansvloer en pruimenjenever in den steek, grepen hun geweren en togen de bosschen in, om daar de kolo voort te zetten. En dezen dans ontsprongen de comitadji's niet. Na een opwindende klopjacht, die twee dagen en twee nachten duurde, lagen ze alle vijf dood op hun ruggen... A. DEN DOOLAARD. (Nadruk verboden.) De groote dorps-kolo* --- BALTISCHE KUNST. In het Koloniaal Instituut Sinds eenige dagen is op den derden omgang in het gebouw van het Koloniaal Instituut de groote collecties door Baliërs geschilderde doeken uitgestald, weergevende tafercelen uit Balische en Hindoe-Balische legenden en verhalen, waarover de afdeeling Volkenkunde beschikt. Aangevuld met een uitgelezen verzameling van Balisch houtsnijwerk, krisgevesten, koperwerk en beelden vormt het geheel een tentoonstelling van volkskunst, waarvan vooral het levendige en toch artistieke van de Balische schilder- en houtsnijkunst treft. Het is zonder meer begrijpelijk, dat voor ons Westerlingen op het eerste gezicht de merkwaardige opzet, het schilderen met lijmverf op doek, de typisch zacht-gele ondergrond, enz. eenigszins vreemd aandoet. Maar dat duurt slecht enkele oogenblikken; by nadere beschouwing beginnen de levendige tafercelen al spoedig tot den beschouwer te spreken en vergeet men alles, wat eerste bevreemdde. Dan treft het boe de Balische schilder het geheim schijnt te bezitten, om zonder zijn schildering te overladen, in een klein bestek verschillende handelingen tot een levendig tafereel samen te stellen. Verdienstelijk is in dat opzicht de schilderij voorstellende het kamen van den melkoceaan, waarin in beeld wordt gebracht, hoe volgens de' mythe allerlei goddelijke zaken geschapen werden. Het middelpunt wordt gevormd door den wereldberg, den mandara, rustende op de schildpad. Om den wereldberg, welke als karnstok dienst doet, is de wereldslang geslingerd, terwijl goden en demonen dezen laatste als karntouw bezigen en aldus uit het karnschuim achtereenvolgens doen verrijzen, den hemelboom, het heilige rund, Waroeni de godin van den wijn, de hemelnymphén, de godin Dhanwantari met den kelk met nectar — den onsterfelijkheid gevenden drank — en eindelijk Dewi Cri. de vrouwelyke wederhelft van Wishnoe. De oceaan is in voortdurende golvende beweging en uit de levenwekkende golven slaan de. vlammen hoog op en verrijzen de magische wapens: de vijf puntige knots of badjra en het werprad of tjakra. Dit geheele scheppingsverhaal is voorgesteld in al zijn schakeeringen en levendigheid op een doek van nog geen twee meter in het vierkant. Realistisch is ook de voorstelling van een der scènes uit het wajangverhaal „Ardjoenawiwaha" of Ardjoena's huwelijk. Het doek geeft weer het oogenblik, dat Ardjoena, welke zich voor eenigen tijd als kluizenaar in het woud heeft afgezonderd, onbewogen blijft voor de verleidingen der nymphen, die door den aanvoerder der demonen naar Ardjoena's verblijf zijn gezonden. De Baliër beeldt bij voorkeur dergelijke legendaire verhalen en mythen uit en zoo geeft de tentoonstelling dan ook verhalen als: de diefstal van de bokaal met nectar door Kala Rahoe, welke laatste door Wishnoe met zijn zonnerad of werprad gedood wordt; een tafereel uit den grooten strijd tusschen Pandawas en Koerawa's op de groote Koeroevlakte, waar de beide helden van weerszijden Ardjoena en Bisma elkaar op oorlogswagens bestrijden; tafercelen uit het op Bali zeer geliefde heldendicht het Mahabharata e.a. Van geheel andere compositie zijn de lange smalle beschilderde banden, niet breeder dan 20 a 25 centimeter, doch 10 tot 15 meter lang. De figuurtjes zijn hier uit den aard der zaak kleiner en dan ook meestal fijner uitgebeeld dan bij de vierkante doeken. Doch ook hier treft het met welk een talent de Balische schilder leven en actie weet te brengen in de reeks van verschillende tafercelen, welke elkaar hier in een voortdurende en rijke afwisseling opvolgen. Een enkel woord moge hier verduidelijken op Svelke wijze de sangging of Balische kunstenaar zijn doeken beschildert. Voor het doek zelf wordt geïmporteerd katoen gebezigd dat eerst met een papje van fijn rijstemeel wordt gestijfd en daarna gedroogd. Vervolgens wordt met houtkool een ontwerp op het doek gemaakt en eerst daarna heeft het beschilderen plaats. Voor zwart wordt lampenroet gebruikt, de witte kleurstof wordt verkregen door schedels van varkens en buffels in een krachtig vuur te verbranden. Geel, blauw en rood verkrijgt men van gele kleiaarde, indigo en plantaardig rood. Al deze verfstoffen moeten echter met een lijmsoort worden vermengd alvorens ze worden gebruikt. Dit behandelen met lijm heeft bij pradawerk (vergulden) eenigszins anders plaats. Bij prada-doeken wordt n.l. eerst als de teekening in lijm op het doek is uitgeschilderd, het verguldsel op de lijm geplakt en nadat alles goed droog is, het overtollig verguldsel verwijderd. Ook van dit pradawerk op doek zijn mooie voorbeelden op de tentoonstelling aanwezig. Voor hen, die er prijs op stellen de voortbrengselen van de Balische volkskunst in een passende sfeer te zien, is deze tentoonstelling een goede gelegenheid. Want thans is hier een verzameling Balisch schilderwerk en plastiek bijeen, als wel zelden zal zijn tentoongesteld. --- DINI VAN ESSEN. Zondagmiddag 28 Mei zal Dini van Essen met haar dansgroep optreden in den Princesse Schouwburg te 's-Gravenhage. Vóór de pauze wordt een demonstratie met leerlingen gegeven. --- MUZIEK-ENSEMBLE „MEEUWSE”. Men schrijft ons: Het muziek-ensemble „Meeuwse" te Amsterdam, dat sedert 31 Augustus 1914 solisten-concerten geeft in ziekenhuizen en sanatoria en dat zich ook ten doel stelt het verzenden van gratis lectuur aan zieke en eenzame Nederlanders (zeevarenden en visschers inbegrepen) over de geheele wereld, verricht dezen laatstgenoemden arbeid nu sinds tien jaar. Het heeft van de Koningin, de Koningin-Moeder, Prinses Juliana en Prins Hendrik naar aanleiding daarvan feestgaven ontvangen. Hot adres van den heer J. P. C. Meeuwse is Vlietstraat 2, Amsterdam (Zuid), postgiro No. 42264. --- AGENDA. Amsterdam. Heden — Zondag — avond begint in het Concertgebouw de Beethoven-cyclus. Het Concertgebouw-orkest speelt onder leiding van dr. Willem Mengelberg de Eerste en Tweede Symphonie; Stefan Askenase draagt het eerste pianoconcert voor. Haarlem. In De Bois' Kunsthandel wordt van 20 Mei tot 20 Juni een tentoonstelling- gehouden van schilderijen, teekeningen en grafiek door Jeanne Bieruma Oostingo --- Ara Pacis Augustae (naar een reconstructie-teekening.) --- WETENSCHAP. WEDEROPBOUW VAN DE „ARA PACIS AUGUSTAE” TE ROME. Onze Romeinsche correspondent meldt: In 1938 zal het tweeduizend jaar geleden zijn, dat keizer Augustus geboren werd en voor de viering van dit eeuwfeest heeft de regeering een grootsch programma van archeologischen aard aangekondigd. Offieieele mededeelingen dienaangaande deed onlangs in een conferentie voor het Congres van Romeinsche Studiën Z. Exc. Roberto Paribeni, directeur-generaal van oudheden en schoone kunsten. Alle monumenten, die met keizer Augustus verband houden zullen worden gerestaureerd, zoo noodig verder opgegraven en aan het licht gebracht. In de eerste plaats zal men de vermaarde „Ara pacis" zooveel doenlijk geheel weder opbouwen. Van dit heerlijk monument, welks reliëfs het beste zijn wat de Romeinsche beeldhouwkunst heeft voortgebracht, bevinden zich belangrijke fragmenten in het Thermenmuseum te Rome en enkele der mooiste reliëfs in de Uffizi te Florence. Daar dit rijksmusea zijn, zal men over die gedeelten wel voor den wederopbouw kunnen beschikken. Een groot reliëf bevindt zich echter in het Vatikaan, doch men hoopt dit te kunnen ruilen tegen een fragment, waarmee het mogelijk zou zijn een belangrijk monument van vroeg-christelijke kunst in het Lateraansch museum te reconstrueeren. Andere fragmenten van minder beteekenis, zijn in het Loüvre en in de Villa Medici te Rome, eigendom der Fransche republiek. Men hoopt ook die door ruil te kunnen verkrijgen. Doch het is bekend, dat nog een belangrijk gedeelte van het monument zoowel van de „omperking" met de reliëfs, die de inwijdingsplechtigheid van het altaar uitbeelden, als waarschijnlijk ook het eigenlijke altaar zelf, onder den grond zitten en wel onder het paleis Fiano aan het Corso te Rome. Bij de laatste opgravingen vreesde men voor instorting van het paleis en men heeft toen het werk halverwege afgebroken. Thans zal het paleis eerst stevig worden gestut en daarna zal men de opgraving voortzetten. Verder staat op het programma de vrijmaking van het mausoleum van Augustus (de tegenwoordige concertzaal van Rome, het Augusteum, is in dit mausoleum ondergebracht), dat door zestiende- en zeventiendeeeuwsche huizen geheel is ingesloten. Ook de veel te weinig bezochte villa van Livia, gelegen 12 kilometer ten noorden van Rome in de localiteit „prima Porta" zal geheel worden opgegraven. Dit is van zeer veel beteekenis, daar deze villa ons het beste en artistiek meest hoogstaande portretstandbeeld van den keizer schonk, de vermaarde „Augusto di prima Porta" in de Vatikaansche verzamelingen. Tevens is deze villa beroemd, wijl men daar de mooiste en best bewaarde voorbeelden van oud-Romeinsche schilderkunst kan zien. Ook in de omgeving van Rome, te Bovillae, een der ondergegane steden van de Romeinsche Campagna zullen het circus, het amphitheater en de tempel, gewijd aan den goddelijken Augustus, worden opgegraven; voorts meent Paribeni in de ruïnen op den heuvel van San Cesario bij Nelletri de villa te hebben gevonden, waar Augustus geboren werd en ook deze ruïnen zullen verder worden onderzocht; het sterfhuis van den keizer te Nola, later veranderd in tempel voor den vergoddelijkten keizer Tiberius, zal worden gerestaureerd, alsook de thermen te Baia, waar men de dudste koepelconstructie van Italië aantreft. Gerestaureerd worden ook de verdedigingswerken door den gTooten generaal van Augustus, Agrippa, aangelegd tusschen de beide meren van Lucrino en van Averno (bij Napels); de tempel van Augustus te Pozzuoli (de oude haven van Rome, Puteoli); de triomfboog van Augustus te Fano thans ten deele in een muur opgenomen en de boog te Rimini. Verder in Noord-Italië de fraaie tempels en h£t amphitheater te Pola (de oude oorlogshaven van Oostenrijk) en de Augusteïsche muren met stadspoorten en torens van Aosta, de grensstad tuschen Piemonte en Gallië. --- INTERNATIONAAL POOLJAAR. 1932—1933. Dr. T. van L o h u i z e n meldt ons: Aan een radiotelegram dat een dezer dagen werd ontvangen is het volgende ontleend: Onze vier expeditieleden in Angmagssalik en het echtpaar Tinbergen in Kumiut maken het allen goed. Er is in den-laatsten tijd veel extra werk geweest. In een vorig bericht heb ik medegedeeld dat door de sneeuwstormen de sneeuw op sommige plaatsen 4 meter hoog lag en allen druk aan het werk waren om huizen en paviljoens tegen invallenden dooi te beschermen. Toch blijken volgens de laatste berichten de hoeveelheden water by den ingevallen dooi zoo groot te zijn geweest dat de bodem van de magnetische paviljoens daardoor geheel doorweekt werd. De tafels waarop de registreerinstrumenten staan, gingen daardoor verzakken. Dit maakte noodzakelijk, dat de instrumenten opnieuw moesten worden ingesteld. Maar gelukkig kon worden gemeld dat de registratie nu weer normaal gaat. ,Ook een andere aangename tijding bevat het laatste telegram. Het waterstofapparaat dat moet dienen voor het vullen van de pilootballons is nu eindelijk na het aanbrengen van aanmerkelijke veranderingen, bruikbaar geworden, zoodat verwacht kan worden, dat binnenkort resultaten van pilootballonwaarnemingen zullen worden gezonden. Nu de dagen daar zooveel langer zijn dan bij ons zal er nu ruimschoots gelegenheid zijn toch nog een waarnemingsreeks omtrent de bovenlucht van eenige maanden te krijgen. •Het aanzien van de plaats is nu geheel veranderd. Het sneeuwdek is geheel verdwenen. In de groote fjorden is nu open water, zoodat de vischvangst weer beginnen kan. De bevolking heeft nu haar winterverblijf verwisseld met tenten, die dicht bij de vangplaatsen worden opgeslagen en waarin zij des zomers leven. Alle gedachten gaan nu uit naar den zomer en naar het schip „De Gertrud Rask" dan weer te verwachten. In een particulier brieftelegram aan de ouders uiten de expeditieleden reeds allerlei wenschen, zij hebben een heele verlangiyst opgesteld van wat zij met de „Gertrud Rask" verwachten. Voor de vele hulp en dienstvaardigheid die zij ondervinden van de bevolking, willen zij gaarne door kleine geschenken uit Holland toonen, hoe zij dat gewaardeerd hebben. Tegen den tijd dus, dat de „Gertrud Rask" uit Kopenhagen gaat vertrekken, zullen we dus zorgen, dat zij uit Holland nog een heele lading mee zal kunnen nemen. --- Meteorologische waarnemingen a/b. van de „Heemskerck". Uit de berichten van den heer Bleeker, dia de reis naar Reykjavik met Br. Ms. „Heemskerck" heeft medegemaakt, blijkt, dat zijn loodsballonwaarnemingen op zee een volkomen succes zijn geweest. Op den 17den werd de ballon op 2000 m achter lage wolken uit het oog verloren; de volgende dagen gaven een windmeting tot 6, daarna 4, vervolgens weer 6 en de dag vóór de aankomst te Reykjavik zelfs 9 kilometer, dus tot aan de stratosfeergrens (op 64 gr. 30' N.B. en 12 gr. 24' W.L.). Om de waarnemingen op het bewegend schip mogelijk te maken, wordt de kyker om den loodsballon te volgen op een statief van speciale constructie gezet, en daardoor onafhankelijk van de scheepsbewegingen gemaakt. Deze constructie is uitgevoerd door dr. Schoute en door hem destijds beproefd op een reis naar Zuid-Amerika. In den zomer van 1931 werd een reeks waarnemingen van loodsballons op zee door den heer Bleeker gedaan op de booten der Maatschappij Zeeland. De waarnemingen op de „Heemskerck" bewijzen ook ditmaal weer, dat aerologische waarnemingen op zee met hetzelfde succes gedaan kunnen worden als op het land. --- OP ZOEK NAAR DR. AMBOLT. Sven Hedin zelf neemt geen deel aan de expeditie. Van dr. Sven Hedin is een telegram ontvangen dat zijn medewerker dr. Erik Norm, die het laatst in gezelschap is geweest van' den vermisten dr. Ambolt, dezer dagen per vliegtuig van Peking naar Soetsjau in Kansoe zou vertrekken om van daar met den amanuensis Bexell en het lid der expeditie Bókenkamp over Toenhoeang naar Tsjertsjen te gaan, de laatst bekende verblijfplaats van dr. Amboldt. Dr. Hedin heeft dus tot nader order het denkbeeld opgegeven om zelf op onderzoek uit te gaan. * --- KON. AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. De Koningin zal zich op 3 Juni a.s. doen vertegenwoordigen door haar kamerheer i.b.d. jhr. mr. W. F. Röell bij de plechtige ledenvergadering van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap in de groote aula van het Koloniaal Instituut te Amsterdam ter gelegenheid der herdenking van het 60-jarig bestaan van het Genootschap. ---