HISTORISCHE ANECDOTEN Een waardeloos oordeel De groote Fransche dichter, Racine, moest sdjn naam nog maken, toen hij op zekeren dag den -beroemden tooneelspeler Le Duc bezocht. Le Duc had aan de „Comédie Francaise" alles te zeggen. Racine stelde hem een tooneelstuk ter hand, met een blauw lint omwikkeld. — Wilt u dat misschien eens doorlezen? vroeg de dichter. Misschien is het wel iets voor het tooneel! — Bij gelegenheid zal ik wel eens zien! antwoordde Le Duc kort. Racine wachtte en wachtte, ging vragen en nog eens vragen, maar hij werd niets wijzer. Le Duc gaf telkens niet thuis! Eindelijk werd Racine toegelaten. — En hoe is mijn stuk bevallen? — Om u eerlijk de waarheid te zeggen, er zit wel wat in, maar voor het tooneel deugt het toch niet. Veel te langdradig. — En de zaak, waar het om gaat, de expositie? — Veel te ingewikkeld! — En de ontknooptog? — Met de haren er bij gesleept. Veel te kunstmatig! — Dus u kunt het niet voor het voetlicht brengen? — Jammer genoeg kan daar geen sprake van zijn! — Ik dank u voor de moeite, die u zich gegeven heeft. Maar aan uw oordeel hecht ik niet de minste waarde! — En waarom niet? — Dat zal ik u laten zien, zei Racine. Hij nam het handschrift, dat nog op de schrijftafel van den tooneelspeler lag, maakte het blauwe lint 105.... en toonde den beschaamden Le Duc een boek met niets dan wit papier! --- „Ik dank U, Majesteit!” De beroemde Fransche hoornblazer Vivier, kwam op merkwaardige wijze aan een orde. Hij had te Vichy voor Napoleon IH gespeeld en werd een paar dagen later uitgenoodigd nog eens op het kasteel te komen spelen ter eere van eenige vorstelijke gasten. Vivier had zijn garderobe echter al naar Parijs gezonden en had dus geen rokcostuum meer om aan te trekken. De keizer, die ongeveer hetzelfde figuur had als Vivier. leende hem een costuum. Nu had Napoleon in ieder van zijn costuums het lintje van het Legioen van Eer. Vivier trok een costuum aan en ging naar den keizer, zijn hoorn in de eene hand, met de andere hand naar het knoopsgat met het lintje wijzend, zei hij: — Ik dank u, Majesteit! De keizer fronste eerst zijn wenkbrauwen, toen moest hij echter lachen en üet den hoornblazer het lintje behouden. --- Koran en telefoon Toen de telefoon in Arablë ingevoerd werd, protesteerde een secte fanatieke muzelmannen bij den koning Ibn Saoed tegen deze uitvinding van de dzjinns. — Als de verrespreker inderdaad een uitvinding van de booze geesten is, zei de vooruitstrevende koning diplomatiek, dan zal Allah er voor zorgen, dat deze uitvinding niet in ons land komt. We zullen het toestel eens op de proef stellen: is het werkelijk een uitvinding van de dzjinns, dan zal het de heilige woorden uit den Koran niet over kunnen brengen. Is dit echter wel het geval, dan moet iedere muzelman inzien, dat het niet het werk van de booze geesten kan zijn! Twee hooge ambtenaren werden nu uitgezocht, van wie één in het paleis van den koning moest komen en de ander in de telefooncentrale eenige regels uit den Koran moest oplezen. De weergave was uitstekend en nu waren ook alle geloovigen overtuigd, dat de „verrespreker" geen uitvinding van den booze was. --- De daad bij het woord Lord Odo Russell, de Engelsche gezant te Berlijn, was eens op bezoek bij Bismarck in het paleis van den Rijkskanselier. In het gesprek maakte de gezant de opmerking: Uwe Excellentie zal wel vaak door lastige bezoekers in beslag genomen worden? Helaas wel, antwoordde de vorst, maar Ik heb een beproefd middel, om hen weer kwijt te raken. Warempel? vroeg de Lord nieuwsgierig. — Het probaatste middel is altijd, wanneer mijn vrouw verschijnt, om me voor een of andere dringende bezigheid te roepen. Dan moeten de gasten wel, of ze willen of niet ver- Nauwelijks had Bismarck deze woorden gesproken, of vorstin Bismarck verscheen en zei met een onschuldig gezicht: — Lieve Otto, het is tijd, dat je je medicijnen inneemt! De gezant was verbluft over de goede regie In het paleis, bekeek de zaak echter van den yroolijken kant, nam afscheid en verdween! --- Groninger Letterkunde Geert Teis Pzn. Wanneer men het werk van Geert Teis aan een critische beschouwing onderwerpt, dan treft vooral de soms-scherpe, doch altijd frissche geest, die er fonkelt in tal van zijn uitingen. Waarbij de opmerking dient te worden gevoegd, dat deze geest is van het zuiverste gehalte, dat er menschelijker wijze van geeischt kan worden. Al te vaak wordt door het groote publiek onder geest dat verstaan, wat in zijn kern vulgair-grappig is, elke originaliteit mist, bij nadere beschouwing criant vervelend blijkt te zijn. Het begrip geest wordt vaker verkeerd dan goed begrepen. De schijn van geest gaat helaas maar al te vaak door voor waarachtigen geest bij menschen zonder veel eischen, zonder critisch vermogen. Een grap kan „geestig" worden genoemd, het echter in de kern der zaak niet zijn. De vreugde hierover is te luidruchtig, de lach te schetterend, de herinnering later te zwak. Ware geest brengt een tinteling met zich mee, beperkt heel zijn aristocratische uiting tot een glimlach, staat later volledig en in heel zijn kracht in onze herinnering. . Zoo is het werk van Geert Teis. Kristalhelder, en daarbij doordrongen van een oneindig-groote menschenliefde. Geert Teis kent het leven, kent zijn menschen, hun goede hoedanigheden en hun fouten. Hij ziet als 't ware rond, staat midden tusschen allen, doch is boven hen uitgegroeid. Zijn liefde tot en met de menschen, nog eens opgemerkt, is groot. Uit zijn werk vallen voorbeelden te over op te diepen, vooral in zijn kortelingsverschenen werk „Opslag in Stoppellaand"*. Hoe kan deze grijze schrijver zijn Groninger taal laten leven, en hoe worden de menschen ten voeten uit geteekend: „Asmis mos Brechie veurlezen de oalen konnen 't nait, schipperslu, nè nooit op schoule west. Moar ze haren 't wicht 's winters op schoule daon op 't Meras bic oompie Berend in huus. Vief joar laank wel. En over dei keuterboerkery haar ze zo geern mocht, pruit tr nog aaldeur van. Van 't laand en de schaopen, de hounder en de sikke, van 't rustege vrundelke leven in 't keuterhuussie. Mit mooi weer aaltied boeten, lust en lewaai op 't schoulpadje, speulen mit de kinder, repen en revotten in de haaide, vogelaaier zuiken en bic natten en kaolde mit vouten op plaode. Oompie leesde veur uut d' aalmenak, noabers kwamen teuten 'n mooie tied. En tou zy uutleerd haar, was ze weer aan boord komen en mos Jaantje bic oom Berend en taande Maarchien. Dei wazzen wies mit kinder, spiedluk dat zy ze zuls nait haren, nooit had ook". Naast prozaïst is Geert Teis dichter, die met de jaren aan kracht won. Vooral in zijn gedichtjes, — soms niet meer dan vier-regelige rijmpjes — toont Geert Teis vaak zijn gevoel voor humor. — En wanneer hij zich een grap veroorlooft, overschrijdt hij nimmer de grenzen, die een goede grap bepalen, overdrijft hij nimmer, doch doet hij het raak en gevat, zonder er den nadruk op te leggen. Volledig waardeeren kunnen we dit, maar nog meer doen we" het zijn fijnen geest in verschillende zijner liedjes. Geert Teis kent, gelijk opgemerkt, zijn taal. In één regel, soms in één enkel woord, wordt de pointe gelegd, onmiddellijk aansprekend, onmiddellijk als in een heldere flits zijn vreugde gevend. Als b.v.: „'t les en de laifde" uit „Opslag in Stoppellaand": Wichie staalt bic baone, scneuvels bln verroest; kraben, fokseln, valen, stennen en geproest! 'n Zwier, "n kras daor stait he: „waitst nog vleden joar??" kleur as am robaide, opleggen vot den maor! Daor gaait 't hen van kriskras — iraaot van 't scheuvellaid — aole scheuvels roesten, aole laifde nait". — Tot slot van dit artikel het tooneelwerk van Geert Teis. Debuteerend met „Dizzepie-Dizzepu" zal de schrijver nimmer hebben vermoed, dat hij den stoot zou geven tot zulk een vruchtbare beoefening van het tooneel-schrijven in het Groninger dialect, zooals dat momenteel het geval is. Echter dat, wat vele schrijvers tegenwoordig uit het "oog verliezen in het geven van blijspel- of Klucht-typen: de levensvatbaarheid, dat verloor Geert Teis nooit uit het oog. Het concessies-doen aan den smaak van het publiek was bij hem verre. Daarmee meteen overtuigend bewijzend, dat ook zonder dit veel-voorkomend verschijnsel waarachtig tooneel, waarmee succesen worden behaald, kan worden gegeven. Jammer is het, dat door het veelvuldig navolgen van Geert Teis' figuren, moet worden gesproken van standaardtypen. Hoewel het de werkelijke waarde van diens eigen werk, dat toch volledig origineel was, natuurlijk niet verkleint. Omdat de teekening zuiverder, de inhoud waardevoller is, het gegeven midden in het Groninger leven grijpt, steekt het dramatisch spel „De Grond" boven de blijspelen uit. Een blamage voor het Groninger dilettantentooneel is het, dat juist dit stuk zoo weinig gespeeld is. (Nadruk verboden.)* W. J. EELSSEMA. *) Uitgave Erven A. de Jager, Groningen. Geert Teis Pzn. (Verkleinde reproductie van krtjtteekening van G. A. Streurman, ontleend aan „Opslag in Stoppeilaand") --- HET ZOMERHUISJE IN DE SNEEUWJACHT DOOR J.P. BALJÉ Met halftoegeknepen oogen keek Olga van Maren naar de slanke, elegante figuur van Eddy Lumed, die, een sigaret in de hand waarvan een licht rookpluimpje opsteeg, beleefd naar de gastvrouw, haar moeder, luisterde. Olga was een volleerde flirt, die er haar liefhebberij van maakte, de mannen om haar slanke vingertjes te winden. Haar succes was even groot als haar ijver, wat geen wonder was, want niet alleen was Olga van goede familie en zeer gefortuneerd, maar ze had ook een natuurlijke charme en haar lief, knap gezichtje had al tallooze jongelui het hoofd op hol gebracht. Toen dan ook plotseling Eddy Lumei, die jarenlang in het buitenland had gezworven en van wiens j ach ta von turen een groote roep uitging, in haar wereldje zijn intrede deed, werd hij als een welkom nieuw slachtoffer door haar ontvangen. Hij zelf had er bitter weinig van gemerkt, dat hij haar welkom was. Want Olga had een bepaald systeem van verovering, dat tot nu toe nog nooit gefaald had. Ze was uiterst lief in den aanvang, maar scheen dan langzamerhand te bevriezen. Angstvallig waakte ze er echter voor, dat het slachtoffer haar nooit geheel ontsnapte. Maar ditmaal scheen het systeem te falen. Eddy Lumei was beleefd en vriendelijk geweest, zoolang zij dat óók was, maar toen de „bevriezingsperiode" was aangebroken, scheen hij eerst verwonderd en daarna werd hij uiterst koel. Een lichte „dosis" liefheid, die ze toen vlug poogde toe te dienen, hielp niet meer. Het fatale was in dit geval, dat zijn koelheid bewerkstelligde, wat de teedere verliefdheid en de smachtende blikken van anderen nooit hadden vermoogd: Olga was zelf tot over haar kleine oortjes „smoor" op hem geworden. Lang had ze gezonnen op het onfeilbare middel, waarmee ze haar doel zou bereiken En dat meende ze nu gevonden te hebben. Toen ze zag, dat haar moeder den gast even alleen liet, wierp ze hem één van haar mysterieus© blikken toe en toen ze sprak toonde ze haar parelwitte tandjes, die tusschen de bloedkoralen lipjes schitterden. — Ik hoor, dat je uifcgenoodigd bent om Kerstmis te vieren bij tante Bets. Ga je er heen? Hij maakte een nonchalante handbeweging. — Kerstmis op Je eentje is niet prettig, zei hij. Ik heb de vriendelijke Invitatie daarom graag aangenomen. — Ik ben ook van de partij. De oudelui blijven liever thuis, dus ga ik alleen In den wagen. Als je misschien lust hebt, met me mee te rijden? Ze sloeg de oogen neer, om niet de spanning te verraden, waarmee ze zijn antwoord afwachtte. — Och, kwam hij voorzichtig, 't Is altijd prettiger, dan in die propvolle treinen. Als 't je dus niet te lastig i 5.... Ze stond op, bang, toch nog de vreugde te verraden, die zijn besluit haar gaf. — Allright! besliste ze kortaf. Kom dan den dag vóór Kerstmis na den lunch om een uur of drie. 't Zal zoowat vier uur rijden zijn, we kunnen dus tijdig arriveeren. Tot ziens, Eddy. Dat was de voorbereiding.... Snel gleed de prachtige wagen over de gladde, besneeuwde wegen. Zij zat achter het stuur, den blik strak op den weg gericht. Hij zat naast haar, zonder te spreken. De storm joeg de natte sneeuw in vlagen over den weg en al heel vroeg werd het donker. Het land was in een troosteloos waas gehuld. Een uur lang reden ze al zoo. — Wil je de auto even laten stilhouden? Het waren zijn eerste woorden, sinds ze waren weggereden. — Wat wil je? vroeg ze norsch. — Vrouwen aan het stuur is aardig op zonnige, zomersche dagen. In het donker en met dit weer is het mannenwerk. Daarom zal ik sturen. Ze beet zich op de lippen van ergernis. — Nonsens! weerde ze af. Belachelijk. Ik denk er niet aan! Maar hij was al opgestaan en met zachten dwang schoof hij haar opzij. — Wat heb je er tegen? vroeg hij kort. Ze zag, dat hij vastbesloten was en met wanhoop in het hart nam ze zijn plaats in. Nu.... nu zou alles mislukken. Met het hoofd tegen den zijwand geleund trachtte ze naar buiten te kijken, om hem de tranen, die in haar oogen verschenen, niet te laten zien. Razend snel vloog de auto weer voort, ze merkte, dat hij een prima bestuurder was. Na een half uur sloeg hij een zijweg in. Vlug greep ze zijn arm. — Je rijdt verkeerd! riep ze. We moeten rechtdoor. Maar hij schudde het hoofd. — Dit is een kortere weg, antwoordde hij kortaf. De wanhoop in haar hart nam toe. Hij negeerde haar, nooit, nooit zou het haar lukken. Ze snikte zacht, zoodat hij onrustig naar haar keek. — Is er iets? hoorde ze zijn stem. Ze wilde hem een bits antwoord geven, maar toen gebeurde het kleine ongeval, waarover hij zich bittere verwijten maakte naderhand. Misschien kwam het, doordat zij zijn aandacht had afgeleid, misschien reed hij te snel en slipte de auto een weinig, maar in ieder geval reed de wagen in een greppel langs den weg. Zijn forsch remmen en het omgooien van het stuur hadden alleen tengevolge, dat het incident nog betrekkelijk goed afliep, maai- konden niet voorkomen, dat de wagen met den kop in de modder zat. Snel gooide hij ,t portier open, hij sprong lenig op den weg en hielp haar toen uit den wagen. Met opeengeklemde lippen nam hij de situatie op. — Ik vrees, dat het een droevige Kerstnacht wordt, zei hij somber, dat ding krijgen we niet meer op den weg zonder hulp. En die is hier ver te zoeken. Even scheen hij uit het veld geslagen, toen hij zag dat de tranen haar over de wangen liepen. — We moeten zien ergens te schuilen, stelde hij voor. Ze liepen den weg op. De sneeuwj acht werd feller. Met de minuut werd ze wanhopiger. — 'k Zie daar een huis, zei hij zonder veel enthousiasme, toen ze tien minuten hadden geloopen. Maar alles is donker. — 't Is een zomerhuisje, zei ze schamper, daar is natuurlijk niemand in. De deur was gesloten. Ze liepen om het huisje, nergens was licht te bespeuren. Resoluut stapte hij op de achterdeur toe en sloeg een ruitje .in. Hij stak zijn arm door het gat en kon de deur toen openen. — We moeten hier even schuilen, zei hij. Als het noodweer ophoudt, kunnen we verder. Den eigenaar zal ik mijn excuses wel maken, en als ik de situatie vertel zal hij die zonder twijfel accepteeren. Ze aarzelde, maar trad toch binnen. Toen ze de sneeuw niet meer voelde, scheen ze op te leven. Eddy trad een kamer binnen en knipte het licht aan. Ze zetten zich in een paar gemakkelijke stoelen. Het was een knus salonnetje. Vijf minuten zaten ze zwijgend en hij vermeed het, haar aan te zien. Toen hij eindelijk opkeek, merkte hij, dat ze huiverde. Direct stond hij op. — Ik zal eens even zien, of er ergens hout is, zei hij. 't Is wel een zomerhuisje, maar je kan nooit weten, en dan kunnen we hier allicht een vuurtje maken. 'Er is een haard, zeker voor koude nazomerdagen. Hij wachtte haar antwoord niet af. Even later verscheen hij weer, de armen vol hout. Handig legde hij het vuur aan, dat vróolijk opvlamde. Na tien minuten was er een behaaglijke warmte in het vertrek. Een weldadig gevoel doorstroomde haar. Hij was intusschen naar de ramen geloopen en keek naar buiten. De storm nam nog in hevigheid toe, sneeuw vermengd met hagel, joeg tegen de ruiten en met een norschen trek op het gezicht liep hij terug. Zonder iets te zeggen, verdween hij weer en ze hoorde hem nu in de keuken bezig. Ze hoorde het geluid van pannen, en een minuut of tien later kwam er een braadlucht in haar neus. — Ik heb eens rondgeneusd, zei hij, toen hij met een paar borden, waarop gebakken eieren en ham, terugkeerde, en ik vond dit. Je zal wel honger hebben en later vergoed ik het wel aan den eigenaar. Het is een geval van force majeure. Ze knikte, niet in staat zich tegen zijn wil te verzetten. Bovendien had ze een verschrikkelijken trek en alles rook zoo lekker — Je kunt uitstekend eten klaar maken, prees ze. Voor het eerst dden avond zag ze hem lachen. — In de wildernis leer je zooiets wel, deed hij verlegen. Nooit had ze gedacht, dat hij zou kunnen blozen. Toen alles opgegeten was, bracht hij den boel weer weg. Ondanks de scheeve situatie en ondanks haar wanhoop van het begin van den avond, voelde ze zich nu als een koningin. Ze zaten weer bij elkaar en rookten een sigaret. Plots sloeg hij zich voor het voorhoofd. • — Dat ik daar niet eerder aan dacht, verweet hij zich. Snel keek hij rond. In den hoek van de kamer stond een telefoon. Hij liep er heen en ze volgde zijn bewegingen in spanning. Hij nam de hoorn op en luisterde. Na eenige oogenblikken wierp hij het ding moedeloos neer. — Blijkbaar stuk, zuchtte hij, Ik had willen telefoneeren om hulp. Jammer. — We kunnen hier niet weg, was zijn conclusie. Het beste lijkt mij, dat jij het je hier op den divan wat makkelijk maakt. Je kunt mijn jas over je leggen. Ik heb een paar makkelijke stoelen gezien in de andere kamer. Daar breng iik den nacht dan wel in door. Weer knikte ze. Wat kon ze anders doen? — 't Is een prettige Kerstnacht, zei hij schamper en alles door mijn schuld. Ellendig! Bij de deur draaide hij zich om. — Welterusten, Olga! — Welterusten, Eddy! Toen ging de deur dicht en gaf ze zich over aan haar droomen. Den volgenden morgen al heel vroeg werd ze wakker. De zon scheen in» mer, en ze hoorde Eddy al weer b€Zr*L]ii, Toen ze ook in de keuken *w wenschte hij haar met een tikje hu»0* zn stem een „Prettig Kerstfeest". Ma» het eten verdween die humor. . — Beste kindje, zei hij, ik heb je i» uiterst onaangenamen toestand &cbr Ik zie maar één middel: we zullen verloven en trouwen. Je goede naafli.«' Ze viel hem in de rede. .nw — Jawel, ik ken dat. De publieke veroordeelt zulke situaties, ook al wetyai. geen omstandigheden. Maar is het leen om mijn goeden naam? vroeg ze> bevend wachtte ze op zijn antwoord. Hij kreeg een kleur. ..]ej! — Alleen daarom zou ik met je W" {, trouwen, zei hij vast, maar.... Hij te even en keek haar aan. Ik hou ook je, zei hij eenvoudig, en misschien het met me probeeren? Ze snikte zacht van geluk. Dus toch.*'' Zijn handen beroerden haar lokken. — Olga, zei hij, haar kussend. c. Maar na het eerste geluk won zijn Pra tische geest het. — Ik ga direct naar den wagen zei hij, maak jij je intusschen gereed, °* Tot straks. Met een juichend hart maakte ze verdere toilet in orde. Ingelukkig K€elc.bt de kamer rond, die haar het geluk gebral had. Toen viel haar oog op een klein stuw papier, dat in een hoekje van de scnoo steenmantel lag, en dat ze den v°n^ avond niet hadden opgemerkt Het * . een briefje. Ze las het, en een vreemde ui drukking kwam in haar oogen. Ronkend reed even later de auto vo°rLe{ — Het viel erg mee. Gisteravond in & donker en bij dat noodweer leek alles erg dan het was, riep zijn vroolijke stem. K vlug, kind! Ze liep naar buiten, maar stapte niet «" Zwijgend reikte ze hem het briefje. „Geachte meneer Eddy, ju Alles heb ik in orde gebracht, 7a°Z. U mij hep bevolen. Hout is in de ltfjj ken, brood en ham en eiers staan inj> kast. De telefoonverbinding is verbT° ken. Ik hoop, alsdat U tevree zal we^,1, Van der Werf' té Hij beet zich op de lippen en verm*8" het, haar aan te zien. * — Het was dus een vooraf beraamd vroeg ze koud. Hij knikte onbeholpen. Dan stapte ze in. , — Rijd me naar tante Bets, zei ze K<* Het scheen, dat hij nog wat zeggen de, maar toen hij daar donkere oogen &*! startte hij met een moedeloos gebaar. zwijgend als den vorigen avond reden »•' en ditmaal was er wanhoop in zijn hart- En nog andere dingen van den vorig*"* avond schenen zich te zullen herhaie1* Want nu legde zij plotseling haar hand «" zijn arm, en verzocht hem stil te houden — Wou jij rijden? vroeg hij kleintjes. — Nee, ontkende ze. Toen wees ze op cc klein landhuisje, vlak bij den weg. — Zie je dat huisje? vroeg ze. Verwonderd keek hij haar aan. — En? vroegen zijn oogen. In de hare tinkelden lichtjes. n — Dat is mij n landhuisje. zouden we zijn gegaan als m ij n plan Se lukt was. , Een minuut zat hij beduusd. Daarna scheen hij te begrijpen. ? —Dus jij had hetzelfde plan..'' bracht hij stotterend uit. t — Ja! lachte ze, ik dacht, dat je ni« van me hield. En ik hield zoo van i En daarom wilde ik jou ook dwingen. — En ik dacht hetzelfde van jou. Toe1' keek hij haar aan. Maar waarom was i dan zoo even zoo koud, toen je dat ik met dien goeien Van der Werf afgesproken Ze liet hem niet uitspreken. > — Had je dan niet een klein beetje str**, verdiend? kwam ze coquet. Zoowel voor 1 hartelooze houding van de laatste maan den, als voor de streek van gisteravond? Hij grinnikte. — Jij had hetzelfde plan, dus dan nfi jij ook straf verdiend, zei hij, en hij n»" haar tegenstribbelende gestalte in zijn ar men en strafte haar op zijn manier. *£ wagen bleef tien minuten langs den *** staan.... (Nadruk verboden.) (Auteursrecht voorbehouden.) --- De acrobatenfamilie versiert haar Kerstboom. ---