hoop gedeponeerd worden. Daardoor breidt de kw-aal zich een volgend jaar sterk uit. Ga ze verbranden en draag zorg, dat alle aangetaste deelen uit den grond verwijderd worden. Niet alle kooien laten zich evengoed bewaren. Voor bewaarkool neme men die, welke vast gevormd zijn en slechts door twee bladeren gesloten worden. Wortels en kroten laten zich uitstekend in wit zand of turfmolm bewaren. Alhoewel veldsla buiten nog gezaaid kan worden, verdient het aanbeveling dit in den kouden bak te doen. Met winterpostelein handeit men evenzoo. Selderij en peterselie zijn tegen vorst niet bestand. Ontdoe ze van de meeste bladeren en zet ze in den bak. Dan heeft men gedurende den winter nog versche groente. --- In den boomgaard wordt bij droog weer geoogst, Dit jaar is er veel fruit, doch schurft en monilia richten belangrijke schade aan, terwijl het aantal wormstekige exemplaren te groot is. Dit kan grootendeels voorkomen worden door op den juisten lijd de noodige bespuitingen toe te passen. Een wimterbesptóimg alleen is niet voldoende. Op de boerderij besteedt men aan het fruit geen of weinig zorg. Kruisbessen, die dezen zomer aan meeldauw leden, worden gesnoeid. Om bodembesmetting te voorkomen, wordt het snoeisel verzameld en verbrand. Aardbeien worden schoongemaakt; ranken en overtollige bladeren worden verwijderd. Tusschen de planten brengt men ruige mest aan, zoodanig, dat het hart der planten vrij blijft. Aardbeien houden veel van fosforzuur, zoodat men thans wel superfosfaat of slakkenmeet kan aanwenden. --- De bloemen hebben zioh de laatste weken uitstekend gehouden, dank zij het schitterende herfstweer. De kans bestaat echter, dat nachtvorsten spoedig een einde aan den rijken bloei van rozen, dahlia's en begonia's maken. De knoLten van dahlia's worden gerooid, gereinigd en zoo mogetijk in de zon gedroogd. Vervolgens worden ze van etiketten voorzien, waarop kleur en hoogte vermeld worden. Een volgend voorjaar heeft men daar veel nut van. Knolbegonia'e en gladiolen laat men na het rooien nog wat nadrogen; in turfmolm laten ze zich uitstekend bewaren. Montbretia'6 laat men veelal in den grond zitten, doch de afgeloopen winter heeft afdoende aangetoond, dat dit niet altijd vertrouwd is. Viooltjes en vergeet-mij-nieten komen nu op de perken, 20—25 c.M. van elkaar. Het viooltje houdt van een besten grond, terwijl het vergeet-mij-nietje de voorkeur aan een schralen bodem geeft. In 't laatst van deze maand kan men beginnen met tulpen en hyacinthen in de tuin te planten. Denk er aan, dat tulpen niet steeds in denzelfden grond mogen worden geplant. Zoo mogelijk komen ze op een andere plaats dan het vorige jaar; anders moet de bovenste 30 c.M. grond door verschen aarde vervangen worden. We raden aam om voor den tuin vroege tulpen te nemen; anders valt de bloei in een tijd, dat er al veel andere bloemen zijn. Keizerskroon en Kardiimaalsmuts behooren tot deze groep. --- In de huiskamer worden hyacinthen op glas gezet, tulpen en hyacinthen in potten, terwijl de bekende trosnarcissen paperwhite en Soleil dor in een schaal met grint worden geplaatst. Deze trosnarsiccen doen het altijd goed. Daar de planten direct in 't volte licht gezet kunnen worden en terstond met den groei beginnen, geven ze veel voldoening. Na 6—B weken staan ze reeds in vollen bloei. Tulpen en hyacinthen komen eerst in een donkere, koele, vorstvrije ruimte te staan, waar ze blijven, tot de spruit een lengte van ongeveer 8 c.M. heeft bereikt. Ook kan men de potten ingraven in den tuin, waardoor men er de eerste twee maanden niet naar behoeft te zien. Wie met Kerstmis bloeiende bolgewassen wil hebben, neme geprepareerde hyacinthen en als tulp de Due van Tholl. Deze hebben slechts een korten groei tijd noodig. Kleinere bollen als die van Chinodoxa, Anemonen, Winteraconiet, Trittiilaria, Sneeuwklokjes, Ranonkel en Blauwe Druifjes kunnen ook zeer bijdragen tot verhooging van de bloemenpracht. Ze kunnen alle in deze maand geplant worden. Kamerplanten, welke in den zomer buiten stonden, worden nu binnen gehaald. AMSO. --- GREIDE EN BOUW EEN „INTERESSANT” KWARTAAL. NIETTEMIN LAGERE PRIJZEN DAN VORIG JAAR. KAAS EN MELKPRODUCTEN „BOFTEN” BIJ BOTERPRIJSDALING. Het thans achter ons liggende derde kalender-kwartaal is wel een zéér bijzonder tijdperk geweest. De éérste maand ervan was er nog een van „gewone crisis"; de tweede kan worden gekarakteriseerd met het woord „spanning" en de derde — September — heeft voor de geschiedenis het etiket „oorlog" gekregen Laten we, met het oog op de uitzonderlijke beteekenis van die drie maanden eens nagaan, hoe de verschillende zuivelproducten-prijzen zich hebben gedragen. Dan krijgen we allereerst de Leeuwarder commissie-noteering voor de boter te zien in de achtereenvolgende dertien weken van het kwartaal Juli—September; Noteering Toeslag Totaal. Eerste week 75 60 1.35 Tweede „ 77 60 1.37 Derde „ 79 50 1.29 Vierde „ 75 50 1.25 Vijfde „ 73 55 1.28 Zesde „ 72 55 1.27 Zevende „ 70 55 1.25 Achtste „ 70 55 1.25 Negende „ 74 55 1.29 Tiende „ 72 55 1.27 Elfde „ 72 55 1.27 Twaalfde „ 70 60 1.30 Dertiende „ 70 60 1.30 Gemiddeld: 73 56 1.29 Men ziet dus, dat de noteering van Leeuwarden daalde, naar mate de oorlog dichter bij kwam, de spanning grooter werd en zich tenslotte ontlaadde in wapengeweld! Dat is vreemd voor degenen, die zich de jaren 1914—'18 nog herinneren! De verklaring ligt natuurlijk in hoofdzaak in twee feiten, n.l. 10. dat de koers van het pond sterling sterk daalde, terwijl de vrachten en assuranties sterk omhoog gingen en 20. dat de Engelsche regeering een — aanvankelijk lagen — maximumprijs voor boter gebood. Al deze factoren werkten verlagend op den prijs en aanvankelijk ook verlammend op den export. Zoo werd b.v. in de week van 4—lo Septemter j.l. slechts 345 ton boter in totaal uitgevoerd, maar één week daarna was deze hoeveelheid al weer gestegen tot 1152 ton, dus aanzienlijk meer dan het drievoudige. Sindsdien heeft men zich al weer op de veranderde omstandigheden ingesteld, terwijl het pond sterling een belangrijk koersherstel tot circa f 7.50 te zien heeft, gegeven (het is al beneden f 7.— geweestl) en de Engelsche maximumprijs eveneens verhoogd is. De eerste boternoteering van het vierde kwartaal is dan tien cent hooger afgekomen dan de laatste van het verstreken driemaandsche tijdvak, n.l. 80 cents! Bovendien is dit de éérste noteering van den z.g. „winterdienst" der Zuivelcentrale. Van 1 October tot 1 April immers geldt een boterprijs af-fabriek (noteering plus toeslag) van f 1.45. Dit bedrag wordt echter nog niet bereikt, want do toeslag is blijven staan op 60 cents, zoodat we komen op een totaal van 80 + 60, dus f 1.40 of wel een stuiver te laag! Uit bovenstaande tabel blijft verder, dat de totale boterprijs in het afgeloopen kwartaal precies één cent onder den zomer-garantieprijs van f 1.30 is gebleven! In het overeenkomstige tijdvak van het vorige jaar bedroeg het verschil juist een cent naar boven. Het méést typeerende voor den toestand is echter wel, dat de gemiddelde boternoteering in dit kwartaal een stuiver lage r is geweest dan in Juli—September van het vorige jaar, n.l. 73 tegenover 78 cents. En de gemiddelde toeslag is slechts drie cents hooger geweest, n.l. 56 tegenover 53 cents. De totale boterprijs is derhalve twee cents lager geweest, n.l. f 1.29 tegenover f 1.31. Gedurende twaalf van de dertien weken is de Leeuwarder noteering lager geweest! Bezien we nu eens de Friesche bondsnoteering per 100 kilo melk per vet-procent: Bondsnoteering per vetprocent. 1938 1939 Eerste week 1.30 1.35 Tweede „ 1.25 1.35 Derde „ 1.25 1.30 Vierde „ 1-30 1.25 Vijfde „ 1.35 1.25 Zesde „ 1.40 1.30 Zevende „ 1.40 1.30 Achtste „ 1.40 1.30 Negende „ 1.40 1.30 Tiende „ 1.40 1.30 Elfde „ 1.45 1.30 Twaalfde „ 1.50 1.55 Dertiende „ 1.60 1.75 Gemiddeld: 1.38 1.35 Ondanks de dab'ng der boternoteering ziet men de noteering in de laatste weken sterker stijgen dan vorig jaar, maar het kwartaal-gemiddelde blijft toch 3 cents beneden vorig jaar. Melk van 3.30 % vet kwam vorig kwartaal op 4.45 cent, vorig jaar 4.55. Magere melkpoeder. 1938 1939 Eerste week 9.50 9.25 Tweede „ 9.50 9.00 Derde „ 9.50 9.00 Vierde „ 9.75 9.00 Vijfde „ 10.00 8.75 Zesde „ 10.50 8.75 Zevende „ 11.00 8.75 Achtste „ 10.75 9.00 Negende week 10.50 9.50 Tiende „ 10.75 9.50 Elfde „ 10.50 12.75 Twaalfde „ 10.50 13.00 Dertiende „ 10.75 13.00 Gemiddeld: 10.27 9.94 Duidelijk ziet men, dat in de laatste drie weken er een gróót verschil naar boven is, vergeleken bij vorig jaar, n.l. f 2.25 a f 2.50 per 100 kilo, dat is bijna een vierde deel méér! Doch in de voorafgaande tien weken was het andersom, n.l. lagere prijzen dan een jaar terug en dat kon natuurlijk niet meer goed worden gemaakt door die laatste drie. Enfin men bezie ook deze cijfers maar eens, eerst van links naar rechts en vervolgens van boven naar beneden. Ze zullen wellicht spoediger dan men zich nu nog kan voorstellen, historische waarde krijgen... Daarom geven wij ze ook! Laten we thans eens een product nemen als eerste kwaliteits boerenkaas (volvet dus) op de Bodegravensche markt. Welnu, dit uitgesproken kwaliteits-product heeft het dit jaar wat beter gemaakt, dan in de zelfde drie maanden van het vorige jaar. Tien. weken lang heeft de Bodegravensche marktprijs zoo om en nabij i 24 en f 24.50 geschommeld, soms een kwartje er onder of er boven, maar nauwelijks was de oorlog begonnen, of er trad een stijging in, die in drie weken klom tot 30 %! Nu is er in September altijd wel een stijging te zien, maar nooit zóó sterk En omdat de uitkeering aan den boter-toeslag is vastgekoppeld, ging het in deze laatste weken goed met de volvette boerenkaas: Ie kwaliteit volvette boerenkaas Marktprijs Bodegraven Uitkeering Totaal Eerste week f 24.25 f 6.20 f 30.45 Tweede „ 24.50 6.20 30.70 Derde „ 24.50 5.15 29.65 Vierde „ 24.00 5.15 29.15 Vijfde „ 24.00 5.65 29.65 Zesde „ 23.75 5.65 29.40 Zevende „ 24.00 5.65 29.65 Achtste „ 24.00 5.65 29.65 Negende „ 24.00 5.65 29.65 Tiende „ 23.75 5.65 29.40 Elfde „ 25.25 5.65 30.90 Twaalfde „ 27.00 6.20 33.20 Dertiende „ 30.00 6.20 36.20 Gemiddeld 24.85 5.74 30.59 De laatste drie weken hebben op de markt een grooten sprong te zien gegeven en omdat de boternoteering daalde en daarom de toeslag werd verhoogd, ging voor de kaas ook de uitkeeriing omhoog. Het mes sneed hier dus aan twee kanten. Gerekend over het geheele kwartaal en vergeleken bij vorig jaar, was het resultaat, dat de marktprijs steeg van f 24.60 op f 24.85 en de uitkeering van f 5.42 op f 5.74, zoodat de „boerenprijs" klom van f 30.02 op f 30.59, dat is dius twee procent. Tenslotte de Volle melkpoeder. Marktprijs Uitkeering Totaal Eerste week f 26.50 f 17.71 f 44.21 Tweede „ 26.00 17.71 43.71 Derde „ 26.00 14.76 40.76 Vierde „ 26.25 14.76 41.01 Vijfde „ 26.50 16.24 42.74 Zesdie „ 26.75 16.24 42.99 Zevende „ 26.75 16.24 42.99 Achtste „ 26.75 16.24 42.99 Negende „ 27.00 16.24 43.24 Tiende „ 27.50 16.24 43.74 Elfde „ 32.50 1654 48.74 Twaalfde „ 35.50 17.41 53.21 Dertiendie „ 35.50 17.41 53.21 Gemiddeld 28.42 16.46 44.88 Hier ziet men ongeveer het zelfde beeld als bij volvette boerenkaas, n.l. een sterke marktprijsstijging in de laatste weken en wel van f 27.50 op f 35.50 of derdig procent. Doch vanwege de gelijktijdige daling der boternoteering en dus stijging van den botertoeslag, is de uitkeering op de volle poeder automatisch mee omhoog gegaan. Al weer dms een mes dat aan twee kanten sneed. De totale prijs steeg in één maand dan ook met een tientje! Doch desondanks is het kwartaalgemiddelde beneden dat vam den zelfden tijd van vorig jaar. De marktprijs bedroeg thans f 28.42 (v. jr. f 32.08), de uitkeering f 16.46 (vorig jaar f 15.56) en de totale prijs drus f 44.88 (vorig jaar f 47.64). Ondanks de laatste maand is het kwartaal dus slecht geweest, vergeleken bij 1938. Bij deze cijfers willen we het laten; ze zijn reeds op dit oogenblik interessant, doch vanwege het meest weretdihieiorisohe kwartaal, waarop zij betirekking hebben, zijn wij ervan overtuigd, dat zij het uirSk nippen waard zijn. SJOERD UT IT FEAN. --- ONZE LEVENDE HAVE HET SHIRE-PAARD. Het Shire-paard is* de reus onder de paarden. Tot 1.90 M. schofthoogte komen deze kolossale knapen. Opvallend is, dat bij deze groote afmetingen de paarden toch niet lomp zijn, doch zeer goed gevormd. Het beenwerk is zwaar behangen. Vele bedrijven in Engeland, die spannen van deze fraaie reuzen in dienst hebben, laten de dieren keurig toiletteeren, waarin de Engelschman een meester is. --- Een vaak voorkomende kreupelheid bij paarden. (Nadruk verbod cm.) I Nu er door de militaire autoriteiten bij de voormobilisatie een groot aantal paarden opgevorderd is, zitten verschillende landbouwers, die één of meer van hun dieren hebben moeten missen met het landwerk danig verlegen. Het logisch gevolg, daarvan is, dat de paarden, welke overgebleven zijn, nu in de meeste gevallen een zware taak hebben te verrichten en dat ër van hen heel wat gevergd wordt. Dit laatste zou nu op zich zelf ook nog niet zoo erg zijn, wanneer de achtergebleven dieren maar de volle 100 % waard waren, wat hun prestaties betreft. In de meeste gevallen, en dat is ook zeer voor de hand liggend, zijn de beste paarden gevorderd en die, welke de vorderingscommissarissen niet heelemaal vertrouwden of welke hun om verschillende redenen minder geschikt leken, zijn achter gebleven. Eén van de dingen, waar bij de paardenvorderingen speciaal op gelet wordt is de toestand van de hoeven en paarden met slechte hoeven ontspringen dan ook in den regel den dans om gevorderd te worden. Dit laatste is nu voor den eigenaar in verschillende gevallen misschien wel erg prettig, het feit echter dat hij met dergelijke dieren zwaar werk moet doen, maakt de kans op het ontstaan van kreupelheden en het daardoor onbruikbaar worden van het dier veel en veel grooter. Want en dit ie iets de meeste landbouwers niet gelooven willen, het grootste deel van de kreupelheden vindt zijn oorsprong in verschillende hoefaandoeningen. Het verzwikken en verstappen komt natuurlijk ook wel voor, maar toch lang zoo veel niet als algemeen wordt aangenomen. Nu weten we wel, waaraan deze laatste meening is toe te schrijven. Een paard, dat een pijnlijke hoef heeft, durft het betreffende been niet zoo goed te belasten, omdat door den druk van de liehaamalaet de pijn verergert. Door deze mindere belasting treedt het dier ook niet zoo goed door. ja zelfs knikt de kogel wat naar voren en daaruit trekt men dan ten onrechte de conclusie, dat de oorzaak van de kreupelheid wel in de kogel gelegen zal zijn. Zooals wij reeds opmerkten, ie de hoef bij de meeste van onze boerenpaarden de zwakke plek en wanneer men eene even op het beslag van de meeste boerenpaarden let, behoeft, one dat heusoh niet te verwonderen. Wij waren in de afgeloopen dagen in de gelegenheid om een groot aantal paarden uit zeer verschillende deelen van ons land afkomstig eens goed te bekijken en wij hebben daarbij speciaal op het beslag van de dieren gelet. Dit laatste nu viel ons heel erg tegen en we kunnen gerust hier de opmerking maken, dat het beslag van onze boeren paarden in doorsnede nog heel veel te wenschen overlaat. Nu weten wij wel, niet overal zijn smeden gevestigd, die hun vak goed verstaan en deze zullen dus wel eens de schuldigen zijn van het onvoldoende beslag. Over het algemeen echter ligt de schuld bij den eigenaar «elf. Deze toch laat in de meeste gevallen uit misplaatste zuinigheid zijn dier veel en veel te lang op het oude beslag loopen. Dat dit een zuinigheid is, welke de wijsheid bedriegt, wil er bij de meeste paardenhoudere nog niet in en zij zulten dit waarschijnlijk door schade en schande en dan vooral door-de eerste, moeten leeren. Het is namelijk een bekend feit, bij de deskundigen, dat door het slechte en onvoldoende beslag maar al te gemakkelijk verschillende kreupelheden ontstaan. Want niet alleen dat bij oud beslag maar al te gemakkelijk scheuren en afbrokkelen van de hoornschoen optreedt, een kwestie, waar we straks nog nader op terug komen, maar doordat de hoef niet afslijt, groeit de hoorn maar steeds door en daardoor verandert de heele stand van de heef en daarmede die van de verschillende gewrichten van het onderbeen. Dit nu is een ernstige kwestie, want door dien afwijkenden hoefstand hebben de gewrichten veel meer te» lijden dan bij een normalen stand het geval is en daardoor zullen de eisenen, welke aan pezen en banden gesteld worden, veel en veel grooter zijn dan bij een normalen hoefstand het geval is. Het logisch gevolg hiervan ie. dat een paard dat genoodzaakt is om met een afwijkenden hoefstand te loopen, laat staan zwaar werk te verrichten, veel en veel gauwer in de beenen versleten zijn dan een paard, waarbij de hoefstand door een goed beslag steeds normaal blijft. De waarde van een paard, dat geregeld slecht beslagen wordt, vermindert dan ook sneller. Hier komt echter nog iete bij. Door de abnormale rekkingen en spanningen welke in de pezen en banden optreden, zullen de gewrichten bij een eenigszins geforceerd gebruik veel gauwer letsel op loopen dan bij een goed beslag het geval zal zijn. Kreupelheden veroorzaakt door aandoeningen van de pezen, banden en gewrichten, zullen due bij slecht beslag veel eerder optreden dan bij een goed en op tijd vernieuwd beslag. (Wordt vervolgd.) --- Varkenspest in Twente. Vele veestapels geteisterd. Verschillende berichten uit Friesche plaatsen maken den laatsten tijd melding van varkenspest. Maar sedert korten tijd woedt op tal van plaatsen in Twente deze gevreesde veeziekte in ernstiger mate dan de laatste jaren is voorgekomen. Verscheidene varkenshouders hebben een groot gedeelte van hun dieren verloren, terwijl zij onaangetaste dieren terstond van de hand hebben moeten doen. In vele gevallen gaat deze gedwongen verkoop bovendien met verlies gepaard. Op het fokstation van het landgoed „Twickel" te Delden is de varkenspest zoo hevig, dat vrijwel geen dier kon worden gered. De aard wan deze ziekte maakt, dat het moeilijk is te constateeren, of een dier door de varkenspest dan wel door een andere ziekte is aangetast. De uiterlijke kenteekenen zijn vaak geheel verschillend. Zoo hebben sommige dieren in de eerste dagen van het ziekteproces zeer weinig eetlust, terwijl bij andere de eetlust in zeer sterke mate toeneemt. Ook krijgen ze vaak een wankelenden gang en komt zeer sterke diarrhee voor; huidverkleuring kan ook een der teekenen van varkenspest zijn.Het uitblijven van deze teekenen geeft echter geenszins zekerheid, dat het dier vrij is van de ziekte. Bij de besmetting speelt vooral de mest een voorname rol. Is eenmaal een dier aangetast, dan is er geen kruid meer voor gewassen. Wel worden ze met een serum ingespoten, maar nog geen 3 pet. van de dieren kunnen de ziekte doorstaan. Het verlies van de gestorven varkens en het verkoopen met verlies van de niet aangetaste dieren vormen reeds een groot nadeel, maar daar komt nog bij, dat de stallen, waar de varkenspest heeft geheerscht, zeer zorgvuldig moeten worden schoongemaakt en ontsmet, om niet een besmettingshaard voor de omgeving te worden, hetgeen natuurlijk ook weer extra kosten meebrengt. Indien het eenigszins mogelijk is, moet alles uit elkaar gehaald worden en met kokend water, zeep en soda schoon geborsteld worden. Ook natronloog wordt voor ontsmetting gebruikt. Vanwege den ontsmettingsdienst wordt hierbij toezicht gehouden. Een zeer groot nadeel is, dat het wel voorkomt, dat bij een landbouwer een ziekte onder de varkens uitbreekt, waarvan niet direct geconstateerd kan worden of het varkenspest is en dat deze zijn zieke dieren gaat verkoopen. Blijkt later dan, dat het toch genoemde ziekte geweest is, dan kunnen de verkochte dieren oorzaak zijn van het uitbreken van de ziekte bij andere varkenshouders. Het is daarom van groot belang, dat do fokkers terstond een deskundige op de hoogte stellen. Naast de varkenspest heeft ook het monden klauwzeer in deze streek veel slachtoffers gemaakt. Een zeer groot aantal dieren is bezweken; behalve koeien zijn ook biggen door deze ziekte aangetast. --- Het scheuren van grasland. „Het vaderland vraagt koren!” Aan dezen slagzin uit de mobilisatiejaren herinnert „De Boerderij". Het blad meent, dat het er met de voedselvoorziening nog niet zóó erg uitziet in ons land, doch raadt toch aan reeds thans te trachten, in ons land veel koren te telen. Want juist aan koren en meel, ook aan peulvruchten, zal weldra groote behoefte bestaan; onze voorraad wordt onvoldoende geacht, om den volgenden oogst te halen. Met overleg en rantsoeneering en door „ersatz" te gebruiken, kunnen we er waarschijnlijk komen, maar toch is het zaak, reeds het komende seizoen de oppervlakte bouwland té vergrooten, zij het dan ook ten koste van het grasland, dus: scheuren! Het vee zal a.s. winter wel gerantsoeneerd moeten worden. Het scheuren v».n grasland, om dit eenige jaren achtereen als bouwland te gebruiken, geschiedt niet steeds met volle instemming van den boer. Het gaat ook niet aan, om iederen graslandgebruiker den plicht op te leggen, een zeker percentage in bouwland om te zetten. Vele graslanden zijn daarvoor ongeschikt, en ook is in vele — zuivere grasland — streken de boer niet voldoende met het landbouwbedrijf bekend, om ten volle een goede oogst te kunnen verkrijgen. --- De ervaringen, in de jaren 1914—1918 opgedaan, hebben geleerd, dat bet lukraak scheuren van grasland niet steeds het beoogde resultaat geeft. De gemengde bedrijven, waar iedere boer naast grasland ook reeds bouwland heeft, zijn stellig het meest geëigend voor de omzetting van weide tot bouw. Daar heeft men jarenlange ervaring omtrent bemesting en grondbewerking, soortenkeuze en onkruidbestrijding. Daar heeft men geschikte werkkrachten en werktuigen en kan van de nieuwe koers het volle profijt worden getrokken Het blad betoogt, dat men alvorens het grasland te gaan omleggen allereerst grondmonsters moet laten onderzoeken om de mogelijkheden van den grond te leeren kennen. Daarnaast is er de vraag, welke gewassen voor gescheurd grasland het meest in aanmerking komen. Het antwoord hierop üangt van meerdere factoren af. Uit nationaal oogpunt zou het blad adviseeren. Teel die gewassen, waaraan ons volk het meest behoefte heeft, en dat zijn vooral: tarwe, rogge, erwten en boonen, in mindere mate ook haver en gerst, dus granen en peulvruchten. Verder is het van belang, zooveel mogelijk eigen veevoeder te verbouwen, vooral eiwitrijk voer, om niet te veel van import afhankelijk te zijn. Uit een oogpunt van vruchtwisseling beschouwd is grasland een geschikte voorvrucht voor tarwe en erwten, ook voor aardappelen en bieten Wortelen zijn minder geschikt, want die geven op gescheurd grasland vaak harige vertakte exemplaren. Op zandgrond groeit haver goed op geploegde weide. We dienen echter in 't oog te houden, dat aardappelen en bieten vooral, maar ook ander gewassen op dit nieuwe bouwland vaak veel last krijgen van vreterij. En in de tweede plaats, dat het eerste jaar de gewassen op gescheurd grasland vaak te „geil" worden: ze vormen in verhouding tot de zaadopbrengst veel blad en stengel, granen legeren ook gemakkelijk. Men zij daarom zuinig met de stikstof en royaler met kali. Granen worden ook laat rijp op zulke grond wat echter weer gedeeltelijk gecorrigeerd kan worden door meer fosforzuur te strooien. Wie bezwaar heeft, om tarwe of een ander grasgewas te telen op gescheurd grasland, omdat hij vreest voor legering, kan zulk land bestemmen voor aardappelen, bieten of een groenvoedergewas, en op het land. dat vroeger hiermee w°rd beteeld. thans tarwe, rogge of erwten verbouwen Het ombouwen van grasland maakt dan land vrij voor de graanbouw. --- De groote schapenmarkt te Finden had onverdeelde belangstelling van de Engelsche schoolkinderen, die uit de groote steden naar dit plaatsje waren geëvacueerd. --- Wanneer is het de beste tijd, om grasland in bouwland te veranderen? In het algemeen zijn de maanden September en October daarvoor geschikt; voor de voorjaarszaai kan het ook later. Maar liefst ploege men vóór den winter, opdat de grond flink kan doorvriezen en murw worden. Voor bieten is dit ook op zandgrond aan te raden. Haver moet men vroeg in 't voorjaar zaaien, liefst vóór half Maart; dus dan dient men ook vroeg te scheuren. Aardappelen poot men meest in April en in dit geval kan m Januari ol Februari geploegd worden, op lichte grond nog wel in Maart. Hoe zwaarder de grond is, des te meer is' ploegen vin gewicht. Dan is er ook meer tijd voor het verteren van de zode, wat een betere aansluiting geeft tusschen bouwvoor en ondergrond --- Veulenkeuring Ypccolsga. YPECOLSGA, Vrijdag werd alhier een vfeulenkeuring gehouden vam afstammelingen van den hengst „Obscuram", eigenaar J. J. de Vries, alhier. De uitslag was als volgt: Oudere v e uil e n s: Ie pr. Voling, volbl. hengstveulen van F. Semplonius te Tjerkgaast; 2e pr. Zelone, volbl. merrieveulen van I. de Jong, Dijken bij Woudeend; 3e pr. IJandata, volbl. merrieveuleu van J. Dijkstra te Nijega. Aan het volbl. merrieveulen van J. van Goslinga te IJpecotega werd f3O voor het stamboek en flO vanwege de Vereen. Het Friesche Paard toegekend. Jongere veulens: Ie pr. Ivona, merrieveulen van P. Hoekstra te Woudsend: 2e pr. Valmont, hengstveulen van Wed. Hettinga te Burgwerd; 3e pr. Urman, hengstveulen van IJ. L. Cnossen te Hommerts; 4e pr. Vo'ine, merrieveulen van St. van der Gaa6t te Elahuizen Voorts werden aan de merrieveulens ViHüi en Urt, respect, toebehoorende aan A. Feen©tra te Bartlehlem en G. Hoekstra te Hommerts, een premie f3O en f 10 toegekend. Tenslotte behaalde Uspa, volbl. merrieveulen, afstammeling van den hengst „Orleans", eigen aan den heer Sierd Folhertsma te Koudum, een premie van f2O. ---