Nieuwe Prov. Gron. Courant van Zaterdag 24 Aug. 1940, no. 200 - 2de blad --- DEN BLIK OMHOOG. Den blik omhoog, o volk van God, Waar wending wacht van kruis en lot! Omhoog alleen ligt 't Land der rust, Het oom van ware levenslust! Omhoog uw blik, naar 't blij verschiet, Naar 't eindloos durend vreugdgebied, Waar alles jubelt, ongeremd. En God ter eere samenstemt! Den blik omhoog naar 't smetloos schoon, Waar harmonie in taal en toon, In klankgeruisch en lofaccoord, De zielen ongekend bekoort! Omhoog uw blik met biddend hart, Als 't moet, door weg van leed en smart! Omhoog ligt, door Gods gunst bereid, De woning uwer zaligheid! Den blik omhoog, omhoog gericht! Het heil aanschouwt in vergezicht, Waar Vader, Zoon en H e il'g e Geest, Drieëenig leiden 't Sionsfeest! Omhoog dan aller blik gewend Ten Hemel heen, in blij Advent! Totdat in al die heerlijkheid, Gods Zoon u juichend binnenleidt! H H Zuidlaren --- Een rijke invitatie. Komt hemoaarts tot Mij. Matlh. 11 : 28m. Onuitsprekelijk rijk en schoon is de uitnoodiging, die onze Heere Jeaus Christus hier tot allen richt, die vermoeid en belast zijn. Zoo onze zonden ons vermoeien en onze schuld tegenover God ons als een zware last op de consciëntie drukte, zoo de wet ons verdoemehjk voor Gods rechterstoel blijft stellen, ondanks al ons pogen tot zelfverlossing, zoodat elke weg tot ontkoming geblokkeerd schijnt, dan komt ac noodiging tot ons om ons tot Jezus Christus heen te wenden. , ~ In deze invitatie ligt het gansch bizondere van den Heiland. Daar is nooit op deze aarde door eenig menschenkind alzoo gesproken. Daar waren in de loop der eeuwen wel vele godsdienststichters en groote wrjsgeeren, die mach'ige, indrukwekkende woorden gesproken hebben, maar daar blijft steeds een hemelsbreed verschil tusschen hen en Jezus Christus. Zij noodigen de vermoeiden en belasten ook wel tot zich maar dan toch altijd zoo, dat zij niet naar zichzelf verwezen, maar naar een leer, een verheven waarheid, een troostbrengend stelsel, waarvan het volgen het licht in 's levens duisternis deed opgaan. Zij wezen tenslotte van zichzelf af naar iets anders, waarover zij niet vrijelijk konden beschikken. Zij waren hoogstens wegwijzers, die de goede koers aanwezen, terwijl het betreden van de weg voor hun volgelingen bleef. De Heiland alleen wijst op zichzelf. Hij breidt de handen uit en roept ons toe: Komt herwaarts tot Mij! Hij verklaart openlijk, dat in Hem alles gevonden wordt, wat waarlijk rusc kan geven en uit alle moeite bevrijdt. Hij alleen kon zoo spreken, omdat Hij in volle omvang weet, wat het zeggen wil vermoeid en belast te wezen. Dit is immers juist de rijkdom van zijn genade, dat, Hij de zondeschuld der wereld op zich geladen heeft, om volkomen kwijting daarvoor te doen voor allen, die op Hem hun gansene betrouwen zetten. Hij heeft de last van onze zonde, van de toorn des allerhoogsten van de vloek der wet op zich genomen, toen Hij °P de schandheuvel Golgotha aan het kruis gehageld werd en onder deze zware last is Hij bekeken. Hü heeft zich met volle energie ingespannen om öe porideliike wet volkomen te vervullen en als de WpHp Adam te doen, wat onze eerste voorvader «chandehik had verzaakt en in deze opzet is Hij zooaat Hij een volkomen ge- ShtSneil voor een verloren menschheid gewon" van al onze honger en kommer ligt in^e°ozondt en"juist da-jgJJ-gg> mach neemt het Lam Gods weg, zoodat er waaihjk ïust BTnhJ«iTdoorr£!ü? lUcfelijk en dadelijk volbrengen van alfes? wat tot een volkomen verlossing van noóde was, komt zijn concrete boodschap to ons dip vprmnpiH en belast zijn. Komt tot Mij! Staakt uwllde Togen om zelf uw schuld te betafenTn uw gerechtigheid voor God te verwerven. g\] "oud* uw-schuld slechts meerder maken. Werp uw last vrijmoedig en blijmoedig op Mij. Laat Mij uw Middelaar en Zaligmaker zijn, die de oorzaak van al uw onrust wegneemt Komt herwaarts tot Mij! Ook het kleine woordje „herwaarts" is in dit verband teekenend. Het zegt klaar en onweersprekelijk aat niemand van ons van meetaf bij den Heere Jezus is. Daar is een kloof tusschen Hem en ons, maar Godlof, geen kloof zonder brug. Alleen maar, we moeten de brug over. We moeten tot oen Heiland komen. Daarop komt alles aan. Het doet er minder toe, hoe gij er komt. Er zijn kinderen Gods, die met vaste tred en doelbewuste gang tot den Heiland komen en in een weiverzekerd geloot' en ongeschokt vertrouwen zijn gemeenschap smaken. Er zijn ook Christenen, die als met ingehouden tred naderen en schoorvoetend zijn uitnoodiging aanvaarden. Zij gevoelen in en onder alles, dat zij niet zonder Hem kunnen, maar toch missen zij vaak de blijde durf om de hand des gelooi's op deze rijke invitatie te leggen. De hoofdzaak blijft echter, dat we komen, dat er een persoonlijke band komt tusschen Christus met al zijn schatten en gaven en ons met al onze armoede en schande. Daarom is het van de grootste beteekenis, dat wij komen. Daaraan hangt onze uiteindelijke zaligheid. Maar misschien vraagt ge, aan wie dit voorrecht beschoren is? De Heiland zegt het zoo duidelijk mogelijk. Zijn uitnoodiging is zoo ruim en tegelijk zoo beperkt mogelijk. Allen mogen komen, van welk volk of ras, van welke rang of stand ook. Niemand wordt uitgesloten, hoe donker ook zijn verleden was, hoe zondig ook zijn heden is. Een moordenaar, die reeds aan het kruis hangt, vindt hier nog volkomen verlossing, zoo hij zich volkomen aan de ontferming van Christus overgeeft en niet minder een rustige, brave rentenier, die nimmer een der geboden der burgerlijke samenleving overtreden heeft. Rijken en armen, ouden en jongen, geleerden en ongeleerden, allen mogen komen. En toch is er één groot beding. Zij moeten vermoeid en belast wezen. Wie zijn zonde voor God niet belijdt, wie nooit door al het onheilige van zijn bestaan gedrukt werd en zijn schuld nimmer heeft beweend, vindt aan de bruiloftstafel van het Lam geen plaats. Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode. Voor rijken en zelfgenoegzamen heeft de Heiland geen andere boodschap dan het oordeel en het zevenvoudig „Wee u" eens tot de Farizeen en Wetgeleerden gericht, dreunt hen in de ooren. Wie zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen. Allen echter, die hun zonde niet bedekken en met den dichter kunnen belijden: 'k Beken o Heer aan u oprecht mijn zonden, 'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd [gevonden, Maar ik beleed na ernstig overleg Mijn booze daan zullen ondervinden, dat Christus deze vermoeiden in de ruimte leidt en een gewaad des lofs bereidt een benauwden geest. Wie zijn invitatie opvolgt, deze concrete, persoonlijke noodiging, tot Hem klinkt de boodschap: en Ik zal u rust geven! A. D. R. POLMAN. --- FEUILLETON DE BEKEERING VAN NICK TREBARTHA door JOSEPH HOCKING 22) " Ja dat doet " wel. Stel u voor, de dochter van Sir George Redfern, een van de rijksten en voornaamsten in Lancashire, komt van Ben s Cross in den avond naar Mythamroyd geloopen. Al wil u een vrouwelijke prediker zijn, dan zou u er toch een auto op na kunnen houden en uw bezoeken op die wijze met wat minder vermoeienis kunnen maken." . „Daar heb ik al dikwijls over gedacht. Het is natuurlijk geen geheim, dat mijn vader zeer gefortuneerd is, en ik van mijzelf een vrij groot inkomen heb. Ik houd ook van chauffeeren, en ik zou al een auto genomen hebben, maar om een reden heb ik het gelaten." "ï" ben bang', dat ik den invloed, dien ik nu heb er door zou kunnen verliezen. De meeste ïffift-?30 -S-S hïï%J?s£» «enigen tijd, toen vroeg zij °P„Waarom is n toch zoon kluizenaar, meneer Trebartha?" ~ . . hpn » „Ik geloof niet dat■» d« ben hier en ..■a. u is het wel. ik nuui, u«. overal geïnviteerd is geworden, en dat u elke vn nooüignig heeft geweigei-d e „Dat ls, omdat ik eerst»4-» f -t be_ Van mijn zaken wU Mjn. èn dut |m te mij zei, •Migar Inchcliffe op zestic 11 vatten totbesloot ik mijn werk met er ™* Wantten, öat ik mijn zaken door en door ye* sta. „Edgar Inchcliffe! Kent u die.' „Maar heel weinig." . Muriel Redfern zei niets. „Kent u hem?" vroeg Nick. Nog zei ze niets; het leek, alsof ze bang was, die eenvoudige vraag te beantwoorden. „Het is het laatste huis in deze straat," zei ze toen opeens. „Aan de rechterhand. Zou u daar willen stoppen?" Een minuut later stopte Nick. Zij waren bij het huisje van Ruben Sutcliffe. • „Zou u niet met me naar binnen willen gaan?" vroeg1 Muriel Redfern. „Met u naar binnen gaan?" herhaalde hij. „Ja, als je Wielt.'' „Maar zij mochten er eens op tegen hebben." „Neen, dat zullen zij zeker niet; en u zou er misschien veel goed mee kunnen doen. Gaat u, als je blieft, mee." --- BRIEVEN UIT GRONINGEN Amice. Geheel onopgemerkt gaat de 28ste Augustus dit jaar toch niet voorbij. Uiteraard sloeg mijn opmerking van verleden week alleen op openbaar feestbetoon of wat dan gemeenlijk voor feestbetoon wordt versleten. Een kermis kan men daaronder moeilijk verstaan. „Patrimonium" belegt een samenkomst, waartoe reeds enkele maanden geleden besloten was. Als spreker werd toen gevraagd Mr. Linthorst Homan, onze Commissaris, die zich bereid verklaarde, het woord te richten tot de vergaderden, die er ongetwijfeld in grooten getale zullen zijn. Als tweede spreker komt Ds. Van Dijk, naar wiens woord evenzeer met belangstelling zal worden geluisterd. In moeilijke tijden, als wij beleven, kan het goed zijn, neen is het goed, een bad in de historie te nemen. Mits natuurlijk de historie goed belicht wordt. We zien dan, hoe in vroeger jaren onze voorvaderen ook in zware tijden hebben gezeten en hoe God de Heere, vaak op ongedachte wijze, uitkomst schonk. „Patrimonium" — het is overbodig, tot bezoek op te wekken — kan dan ook een goede samenkomst hebben. Wat het beleg van Groningen in 1672 betreft, men weet allicht, dat het duurde van 9 Juli tot 28 Aug. Dat is niet zoo heel lang. Maar evenals in de oorlogen van dezen tijd vielen er ook veel dooden, verhoudingsgewijze niet minder dan nu. Men moet rekenen met het feit, dat het oorlogsmateriaal nog niet was geperfectioneerd, zooals thans. Om de oorlog in de lucht niet eens te noemen. Het beleg heeft den vijand heel wat gekost, terwijl de verlieen in de stad betrekkelijk weinig beteekenden. Wie de historie precies beschreven wil zien, leze „Voor vrijheid ende vaderlandt", het gedenkboek van Groningens archivarus, dat in 1922 verscheen, toen het 250 jarig ontzet werd herdacht met een feestweek, die klonk als een klok, naar velen zich nog zullen herinneren en waarbij onze Koninklijke familie de eerste dagen ook tegenwoordig was. Ook in oude papieren kan men nog wel eens het een en ander vinden. En zoo kom ik op de verliescijfers, waarvan boven werd gesproken. Onze abonné, de heer J. M. H. Hopma, die gaarne in oude paperassen snuffelen mag, vond namelijk gegevens, tusschen de kerkeraadsverslagen der . kerkelijke registers van Bellingeweer en Ranum , ingelascht, welke gegevens hij ons ter publicatie ; afstond. Een korte mededeeling slechts, maar in l haar soberheid toch veelzeggend. De opmerking in dat kerkeraadsverslag luidde • aldus: [ Anno 1672. Den Juli is Harmen Joosten, in de belegeringe van Groningen, in gedachte stadt met den 24sten kougel doot geschooten, in de ebbingestraete. De vijant was op dinshdach den 9 Juli voor Groningen gekomen met een armee (na de gevangenen en overloopers vermelden) van 22000 mannen, quiteerende de beide Bisschoppen van Ceulen en Munster, de stadt op Saterdagch den 28 Augusti, nadat sij deselve seer hart ses weeeken min drie dagen belegert en met gloyende kougels, swaere bomben en granaten, item stmckpotten, seer sterck beschooten hadden; naelatende 4530 dooden 1426 gequetsten 600 overloopers binnen Groningen en 5000 verloopen na andere provintien Somma 11556. Zooals men ziet, zijn deze cijfers voor een beleg van zes weken in dien tij d niet mis. Meer dan de helft van het leger van den vijand was m die zes weken, hoe dan ook, onschadelijk gemaakt. Het was dus geen wonder, dat Bommen Berend, die bovendien last had van het zeer overtollig vallend regenwater in die maand, waardoor zijn kamp, dat zeer laag lag, overstroomd werd en er ziekte onder zijn manschappen kwam, met bebloeden kop moest terugdeinzen en op Coevorden terugtrekken, dat enkele maanden later, juist op Oudejaarsdag, bij verrassing hem ontnomen werd. Wie Coevorden bezoekt, bekijkt natuurlijk even het monument, dat ter eere van den schoolmeester Meindert Minnes van der Thynen daar werd opgericht. Ja, een bad in de historie van ons land kaï verfrisschend werken. En dan moet vooral nie vergeten worden de historie van den Franschei tijd. die merkwaardig veel overeenkomst ver toont met die van onze huidige dagen. Een ver gelijking is zelfs zeer frappant. Alle vergelijkin gen gaan mank. Dat is hier ook het geval. Maa: de overeenkomst is treffend. Alleen lijkt het e: op, dat er thans in den lande méér weerstand - dan toen. dank zij de Christelijke pers, dank zij de Christelijke organisaties, dank zij de voorlichting, die alom gegeven wordt, dank zij de verbreiding der Christelijk Nationale beginselen Het is vurig te hopen, dat die weerstand blijve God verhoede, dat de historie van toen zich herhale en dat we het ten onzent mosten beleven dat we onder den voet zouden worden geloopen door Nederlanders, die meenen. van de gegeven situatie partij te kunnen trekken voor hun opvattingen. Opvattingen, die onder ons volk niet leven, althans bij negentig procent niet. Gelukkig is men in den Christelijken kring alom op zijn qui vive. Wij weten niet wat het onzen God behaagt met ons te doen. De toekomst Ls voor ons verborgen. Wij leven als het ware bij den dag. Maar nooit moet van het Christelijk volksdeel gezegd kunnen worden, dat het zich vrijwillig heeft overgegeven; dat het bezweken is voor intimidatie, welke thans zoo gretig bedreven wordt. Als ons verdrukking zou worden opgelegd, dan hebben we die te dragen in de kracht Gods. Maar we moeten ons door Nederlanders, wie dat dan ook zijn, niet laten wijs maken, dat ons veel zal worden „opgelegd", als we niet vrijwillig ons geven. Want we hebben de stellige verzekering van den bezettenden autoriteit, dat ons volkskarakter zal worden gehandhaafd en dat aan onze onafhankelijkheid niet zal worden geraakt. — We nemen dus een verfrisschend bad in de historie van ons land en volk. Maar meteen staan we met beide voeten in de werkelijkheid van het heden. Een werkelijkheid, die moeilijkheden genoeg geeft. Van allerlei aard. Vandaar, dat, we spraken er verleden week reeds over, het zoo goed is, dat wij massaal bijeenkomen Over enkele dagen zal dat het geval zijn. Donderdagmiddag gaan de duizenden naar het Be- Quick terrein. Het Ls water naar zee dragen, om nog een enkele aanbeveling te uiten. Duizenden toegangskaarten zijn gedrukt. Op den dag, dat dit wordt geschreven, dat Ls een week vóór dato, zijn er reeds duizenden, bestelde kaarten verzonden. Andere duizenden volgen. We willen hopen dat het weer wil meewerken en het beter is dan de laatste weken, nu het wel herfst lijkt. Maar de ommekeer kan er zóó komen. En is dat niet het geval, dan trotseeren we wind en regen. Zoon massa kan niet onderdak gebracht worden, dus moeten we wel in de open lucht blijven. Het zal een goede samenkomst zijn. Dat staat reeds vast. Aan het eind der volgende week is de herdenkingsdag — 31 Aug. — dien wij elk jaar zoo opgewekt hebben gevierd. Dat kan nu niet. Men weet, welke orders zijn uitgegaan van de Duitsche autoriteiten. Men houde zich er aan. Geer vlaggen, geen oranje, geen demonstratie van bepaalde bloemen. Wij zullen gehoorzaam zijn Maar, om te spreken met den waarnemender burgemeester van Hilversum, we dragen oranjf in het hart. Dat is ook gezegd op een van dage lijksche persconferenties, die in Den Haag van wege de Duitsche autoriteiten gehouden worden: u kunt oranje in het hart dragen, maar geen demonstratie. Nu, dan niet. Men kan de liefde toch niet uitblusschen. Het is ook de bedoeling niet. De motieven der Duitsche autoriteiten kan ieder weten, want zij hebben die zelf gepubliceerd, vorige maand. En — wij bidden. OBSERVATOR. --- HOOFDSTUK XI. Sutcliffe’s vraag. Het huisje leek op wel duizenden andere, die men in alie groote fabriekssteden vindt, en et* waren zeker wel honderd net zoo in die straat. Het was een hoogst eenvoudig huisje met vier vertrekken en een gang. De gang was lang en smal. Aan de rechterhand was de deur, die naar de zijkamer leidde, en daar achter lag de keuken. Boven waren twee slaapkamers. Muriel Redfern, die blijkbaar op goeden voet stond met de familie Sutcliffe, deed de voordeur open en liep door naar de keuken, gevolgd door Nick. In de keuken bevonden zich twee meisjes. Het eene meisje zat in een gemakkelijken stoel te naaien, het andere zat op een bankje bij den haard te lezen. Niemand die ze voor het eerst zag zou de meisjes voor zusters gehouden hebben. Het eene, dat voor den haard zat, stond op en keek Muriel vragend aan. Dat was Bella. Geen wonder, dat zij de „belle" van Ben's Cross genoemd werd. Het zou moeilijk geweest zijn, ergens een knapper meisje te vinden. Ze was groot en forsch en zou als model voor Juno hebben kunnen dienen en bij haar vergelijken leek haar zuster bijna een kind. Toch was Nellie eigenlijk nog mooier dan haar zuster. Terwijl deze aan een roode roos in vollen bloei deed denken, herinnerde Nellie aan een zacht getinten rozeknop. Hoewel Nick al een maand in de stad geweest was, had hij ze nog niet eerder gezien, en hij kwam onwillekeurig onder den indruk van de buitengewone aantrekkelijkheid van de oudere zuster. Toch maakte zij geen aangenamen indruk op hem. Zij herinnerde hem te veel aan Ruben Sutcliffe, zooals hij hem op zijn kantoor gezien had. Nellie wekte echter zijn gevoel van ridderlijkheid op, te zamen met een gevoel van medelijden. Blijkbaar hadden de meisjes Muriel Redfern verwacht, maar waren verbaasd, Nick te zien „Dit is meneer Trebartha", Zei juffrouw Redfern. „Hij was zoo vriendelijk, mij hier naar toe te brengen, en toen heb ik hem gevraagd, of hij even mee naar binnen ging. Dat vonden jullie zeker wel goed. Ik dacht, dat jullie hem wel graag wilden ontmoeten." Nellie Sutcliffe begon te lachen en haar glim- ÜCii maakte haar nog mooier. Ze was maar een heel eenvoudig meisje, maar ze maakte een induik van beschaving. Nick zag. dat ze blij was w«wS«wZ_ Stak hen?..daarop haar hand toe. RPÏH9- Jk zlJn we bllJ meneer te zien, hè. •tsena.' zei ze. woorri n£dtr- meisje, gaf daar niet direct antriP h ,niP" J vestl6de naar B'roote doordringender & °ogen °0.Nick- als wilde zij er ach'aanTn VMar°?Dhli Te naar binn™ was gegaan en of Muriel Redefrn geslaagd was stoeT L?f gaan zitten?" vroeg ze en zette een vraaa Tn m&*l zij beantwoordde de viaag van haar zuster niet. doen"^ £ datJlever maar niet moet en ik hPn iïï pk- "Ik heb het n°S dluk vanavond, datiuf?„feR"^eêge»aan' omdat ik niet wilde' ruo-lien r> W dien heelen weg weer tegeleSi kom'-1 g' hier 00k wel wat on" onSldTg^1 niet>" antwoordde zij, eenigszins »ü heeft misschien wel met juffrouw Redfern over ons gepraat, en wat denkt u nu te '"Joen?" voegde zij er aan toe. Zij zei dit op wel wat uitdagenden toon, Alsof zij het hem duidelijk wilde maken, dat zijl aan niemand een gunst zou willen vragen . „Het was tegen mijn zin," vervolgde zij, ~dat juffrouw Redfern naar u toeging. Ik zou' «öf nooit gegaan zijn, en u moet niet denken. c'ai wij u iets zullen vragen, nu u toch hier is.." „Och, meneer, let u, als je blieft, niet o-d w.itl mijn zuster zegt," kwam Nellie er nu tusitcheii-l „Ik ben bang, dat zij zich niet goed voelt, van'l avond." „Ik mij niet goed voelen! Onzin! Ik benj nogrl nooit van mijn leven ziek geweest, en dat weetl je ook wel; maar we hebben anders ellend'i ge-1 noeg, want Ruben is moeilijk, om mee ojm tel gaan." „Hij mag wat ruw tegen anderen zijn. anaarl hij is het nooit tegen mij. Ruben is de bestel broer, die er bestaat," zei Nellie nu. „Ik zeg niet, dat hij geen goede brce*r is. ,was Bella's antwoord; „maar hij zou het nooit gt>ed opnemen, als wij gunsten van iemand, aannamen, en dat weet jij ook wel, Nellie." „Ik hoop in ieder geval, dat meneer Trebartha Ruben niet de bons zal geven. Dat ?al u toch niet doen. Ls het wel, meneer?" en Ne'il'e keek Nick smeekend aan. „Ik heb juffrouw Redfern betojfd dat ik niet 9 overijld zal doen," antwoordde Nick maar „li broer maakt het mij heel moeilijk "' omwond™1«ifee?rp!?fd WWman?" riep Bella opgewonden uit. „Heeft u /emand op de fabriek die zijn vak zoo goed verstaat?" antwoo^de^Nlck^n^1 '*£? Soed werkman *»>" maakt' ne?ftVhem tot een stokebrand ge- MvthammvH8 U lMt noemt? Hier wOOnt u op met bediPnLeen PrachtiS ouderwetsch hui? vader te dankpnt «ru sefc5efc niet alles aan n'Ün vaaer te danken? Was het niet zijn uitvinding, die uw oom zoo rijk heeft gemaakt? Dacht u, dat Ruben dat niet wist? Als het rechtvaardig toeging in de wereld, dan zou u hier wonen, en wij op Mythamroyd." Zij zei dit alles op uitdagenden toon, maar misschien geloofde zij er eigenlijk niet de helft van. „Ik vrees, dat ik geen twistgesprek met u daarover zal kunnen beginnen," antwoordde Nick. Het feit blijft nu eenmaal, dat er een zware verantwoordelijkheid op mij rust, en ik aoen moet, wat mij het beste lijkt." „Ik ben geen Bolsjewist,"' zei het meisje, terwijl zij blijkbaar niet op Nicks woorden 1 maar 't bevreemdt me niet. dat sommigen het zijn. Misschien zou u het ook geweest zijn, als u in Ruben.'s piaacs was geweest." Voor Nick kon antwoorden, klonk er een vlugge voetstap in de gang, en Ruben Sutcliffe trad binnen. Het eerste oogenblik nam hij geen notitie van Nick, of van iemand anders behalve Nellie Hij liep vlug naar haar toe; nam haar hand in de zijne en keek haar aan. „Gaat het goed?" zei hij, en er was een teedere klank in zijn stem. ,Jk voel me patent," antwoordde zij maar zie je niet, wie er is?" Ruben vestigde zijn groote, zwarte oogen op Muriel Redfern en Nick. Hij stak zijn hand naar Muriel uit en keek haar niet onvriendelijk aan. „Ik ben blij, je te zien Sutcliffe," zei'Muriel „We hebben elkaar nog nooit eer■gier gesproken." „Neen, maar ik heb veel van u gehoord, en ik beVlank u voor uw vriendelijkheid jegens mijn ?zusters. Nellie vooral houdt veel van ..Mviar u heeft niet zoo heel veel met mij op," zei Mi'riel lachend. „Vrcwiwen, die preeken, en eigenlijk alles, wat jn-eek'in is, is niets voor mij," antwoordde hij en lachte verlegen. Daarop wendde hij zich tot Nick en keek hem uitdagei.vi aan. Hij scheen niet te begrijpen, waarom deze er was, en ongedecirieerd, hoe hij hem zou raceten behandelen. v ( (Wordt .vervolgd.' --- VOOR DE JEUGD IN DWERGENLAND. Achter de hokus-pokusbergen Wonen de Lilliputterdwergen. Hun koning heet Jan Tierelier. Hij draagt een kroon yan goudpapier. Die koning woont in een kasteel. De balken zijn van pijpkaneel. De muren zijn van chocolade Er. il de vensters van sucade. Soms wil de koning rijden gaan. Dan spant men vlug de rij koets aan. De paarden zijn vier groote krekels. Bent ras, maar wel erg wilde rekels! Zoo gaat de koning Tierelier De stad door rijden met veel zwier. De koets dat is een notedop. Twee palfreniers staan achterop. Achter de hokus-pokusbergen Wonen de Liliputterdwergen. — Wie bij dat leuke volk wil kom Moet reizen door het land der droomen. PIET PRINS --- DE OPLOSSING van het 1061ste prijsraadsel is: Harlingen. Orderdeelen: H, Jan, Horen. Zeeland, Harlingen kranten, zegel, een en N. --- DE PRIJZEN vielen ten deel aan: Clovis I, Groningen; Naaistertje, Wildervank; Junior, Groningen; Kleine molenaar, Oldekerk. --- 1062STE PRIJSRAADSEL. (Ingezonden door Pukkie, Groningen.) De kruisjesrij van boven naar onder: eeh bekend land in Europa. ï. X — — — X — — — 6. — X — — 7. x — — — — 8. x — — — — 9. X — — — 1. een tooverwoord voor schoolkinderen; thans is voor de meesten die tijd van enkele weken van rust en ontspanning weer achter den rug; 2. sport, die hoofdzakelijk in den zomer wordt beoefend, ook wel in den winter door sommigen, maar dan niet in de open lucht, want het water is dan wat koud; 3. bekende jongensnaam (denk aan den Hollandschen graventijd); 4 een ander woord voor „fijn", in de beteekenis van leuker; 5. een goede — moet men aannemen, anders is men eigenwijs; 6. als er sneeuw ligt in den winter, komt dit voor den dag en dan maar glijden, het liefst van een hoogte af; 7. jongensnaam, ook naam van een roofvogel; 8. ik nad gedacht, dat hij zijn bedreiging zou uitvoeren; 9. een groet, verkorting van goeden dag! Volgende week slaan we een keer over. De oplossingen evenwel direct zenden, zooals elke week dus. --- BRIEFWISSELING. Emmabloempje, Ezinge. Komt vanzelf wel > weer in orde. Als je een morgen naau* school bent geweest, ben je het weer gewoon. Het kan niet steeds vacantie zijn! — De kleinste, Uithuizen. Je hebt den prijs wel heel laat ontvangen. Als regel zijn die vóór den Zondag bezorgd. Enfin, hij is er en je bent er tevreden over. Dat is het voornaamste. — Moeders werkstertje|, Oldekerk. Ik vind hei zelf ook vreemd, vooral, ornaat je broer antwoord heeft gehad. Beide brieven zaten zeker in één enveloppe? Voor het vei*volg zal ik beter oppassen, hoor, want ik ga vreezen, dat de schuld bij mij ligt. — Zangvogeltje, Groningen. Je brief was niet te laat, integendeel. Deze week was ik laat met de beantwoording. Dus dat kwam prachtig' uit. Zit je nu in D.? Daar lees je de courant zeker niet? — Clovis I, Groningen. De vacantie heeft je zeker parten gespeeld, 200--dat je mij in al dien tijd niet geschroven hebt. Natuurlijk ben je niet doorgestreept. _|: weet er alles van in deze maand. Ze komen '.weer wel terug, als de vacantie op een eind gaar loopen. Reeds nu zijn er al heel wat meer brieven. Voor een keer niet erg, maar ik heb toch liever, dat je met inkt schrijft. — S. A.. Borger. Ben' je van : plan geregeld mee te doen? Dan moet ik een 1 schuilnaam hebben. En in eiken brief je naam, s adres en schuilnaam zetten. — Leesgraag. Wesï teremden. Ja. het is wel heel jammer voor jullie, r dat het weer in de vacantie zoo verbazend tegen valt. Dat wil wel meer gebeuren In de maand Augustus. Vandaar, dat meermalen gepoogd is. de vacantie in een andere maand re stellen. . Maar er komt blijkbaar niets van. — Thrianta, Ben. Neem dat natuurlijk niet kwalijk, wai was immers vacantie. Ben je nu weer school? Jullie zijn wel uit geweest, zeg. Kun je goed brood bakken'? — Adé. Dedemsvaart. Jullie vonden het zeker wel leuk, al die oude ken: weer eens te ontmoeten? Schaken valt niet mee, hé? Gaat het al een beetje? — Meesters hulp. Cldekerk. Is daar In Buitenpost ook paardenmarkt? Er was dit keer zeker niet veel te doen, wel? Zijn er inderdaad Duitsche soldaten gekomen of was het slechts een praatje? — De jonge Hermandad. Groningen. Je kunt moeder zeggen, dat het uitstekend gai dat is daar een gevaarlijk plekje, om te wonen. Elijf ik het liefst maar vandaan.. Maar hij gaat toch terug? — Hekkesluitertje. Baflo. Tegenwoordig moet een mensch wel aanpassen. Hebben jullie ooi: ondervonden: geen trein, dan maar ïoopen. Straks komt de trekschuit terug! De snik bijvoorbeeld. — Klein duimpje. Middelstum. Ja. er was deze week in het kanaal een heel drukke vaart, hé? Heb er van gehoord. Je zou zeggen, waar gaan ze heen? — Schoolvriend. Roodeschool. Hoe kwam dat zoo. dat jullie zoo laat in de stad arriveerden? Roodeschool is toch niet zoo ver weg! Veel genoegen gehad? — Piet Hein, Ten Boer. Een akelig gezicht, niet, zoon hollend paard. Het beest schijnt er nogal van langs gekregen te hebben, als het zoo bloedde. — Moeders oudste, Haren. Ik kan het me voorstellen. Dus nemen we afscheid. Je hebt altijd heel trouw meegedaan. Ik wensch voor het vervolg het beste, wat er te wenschen is. Dat is de zegen Gods. — Krullebol, Groningen. Ja. wanneer je in een tijd niet schrijft, is er heel wat te vertellen, want er gebeurt zoo ontzaggelijk veel tegenwoordig. En we leven zoo snel. Wat er voorvalt, is als regel niet veel moois. En hoe lang zal het nog duren? Niemand, die het zeggen kan. Br worden wel voorspellingen gedaan, maar we doen het verstandigst, daaraan geen waarde te hechten. — De kleine winkelier, Oldekerk. Jij schrijft me er ook over. dus schijnt er iets van waar te zijn, van je begrijpt me wel. Kun je de Duitschers verstaan? Velen van hen spreken trouwens al een aardigen mondvol Nederlandsch. — Violetta, Baflo. Neen, dat kan ik inderdaad niet best begrijpen. Als de vacantie achter den .'ug is, moet je weer met graagte naar de schooi gaan. Nu valt het best mee, hoor. Even er door :-n je weet niet beter. Maar dat is geen fietsen, wel? Op een vrachtauto de karretjes zetten en zelf in de cabine kruipen. Maar 't is waar: als er een .stevige wind waait, vait het peddelen niet mee. — Leesgraag, Middelstum. Esn volgende week dan maar wat meer schrijven. Misschien weet je dan nieuws. — Vergeet mij niet, Pieterburen. Het is wel eens de moeite waard, Electra te bekijken. Ik ben er ook eens geweest en wel, toen het gemaal in gebruik werd genomen eh door onze Koningin geopend werd. Dat .s nu al een heele tijd geleden. — Schimmelpe.ininck. Wierurn. Ja, enkele mooie dagen zijn er geweest, teen, maar over het algemeen is het aroef gesteld met het weer. Zoo wil de zomer wel voorbijgaan. Hopen we nu nog op een mooien nazomer. Die is niet onmogelijk. Je zult het duidelijker moeten zeggen, want zo dat adres niet uitvinden. Groningen is wat groeier dan W„ zie je. — Bloemenmeisje, Beilen. Je moet probeeren, die ..visite" ook mee te iatan De club kan niet g. .eg zyn. Hce meer brieven, hoe iiever het me is. — Sneeuwklokje, Baflo. Vanzelf, mijn woning is terd, hoor. Jullie moeten er niet langer mee ■.'•achten, want het wordt al vroeger donker. En men kan toch niet „met de kippen op stok ' blijden gaan! Een week vacantie is er al geweest. — :Vu volgi er nog een. — Grienduiitje, Bedum. Dal kan ik natuurlijk niet helpen. Als je nu vroeger hetzelfde boek van mij had gehad, dan pestaat er tegen ruilen geen bezwaar. Maar dat ..rjiiet het geval, want het was immers je eerste p:'ij«? Je vraagt er ook niet naar, maar ik zeg nu, hoe de vork aan den steel zit. Zoo Ls de regel. — Lentekind. Baflo. Het is vast waar, hoor: je had je brief niet onderteekend. noch schuilnaam noch met naam. Zeker verstrooid geweest. Al gewend op school? Ik oenk haast van wel. Het valt wat mee, als je eenmaal weer in het gareel loopt. — Meikevertje, Middelturn. Kan me best begrijpen, dat je schik hebt gehad aan het Leekstermeer. Een aardige ontspanning daar. Was het er druk? — Knutselaar, Roodeschool. Verontschuldiging is niet noodig. In de vacantie mag je mij glad vergeten. Ben je teen ook o p het Schildmeer geweest? Je kunt je daar best vermaken, niet? — Prins Bernhara, Uithuizen. Dus je bent een halve baer geweest. Nu. dat Ls een gezond vak, hoor. Jammer, dat biet weer niet mooier was. Want je zult daar ook .vel regen gehad hebben, niet? — Zoinerbloempje, Slootdorp. Nu zul je niet meer schrijven, dat 'net mooi weer is. Maar Zondag, inderdaad, toen leek het goed te worden. — The little farmer, Ezinge. Je bent welkom in den kring. Maar ik ben geschrokken van je schuilnaam, zeg. Wat is dat: latijn, engelsch, duitsch.... of nederlandsch? In één enveloppe is geen bezwaar, hoor. Maar je schrijft me wel het een en ander, anders kan ik geen antwoord geven. — Moeders hulp. Westeremcen. Was mij ook best geweest. Maar dit is haast nog beter. Ik hoop. dat je dit antwoord begrijpen zult. — No negen, Een. Zoo, zoon drukke vaart? Schepen met turf of iets anders? Je hebt je wel vermaakt in je vacantie, geloof ik. — Jasmijnboompje, Warffum. Ja, het is vreeselijk. En dan die tegenstrijdige geruchten er over. Je weet niet, wat er nu van waar is. Maar we kunnen er vel zeker van zijn, dat er in dezen tijd ontzettend gelogen wordt. — Junior, Groningen. En hoe heb je het gehad in de stad Appingedam? Is weer eens iets anders dan Groningen, hé? — Naaistertje, Wildervank. Weeleen, die ik in lang niet ontmoet heb. Ze komen toch allemaal terug. Ik ben ook wel eens in G. geweest. De omgeving is wel aardig. — A.8., Groningen. Ik kan me niet herinneren, dat je de cijfers geschreven hebt of ik heb je brief, die toen te laat was, niet meer gelezen. Hé, ik vond het raadsel juist gemakkelijk. Maar ja, jij kunt er anders over denken. — Blauwdruifje, Groningen. Dat is een stevige wandeling, niet? Hoe lang loopen jullie daar over? — Sneeuwwitje, Uithuizen. Het was, als ik het wel heb, dien dag ver van mooi weer, dus is het tochtje niet doorgegaan of hebben jullie het er toch maar op gewaagd? Direct verbrand? En waar is de bemanning dan gebleven? — Heidebloempje, Ten Boer. Neen, dat spel ken ik niet. Nooit van gehoord zelfs. 0f.... je moet dat vreemde woord heel raar schrijven. Dat denk ik voor het naast. Jij kunt het het beste weten, dus dit is officieel. Ja, je kunt tegenwoordig van alles beleven. — Wandelaar, Dedemsvaart. Jullie brieven kwamen heel laat. als ik me niet vergis, Donderdagavond. Ze zijn wel heel lang onderweg geweest. Dat behoeft nu toch niet meer. Misschien een foutje bij de post. — Prins Maurits, Nieuw-Buinen. Is de dorschmachine al gereed met haar werk? Hoe is de opbrengst van den oogst? — Dierenvriend, Groningen. Ben je nog naar Stadskanaal geweest? Denzelfden dag weer terug of er een paar dagen gebleven? Allen gegroet, DE JEUGDREDACTEUR. ---