Het buitenlandsch beleid der Regeering Rede van Minister Van Kleffens. 's-GRAVENHAGE, 25 Jan. Minister Van Kleffens heeft vandaag bij de behandeling van de Begrooting van Buitenlandsche zaken in de Eerste Kamer een rede gehouden over het buitenlandsch beeid der regeering. Over de betrekkingen met België zeide hij. dat een wederkeerige gezindheid van werkelijke goede nabuurschap niet anders dan een heilzame uitwerking kan hebben op de gaandeweg' zoozeer verbeterde, en heden ten dage uitstekende betrekkingen met België. Dat deze verheugende verhouding allengs op geheel natuurlijke wijze is gegrond, komt de positie van elk der beide koninkrijken ton goede. De beide landen kunnen elkander op v< ibied behulpzaam zijn. niet het ml ionomisch gebied. --- De „Novembercrisis.” Sprekende over de Novembercrisis zeide de minister het volgende: Wat de gebeurtenissen van begin November betreft zal de Kamer geen terugblik van mij verwachten, en ook geloof ik niet dat het op mijn weg ligt — nog daargelaten of het nut zou hebin retrospectieve beschouwingen te treden -naar aanleiding vun de radio-rede, die de voorzitter van den raad van ministers op 13 November heeft en. Maar één les _ hoop ik dat men uit hetgeen toen voorviel zal hebben getrokken en dat i.s deze, dat o. ig op een gegeven oogenblik aanleiding' kan vinden tot een intensiveering' van militaire maatregelen, welke naderhand weer ongedaan kunnen worden gemaakt, doch welke zij niettemin tevoren niet verantwoord zou zijn, na te laten. Zoo is het ook de vorige week gegaan. In zoon geval kunnen de motieven niet altijd worden blootgelegd, doch het Nederlandsche volk mag eenerzijds vertroi hebben, dat buitengewone maatregelen in verband met 's iands defensie noch lichtvaardig; noch zonder reden worden genomen, en i.s anderzijds kloekmoedig genoeg om daardoor niet in een paniekstemmkig te geraken. --- De handhaving van de neutraliteit. Aangaande de handhaving van onze neutraliteit is het mij, aldus de minister, een buitengewoon groot voorrecht, te mogen vaststellen dat het Nederlandsche volk in overgroote meerderheid achter de regeering staat. Ten aanzien van deze aangelegenheid van overwegend belang waet ook het buitenland, dat hier te lande geen bcteèkenend verschil van meening bestaat. Mon moge wel hier of daar een accent eenigszins anders gelegd wenschen, men moge soms geneiga zijn de grenzen van het bereikbare voorbij ie willen streven — hoofdzaak is, dat Nederland in dezen zorgvollen tijd ten aanzien van de buitenlandsche 2akcn een mate van spontane eenheid vertoont die ieder land ons mag benijden, en waaraan de vrijheid van opvatting en meeningsiutihg die wij kennen en de rijke geschakeerdheid van ons nationale leven een zeer bijzondere beteekenis geven. Sedert het begin van November is nog niet overgegaan tot publicatie van een tweede Oranje-boek. Zoodra daarvoor voldoende .stof aanwezig is, zal zulk een nieuwe uitgave van officieele bescheiden het licht zien. Ik vertrouw dat daaruit opnieuw de indruk zal worden verkregen dat de regeering actief is gebleven bij de verdediging van 's lands belangen, en ik kan reeds thans verklaren dat zij daarbij zelfstandig, haar gedragslijn- heefi paald, uitgaande van die eenvoudige en klare beginselen welke de ervaring ons heeft doen kennen als in elk opzicht de beste voor een land met de unieke ligging van het onze. Deze laatste woorden uitsprekende heb ik het oog zoowel op Nederland in Europa als op ons overzeeschc gebied. Tegenover elke schending van onze onzijdigheid wordt opgetreden in strikte overeenstemming met de eischen van het volkenrecht. Door hen die ons, door eigenbelang gedreven, van het tegendeel betichten zullen wij ons niet in de war — en van den rechten weg af laten brengen. Zelfs gaat de regeering zoover dat zij, zoodra :-,ij kennis krijgt van voornemens van oorlogvoerende regeeringen welke haar strijdig' voorkomen met 's lands rechten of wettige belangen, niet na- Laat terstond een waarschuwend geluid te doen hooren, opdat haar naderhand niet kan worden verweten, niet tijdig' bezwaren te hebben voorgedragen. Zoo is met name geschied toen de Britsche en Fransche regee-ringen — nadat de Duitsche oorlogsmethoden ter zee helaas ook reeds vele Nederlandsche levens hadden gekost — overgingen tot represailles, die, behalve hun tegenstander, in ernstige mate Nederlandsche belangen moesten deren, en die der Nederlandsche regeering voorkwamen volkenrechtelijk ontoelaatbaar te zijn. Naar beide zijden wordt getracht, zoo zuiver mogelijk den koers te zeilen die onze huidige volkenrechtelijke positie voorschrijft. Het is geen dankbare rol voor een staat en voor zijn burgers, onzijdig te zijn. Zij mist dat heroïsch karakter, dat kan toevallen aan degeen die wapenfeiten bedrijft. Ook biedt die rol gelegenheid te over, in conflict te komen met beide strijdende partijen. En ten slotte dwingt zij ten aanzien vau de oorlogvoerende staten tot beperking van particuliere sympathiebetuiging daar, waar voor den een meer sympathie mocht worden gevoeld dan voor den ander. Onzijdigheid kan zelfs, zooals de voorzitter der R.K. Staatspartij onlangs in een dagbladartikel deed uitkomen, waarin hij het overigens voor onze onzijdigheid opnam, de vraag doen rijzen of neutraal zijn niet beteekent verzaking van geestelijke waarden die ons bij uitstek dierbaar zijn. En toch, zooals ik heb getracht aan de overzijde van het Binnenhof uiteen te zetten, vervult Nederland, naar het der regeering voorkomt, in de tegenwoordige omstandigheden en voorzoover het ons gegeven is vooruit te zien (want wij verheffen de onzijdigheid niet tot een voor alle omstandigheden gelden volstrekt postulaat) door onzijdig' te zijn de taak die het tegenover zichzelf heeft te vervullen, wat mede een Europeesch belang van de allereerste orde is dat wij, al is er geen verplichting, niet kunnen — ei/ook niet willen voorbijzien. Dat België een overeenkomstige houding aanneemt, kan tot groote voldoening strekken. Een uitbreiding' van den oorlog tot onze landen zou den oorlog slechts compliceeren, want nooit zal eenige groote Europeesche mogendheid in deze streken kunnen dulden dat Nederlad of België in de handen van den tegenstander geraakt. Daarom is het aan ons, om, als het kan, buiten den strijd te blijven. Eén ding is echter wel te verstaan: wie de wapenen tegen ons opneemt, stuit op.o nz e, wapenen. Het verheugt mij, deze gelegenheid te hebben om dat nog eens duidelijk te zeggen met het oog op die sirenen van weerszijden, die, nu eens grof en maar al te doorzichtig, dan weer met behulp van schoonschijnende — of van even ingewikkelde als onlogische redeneeringen, ons langs rechtstreeksche baan of langs, een omweg willen drijven in den oorlog, niet omdat het heil van Nederland of van België hun zoozeer ter harte gaat, maar omdat zij denken dat hun eigen ware of vermeende belangen gediend zouden zijn met het betrekken — aan hun zijde natuurlijk — van de lage landen in den krijg. Aan Britsche zijde is dezer dagen zelfs een enkele stem opgegaan die eeh juridische verplichting van de neutralen po■ lot deelneming aan dëh oorlog: als lid van den Volkenbond zouden wij daartoe gehouden zijn. Ik acht het niet noodig, gelet ook op een van hooggeachte ingezonden stuk in het „Vaderland" jisterenochtend, hier meer te doen dan het iah voor Nederland van een rechtsplicht of e-en moreele plicht tot deelneming aan den oorlog scherp te ontkennen. Wij hebben ervoor gezorgd, vrij te staan en, van die vrijheid irebruik makend, houden wij vol dat, zooals nog onlangs prof. Telders, en voor hem mannen als Struyken en Van Karnebeek hebben uiteengezet, en zooals liet in rustiger tijden met name ook in het buitenland door bevoegde staatslieden steeds is begrepen, onze weloverwogen taak is; eigen erf in eigen hand; geen aansluiting' bij anderen, zeide spr. 0.m., om dan te vervolgen: De moeilijke onderhandelingen betreffende de bevoorrading' van Nederland hebben nog niet tot overeenstemming geleid. De rechten en wenschen der oorlogvoerenden en de aanspraken en verlangens der onzijdigen staan op dit gebied tegenover jlkaar. Ik geloof niet, dat het in het belang der zaak zou zijn indien ik op dit oogenblik dieper op deze voor ons land niet alleen in economisch, doch uiteindelijk ook in sociaal opzicht zoo aiterst belangrijke aangelegenheid dieper inging. SleChts wil ik opmerken dat de regeering' niet den indruk heeft dat wij, ondanks onze moeilijke ligging en het feit dat wij een betrekkelijk groote koopvaardijvloot bezitten, t.a.v. deze onderhanden, in een» slechtere positie verkeeren dan .tmii'H' landen, --- Volkenbond. De minister behandelde daarna het lidmaatschap van. Nederland van den Volkenbond. Hij achtte het onjuist den Volkenbond voor te stellen als een organisatie, waarin Frankrijk en Engeland het voor het zeggen zouden hebben. De minister wil beginnen met vast te leggen: onder omstandigheden, gelijk die op het oogenblik bestaan, zou er voor de kleine neutrale staten zeker geen aanleiding zijn om — gesteld er ware nog geen Volkenbond — deel te nemen aan ;en politieke organisatie die, wat de groote mo:,entiheden betreft, een zoo eenzijdig karakter hooit als do bond in zijn huidigen vorm. Maar ik ga nog verder, ik wensen vast te stellen, dat op den duur bestendiging van het lidmaatschap van een Volkenbond met politieken inslag — dien zeker het Geneefsche instituut, ondanks alles nog steeds heeft behouden — onmogelijk zal worden, indien het eenzijdig karakter van den Bond, waarop ik zooeven dooide, zou blijven, gehandhaafd. Een andere vraag is echter: is waarlijk het oogenblik wel aangebroken, waarop de kleinere staten, die in het conflict tusschen Frankrijk en Groot-Brittannié eenerzijds en Duitschland anderzijds neutraal wenschen te blijven, den Volkenbond moeten verlaten? Deze vraag hebben de kleinere Europeesche staten, waaronder Nederland, ontkennend beantwoord. Het is ten eenenmale onbegrijpelijk hoe men zou kunnen volhouden, dat de staten, die lid van den Volkenbond blijven, in den strijd tusschen Duitschland eenerzijds, en Engeland en Frankrijk anderzijds, hun neutraliteit zouden hebben prijsgegeven. De loop van zaken op de jongste Volkenbondsvergadering heeft, naar mijn overtuiging, ten duidelijkste aangetoond, dat voorspellingen omtrent gevaren, welke voor de neutraliteit der kleine staten uit de bestendiging van. hun Volkenbondslidmaatschap zouden voortvloeien, mede door de voorzorgen, door deze staten gedurende de laatste jaren ten aanzien van hun Volkenbondspolitiek genomen, niet in vervulling zijn gegaan, en dat er met name geen gevaar bestaat,' dat de oorlog in Finland en de oorlog in West-Europa door middel van den Volkenbond aan elkaar zullen worden gekoppeld. --- Herstel internationale samenwerking. De naaste toekomst, onzeker als zij is, zal mede aan ons volk menige bepoeving brengen, ook dan indien de oorlog' in militairen zin buiten onze grenzen blijft. Het is goed daarop te zijn voorbereid, en te trachten den samenhang der dingen te begrijpen, opdat Nederland met oud-vaderlandsche kloekheid maatregelen neme waar het kan, en voor het overige datgene wat het zich bewust is, alleen niet te kunnen veranderen, manmoedig aanvaarde en drage. In den laatsten tijd is op onze levenskracht in het oorlogvoerend buitenland wel eens oen verkeerd licht geworpen, doch — en dit moge ons tot geruststelling strekken — veelal in den' vorm van begripsverwarring. Men stelde als gebrek aan ruggegraat voor, wat niets anders was dan een openbaring van het feit, dat onze kracht ter zee geringer is dan die van de groote mogendheden ,zoodat wij ter zee geweld slechts in bijzondere gevallen met geweld kunnen keeren. Het getuigt van oppervlakkigheid, wanneer de vreemdeling ons phlegma houdt voor vadsigheid, onze gezonde skepsis voor zelfvoldane cnaanaoenlijkheid. Wanneer buitenlanders willen zien hoe het met de levenskracht van Nederland gesteld is, laten zij dan eens bij onze weermacht ■aan kijken, of in Indië; of laat hen bij onze padvinders te gast gaan, of een kaagweek maken, of clie afstandsmarsen; of laat hen de Zuiderzeewerken bezoeken. Zoolang Nederland, mits het zelfstandig is, evenals trouwens België oen element van rust vormt in Europa, het vrijheidslievende, arbeidzame land is dat het altijd is geweest, sterk ook door den religieusen inslag zijnor bewoners, de verscheidenheid hunner gaven, hun ondernemingszin, vooruitstrevendheid en verrichtingen op het gebied van wetenschap en kunst — zoolang verdient het de onaantastbaarheid van zijn gebied en zijn zelfstandigheid, voor welker bescherming het, zoo het moet, alles over heeft. Vertrouwen wij echter op welgefundeerde gegeven beloften, en op het inzicht in het buitenland dat Nederlands ligging nu eenmaal zoodanig is, in Europa zoowel als in Azië, dat «oen groote mogendheid zich kan veroorloven, ons gebied in rer handen te zien vallen. Acht en drie kwart millioen menschen te voeden in oen land, welks bodem slechts vier millioen in het leven kan honden, dat is een kunststuk dat slechts mogelijk is door groote krachtsinspanning. Onze overzeesche gebiedsdeelen, schoon niet geschikt voor duurzame vestiging van Europeanen, helpen ons daarbij, al is de groote bevolkingsdichtheid van Java (met 784 bewoners per vierkante mijl een der allerdichtsbevolkte gebieden ter wereld) een probleem op zichzelf. Die overzeesche rijksdeelen beschouwen wij. niettemin niet als een voor anderen gesloten gebied, integendeel zijn anderen daar wel kom'on der onze milde wetgeving en ons bestuur dat door bevoegde beoordeelaars in don vreemde aan anderen tot voorbeeld wordt gesteld. Hopen wij, tover die open deur de poorten bij anderenjijici) wéldra ojjnieuw zullen' ien-. Wij moeten varen, wij móeten handel drijven, wij moeten anderen diensten bewijzen anders kan ons volk niet bestaan. De landen die thans, om den tegenstander te treffen, onzen handel beperkingen opleggen, mogen dat niet voorbijzien. In de ultraprotectionistische en verarmende .wereld die wij thans kennen, moeten wij in de naaste toekomst — dat feit hebben wij eenvoudig' te aanvaarden, of wij willen of niet, op een vermindering van onzen levensstandaard zijn voorbereid. Hopen v/ij echter dat gezond inzicht en verstandig' beleid, wellicht door nood gedreven, weldra een reactie in die we? reld zullen teweeg brengen, opdat de barrières worden afgebroken die ook ons volk zoozeer benauwen. Daartoe is echter in cle eerste plaats noodig'. begrip voor elkanders moeilijkheden. Hoe het niet moet, al ware het slechts omdat het op den duur zoo niet kan, heeft de liquidatie van den vorigen oorlog getoond. Het gebrek aan begrip voor hetgeen in het belang van Europa ten aanzien van Duitschland had moeten — en kunnen geschieden, moest bij elke natie, en zeker bij een volk van die grootte, een krachtdadige reactie wekken. Overwegingen der overwinnaars — hce begrijpelijk op zichzelf, van hun standpunt gezien — omtrent de schuld aan den oorlog van 1914 hebben het gewonnen van wijsheid in den trant van het „Weener congres", tot aller ongeluk. En zoo is het dan ook dat, wat in 1919 geschied is, reeds twintig jaren later was uitgedelgd,— helaas mede (althans op dit oogenblik) ten koste van natiën die zich verheugden in nauwelijks herwonnen vrijheid. Ik zou de vraag willen stellen: hoe verkrijgt men betere waarborgen dan door zich om de taM te scharen en, op grondslagen van werkelijkheid en rechtvaardigheid, met wederkeerige machtneming van den eerbied die men aan andere volken verschuldigd is, een regeling tot stand te brengen die wegens haar intrinsieke waarde de belofte in zich houdt dat zij den vrede voor zeer geruimen tijd verzekert? Er is — dat zeg ik met grooten nadruk — niet gebleken dat zulk een resultaat onbereikbaar is. Het zijn dergelijke vragen, waarop 1940 ons wellicht het antwoord zal brengen. Moge dat antwoord overeenkomen met datgene wat in millioenen harten leeft, ook, ja wellicht in de eerste plaats, bij de oorlogvoerenden. In enkele buitenlandsche persorganen wordt degene, die zich mocht willen verstouten thans over vrede te spreken, reeds bij voorbaat gedoodverfd als handelend onder den invloed van den een of anderen oorlogsmoeden belligerent. Ik geloof niet, dat dit iemand wie dan ook die naar beste weten zijn steentje zou willen bijdragen tot behoud en welzijn der Westersche wereld, ervan zou moeten weerhouden, uiting te geven aan gedachten die vechtersbazen in redactiebureaux wellicht goed zouden doen eens ernstig te overdenken alvorens verdachtmakingen te lanceeren. Natuurlijk is ook Nederland aan herstel van den vrede veel gelegen. Maar wanneer het dien bepleit, kan het dat doen zonder bijbedoelingen, in de overtuiging' daarmede ook de hoogste belangen voor te staan van de statengemeenschap waarmede het onafscheidelijk is verbonden. Spr. besprak dan de lichtvaardige wijze, waarop gesproken wordt over invallen van buitenlandsche legers in onzijdige landen, om dan te eindigen: Zeker, wanneer wij — aan welke zijde dan ook — ook aan onze grenzen vreemde strijdkrachten opmerken, dan moeten wij voorzorgsmaatregelen nemen — niets toch is in zulk een geval gevaarlijker dan een militair vacuüm of iets wat daarop gelijkt; zulke voorzorgsmaatregelen nemen wij dan ook naar alle zijden. Maar anderszijds zou niets bedenkelijker zijn, dan uit die overweging' te besluiten, dat de staten willen leven naar de wet van het Oerbosch, als verscheurende dieren, homo momini lupus. Waar zou het met de wereld heen moeten, indien de menschen zich er in arren moede bij neerleggen, dat geen overweging een regeering er van behoeft terug te houden, in een ander land binnen te vallen, en daar te vernielen wat geslachten met geduld en tóewijding hebbon opgebouwd, waarden, waarmede zij wezenlijke, opbouwende bijdragen hebben geleverd tot wat het blanke ras het meest eert? Voor een dergelijke afstand aan moeizaam verkregen beschavingsgoederèn mag do wereld niet, rijp gemaakt worden, Integendeel, daartegen moet mei klem worden gewaarschuwd, Voor eerbied voor elkanders erf, óók in de samenleving der staten zal Nederland altijd bereid zijn op te komen op alle wijzen, die met onze positie stronken. Zelf handelt Nederland naar den regel, dat het richtig wil leven, anderen niet wil deren, en ieder het zijne wil geven. Blijven wij ook in dit opzicht paraat, en laten wij ons niet Op sleeptouw nemen door den waan van den dag. --- FEUILLETON DE FAMILIE SEAFORTH DOOR FLORENCE MONTGOMERY 10) Dit krenkte Hester natuurlijk zeer. Het smarte haar, dat hij haar vreugde niet deelde en dat hij geen vaderlijken trots of liefde gevoelde. Ongelukkig was de kleine Godfried een echte Seaforth geheel ongelijk aan zijn vader zoowel als aan zijn moeder, uitgezonderd haar glimlach. Daafc hij dus op de Seaforths geleek sprak het van zelf, dat hij sterk aan zijn oom deed denken, en dit was een nieuwe beleediging. Godfried kwam daar gedurig op terug en zeide, dat het kind het levend evenbeeld zijns broeders was en dat Hester toch waarlijk niet kon verwachten, dat hij het kind zou liefhebben. Te vergeefs herinnerde Hester hem, dat de kleine niet in het bijzonder op zijn broeder, maar op de familie in het algemeen geleek. Godfried wilde niet luisteren. Hij hield vol, dat de knaap hem dagelijks meer zijn broeder als kind te binnen riep, ja, hij ging zelfs zoo ver te zeggen, dat hij op dezelfde koele ernstige manier naar hem keek. Nu, de gelijkenis op zijn oom was dan ook heel sterk, en toen de kleine Godfried de eerste kinderjaren voorbij was en een flinke jongen werd, begon hij iets van hetzelfde karakter te toonen. Ernstig, nauwgezet van geweten en betrouwenswaardig zou hij zoowel in- als uitwendig zeer goed Harolds eigen zoon hebben kunnen zijn. Waarom had Hester dan ook niet iets tegen hem? Helaas! arme Hester! Wat zij in de onbezonnenheid der jeugd veracht en geminacht had, had zij door bittere on. dervinding leeren waardeeren. Zij had ondervonden, dat iemand, die het leven ernstig opneemt. lijden moet, als hij om moet gaan, oï erger verbonden is aan iemand, die luchthartig en lichtzinnig daarheen gaat. Zij had zooveel geleien door het gemis van die hoogere hoedanigheden in haar echtgenoot, dat zij ze niet langer in hetzelfde licht beschouwde ais vroeger. Integendeel, zij vond rust en steun in het karakter van haar zoon; het mocht dan op dat van zijn oom gelijken of niet. Zij durfde haar liefde echter niet toonen als haar man er bij was; want het was gevaarlijk Godfrieds toorn en jaloerschheid op te wekken. Als zij hem soms eens op zachten vriendelijken toon onderhield over zijn hardheid, dan zeide hij, clat zij spijt had over haar huwelijk en er zich in verdiepte, hoe het geweest zou zijn, als het kind Harolds zoon en erfgenaam van al zijn bezittingen was. Ook zeirio hij haar bij zulk een gelegenheid wel eens ronduit, dat hij geen mededinger kon dulden, dal haar liefde hem op den goeden weg hield en dat hij heelemaal verkeerd zou gaan wanneer die liefde voor hem verflauwde of op een ander overging, onverschillig wie die ander zijn mocht. Dan zou hij ook toegeven aan de verleiding', waaraan hij om harentwil weerstand bood. Tegelijker:ijd gat' hij haar op geheimzinnigen toon ie kennen, dat hij het maar voor het spreken had, om zich een gansch fortuin to zien toevloeien, zoo niet eerbied en liefde voor haar hem weerhielden. Ten hoogste verschrikt durfde zij hem ternauwernood vragen wat hij bedoelde, maar verzekerde hem telkens opnieuw van haar ondoofbare liefde en toewijding. Langzamerhand werd Godfried rusteloos, 011-->i riurig en ontevreden met het leven, dat hij leidde, ook begon hij met verlangen uit te zien naar zijn geboorteland. Allereerst zag hij uit naar den dood zijns vaders, dan toch, meende hij, zou hij zijn deel als jongere zoon in handen krijgen en zou zijn ballingschap ten einde zijn. Een nieuw denkbeeld vervulde daarna zijn hoofd. liet lang uitgestelde huwelijk van zijn broeder wekte nieuwe hoop in hem op. Misschien werd hij nog wel erfgenaam. Het spel werd hem een behoefte, opdat hij zijn chten zou kunnen aftrekken van dat "eene punt en hij zijn ongeduld zou kunnen bedwingen. Toen het einde zijns vaders naderde verwachtte hij iederen dag een oproeping om de vergiffenis van don ouden man te ontvangen, maar toen zij uitbleef begon hij te vreezen, clat iets niet in orde was. Hoe weinig was hij echter voorbereid op hot bericht, clat r.eni na de doodstijding werd medegedeeld. Dat hij'niets kreeg was een onverwachte slag, maar dat zijn vader hem het erfrecht had ontnomen en hij voorbij gegaan was, zoodat het goed gescheiden werd van den titel, was iets, dat hij niet mogelijk gedacht had. Het bracht hem voor goed ten ondergang. Hij zag zich veroordeeld om zijn dagen in ballingschap te eindigen, zonder hoop voor de toekomst, zonder gelegenheid om het yerledene weer goed te maken. Geen ander uitzicht dan armoede en verbanning tot zijn laatsten ademtocht. Het was een zware straf en zij had de treurigste uitwerking. Hij werd nog zörgeloozer on ging van toen af meer en meer zedelijk achteruit. Tot nu toe had hij altijd voorzichtig gespeeld, hoewel meer clan zijn vrouw kon vermoeden; maar nu begaf hij er zich met hart en ziel in, om in de opwinding zijn ergernissen te vergeten. Hij geraakte dan ook dieper en dieper in schulden, zoodat de strengste zuinigheid heerschte in zijn huis. Zij verhuisden naar een kleinere woning en moesten bijna al hun dienstboden ontslaan. Godfried gebruikte, nu zijn armoede tot een voorwendsel om zijn kleeding en voorkomen te verwaarloozen en begon er slordig en vervallen uit te zien. Hij vermeed het gezelschap met zijns gelijken en geraakte langzamerhand in een kring van menschen beneden zijn stand, totdat hij met niemand meer omging, behalve met spelers van beroep. Dit alles smartte Hester zeer. Zij trok zich geheel terug uit de samenleving, maar verflauwde nooit in haar streven om zelve, met haar kind on haar huis te blijven wat de vrouw en het kind on het huis van een fatsoenlijk man behooren te zijn. Toen Godfried, omdat de speeltafels werden opgeheven,, naar cio omstreken van Monaco verhuisde, haalde Hester, die niets liever wenschte dan zich met haar verdriet voor het oog der wereld te verbergen, hem over om een kleine chalet, gelegen op (Ie heuvels tusschen Nice en Monaco, te huren, waar zij stil in de eenzaamheid kon loven. Dit afgezonderd plekje werd hun tehuis, en hier werd Godfried een speler van beroep. Hij sleet een gedeelte van iederen dag te Monte Carlo én kwam niet voor don avond thuis; somtijds bleef hij ook wel een nacht over. Hier ook werd in verloop van tijd het gezin vermeerderd met drie dochtertjes. De oudste was het evenbeeld van haar moeder, naar wie zij ook genoemd was, en zij werd dadelijk de lieveling van haar vader. Ook aan zijn twee jongsten gal' hij een plaats in zijn hart. De geboorte van de meisjes bracht een grooteen gelukkige verandering te weeg in het huis van den speler. Hel, waren vroolijke, aardige, aanvallige schepseltjes en het oranjeboschje weerklonk van den ochtend tot don avond van haar lachende stemmetjes. Den ernstigen knaap ontlokten zij ménigen glimlach, het hart der moeder verruimden zij en do ontijdig verouderde speler verjongde weder, als hij naar het kinderlijk gebabbel en gelach luisterde on zich in de spelen van zijn lieve dochtertjes mengde. De twee jongsten heetten Olivia en Venezia. Hester had de familienamen willen doen herleven, want zij had nog altijd een flauwe hoop, dat haar kinderen eenmaal zouden mogen terug+ keeren naar haar vaderland on voorvaderlijk erfgoed,' en zij wilde liever niet, dat zij gi zouden afgesneden zijn van familie-herinneringen. Godfried wilde daar echter niet van hooren. Hij wilde niets meer te maken hebben mot Seaforth. Het huis, waaruit hij gebannen was, mocht, zeide hij, nooit zijn deuren openen voor zijn dochters. Zij moesten opgroeien in vol.Si onbekendheid mot haar lamilie-aangelegonhcden on zichzelven leeren beschouwen als bewoonsters van het vasteland, waartoe zij veroordeeld waren door haar grootvader en oom. De eene noemde hij dus Olivia, naar de olijiboomen, die hunne woning omringden en de andere Venezia ter herinnering aan het uitstapje, dat hij en Hcstd'-J de eerste jaren van hun huwelijk ll: gedaan hadden. De kleine meisjes gaven een afleiding- _■ Gocii'rieds gedachten en trokken /ijn ;iand_| ai van Hestor en haar zoon. Zij kon' don joti I dus meer van haar tijd Wijden en brsUv mogelijke zorg aan zijn opvoeding- Zij als de lezer zich zal herinneren woiboreK1" voor die taak, en was nu zeer dankba, cle klasieke en andere studiën van haa had gedeeld zoodat zij met haar kennis zoon kon helpen. De verhouding tusschen vader en zoon, v. met de jaren niet boter op, want toen de te van de kleine Johanna don kna: u tol .iv. naam van Seaforth maakte, werd Godfried J loersch van zijn vooruitzichten. HU kon on zijn aanblik niet meer uitslaan eh begon h vervolgen, was er steeds op uit er hem to £51 inloopen, legde hein lagen om hem to ve kon, en dat mor het eenige dool. óm hom i dalen in de achting zijner moeder. He de nu meer dan ooit, dat hij uit zijns vadei reik bleef, hoewel het haar veel moeite kosttejl vragen van den knaap naar de oorzaak I antwoorden, want zij vreesde do uitwei'kin een verklaring op hem zou kunnen maken was toch waarschijnlijk, dat hij er óf vei'h', overmoedig door zou worden, of anders do govool van recht en onrecht in de war ■'■■■ raken. Het was bijna meer dan zij moeten zien, dat er door ver vriendelijkheid een schaduw lag óp zulk een L leven, dat hij in een atmosfeer van en achterdocht moest leven, zonder dat zij beschermen kon voor onbillijke bejegening. ;',v Wat kon zij doen? Zij kon alleen er naar ■'j hem de middelen te verschaffen om geluk! zijn in zichzelven en hopen, dat de gev hem misschien in staat zou stellen zijn dragen als iets, clat van zelf sprak on '.'■• te worden aan allerlei dingen, al begreep f 1 niet waarom zij zoo en niet, anders gesohll- > .(Wordt vervolS'0' --- BERICHTEN (Reeds in een deel van ons blad opgenomen.) --- BOTERNOTEERING. 's-GRAVENHAGE, 25 Jan. De commissienotcering voor Nederlandsche boter is heden vastgesteld op 82 cent per kg (onveranderd). --- VERHOOGING DER BRANDSTOFBIJSLAG. 's-GRAVENHAGE, 25 Jan. Wegens het lange aanhouden van de strenge vorst, heeft de minister van Sociale zaken besloten goed te keuren, dat voor hen, die.in de steunregeling zijn Öpgfi'no voor déze weck de brandstofbijslag wordt verllOOgd van f 1.80 Lot 1 1.70. --- MAN DOOR DIESELTRIN AANGEREDEN EN ERNSTIG GEWOND. OLDENZAAL, 25 Jan. Gisteravond is op de spoorlijn Oldenzaal—Hengelo een man, zekere Haverkotte, die daar ter hoogte van het viaduct bij de boerderij Jonkman op den spoordijk liep, door den dieseltrein, welke om 17.49 uur te Oldenzaal moet aankomen, aangereden. Bij aankomst van den. trein te Oldenzaal meldde de wagenbestuurder, dat hij ter hoogte van genoemd viaduct een aanrijding moet hebben genad. De treeplank van den diesel wees dat uit; leze wa.s namelijk vernield. Terstond hierop is een onderzoek ingesteld. Het resultaat was, dat men H. zwaar gewond onder aan den spoordijk vond. Een half uur later is het slachtoffer met een volgenden trein uit Hengelo, die men op de plaats van het ongeluk heeft laten naar Oldenzaal vervoerd en naar bet R K ziekenhuis overgebracht. De toestand van H. is zeer ernstig. --- DE ONDERGANG VAN DE „BLARRITZ”. Nog 40 Vermist UMUIDEN, 25 Jan. Omtrent het aantal op renden van de „Biarritz", welk schip op de NoO zee door een mijnontploffing is vergaan, vjo ons medegedeeld, dat zich vermoedelijk ongel 60 personen aan boord hebben bevonden, van 25 passagiers. De „Borgholm" heeft twintig personen land gebracht, doch over het lot van cle ovfl opvarenden is nog niets bekend. --- Er worden nog 34 personen mist. UMUIDEN, 25 Jan. Nader vernemen wij i trent den ondergang van de „Biai-ri aan boord hebben bevonden 33 lêdèniWfllH en 24 passagiers. Hiervan zijn 19 personen gfl door de „Borgholm", terwijl dit schip té twee lijken heeft opgevischf. Van de geredden '• 12 passagiers en zeven leden der bemanning' worden op het oogenblik dus nog 34 personen * mist. De beide lijken zijn die van passagiers. Eén der geredde passagiers vertoonde v' schijnselen van shock en had verwondingen i de beenen opgeloopen. Hij is naar een der zieK huizen te Urnuiden overgebracht. Alle passagiers waren van Noorsche nation' telt. --- MARKTBERICHTEN GOUDA, 25 Januari. Veemarkt. Aangevoerd 40!) stuks, waarvan 69 slai varkens. Vel,: e van 32—33 et. p.p.. levend a korting; 141 magere varkens ( 25—45, li ■15; 1 schaap, 3 lammeren, 8 ; en : '•'■' Handel ii deiyk. --- BOTER, KAAS, EIEREN, ENZ. GOUDA, 25 Januari. Kaas. Aanvoer 103 partijen, Prijzsï) ie I r'ijksmerk f 30—33, idem 2e fewal, f 27.50 29. Hm matig, Crisisaftrak i'J.2. --- GOUDA, 25 Januari. Boter. Aanvoer 187 pond. Gbèbö boter 75—80 et. Handel vlug. --- GOUDA, 25 Januari. Eieren. CI.OOO stuks kipeieren v.m f -1 4.25, K_ i 3\60 3.70, eendeieren f 3.50—:: --- GOUDA, 25 Januari. Coöp. Zuid-Hou. -ïerveumg. prijzen kipeieren: '„ tg. f 4—4.10, 5« fiO kg. f 4.10—4."20, 60 62 kg. i „ ~25, 62 70 f 4.25—4.80, bruine 58 70 f 4.10—5.00. M ' T 70_4 fVf> --- KOERSEN Wisselkoersen ’s middags 2,45 uur. AMSTERDAM, 25 Januari. 24 .Tan. (..onden 7.49>/4 Londen fierlijn 75.R0 Berlijn 75.e°c t'arya 4.243/, parlj3 426 Brussel 51.74 Brussel 31 »* Zwitserland 42 24 Zwitserland tëtt ( kopenhagen 30.37 y, Kopenhagen Sö^J Stockholm 44 90 Btcckholm 44»' OSIO «77i/« Oslo 42.1» J Nfew-YorJc 1.88v,v, New-York lilöl --- KOERSEN NEDERLANDSCH CLEARING INSTITUUT. Koersen voor stortingen op 26 Jan. 1940 tes verplichtingen luidende in; Reichsmarken £75,98 :'t"!'■ Lires j '9,55 Turksche ponden f 1.45 '/4 --- HANDELSBERICHTEN AMSTERDAM, 25 Januari. Koffie, gemengd contract. Jan. i:t' ~ Maorl 13%, Sept. 13%, Dec. 13%. Stemming kalm. Suiker. Bieden-laten. Gesloten. --- DE BEDE VAN MINISTER VAN KLEFFENS IN DE EERSTE KAMER. VGRAVENHAGE, 25 Jan. In zijn rede in de Eerste Kamer heeft de minister van Buitenlandsche zaken de heer Van Kleffens, nog verklaard, dat de bezetting' van diplomatieke posten niet ongunstig is. In vele plaatsen zijn er eigen gebouwen. Met den heer Heldring is de minister het eens voor wat betreft cle bekwaamheid van kanselarij ambtenaren. De minister zal ongaarne dienaangaande met bezuiniging verder gaan. De minister deelde mede, dat, wat de Rijnvaart betreft, bij zijn ambtgenoot van Waterstaat evenmin belustheid bestaat deze ondergeschikt te maken aan geringere belangen. Naar aanleiding' van opmerkingen van den 1 Van Lanschot, zeide de minister, dat hij scheepvaartverbinding met Ned.-Indië in begi als een rijkseenheid beschouwt. De moeilijkhe zijn ons echter niet bespaard gebleven en weH herinneringen aan den vorigen oorlog. Wat slagneming van post betreft, wij zijn het cc land, dat zich hiertegen heeft verzet. Het laa woord hierover is nog niet gesproken. Ook de zittingen van den raad van de scht vaart hebben de volle belangstelling van minister. De kwestie der zeeoorlogschade is na vorigen oorlog geëindigd met een uitke* geld en een slotuitkeering is nog te wachter! De rede van den minister werd met apn ontvangen. Vele Kamerleden drukten den mi ter de hand. Hoofdstuk ni der Rijksbegroo' voor 1940 werd z.h.s. aangenomen. De vergadering is daarna gesloten. --- AMSTERDAM, 25 Januari. Lijnolie. Groothandel 1' 24%, kleinhandel I 2? Raapolie. Kleinhandel f 34. --- LONDEN, 25 Januari. Metalen. Tin cash. 233.15 -, 3 maanden 232.15 ' --- SCHEEPSBERICHTEN JAVA-NEW YORK LIJN. Bantam 23,1 te Singapore. ---