Hoe kleiner u den hoek naar links £•& maakt, hoe grooter het ongeluk, dat erin past... ('t Is veel minder V*JktJÏ tijdroovend om in alle bochten altijd rechts te houden). --- VEREENIGING „VOOR VOLKENBOND EN VREDE” Openbare propaganda-avond in de Harmonie In de groote bovenzaal van de Harmonie had de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede gisteravond een openbare propagandavergadering belegd, waarin als sprekers optraden de heeren PROF. MR. V. H. RUTGERS, P. J. S. SERRARENS en K. VORRINK. De voorzitter van de afdeeling Groningen van de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede, Ds. C. W. COOLSMA, sprak een kort inleidend woord, waarin hij de aanwezigen hartelijk welkom heette, in het bijzonder den Commissaris der Koningin in deze provincie, mr. J. P. Fockema Andreae en de wethouders dezer gemeente, de heeren Visser, Rugge en Molendijk. Ook tot de sprekers richtte spr. een woord van welkom en deelde mede, dat mr. Wendelaar door ongesteldheid verhinderd was dezen avond het woord te voeren. --- REDE PROF. MR. RUTGERS. De eerste spreker, PROF. MR. V. H. RUTGERS, hield een inleiding over de vraag: „Is wijziging van het Volkenbondsverdrag noodzakelijk?" Spr. belichtte eerst de verplichtingen van het Volkenbondsverdrag en herinnerde aan de commissie, die is ingesteld om een herziening van de grondslagen, waarop het Volkenbondsverdrag is gebouwd, te onderzoeken en te bestudeeren. Over het onderwerp der herziening is reeds veel geschreven en is reeds veel op papier gezet, waarbij uit den aard der zaak ook veel utopieën. Wanneer men over het werk van den Volkenbond spreekt, dan doen zich daarbij drie belangrijke vragen voor: 1. Wat moet de Volkenbond doen; 2. Wat Nederland daarbij moet doen en 3. Wat moeten wij, de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede, doen. Over deze vragen wilde spr. echter niet uitweiden, omdat dit hem te ver zou voeren. Spr. kwam hierna tot de universaliteit van den Volkenbond en merkte op dat het feit, dat de Vereenigde Staten geen lid van den Volkenbond zijn geworden, een groote teleurstelling is geweest. Dat ook andere staten later uit den Volkenbond zijn getreden, heeft veel van de universaliteit weggenomen. Spr. is van oordeel, dat men niet van te voren onderscheid moet maken tusschen staten, die wel en die niet tot den Volkenbond moeten behooren. De Volkenbond is voor alle staten. Daarbij komt, dat, wanneer men tegen een vredebreker sancties moet toepassen, men daarvoor alle Staten noodig heeft. Gebrek aan universaliteit van den Volkenbond staat in den weg aan alle regeling van den Volkenbond. Doch al is van een universaliteit niets aanwezig, toch kan, aldus spr., een Volkenbond zonder universaliteit veel goed werk verrichten. Prof. Rutgers merkte voorts op, dat de Nederlandsche regeering adviseert na te gaan, of door bepaalde interpretatie van enkele artikelen geen beperking van verplichtingen is te verkrijgen, waardoor bezwaar tegen toetreding kan worden vermeden Spr. weidde voorts uit over de doeltreffendheid der voorschriften. Aan deze doeltreffendheid ontbreekt wel het een en ander, maar toch mag niet gezegd worden, dat de Volkenbond een mislukking is, al is het juridisch gedeelte het minst geslaagd. Voor het voeren van internationaal overleg is de Volkenbond echter een uitstekend instituut Ten aanzien van de machteloosheid van den Volkenbond zei spr. nog, dat de Volkenbond, zooals die thans bestaat, eigenlijk niet anders dan machteloos kan zijn, omdat de Volkenbond niet is een staat boven de staten, doch een vrijwillige samenwerking tusschen verschillende staten. Spr. schetste in dit verband den Volkenbond als een „coöperatieve vereeniging van Staten" en als zoodanig achtte spr. den Volkenbond volkomen geslaagd. Spr. besloot zijn rede met een opwekkend woord om het werk van den Volkenbond te steunen. --- FEUILLETON HET GELUK LIGT IN DE SNEEUW..... Een Wintersportroman van PETER KRAYENBÜHL. (Nadruk verboden) 26 Al spoedig vertelt hij haar het geheele verloop van zijn eerste ontmoeting met Petra, hoe deze van het eerste oogenblik af een diepen indruk op hem heeft gemaakt en hoe hij, ook zonder dat daarover ooit een woord is gewisseld, onmiddellijk heeft gevoeld, dat ook voor Petra zijn gedwongen bezoek aan haar kluizenaarswoning veel meer heeft beteekend dan het korte verblijf van een vreemdeling, dien zij voor het eerst zag — Een avontuur, zooals eigenlijk slechts een uitzonderlijk mensch als jij bent kon overkomen, Dieter.... Nochtans: ik geloof, dat je het als een groot voorrecht mag beschouwen, deze bijzondere sympathie van Petra voor een man, dien zij voor het eerst ontmoette. En jij, Dieter, hoe was het met jou gesteld? Hield je van Petra? — Ik geloof, Grace, dat elkeen, die Petra kent en haar begrijpt, van haar moet houden. Zij heeft, ondanks — of misschien wel dank zij — haar kluizenaarsleven, iets zuiver menschelijks over zich, waarin zij zich onderscheidt van de meeste anderen, die haar overigens op hun beurt stellig niet in dezelfde mate die sympathie zullen toedragen als wij.... — Ik denk er precies zoo over, Dieter Alleen — ik heb van den eersten dag, waarop ik haar ontmoette, geweten, dat het meer was dan sympathie of vriendschap, die ze je toedroeg. Een vrouw ziet scherp, Dieter en gewoonlijk heeft ze, als de liefde in het spel is, aan een half woord genoeg... — Als ik maar wist, wat er met Petra gebeurd is. Haar verdwijnen is toch wel heel zonderling. Dieter voelt, hoe Grace hem een oogenblik onderzoekend opneemt. — Merkwaardig, zoo blind als jullie mannen soms toch kunnen zijn. Is je dan zelf niet opgevallen, dat er iets in haar veranderd is, sinds ze van onze verhouding afwist? Petra is teleurgesteld in iets, waarin ze sinds jaren voor het eerst weer geloofde. Het was een teleurstelling, zooals ze die — op ander gebied — reeds zoovele heeft gekend. Ze dacht zich door haar afzondering daartegen gewapend te hebben, maar zelfs haar kluizenaarsleven bleek geen afdoende remedie — Ik begrijp het niet, ik heb er toch waarlijk geen aanleiding toe gegeven, Grace In plaats van te antwoorden draait Grace zich om en diep in haar knieën doorbuigend, glijdt zij in suizende vaart de helling af. Dieter volgt verbaasd en twijfelend aan zich zelf. — Pap heeft gisteravond mama van je schoolplannen op de hoogte gebracht. Zij hebben in geen jaar zoo genoeglijk met elkaar zitten praten Dieter bemerkt, dat Grace het gesprek van Petra wil afleiden. — En wat denk je, dat Walter Dillmann uitvoert? — Die zal wel op zijn zuster wachten. — Nee, Dieter, dien ontbreekt het geduld om te wachten; Dillmann is iemand, die iets te doen moet hebben. — Nou, dan is hij zeker bezig een nieuw vliegtuig te bouwen — Onzin, hij zit rustig in het Grand Hotel en componeert schlagers voor het feest van morgenavond. Met dien heeft Lersner het getroffen — Daartoe zal Walter nu wel in de stemming zijn, maar wie schrijft de teksten? — Die worden geleverd door een jongedame uit den troep van jouw ski-konijnen, die aardige studente uit Giessen En eenige andere gasten verleenen eveneens hun medewerking. Het gaat er buitengewoon vroolijk toe, de schlagers rollen zoo maar yan den loopenden band Dat is waar ook, Lersner hééft weer naar je gevraagd —- Met mij zal hij het stellig niet zoo treffen als met Walter Dillmann Ik ben nelaas gespeend van elk talent.... — Ja, muziek zit er ni«t in je, Dieter, maar dat is nog geen reden om onbeleefd te z«n tegen iemand, die je misschien van aienst kan zijn. Lersner hoopt, dat je hem morgenavond bij het feest wel in de handen zal vallen — Zeg, Grace, denk je nu werkelijk, dat ik daaraan deelneem? — Waarom niet, Dieter? — Omdat ik er nu eenmaal niet bij hoor. Ik ben niet meer dan de hulp-skileeraar. Dat feest is voor de gasten, dat wil zeggen voor menschen, die hier zijn om geld uit te geven en niet om het te verdienen. Ik moet m'n kopeken bij elkaar houden Grace onderdrukt een heftig antwoord en dat valt haar te gemakkelijker, omdat zij juist een hard geworden, steile helling traverseeren, waarvan men bij elke ondoordachte beweging onmiddellijk afglijdt. Als zij deze eindelijk achter zich hebben, is haar boosheid alweer geluwd en volkomen beheerscht zet zij het gesprek voort: — Als skileeraar behoor je toch niet tot het hotelpersoneel! Je schijnt er een zeker behagen in te scheppen om je zelf te vernederen En kosten heb je zeker vrijwel niet, want Pap en ik inviteeren je natuurlijk. Bovendien zal Lersner zich ook wel niet onbetuigd laten — Dat is 't hem nu juist, Grace. Er is geen aardigheid aan, als je daar zelf niet een hoop geld kunt stukslaan Trouwens, er is nog een onoverkomelijk bezwaar: ik bezit niet eens een smoking. Heb jij dan een of ander masker bij je? — Je gaat toch zeker niet in Februari in de wintersport zonder aan carneval te denken? Ik heb me in München al een en ander aangeschaft, op advies van Girsholm — Amuseer je, Grace! Ik zal braaf op m'n kamer blijven en aan je denken Dieter zet er plotseling een stevigen gang in, maar Grace vindt het nu welletjes. Innerlijk is ze woedend over zooveel stijfhoofdigheid; in een paar seconden heeft ze hem ingehaald — een ferme duw in zn zijde en beiden rollen door de sneeuw! Dieter is totaal verrast en daarvan profiteert Grace handig door hem haar knie op zijn schouder te zetten en hem zoo onbarmhartig met sneeuw in te wrijven, dat hij tenslotte naar lucht snakt. Practisch gesproken is Dieter absoluut weerloos, want hij zou haar hard moeten aanpakken om zichzelf te ontzetten en Grace is nu eenmaal geen man Zij zelf is vuurrood en vrijwel geheel buiten adem, als ze hem eindelijk los laat. — Heeft het je goed gedaan, Grace, vraagt hij koeltjes, terwijl hij overeind komt en zich het gelaat met een zakdoek afdroogt. — Nee, ik ben nog veel te lankmoedig geweest Maar we zijn nog niet thuis, wees voorzichtig, Dieter! Ze heeft tranen In haar oogen, als ze, plotseling van toon veranderend, er bijna smeekend op laat volgen: Wees toch niet zoo onaardig tegen me, Dieter Ik zal je 50 mark geven, dan heb je geld voor morgenavond! — Dank je, Grace, je bent een goeie kerel, maar ik neem geen geld van je aan. En om eventueele misverstanden te voorkomen, ik heb me laten vertellen, dat je vader je een aardig sommetje zal meegeven en daarom zal ik nooit met je kunnen trouwen, Grace Eenige seconden, die een uur schijnen te duren, staart Grace star voor zich uit. Dieter wordt er bleek van; hij voelt het zelf: dat was te veel — Ik wil dat niet gehoord hebben, Dieter, zegt ze eindelijk, terwijl zij dicht op hem toetreedt. Zeg dat nog eens, als je durft! Van trouwen is tusschen ons nooit sprake geweest, tot jouw geluk! Of ik geld heb of krijg of niet, dat gaat jou en geen enkelen buitenstaander ook maar iets aan — heb je dat goed begrepen?! Maar dit wil ik je toch nog zeggen: wij gaan niet uit elkaar vóór ik die hanenkam van je voorgoed heb afgerukt. En aan het feest van morgenavond zul je toch deelnemen. Ski Heil, Dieter! Hij heeft geen bijster plezierigen terugtocht. Voor de tweede maal op dezen dag voelt hij zich in het ongelijk gesteld. Dat hij Grace terwille van haar geld niet zou willen trouwen, is zijn innerlijke overtuiging, maar om aan dit gevoelen zoo ontijdig en op deze onhebbelijke wijze uiting te geven, dat was dwaas, dom en zelfs liefdeloos * ** Bij zijn aankomst in Hotel Kaiserhof wacht Dieter een verrassing. Meneer Hohrain, de hotelier, treedt hem tegemoet: — Max heeft iets voor u, meneer Prausnitz. U zult hem even moeten opzoeken, want ik weet niet, waar hij uithangt — Wat is dat dan? wil Dieter, die Hohrain met zijn eigenwijze en ironische manier van doen niet kan uitstaan, weten. — Gaat u maar naar Max, dan zult u het wel zien.... Max is de schoenpoetser van het hotel, een oorlogsinvalide, voor wiens bescheiden, zwijgenden aard Dieter een stille sympathie koestert. Hij vindt hem na lang zoeken en beiden begeven zich daarna naar het achterste gedeelte van het hotel. — Hier is de sleutel, maakt u eens even open, meneer Prausnitz. Max wijst naar een klein, houten gebouwtje, een soort schuur, naast de trap, die naar de heining leidt. Verwonderd doet Dieter, wat hem gevraagd wordt — Hallo, kom er eens uit. sneeuwleeuw, roept Max, maar er is niemand, die aan dit bevel gevolg geeft. — Nou, kom toch, Bollmann, kom dan Inderdaad verschijnt nu Bollmann's representatieve St. Bernhardkop in de deur. Dieter is stom van verbazing. — Alstublieft, meneer Prausnitz, zegt Max, met een komisch gebaar op den grooten hond wijzend, — het briefje, dat hij gisteravond meebracht, heb ik ook weer onder zijn halsband geschoven.... — Gisteravond? — Ik heb tot tien uur op u gewacht, maar u kwam zoo laat van Antonswil terug en vanmorgen vroeg was u ook al weer verdwenen Dieter hoort al lang niet meer, wat Max voor zich heen bromt; hij trekt Bollmann naar zich toe, gaat op een trede van de trap zitten en leest, wat Petra hem in haar groote letters op het onoogelijke stuk pakpapier heeft mee te deelen: „Aan Dieter Prausnitz! Ik stuur jou Bollmann, mijn hond. Ik ga hier vandaan en kan hem niet meer gebruiken. Het ga je goed, Dieter! Adieu Bollmann! Ik, Petra". Dieter bemerkt, dat Max naast hem staat en het epistel nogmaals geïnteresseerd meeleest. Hij neemt een zilverstuk, dat hij toevallig juist bij zich heeft, uit zijn zak, schenkt het hem en vraagt hem aUeen te willen laten. Als Max aan dit verzoek gevolg heeft gegeven, zit Dieter nog lang op de trap. De dicht behaarde hondenkop rust op zijn arm en Bollmann's trouwe St. Bernhardoogen staan even droevig als die van zijn nieuwen baas.... CWordt vervolgd) --- REDE J.P.S. SERRARENS. De heer J. P. S. SERRARENS, hierna het woord verkrijgende, herinnerde aan de groote activiteit, die Nederland als koloniale mogendheid steeds aan den dag heeft gelegd, omdat de Nederlanders van oudsher een zeevarend volk zijn. Spr. acht het een eer voor de Nederlandsche natie, dat een der onzen, Hugo Grotius, een der grondleggers is geweest der gedachte van de internationale rechtsorde. Hugo de Groot kan genoemd worden een voorlooper van het internationale recht. De gedachte van de internationale rechtsorde wordt van ouds door de Katholieken onderschreven, aldus spr. Bij het eerste streven naar een wereldvrede heeft ook ons land zijn plicht gedaan. In dit verband tastte spr. terug op de eerste internationale Vredesconferentie, door Koningin Wühelmina bijeen geroepen. Spr. bracht voorts in herinnering de daadwerkelijke bevordering van het vredeswerk door de laatste pausen. Hij behandelde o.m. het pauselijk bemiddelingsvoorstel van 1917, dat een vrede opbouwen wilde op het beginsel van recht boven macht en weidde breedvoerig uit over de verschillende bepalingen, die in dit voorstel waren neergelegd. Wanneer men echter bezig is met een vredesverdrag, dan blijkt het zeer moeilijk te zijn zich los te maken van alles wat daaraan is voorafgegaan. In een overzichtelijke historische beschouwing releveerde spr. het verdrag van Versailles in 1919, dat geen rust gaf en geen algemeen vertrouwen, dat het oorlogsgevaar voorgoed van de baan was. De ontwapeningsconferentie is mislukt door gebrek aan vertrouwen. De ontwapening kon ook niet worden doorgevoerd, zoolang er geen vertrouwen heerschte in de effectiviteit der internationale rechtsorde. De onvoldane naties hebben den Volkenbond verlaten; Rusland is erin gehaald om den Volkenbond te versterken, al ziet spr. hierin geen versterking; Italië heeft expansieruimte gezocht in Abessynië; de Volkenbond heeft sancties toegepast, doch de wil 0ntv,de .uiterste consequenties te aanvaarden ontbrak. Toch, aldus spr., is er vooruitgang geboekt en al kan ons land een eigen bewapening niet missen, behoort de Volkenbond met alle kracht te worden gesteund. De samenwexking tusschen de staten in den Volkenbond moet zoo goed mogelijk worden gemaakt Nederland heeft in den Volkenbond zijn plicht gedaan. Nederland zal moeten meebouwen aan den Volkenbond om dit instituut te maken tot een instituut van collectieve veiligheid. En daarom, aldus spr., is «et noodig dat men steun verleent aan de Volkenbondsvereenigingen, die de gedachte van het Volkenbondswerk uitdragen. --- REDE K. VORRINK. Na de pauze voerde als eerste spreker de neer K. VORRINK het woord over den Volkenbond en het Volksgeweten. Hij herinnerde aan Eden's rede in het Engelsche Lagernuis, waarin deze zeide, dat het vraagstuk des yredes bij het volk groote belangstelling w-k1" vroeSer jaren bestond er bij het publiek in het algemeen weinig interesse voor zulke internationale vraagstukken en toonde men meer belangstelling voor de problemen der economische vernieuwing. Na den grooten oorlog is dit echter anders geworden en kwam de leuze: „Nooit meer Oorlog". De Volkenbond kreeg de opgave den vrede te organiseeren en het vaststellen en grondvesten van een internationale rechtsorde. Dat aan dit werk fouten en mislukkingen kleven, behoeft niemand te verbazen. Uitvoerig besprak de heer Vorrink het vredesverdrag van Versailles, waarin o.m. was neergeschreven de opgelegde ontwapening der overwonnenen, welk verdrag aan den Volkenbond ten grondslag ligt. De Volkenbond is ontstaan onder aandrang der groote massa's, die na den wereldoorlog wenschten, dat de millioenen dooden niet tevergeefs zouden zijn gevallen. De volkeren hadden op den Volkenbond hun hoop gevestigd. Spr. vestigde voorts de aandacht op het Duitschland van Hitler, aan wien de wereld reeds zeer veel heeft toegestaan, wat ze aan Walter Rathenau heeft geweigerd. De internationale verhoudingen zijn vertroebeld, aldus spr., door den onwil der groote mogendheden om te ontwapenen. In dit verband herinnerde spr. aan een uitspraak van den Duitschen Minister Göring: „vet maakt den buik dik, doch kanonnen maken een volk sterk". Als reactie op de geweldige bewapening van Duitschland heeft men in alle landen een algemeene herbewapening gekregen. Spr. waarschuwde vervolgens tegen een paniekstemming, omdat er toch ook factoren zijn, die den oorlog bemoeilijken. Het openbaar geweten verzet zich tegen den oorlog. Men weet, dat een andere methode van beslechting van geschillen mogelijk is, n.l. de weg van het recht inplaats van den weg van het geweld. Wij mogen, zoo vervolgde spr., de onvermijdelijkheid van den oorlog niet aanvaarden. De ontwikkeling der dingen naar een wereldhuishouding groeit, ondanks het tegenwoordig streven naar autarkie. Hoewel de Volkenbond wel'eens gefaald heeft, heeft de Volkenbond aan den anderen kant toch ook triumfen behaald. Vrede is niet alleen te vestigen door politieke afspraken, doch ook is noodig een internationale economische ontwikkeling, die gebaseerd is op een internationale samenwerking. In het vervolg van zijn betoog herinnerde spr. aan de sancties van den Volkenbond tegen Italië. De sanctiepolitiek is mislukt, doch zij is, aldus spr., op een haar na mislukt. Nog iets meer druk, en de mislukking zou niet hebben plaats gehad. Maken de volken zelf ernst met het streven van den Volkenbond, dan is deze ook nu nog sterk genoeg om het oorlogsgevaar te bezweren, mits de volken bereid zijn de offers te brengen, die van hen geëischt worden. Spr. herinnerde er aan, dat steun verleening aan het werk van den Volkenbond staat op het program van alle groote en verantwoordelijke partijen, ook op het program van de partij waartoe spr. behoort. Met een peroratie over de plicht van alle mannen en vrouwen om het Volkenbondswerk te steunen, besloot de heer Vorrink zijn rede. --- SLOTWOORD VAN DS. COOLSMA. Ds. C. W. COOLSMA sprak tenslotte nog een kort slotwoord. Hij herinnerde daarin o.m. aan de groote beteekenis van Hugo de Groot met betrekking tot het vraagstuk van het internationale recht. Bij alles wat ons verdeelt, aldus spr., hebben wij te denken aan het bekende woord van Christus: „Wie zijn leven zal willen behouden zal het verliezen, doch wie zijn leven verloren zal hebben, zal het vinden." Wanneer het werk en streven van den Volkenbond zal slagen, zal er vrede komen en blijven. Spr. richtte zich vervolgens met een woord van dank tot de sprekers van dezen avond en tot mevr. Thijsse, die dezen avond op zoo uitstekende wijze heeft georganiseerd. De flink bezochte vergadering werd hierna gesloten. --- THIJS IJS EN DE BOOZE DOOI 2. — Hoewel oom Brom niet erg veel zin meer had, ging Thijs nog moedig voort langs 't pad; „Wij hebben nog een heel eind voor den boeg", zei hij, „en 't is nog taam'lijk vroeg — wij zullen dagenlang nog moeten doormarcheeren, om naar huis terug te keeren, en mogen heusch geen tijd verliezen door te gaan zitten en te kniezen...." Maar het gaan vermoeide Brom-oom zeer, en sneeuw viel nu in dichte vlokken neer; ook werd het steeds nog kouder.... „Ach ach, ach ach", zei oom, „ik word al 'n dagje ouder Als ik nu nog mijn mooie auto had, en, steeds maar rijdend, rustig zat; als 'k nu nog voortging met een gang van veertig kilometer — ja, dan ging het heusch wel beter. Maar zóó word ik vermoeid, en ook verkouden — dit is gewoon niet uit te houden". (Morgenavond vervolg.) --- ARBEIDSOVEREENKOMSTEN VLEDDERVEEN (GR.). De landarbeidersbonden hebben aan de landbouwvereeniging alhiei voorgesteld in de nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst voor 1937-'3B een z.g. duurte-clausule op te nemen en verder — om een bespreking daarover mogelijk te maken — de opzeggingsdatum van 1 Februari nader vast te stellen op 1 Maart. HOLWIERDE, De landarbeidersbonden hebban aan de landbouwers te Holwierde- Krewerd voorgesteld de opzeggingsdatum van het collectief contract te verschuiven van 1 Februari tot 1 Maart, teneinde begin Februari een bespreking te doen plaats vinden over de mogelijkheid van herziening der Iconen in verband met de hoogere kosten van levensonderhoud. GIETEN. Van landarbeiderszrjde is aan de landbouwers te Gieten en Bonnen voorgesteld de opzeggingsdatum van de collectieve arbeidsovereenkomst nader te bepalen op 1 Maart, teneinde besprekingen te houden over de opname van een duurteclausule in de voor 1937-"38 af te sluiten overeenkomst. DWINGELOO. De Ned. Landarbeidersbond heeft aan de afdeeling Dwingeloo van de C. B. T. B. voorgesteld de opzeggingsdatum van de bestaande collectieve arbeidsovereenkomst te verschuiven van 1 Februari tot 1 Maart, om in begin Februari een bespreking mogelijk te maken over een herziening van de loor.en in het nieuwe contractjaar in verband met de hoogere kosten van levensonderhoud. --- DE VLOEK OP HET GESLACHT SHERIDAN De laatste mannelijke afstammeling jong gestorven Vier eeuwen lang stierven de Sheridans vóór hun 21ste jaar De laatste mannelijke afstammeling van het Engelsche geslacht Sheridan uit het graafschap Rochester, de schrijver Dick Sheridan, is te Biskra in Afrika op 21-jarigen leeftijd gestorven. Hiermee heeft zich de vloek, welke op dit geslacht rustte, voltrokken. Bijna vierhonderd jaar lang heeft deze vloek het geslacht met een verschrikkelijke onfeilbaarheid getroffen. Het was een oude monnik, die hem uitsprak ten tijde van Hendrik VIII, die toen zijn strijd tegen de Katholieke geestelijkheid begon, omdat de Kerk zijn huwelijk met Catharina van Arragon niet wou ontbinden. Verschelde kloosters werden ontruimd. Zoo gebeurde het ook met Frampton Court, een rijke abdij in Dorset, aldus vertelde mevrouw Clare Sheridan, de moeder van den overleden laatste afstammeling van de Sheridans aan de Paris Soir. Sheridan, officier des Konings, kwam de goederen van het klooster confisqueeren en de monniken van hun gebied verjagen. Zij gingen, maar de oudste van hen keek nog eenmaal om naar den grond waarop hij zoo lange jaren had gesleten en' sprak in een opwelling: — Hij, die jou zal bezitten, grond bevlekt door heiligschennende handen, zal het lot van onzen beul deelen en evenals hij jong sterven. Sheridan, de jonge officier, stierf inderdaad kort daarna en zijn zoon kwam op 21--jarigen leeftijd om het leven. Van generatie op generatie werd geen van de mannelijke afstammelingen, die den grond van het klooster hadden geërfd ouder dan 21 jaren. De vader van Dick viel in 1915 op het slagveld. Vijf dagen later werd Dick geboren, de laatste nakomeling van den officier van Hendrik Vin. Zijn moeder smeekte hem, ouder geworden, den vervloekten grond prijs te geven en Dick voldeed hieraan. Hij verkocht alles op een klein stukje na, waarop zich de graven van zijn voorouders bevonden. Heeft deze daad van piëteit hem toch het leven gekost? Een-en-twintig jaren lang heeft zijn moeder in voortdurende angst geleefd. Zij waren steeds samen en reisden met hen beiden de geheele wereld rond. Herhaaldelijk ontkwam hij ternauwernood aan den dood. Met een jacht, dat hij had laten bouwen, ging hij naar Algiers. Het werd tegen de rotsen verpletterd, hij bleef verscheidene dagen op een klein eiland, zonder eten, zonder drinken. --- De 21ste verjaardag. In September van het vorige jaar werd Dick Sheridan een-en-twintig jaar. Zijn moeder had een ijzeren kandelaar laten maken, waarin zij 21 kaarsen brandde. — Elke kaars was een dankgebed aan God, die het leven van mijn zoon had beschermd, en daardoor voor den eersten keer in eeuwen den vloek van den monnik teniet had gedaan En toch is Dick Sheridan dezer dagen gestorven. In Biskra, waarheen hij gegaan was om een boek te schrijven. Verschillende keeren had hij den dood onder oogen gezien; behalve het ongeluk met het jacht had hij een cycloon meegemaakt en de gele koorts gehad. Toch is de dood gekomen, niet door een ongeluk, niet bij een ramp of een epidemie, maar door een gewone blindedarmontsteking. Zijn moeder is met enkele vrienden naar Biskra gereisd om het stoffelijk overschot naar Frampton Court, waar zijn voorvaderen rusten, te brengen. De vloek van den monnik heeft zich voor den laatsten keer voltrokken Claire Sheridan is er van overtuigd, dat het de vloek is geweest, die haar zoon deed sterven. — Men mag denken wat men wil, verklaarde ze. Ik wil wel bekennen, dat ik het tegendeel niet kan gelooven. ---