gfa h Wal rijden al dia menschen ge- vaarlijk vandaag", dacht u Immers VaSRr vanm'c'dsg achter het stuur. (Hoe zegt men dat ook weer van dien splinter, dien balk en uw 00g?...) --- DE NEDERLANDSCHE AMBULANCE IN ABESSINIë. De tocht naar Dessié. Dezer dagen heeft . het hoofdbestuur van het Nederlandsche Roode Kruis aantal rapporten van de leiding van de Ne derlandsche ambulance in Abessinië out vangen. Het Roode Kruis was zoo welwillend aan het Algemeen Nederlandsch Persbureau inzage van deze rapporten te geven ten dienste van de per 9. Deze rapporten betreffen de periode van Vrijdag 17 Januari tot en met Vrijdag 31 Januari. Op eerstgenoemde datum bleek het, aldus het rapport, niet mogelijk de tocht naar Dessié per vrachtauto te aanvaarden. Er moest toen nog te veel geregeld worden. Bij het opladen bleek, dat de beide vrachtauto's lang niet alles zouden kunnen bevatten; er moest dus een keus gemaakt worden, welk deel der uitrusting met het eerste en welk deel met het tweede transport zou worden verzonden. Om verschillende redenen leek het de leiding beter, indien het tweede transport, dat ook vele waardevolle zaken bevatte, eveneens onder Europeesch geleide ging. Derhalve werd besloten, dat dr. Belmonte als zoodanig zou optreden. De volgende dag werd de tocht aanvaard. Ten kantore van het Ethiopische Roode Kruis werd afscheid genomen van dr. Lambié, die juist per vliegtuig uit Dessié was teruggekeerd. Deze eerste dag leverde geen bijzonderheden op. De weg was slecht, zoodat in acht uur rijden 135 km werden afgelegd. Te Debra Brahan werden vijf uur halt gehouden en het kamp opgeslagen. Zondag 19 Januari vertrok de ambulance om acht uur en reed door tot vijf uur. Toen had men nog 9lechts 90 km afgelegd, daar de weg niet alleen slecht maar ook gevaarlijk was. Het transport moest tot 3400 m klimmen, daarna tot 1000 m dalen, langs steile hellingen rijden met veel te korte bochten, welke niet in één keer genomen konden worden. Vlak voor de Nederlandsche ambulance was een vrachtauto van het Ethiopisch Roode Kruis in zulk een bocht in het ravijn gestort. De chauffeur was op slag dood en de auto vernield. De lading versperde de weg. Die dag werd bij de rivier Robi gekampeerd. Maandag 20 Januari legde de ambulance ook 100 km af en deed daar weer van 's morgens acht tot 's middags vijf over. Enkele bruggetjes waren niet te vertrouwen en moesten versterkt worden vóór het transport er over durfde trekken. Vermoedelijk, zoo merkte dr. Winckel in zijn rapport op, is de goede afloop te danken aan de dubbele achterwielen, welke het gewicht meer verdeelen. De Fordwagen9 waren niet te zwaar geladen, maar konden toch niet alle hellingen halen. Wij, zoo schrijft dr. Winckel, de bedienden en het escorte moesten dan uitstappen en duwen. Zoo zijn wij er zonder ongelukken gekomen. De volgende dag — Dinsdag 21 Januari — werd het restant van de weg afgelegd, oen afstand van 79 km, welke van 8 tot 4 uur vorderde. Het was een enorm steile weg en bovendien was de nacht tevoren regen gevallen, zoodat wij eenige malen in de modder bleven steken. Op advies van dr. Lambié vervoegde de ambulance zich bij de paters van de Fransche Katholieke Missie. De Nederlanders verzochten vergunning voorloopig hun tenten op het terrein van de paters od te slaan. Dit verzoek werd niet alleen ingewilligd, doch tevens bleek men gebouwen ter beschikking te kunnen en willen S6Woensdag 22 Januari werd den Negas echriftelijk om audiëntie gevraagd en de volgende dag kwam er antwoord, dat de audiëntie toegestaan zou worden. De leiding van de ambulance ging per vrachtauto naar het voormalige Italiaauache consulaat, waar de Negus op dat oogent>lii verbleef. Na een paar uur wachten eerden zij toegelaten. Als tolk fungeerde