EMIGRATIE NAAR INDIE in. Deez' keer zouden we de belangstelling in Regeeringskringen over deze aangelegenheid bespreken. Er zijn onderwerpen, waarover men gauw uitgepraat is. Met 't bovenstaande zal het, Vrees ik, ook zoo gaan. In het vorig opstel wees ik al op het heugelijk feit, dat een officieel programma, 0.1. dat van de vergadering der „Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid" vermeldde, dat „e en e doeltreffende e m iq r a t i e" voor de bestrijding der werkloosheid nuttig zal kunnen zijn. Het prae advies in dezen zal ik hier bespreken, maar van te voren moet ik U al heggen, dat het mij meer teleurstelling dan Voldoening gaf. Het is den lezers wel bekend, dat wij onder „m i g r a t i e" verhuizen verstaan en we van i m migratie spreken, als het is het binnenkomen, van emigratie als bedoeld wordt het uittrekken uit een land. In bovengenoemd prae-advies vindt men een staatje van het aantal emigranten uit Nederlandsche havens (zonder de Nederlandsche koloniën er bij gerekend), van 1919 tot en met 1935. Het aantal beliep gemiddeld 3519 personen. Dit cijfer geeft aan het aantal Nederlandsche emigranten, dat uit Amsterdam en Rotterdam vertrok, rechtstreeks naar vreemde havens, dus niet het totaal der emigranten. Zoo wordt b.v. over 1935 een officieel cijfer gegeven van 177, terwijl, volgens de officieele Zuid-Afrikaansche statistiek, naar dat land alleen in '35 reeds 631 Nederlanders emigreerden. Dergelijke cijfers hebben voor ons dus geen waarde. In het prae-advies staat dan ook, dat „als Onderdeel van een betere voorlichting in de toekomst een betere statistiek van do aantallen landverhuizers zal moeten worden Verkregen". Een beter overzicht geven de cijfers, genomen uit de registers van afschrijving uit en inschrijvingen in de bevolkingsregisters van personen vertrokken naar en komende uit het buitenland en Nederlandsch-lndië, Curacao en Suriname. Deze cijfers, eerst gemeld van 1913 en daaronder van 1919 tot en met 1935, toonen aan, dat in 1913 een afname was van ongeveer 500 zielen; dat er dus meer men-Bchen uittrokken dan inkwamen. Dit was vóór 1913 ook het geval. Vanaf 1919 tot en met 1934 zag men het omgekeerde, toen Overtrof de immigratie de emigratie belangrijk. Een frappant jaar was 1931. toen het aantal personen, dat zich in Nederland vestigde, het aantal dat uittrok met meer dan 24000 overtrof. In 1935 kwam er voor het eerst verandering en ziet men de volgende cijfers. 1935. Ingeschreven in Nederland: uit den vreemd 21879; uit overzeesche bezittingen 12437; uitgeschreven uit de register: uit den vreemde 34157; uit onze overzeesche bezittingen 11408. Het verschil, dat er meer uittrok dan binnenkwam beliep dus ongeveer 11000. Hiermede zijn we met onze emigratie naar het buitenland (ongerekend de overzeesche bezittingen) weer zoowat op het peil van vóór den oorlog, ruim 30/00. De cijfers geven verder een bepld van migratie naar en van onze overzeesche gevesten. Tot 1929 was de trek daarheen aanmerkelijk grooter dan de terugkeer. Na 1829 kon men het omgekeerde waarnemen en kwamen uit onze bezittingen meer men- Schen naar het moederland terug dan er heen gingen. Een verkeerde wereld Jus. Zoo zijn de cijfers. Cijfers, statistieken zijn ge-makkelijk; men tan er allerlei conclusies uit trekkea. Ik zal op dit terrein het prae-advies niet Volgen. Met het oog op de moeilijke, internationale verhoudingen, die nog verre van Constant zijn en waarop wij als kleine mtie *oo weinig invloed kunnen uitoefenen, lijkt het mij te gevaarlijk conclusies te trekken en voorspelliogen te doen. Toch moet ik op enkele dingen wijzen. De adviseur zegt 0.m.: „Het is dus zaak ten aanzien van de Euro- Peesche landen met niet minder nauwlettendheid dan bij de overzeesche. de kansen voor werklustige Nederlanders waar te nemen." Dat wil dus zeggen, dat de adviseur voor de emigratie meer verwacht van „het buitenland", dan van onze overzeesche bezittingen. £.Rd komt tot die conclusie, omdat de «ijfers van emigratie naar andere Europee-Bcheche landen, naar Zuid-Afrika, Canada en dergelijke aanmerkelijk hooger zijn dan die, welke de trek naar ons eigen overzeesche gewesten aangeven. Hier wordt weer de fout gemaakt, die men hij de Regeeringsbemoeienis maar al te veel 2»et maken. Men bestudeert niet het wezen der zaak. men speurt niet naar de oorzaken, let alleen op de verschijnselen en tracht die weg te werken. Het gaat er hier niet om, enkele menschen meer hier of ginder aan 't werk te zetten en op die manier het aantal werkloozen met enkele procenten te verminderen. Wij moeten afzet in 't groot bebben. Bij de overproductie van vee, van landen tuinbouwproducten is het ook niet de aangewezen weg, om 't meerdere af te slachten of naar de vuilnisbelt te brengen. Wij moeten blijven dóór fokken en dóó- kweeken en onzen bodem tot maximale produkti* aan zetten, want dat alles is winst en geeft arbeid. En wanneer wij niet alles in 1 eigen land kunnen gebruiken, dan moeden we onzen blik richten naar de overzeesche bezittingen. Daar kan nog veel worden afgezet en daar hebben we de regeling aan ons zelf, kunnen uit- en invoer naar onze hand zetten. Pas als ook daar niets meer te plaatsen valt, kijken we naar het buitenland. We weten echter dat dit onzeker is en dat we daarbij ons hebben te regelen naar hetgeen z ij vragen en z ij eischen. Met de overproduktie van mensehen, bij onze overbevolking moeten wij niet anders doen. Eerst, zoowel bij land- en tuinbouw, bij veeteelt als bij handel en industrie, de menschen in 't eigen land zooveel mogelijk een bestaan geven. Als alles vol is en we hebben dan nog menschen over — en zooals het in de naaste toekomst zal worden, g?en enkele duizenden, maar vele honderdduizenden — dan zende men ze niet naar „het buitenland". Dat staat gelijk met „afslachten", omdat ze dan voor de Hollandsche stam, voor het Nederlandsche vol/k verloren gaan. Neen, bij de overproduktie van menschen brenge men het surplus naar de nog niet ontgonnen, vruchtbare streken van Indië, waar nog plaats is voor millioenen. Daar blijven ze Nederlanders, daar blijven ze werken onder eigen volk, onder eigen vlag. Overbevolking en werkloosheid staan met elkaar in nauw verband, als oorzaak en gevolg, als oorzaak en verschijnsel. Werkloosheid kan men verminderen door werkverschaffing, ook in het buitenland. Dit is nuttig, zeer zeker, maar het zal niet anders dan kleine verhoudingen kunnen aannemen, omdat het buitenland geen vreemdelingen in grooten getale opneemt. Overbevolking kan alleen bestreden worden door emigratie in 't groot en d a t kan alleen naar ons eigen overzeesche bezittingen, naar Oost- en West-Indië. In het prae-advies voor de vergadering der nationale vereeniging tegen d« werkloosheid wordt de fout begaan, dat men het zwaartepunt legt op emigratie (eigenlijk is 't slechts werkverschaffing) in den vreemde, terwijl het moet liggen in kolonisatie naar eigen gebieden. „Georganiseerde emigratie", wat door het prae-advies ook als doel wordt gesteld, kan alleen naar eigen gebieden, omdat we daar een „b lijve n d" emigratie-land van kunnen maken, omdat wij daar volle zeggingskracht hebben. Ik moest wat uitvoerig zijn over „Regeeringsbelangstelling", omdat U nu wel weet, dat wij zonder die belangstelling en later zonder Regeerings-hulp niet verder komen. Wel moet de zaak dan flink worden aangepakt. Met „lapmiddelen" komen we er niet. Dr. B. VRIJBURQ. --- Officieele Crisis-Publicaties Aanvrage erkenning rundveestapel. De Landbouw Crisis Organisatie voor Friesland brengt nogmaals onder de aandacht der betrokken rundveehouders dat tot 1 December 1936 nog gelegenheid bestaat tot het aanvragen van erkenning der rundveestapel op stamboek of gezondheidsvoorwaarden voor het jaar 1936. Aanvragen welke na die datum worden ingediend kunnen niet meer In behandeling worden genomen. Voor erkenning 1937 zullen de voorwaarden binnenkort nader worde bekend gemaakt. --- Ongelukken. — Hedenochtend omstreeks half zeven wilde de 60-jarige juffrouw R., wonende in de Maystraat te Den Haag, op de klok kijken, waartoe zij een lucifer aanstak. De brandende lucifer viel uit haar hand en kwam tusschen haar kleeding terecht, waardoor deze in brand geraakte en de vrouw zeer ernstige brandwonden arm armen en borst opliep. In zorgwekkende toestand is het slachtoffer naar de ziekeninrichting Bronovo vervoerd. --- VERRICHTEN VAN ARBEID DOOR VREEMDELINGEN. Regeling van het vergunningsstelsel. Ingevolge het Kon. Besluit van 5 Juni 1936, is van 1 Ociober j.l. af het vergunningsstelsel ex art. 2 van de wet van de 16de Mei 1934, tot regeling van het verrichten van arbeid door vreemdelingen, toepasselijk op bedrijven en beroepen, behoudens ten aanzien van arbeid op zeeschepen en op vaartuigen, die de Rijn, de Lek en de Waal en haar uitmondingen in zee of andere internationale wateren bevaren. Alle werkgevers (behoudens in genoemde uitzonderingen) die vreemdelingen in dienst hebben, moeten dus thans in het bezit zijn van een vergunning van den directeur van de rijksdienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling tot het doen verrichten van arbeid door die vreemdelingen. Dit geldt ook voor alle huishoudelijk personeel. Indien men een vreemdeling in dienst wenscht te nemen, kan deze de arbeid niet aanvaarden voordat de vereischte vergunning is verkregen. De kosten van een vergunning bedragen voor eiken werknemer f 2.— Indien werkvergunningen voor uitwonend vrouwelijk huispersoneel wordt aangevraagd, dient de werkgever bij de toelichting der aanvrage te vermelden, welke bijzondere oorzaken er zijn voor het in dienst nemen van niet-inwonend huispersoneel en hoe en waar dit personeel des nachts gehuisvest is. Hel verdient aanbeveling bij aanvragen om vergunning voor vrouwelijk personeel beneden de 18 jarige leeftijd een uitvoerige motiveering te geven voor het in dienst nemen van deze jeugdige personen. Bovendien is het van belang ia do toelichting te vermelden, wie regelmatig toezicht op deze jeugdigen zal uitoefenen en hoe dil zal geschieden. --- EEN ONTSLAGKWESTIE BIJ DE POLITIE TE SOEST. Bezwarende verklaring tegen een hoofdagent onder bedreiging ingetrokken en later weer gehandhaafd. Door een plotselinge en onverwachte wending is dezer dagen een einde gekomen aan een geschiedenis, welke gedurende meer dan een jaar de gemoederen der inwoners van Soest en omstreken in beroering heeft gebracht. Op grond van medeplichtigheid aan een zedendelict was de burgemeester ongeveer een half jaar geleden overgegaan tot schorsing gevolgd door ontslag van een hoofdagent-rechercheur van het plaatselijk politiecorps. Niettegenstaande aan dit ontslag een zeer nauwgezet en langdurig onderzoek wa» voorafgegaan, heeft de politiebeambte appèl tegen dit ontslag aangeteekend. Tijdens de laatste zitting in hooger beroep heeft de aanklaagster, een inmiddels gehuwde vrouw, echter een verklaring overgelegd, waarin zij mededeelde, dat de door haar geuite beschuldiging wat den hoofdagent betreft,1 als onwaar moest worden beschouwd. De zitting werd hierop tot nader onderzoek verdaagd. Eenige dagen geleden verscheen de echtgenoot van de vrouw ten politiebureele, alwaar deze niet alleen verzocht de ingediende verk'aring van zijn echtgenoote weder in te tiekken, doch tevens verschillende andere voor het politie-onderzoek van belang zijnde feiten mededeelde. Onder meer kwam hierbij v;.st te staan, dat het indienen van de verklaring, waarin de vrouw erkende gelogen te hebben, had plaats gevonden als gevolg van door vrienden van den hoofdagent gedane beloften en bedreigingen Een en ander had tot gevolg dat bes'oten werd tot onmiddellijke arrestatie van deze personen over te gaan. Eén hiervan, een hoofdinspecteur van een groote verzekeringsmaatschappij te Amsterde.m, kon s;-oedig worden gearres' erd en is naar het huis van bewaring te Utrecht overgebracht. De tweede schuldise een 3ö-jnrige stucadoor. eveneens te Soest woonachtig, bleek inmiddels de v'.ucht te hebben genomen. --- TWEEDE KAMER Finantiën. De heer v. d. WEYDEN (r.-k.) dringt aan op afschaffing van de grondbelasting. --- Minister Oud aan het woord. De minieter van Financiën, de heer OUD, de onderscheidene opmerkingen beantwoordend, kan tot zijn leedwezen geen andere verklaring doen dan verleden jaar, n.l. dat afschaffing der grondbelasting van epr. niet is te verwachten. Men kan niet zeggen dat ze drukt op den tegenwoordigen eigenaar; de bezwaren zouden trouwene ook voor andere belastingen gelden. D bezwaren tegen de belasting op ongebouwde dan wel op gebouwde eigendommen zijn niet dezelfde, doch het zou te veel tijd vorderen, daar thans in te treden. Nieuwe gezichtspunten kan spr. overigens niet openen. Wat de heer Louwes wil: het brengen van boerenland in boerenhand, is aantrekkelijk, doch een algemeen vraagstuk, waarvan de grondbelasting een deel uitmaakt. In deze uitgebreide materie kan spr. thans niet treden. De grondbelasting zou een oude belaeting zijn; dit behoeft niet het tegendeel van een aanbeveling te rijn. --- De druk der personeele belasting is zeer zwaar, vooral ook door de opcenten der gemeenten Hier ie nu eens een stuk zuivere gemeentelijke autonomie, waar epr. niet aan zou wilen raken. De heer Ter Laan wees juist op de moeilijke toestand der gemeenten en wilde dat de minieter het gemis aan grondbelastinginkomsten zou vervangen door wat anders. Men moet in dit opzicht niet te veel verwachten. Spr. verdedigt de practijk der toepassing van art. 17 der wet op de inkomstenbelasting. Vervanging der dividend- en tantièmebelasting door een winstbelasting stuit op het bezwaar van allerlei oeconomische bijwerkingen. Bovendien is men daar met een winstbelasting niet van af. Spr. zoekt naar een andere weg om de moeilijkheden te ondervangen, dan die van een winstbelasting. Wat het invoerrecht op sigarettenpapier betreft, ale er een weg is te vinden om aan de emokkelarij een einde te maken, dan wordt die vandaag nog ingeslagen, maar het is een moeilijke zaak. Belaeting van gekerfde tabak is ook door spr. overwogen, doch maakt de positie der kerverijen nog moeilijker. Deze belasting heeft spr.'e voortdurende aandacht. Wat de lasten van fruit aangaat, de crieielaeten zijn zwaarder dan de gewone. Het is niet eenvoudig, de invoerrechten op fruit zoo maar te gaan verminderen, het zou ook de toestand van het inlandsen fruit nog bemoeilijken. De toepassing van de omzetbelasting op poeliereartikelen is wel wat eenzijdig voorgesteld. In belasting-technische zin maakt het niet veel verschil of een dier dood of levend ie Het wild" ie ook een luxe-artikel en de omzetbelasting moet worden verhaald op den verbruiker. Ie het billijk, wel omzetbelasting te heffen van vleesch en niet van wild? Dit ware onlogisch; het ware bet begin van het einde der omzetbelasting. De toepassing van deze belasting op tijdschriften is niet eenvoudig. Wat is te verstaan onder tijdschriften, is niet gemakkelijk uit te maken. Spr. acht een oplossing noodig t.a.v. de accijns op gedistilleerd, en die zal wel moeten gelegen zijn in verlaging, en daarbij ook in verlaging van de bieraccijne. --- Eeredienst. Bij de Afdeeling Eeredienst vestigt de heer LINGBEEK (h.g.) de aandacht op hetgeen in het v.v. staat over het onrecht, in de vorige eeuw aan de Herv. kerk aangedaan. Er is op intrekking van de Kon. besluiten van 7 Januari 1816 en van 23 Maart 1852 aangedrongen. Wie zegt, dat hel onrecht niet meer wordt gevoeld, miskent de gevoelens van duizenden. Gesteld echter dat de Kon. hesl. werden ingetrokken, hoe zou dan de toestand der kerk worden? De heer ZANDT (st. ger.) betoogt dat het gruwelijk onrecht, aan de Ned. Herv. kerk gepleegd, moet hersteld worden. -D* optie», fing der Kon. besluiten van 1816 en 1852 zal de eerste stap zijn in de richting van 4» vrijmaking der kerk. De heer KROL (c.h.) zegt dat reeds meefw malen op intrekking der Kon. besl. is aangedrongen. In de mem. van antwoord ii reeds gezegd, dat een herhaalde gedachtenwisseling geen nieuwe gezichtspunten kan opleveren. De heer Zandt gebruike het Kamergebouw niet voor zijn propaganda. De heer Zandt had eens moeten zeggen, hoe hij zich de gevolgen van de intrekking der Kon. besluiten denkt. Moeten de gemeenten zich dan maar van de Ned. Herv. kerk afscheiden? Moge de opgelegde synodale organisatie een onrecht zijn geweest, de geschiedenis van meer dan een eeuw kan niet zoo maar worden weggenomen. Van de zijde der regeering is geen inmenging meer te vreezen. Minister OUD kan volstaan met te verwijzen naar wat bij een vorige gelegenheid is gezegd, nl. dat de Ned. Herv. kerk volkomen vrij is in haar organisatie. --- DE DRIE MUSKETIERS 1 185 EEN OPDRACHT. „Ik geloof, dat mij 't beste idee te binnen schiet," zei Porthos. „Laat hooren!" gebood Aramis. „Een oogenbiik! Laat mij Grimaud eerst een opdracht geven," verzocht Athos en wenkte Grimaud naderbij te komen, waarna hij op de lijken in het bastion verspreid liggende wees. „Neem deze heeren, zet ze tegen de muur, zorg dat hunhoeden recht staan en dat ze een geweer in hander hebben." „O genie dat je bent!" riep d'Artagnan uit. „Ik begrijp je!" „Begrijp jij het ook, Grimaud?" vroeg Aramis. Grimaud knikte. „Dan is alles in orde," besloot Athos. „Welnu Porthos, wij luisteren naar hetgeen je te zeggen hebt." „Ik zou eerst wel eens willen weten, wat dat te beteekenen heeft, Wat Grimaud daar uitvoert?" „Dat is niet noodig! Kom maar met je idee op de proppen!" 186 TERWIJL GRIMAUD WERKT. „Nu dan," zei Porthos, „i vraag eenige tijd verlof aan mijnheer De Trevilie, onder het een of andere voorwendsel, dat jullie wel voor me uitdenken. Mylady kent mij niet. Ze zal dus ook niet wantrouwend jegens mij zijn en wanneer ik haar maar eenmaal onder mijn bereik heb, is het met haar gedaan." „Dat in geen geval!" riep Aramis. „Dan weet ik toch wel iets beters. Wij brengen de Koningin op de hoogte." „Een goed idee," meende Athos, „maar hoe krijgen we verbinding met het Hof? Kunnen we iemand naar Parijs zenden, zonder dat men het hier