kwam zijn boek pas in de wereld als hij — dc oude professor — allang dood en begraven was. Maar zijn vurige hoop was, dat ■ uitgave van zijn boek nog zou mogen enen hij nog zelf gou mogen ervaren, ijn werk door dc wetenschap zou ontvangen worden. Dc drukker zou Lij vooruit Len, want — wat er zou gebeuren — het boek moest er komen! Dat stond va-t' Zoo denkend en met zich zelve overleggend was onze geleerde langzaam aan het kleine smalle straatje genaderd. waarjn dc beroemdste drukker van Dutrscbland /ijn bedrijf uitoefende. Met welgevallen hoorde onzi ■ op straat het krakende geluid van dc boekdrukpers, die hier dag in dag uit i?! werk was. Vink voor bèt huis van den drukker gekomen, Meet hij staan en keek mei zijn scherpe oogen door het kleine raampje in den muur van dc werkplaats. Zijn schaduw viel naar binnen en zette den drukker een oogenblik in het donker. Dadelijk keek hij op om to zien, wie hem daar van het daglicht beroofde. Dc drukker was een jonge, gespierde kerel, met een beschaafd en fijn gezicht. Mes kon het hem aanstonds aanzien, dat hij dc geleerde stukken, welke hij te drukken kreeg, zelf ook wel eens las! Op zijn hoofd droeg bij een jolig mutsje met voorop den hoofdletter A, als teeken van zijn waardigheid, want — en dit du-ui Ynoral gezegd — het vak van boekdrukker stond in die dagen al zéér hoog. Ja, men noemde het zelfs een kunst en in vele opzichten was het dat dan ook! Na keek hij op van zijn houten pers en toen bij dc gestalte van den hoogleeraar gewaar werd. toog er even een vluchtige blos over zijn gelaat. „Wat," riep hij uit, „krijg ik daar onverwacht zulk een hoogen bezoeker?" Dc geleerde Iflimlachte en kon niet nalaten ■geroerd te zeggen: „Zoo is het! Op U, vriend drukker, heb ik ditmaal mijn ho ld." Doch reeds was onze drukker naar dc deur gesneld en had den grendel weggeschoven. Met een fiksehen zwaai van zijn mutsje noodigde hij den grijsaard uit binnen te treden en met een licht gevoel van trots zag lui, hoe eeuige voorbijgangers bleven staan en er aldus getuigen van waren, hoe Europa's grootste geleerde zijn werkplaats betrad Binnengetreden nam dc hooge bezoeker plaats op een eenvoudig krukje en wierp met een zucht zijn zware portefeuille- op een tafel. „Hier ligt mijn laatste boek," zuchtte hij met zachte stem. „Uw laatste?" glimlachte dc jonge drukker, terwijl hij, mei dc handen op tafel steunend, dc portefeuille bekeek.... „Ja, mijn laatste." antwoordde dc grijze geleerde. „Ik ben thans te oud om nogmaals zulk een zwaar werk te ondernemen en. gij weet het.ik heb in mijn leven al vele boeken geschreven, ja, zelfs al, toen uw boekdrukpers, dat wonder aller eeuwen, nog niet bestond. Dit boek nu is mijn laatste en ook mijn grootste en mijn belangrijkste. Het zal een opschudding in de wereld verwekken, dat wil ik U wel zeggen. Maar, hoe dan ook, gij moet het drukken; ik zal U reeds nu daarvoor betalen" Met de laatste woorden had hij de hand onder zijn mantel gebracht en thans zette hij een zakje met goudstukken op tafel. De drukker schoof zonder er verder naar om te zien het zakje terzijde. Het geld zou voldoende zijn, dat wist hij, maar ook als er iets aan zou ontbreken zou hij daarover zwijgen. Het was hem genoeg, dat hij den grooten geleerde behulpzaam kon zijn bij het werk aan zijn boek. Onze drukker kon echter niet verhelen, dat een lichte schittering van angst in zijn oogen kwam en eenigszins bedeesd fluisterde hij dan ook: „Opschudding zal het verwekken, zegt U?" „Ja," antwoordde de geleerde met forsche en besliste stem, zal opschudding verwekken, groote opschudding zelfs, want in dit boek staan dingen geschreven, die mijn tijdgenooten nog niet weten en die zij aanvankelijk ook nog niet zullen gelooven. Zij zullen mij voor gek verklaren, maar dat hindert niet, want er zullen er ook zijn die hetgeen ik in dit boek beweer nader zullen gaan onderzoeken en zij zullen het zijn, die de waarheid van alles wat ik geschreven heb, zullen uitbrengen. Gij zijt jong en sterk; gij moet mij beloven, dat ge het boek beslist zult drukken, ook in geval ik er niet meer zal zijn!" „Ik beloof het Ui" antwoordde de drukker. Gerustgesteld voerde de grijsaard thans het gesprek verder en legde aan den drukker uit hoe hij zich het boek het liefste zou wenschen. De drukker luisterde aandachtig, schreef van tijd tot tijd iets op en beloofde tenslotte, dat hij voor het tot stand komen van het werk zou zorgen. Tenslotte gaf de geleerde hem een lijstje met namen van personen aan wie het boek moest worden bezorgd als het eenmaal klaar zou zijn. Daarop verliet hij weer de kleine werkplaats om de terugreis naar Heidelberg te ondernemen. Nauwelijks vier Weken later stierf hij plotseling, door iedereen geëerd en geacht, en in het rustige besef, dat zijn boek, dat het doel van zijn leven was geweest, in goede handen achterbleef. En de drukker drukte het boek. Eiken ochtend begon hij aan een nieuwe bladzijde, welke hij letter voor letter zette en aangezien hij goed Latijn kon lezen, nam het werk hem geheel in beslag, want wat hij las was inderdaad wonderbaar. Allerlei zaken deden hem dikwijls een kreet van verbazing slaken en somtijds stond hij op het punt te denken, dat de oude geleerde niet wel bij hoofd was toen hij die dingen schreef. Maar dan hoorde hij weer die zachte maar besliste stem, die sprak: 7.iï Tllllon mii Wftfip rroV irörl-lapon maar* dat hindert niet, want alles wat ik geschreven heb is de waarheid !" Beschaamd bukte de drukker zich dan weer over zijn letterkastjes en arbeidde met noeste vlijt verder. Des avonds, als de bladzijde klaar was, sloot hij zijn lettertjes in een raampje en zette het op de pers en zoo begon hij eiken dag, klokslag vijf uur in den namiddag, de bladen voor het boek af te drukken. Het krakende geluid van de handpers, die bij elke nieuwe toer weer aangedrukt werd, klonk door het nauwe straatje en deed de menschen zeggen, dat de drukker het blijkbaar wel druk had. En zoo was het immers; bij eiken keer dat men het piepende en steunende „krrrik... knrrrak" hoorde, kwam een bedrukt vel papier uit de pers! Zoo verliepen er meer dan vierhonderd dagen! Toen was op een avond het laatste vel bedrukt. Het boek was klaar en den volgenden dag zou onze drukker zich aan het werk zetten om het in te binden. Hij had van elke bladzijde honderd stuks gedrukt en dus moest hij nu ook honderd boeken inbinden. De geheele werkplaats lag van onder tot boven vol met bedrukte vellen papier, die allemaal nog netjes geordend moesten worden, vóór zij in het perkamenten omslag zouden worden genaaid. ... Een maand later was het boek verschenen. Alle menschen, wier namen op het lijstje gestaan hadden, kregen het in hun bezit. Het waren allen zonder uitzondering geleerden. Zij namen het boek, toen het kwam, eerbiedig in de handen en sloten zich daarna in hun kamer op om het vol aandacht te gaan lezen. Maar ziet, de opschudding, welke de oude professor voorspeld had, kwam. Vele geleerden zetten bij het lezen eerst groote oogen op, maar langzamerhand werden zij woedend. Tenslotte riepen zij: die vent was stapel gek! Wat wil hij ons wijsmaken? Zijn wij soms kinderen? Weg met het boek; het is het werk van een ziek brein! En in hun woede klaagden zij — omdat de schrijver van het boek niet meer leefde — den armen drukker aan! En het gerecht kwam en sleepte den moedigen en vlijtigen drukker uit zijn werkplaats en van zijn vrouw en kindertjes weg. Men wierp hem in de gevangenis en toen de arme stakker in de volheid van zijn overtuiging uitriep: „En toch is alles waar; dat zal je zelf zien!" werd hij nog vreeselijk gegeeseld bovendien! Ach, er stonden in het boek zoo vele zaken, die thans elke schooljongen weet, maar die toen nog niet geloofd werden. Niet alle geleerden waren echter zoo dom en zoo kortzichtig! O, neen, verscheidene waren er, die deden wat de oude geleerde voorspeld had. Zij namen het boek en gingen regel voor regel onderzoeken en toen zij ontdekten, dat de eerste zaak, die vreemd leek, toch waar was, -gingen zij verder en zoo bevonden zij tenslotte, dat het gansche boek waar was. En zij haastten zich en begonnen zelf ook boeken te schrijven en redevoeringen te houden om te betoogen, dat alles wat het boeK zei, de waarheid was. Zoo drong in vele duis* tere zaken langzaam het ware licht tot <*e wereld door! Onze arme drukker intusschen vergat meien zoo kwam het dat hij jaren lang in de vochtige kerkers der stadsgevangenis bleef zuchten. De smeekbede van zijn vrouw, de tv»* schenkomst van een enkele geleerde, niets hielp. Hij had nu eenmaal een leugenachtig beek gedrukt en daarbij bleef het. Totdat nP een goeden dag de landvoogd de gevangen*5 bezocht en — bij den drukker gekomen —1 vroeg, wat deze gedaan had. De directeur der gevangenis trok een aoS' stig gezicht en fluisterde vol afschuw: „Hij heeft een zeer leugenachtig boek ge' drukt, dat de halve wereld in rep en roer ?.*' bracht heeft. Hij is een echte oproerkraaier. De landvoogd trok een donker gezicht, terwijl hij vroeg: „Welk boe!: was dat dan?" Toen men hem den titel noemde, gleed «' een trek van pure verbazing over zijn gezich* „Maar hoe is dit mogelijk?" riep hij ** „Dat boek is het knapste en beste werk va» onze eeuw. Het heeft de geheele wetenschap mijlen ver vooruit gebracht. Laat onmiddellij** dien man los!" , En natuurlijk liet men den drukker I°s' En nu zullen jullie het misschien niet wille1! gelooven, maar de goede man — die bijna achjaar gevangen gezeten had — toonde tr. groote verheugenis in hoofdzaak omdat be boek waar was. Hij was ook wel verheugd d? hij eindelijk het lieve zonlicht zag, maar zij*l grootste vreugde was dat eindelijk ook zjr arbeid op de juiste waarde werd geschat. Thuis vond hij vrouw en kind vermager° en verkommerd terug. Dat was even een vref selijke ontgoocheling voor den armen ma* die al die jaren niets van zijn gezin ha* mogen vernemen. Maar toen dienzelfde-1 avond nog vele geleerden hem thuis kwame" opzoeken en hem zeiden hoe blij zij ware*** dat hij weer vrij was en nieuwe boeken ko" drukken, verdween het verdriet weer vlug- En den volgenden dag zette de thans wee gelukkige drukker — bijgestaan door z-Jj zoon, die nu al groot was — zich weer aan het werk en hij drukte in zijn verdere leve-1 nog vele boeken. En zoo goed werden met<» stumperige lettertjes en met het armzalig, houten persje zijn boeken gemaakt, dat &1' thans nog, na zooveel honderden jaren in <- musea als zeer kostbare schatten, onbesefte digd en onverweerd, worden bewaard! --- WOENSDAGAVONDFEUILLETON. EEN VEER OP DEN HOED. ROMAN VAN HANS SCHROTT-FIECHTL. 21 Daar slaat het elf uur op den toren, luid en doordringend. Bij den laatsten slag vliegt Cenzi op, want zij denkt opeens aan het werk dat haar wacht. Haar zijden boezelaar gooit zij zoo maar neer en het volgende oogenblik staat zij in de keuken. „Het zou goed zijn, Paulmichl, als je moeder nu veel werk had", zegt dr. Ladurner medelijdend en ernstig. En daar hij geen antwoord krijgt, gaat hij voort: ~Ik eet vandaag met de logé's. Blijf jij bij moeder in de keuken." „Ik heb geen trek in eten", zegt Paulmichl ongeduldig en onverschillig. Als de dokter voor de gedekte tafels staat, schiet hem door het hoofd, hoeveel van den ingeslagen voorraad zal bederven of althans minder goed gebruikt worden. Er zijn maar twee tafels gedekt en verleden week waren het er nog zeven en acht.... Men begint te eten. „Die arme mevrouw Herberger", zegt een jongmensch medelijdend. „Ja, neemt mij niet kwalijk, dames en heeren! Vrouw Cenzi laat u hartelijk danken voor den mooien krans", „Hoe gaat.het met haar?" vragen verschillende gasten tegelijk. „Och, als zij maar werk heeft, veel werk, dan zal het wel gaan Dan vergeet men gemakkelijker." „Daar heeft u gelijk in, professor", stemt een Noordduilsch fabrikant toe. Anderen knikken. „Het spijt ons werkelijk, maar wij zijn door kennissen uitgenoodigd, naar Gossensass te komen; het is jammer, maar wij kunnen het zoo moeilijk weigeren", zegt zijn vrouw, om hun vertrek een beetje te verzachten. „Oh, hwat a pily", fluistert een jong Engelsch meisje. „Ja, het doet ons verschrikkelijk leed ", gaat mevrouw voort „Ja, niemand blijft graag in een huis waar rouw is ", komt haar man haar te hulp. „Dat begrijp ik zeer goed, dames en heeren", zegt dr. Ladurner ernstig en vriendelijk. „Maar u moogt toch ook niet geheel vergeten, welk een schade het voor de arme vrouw is, wanneer iedereen weggaat. Al haar voorraad kan niet gebruikt worden " „Dien kan zij conserveeren", zegt de fabrikantsvrouw wijs. De jonge Engelsche ziet professor Ladurnerf vriendelijk aan. „Dat versta ik niet. Pa en ma, wij blijven bier. Mevrouw Cenzi was altijd zoo vriendelijk en voorkomend. Nu, dat zij in nood is Ik blijf stellig " „Ik zou ook gaarne Wijveca", zoo mengt zdcfh een Franschman in het gesprek, „maar wij hebben in Parijs verplichtingen." Den volgenden dag waren er nog maar zes gasten. In het dorp blijven weinig vreemdelingen, eenvoudig omdat de boeren het niet hebben kunnen, zij hebben te weinig kamers, waar gestookt kan worden En dus was de winter ook bedorven. „We zullen je wel helpen, Cenzi", belooft dr. Ladurner telkens weer. Hij moet nu naar Salzburg, maar dat hij alles doet wat hij kan, dat weet iedereen in het G'streindlhotel. En op een avond is Cenzi alleen met haar jongen. De meisjes zijn allang weg. „Paulmichl", begint zij bedaard, „het staat niet goed met ons. Er zal heel hard gewerkt moeten worden. Maar ik laat den moed niet zakken. Ga jij nu naar Innsbruck terug on maak dat je gauw afgestudeerd bent. Zoo help je mij het be^'.e." Paulmichl is er verlegen mee. „Moeder", begint hij en nog eens „moeder " Eindelijk merkt zij iets. „Is er wat, Paulmichl?" „Neen, moeder. Maar ik kan en mag geen dokter worden." Haar bruine oogen worden angstig. Zij springt overeind. „Heb ik het niet gedacht, dat er wat komen zou?" klinkt 't meer als een zucht dan als een gesproken zin. „Jongen, in Godsnaam, jongen, als jij nu ook nog.." „Ik begrijp u niet, moeder", zegt de student bedaard. „Wat zou dat dan? Ik weet nu, in welk beroep ik met hart en ziel werkzaam kan zijn en vader heeft het mij op zijn sterfbed toegestaan. Hij was er blij om. heel blij. „Ja, wat wil je dan eigenlijk?" vraagt zij. „Ik wil koopman worden, moeder. Ik mag u geen cent meer kosten, moeder The honourable heeft mij reeds een plaats willen bezorgen. Over twee, drie jaar heb ik mijn leertijd achter den rug en dan kan ik gaan verdienen...." „O, denk je soms, dat de menschen op je wachten om je te laten verdienen?" vraagt zijn moeder bijna minachtend. „Zeker niet. Zij wachten op niemand, omdat allen gelijke rechten hebben " „En je bedenkt niet, dat ik op dit oogenblik geen geld kan missen!" „Maar u hadt wel geld om mij te laten studeeren?" „Dat kan ik eer ter leen krijgen. Begrijp je dat dan niet?" Driftig slaan de twee menschen tegenover elkander. Paulmichl is vastbesloten. Hij is niet meer zacht en toegevend, zooals vroeger. Dat is Lizzi's schuld. Nu weet hij, wat hij wil. En in zijn positie, daar is hij van overluigd, moet hij volhouden, anders verspeelt hij het geluk van zijn geheele leven. „Moeder, u moet een beetje vertrouwen in mij stellen. Ik heb geen barmhartigheid noodig, maar rechtvaardigheid, tot het uiterste. leder is zichzelf het naast en pas als ik wat heb meegemaakt, ben ik werkelijk iets waard. Die Tiroolsche manier, om Gods water over Gods akker te laten loopen en enkel te doen wat vlak voor de hand ligt, bevalt mij niet. Ik waag er wat aan. Maar dan wil ik ook over mijn eigen lot beschikken, voor zoover een mensch dit doen kan." „Jongen, sta je soms op tegen onzen lieven Heer?" vraagt Cenzi bezorgd. „Zeker niet, moeder. Daar vertrouw ik vast op Maar als je in nood bent, zeggen de menschen altijd: «Bid maar; bid maar! Bidden is heel goed, maar voor mij is het niet genoeg " Is dat niet precies hetzelfde, wat zij zelf altijd gezegd heeft? Is zij dan blind geweest? Lang denkt zij na. „Het zit zeker in de lucht", mompelt zij peinzend. „Zie je, Paulmichb, *t is alleen -voor je eigen best.." „Dat weet ik, moeder, dat weet ik. Maar ieder moet voor zijn eigen geluk zorgen. En wie maar weinig verlangt, krijgt ook weinig...." „Ja, verlangen kun je niet veel." „Dat is niet waar, moeder", stuift hij op. „'t Is niet waar. Kijk, verlangen kan alleen degeen, die zijn uiterste best doet." „Daar heb je gelijk aan, jongen. Maar je moet ook bedenken, hoe de 2aak mij juist op dit oogenblik in al mijn plannen dwarsboomt. Jongen, ik werk al tweemaal zoo hard " En dan schiet haar opeens een gedachte door het hoofd: Als de jongen daarginds in de wijde wereld eens bedorven werd! Neen, dat mag niet gebeuren. Alles liever dan dat! „Een half jaar ga je nog naar Innsbruek. Dan ben je kalmer en kun je " beveelt zij met al de kracht die in haar is. „Neen. In geen geval", zegt de knaap op vasten toon en met glinsterende oogen. Nu begint Cenai het ook te meenen. „Paulmichl", zegt zij ernstig. „Dat moet je toch zelf inzien. Je zoudt mij in de grootste verlegenheid brengen." Paulmichl staat op, kijkt zijn moeder aan en slaat de deur achter zich dicht. Zijn moeder heeft niet eens tijd, al het bittere hiervan te gevoelen, want de huisknecht komt haar wat vragen. Dit wordt dadelijk afgehandeld. Maar nu is het, alsof er een zware steen op haar ligt. Zij moet de deur uit voor een paar uur in de frissche lucht. Maar natuurlijk — dat zij daar nog nooit aan gedacht heeft..! Zij is nog nooit boven op de alm geweest. Daar kan zij vandaag best.... Michl moeide kleine slede inspannen en in korten tijd is zij op de alm. Boven zijn op het e-ogenblik zestien logé's en als zij boven komt, wordt zij van alle kanten met vragen bestormd. Overal lachen en pret. Eindelijk moet zij op een bob, de logé's laten haar niet los. Zij moet. De scherpe lucht bij het voortsohieten doet haar goed. Het bevrijdt hart en ziel van al wat haar heimelijk drukt en doet haar dit voor een paar uren vergeten. „Mevrouw Cenzi", zegt een heer tegen haar, „eerstdaags komen er een paar kennissen van mij. Hier is het bericht." „Bevalt het u hier goed?" „O, uitstekend. Het prachtige terrein en de schitterende, vroolijke eenzaamheid! U begrijpt niet, hoeveel goed dat ons, stadsmenschen, doet. Zoo den heelen dag op de ski, dan een bad, de warme kamer en een stevig stuk vleesch " „Ja, mevrouw Cenzi, als het weer zoo blijft krijgt u het heele hotel nog vol", zegt een dame lachend. Dan moet er gezorgd worden voor al wat er noodig is. Naar alles en alles moet Cenzi kijken en vragen. Goddank, de zaken gaan goed. Onderweg naar huis overlegt Cenzi: Wie had dat kunnen denken, dat het dadelijk den eersten winter zoo goed zou gaan.... Wie weet, of zij zich er nog niet doorheen slaat! Onmogelijk zou het zeker niet wezen. Paullmichl kent zijn moedertje heel precies. Dat zij met al wat in haar is, zich tegen zijn plannen verzet, dat weet hij; zij spreekt altijd met halve woorden totdat haar besluit zoo vast staat als een rots. En zoover mag hij het niet laten komen. Onrustig loopt hij zijn kamer op en neer. Een uitweg. ... lieve deugd, waar vindt hij er een? Moeder heeft het niet gemakkelijk, dat is zeker. Maar wat baat het haar, of hij nu ook zijn fijd nog verbeuzelt? En wat dan? De gedachten pijnigen hem. Ja, wat dan? Een mensch moet een veer op zijn hoed hebben! Heeft moeder dat niet vroeger eens gezegd? Daar speelt de wind mee en iedereen kan zien, dat je durf hebt. Durf! ja maar dat ïs een ding met tien handvalsels. leder grijpt het aan een anderen kant beet. En je kunt zeggen wat je wilt, in het leven heb je nu eenmaal „durf" noodig! Het komt alleen maar & op de soort en die moet het leven.je toch weer gen j Hij had wel kunnen schreien. Aan den eenen »*jt weet hij zeker dat er geen betere weg is en daar s**J, weer tegenover, moeder met haar zorgen en haar vP driet Wat is hier het verstandigste? t Weer loopt hij heen en weer, uren lang, naar }. hem voorkomt, totdat een raaf laag over het veld vli-j en een ongeduldig gekras laat hoeren alsof hij Pa michl een duw wil geven. Troosteloos leeg is het in zijn binnenste, want «*"j hij ook overal zoekt, een bruikbare gedachte vindt •" nergens. * En zijn hart wenscht, hoopt en gevoelt met al kracht der jeugd f .* Opeens springt de jonge man op en grijpt naar kolier. Het allernoodigste pakt hij erin. Het ©laat ju zes uur. J „Ik kan net den trein nog halen", zegt hij \erhem en gaat heen met zijn koffer. Michl slaat aan de deur. j „Zeg aan moeder dat ik voor een paar dagen Innsbruck moet", z*egt hij., „Als alles goed gaat, v ik gauw terug....»" J „Goed, Paulmichl goede reis ", antwoordt M-" zwaarmoedig. j „Je doet, alsof ik wel een jaar wegblijf ", r&P de student. ■* „Och, dat viel mij zoo uit den mond", zegt de hu knecht lachend. ,f- Paulmichl gaat naar het station en als hij in trein zit, komt Cenzi thuis. fj Daar zijn twee heeren gekomen, die een paar willen blijven en dus heeft zij vooreerst wat au».. te doen. Pas bij het avondeten vraagt zij naar jongen. P „Die is voor een paar dagen naar Innsbruck, v vrouw", krijgt zij ten antwoord. .r „Goddank! dan is hij tenminste verstandig g 6 den. Het zou een geluk zijn als hij dokter waS-1 kon hij tenminste zijn brood verdienen. En zoo-i*" houd ik de zaak wel gaande." Cenzi was gelukkig. Waarom hij zonder afscheid vertrokken is ? % iets voor Paulmichl. Het zit hem dwars dat hij * plannen moet opgeven cm nu gaat hij haar liever , den weg, totdat hij er overheen is. Laat heen & begaan. .^ Den volgenden dag kan Paulmichl nauv.elijk tijd afwachten voor een bezoek. Des avonds heelt nog bij The Honourable belet gevraagd. a Nu hij zoo voor den machtigen man staat, doet \ diens vriendelijke, kalme en toch warme deel* goed. . A „Ik hoop, dal dit geen verandering in uw leve" a brengen, mijnheer Herberger?" vraagt de heer huizes na de eerste begroeting. Paulmichl antwoordt niet dadelijk. De bediende brengt whisky en soda en de steken een sigaar op. En nu begint de Lord, eer student iets kan zeggen: „Als ik u met iets helpen kan, beschik dan Set ' over mij. Wij kennen elkander immers lang gen „Misschien en misschien ook niet. Mag ik mijn K bepleiten? Misschien weet Mylord een uitweg. ■• -.<,! Dit klonk aarzelend en pijnlijk. Ja, het was een Vj» daad voor den jongen man, dat de heer des h'1' slechts met een aanmoedigend knikje beantwoord» jf „Ziet u, drie of vier jaar duurt het zeker nog* |* ik aan het verdienen kom en dan geeft het de ee~ jaren ook nog niet veel ....** Weer die deelnemende, kalme hoofdknik. Wordt vervolg-1' --- Oplossing van 't vorig Kruiswoordraadsel. Vakjes naast elkaar: 1. November-7. Epe. 8. Ode. 9. Toon. 12. Al. 13. Si. 15. Pee*1 18. Isa. 20. Ede. 22. Minister. Vakjes naast elkaar: 1. Net. 2. °£ 3. Vet. 4. Bon. 5. Ed. 6. Rem. 10. Oase. 11. 01£ 14. Wim. 15. Pan. 16. Net. 17. Ver. 19. Si. 21* --* ---