Synagogen In 1682 werd het centrum van het joodse leven verplaatst van Thorarica naar Joden Savanne. Hier zou men in 1685 aanvangen met de bouw van de synagoge Beracha Ve Shalom. De ruïne is nog over. Na de verwoestende brand in 1832 werd Joden Savanne verlaten. Voor de joden werd Paramaribo het centrum, dat reeds vanaf de komst van de Zeeuwen als hoofdstad van het land functioneerde. In Paramaribo werden in de loop van de achttiende eeuw twee synagogen opgericht, een ten behoeve van de Portugees Israelietische Gemeente en de ander voor de Hoogduits Israelietische Gemeente. Aanvankelijk behoorden zowel de Sefardische als de Asjkenazische joden tot dezelfde gemeente, in 1735 werd de scheiding tussen de twee gemeenten na diverse twisten een feit. De oorzaak was tweeledig. Enerzijds was die gelegen in de starre en conservatieve houding van de Sefardische joden in geloofszaken. Zij verplichtten de Asjkenazische joden het Portugese ritueel te volgen. Anderzijds speelden inkomensverschillen een rol: de Hoogduitse joden waren arm en bezaten geen plantages, maar waren actief in de kleinhandel. Door hun op den duur toegenomen welvaart gingen zij inspraak eisen. Voor het oplossen van het conflict riepen de joden de bemiddeling van de gouverneur in. Aangezien de Hoogduitse joden niet over voldoende financiën beschikten om een eigen synagoge te bouwen, werd door de Sefardische joden de synagoge Neve Shalom en de inhoud daarvan aan hen geschonken. De Portugese joden bouwden daarop de synagoge Sedek Ve Shalom. Het gebouw van Neve Shalom werd in 1981 gerestaureerd. De Sedek Ve Shalom verkeert in zeer slechte staat en is in afwachting van restauratie gesloten. Tegenwoordig worden in Neve Shalom de gecombineerde diensten van de Portugees Israelietische en de Hoogduitse Gemeente gehouden. Ruïne synagoge Jodensavanne, 1970 --- Gestoofde oesters Hier zijn 11 synagogen: groot als geen ander is de Engelse synagoge, waartoe wij behoren; dan volgt de Portugeesche synagoge. Deze twee zijn de rechtschapenste. De overige zijn Duitsche en Poolsche en twee tempels." Welke sjoels de schrijver van de brief precies bedoelt, is ons niet duidelijk. Volgens Fine, Wolfe en Golden in The Synagogues of New Vork's Lower East Side bestonden er in 1848 de volgende sjoels in New Vork: Shearit Israël (opgericht 1654); Bnai Jeshurun (opgericht 1825); Anshe Chesed (1828); Ohavey Zedeh (1835); Shaarey Zedek (1837); Shaarey Hashamayim (1839); Beth Israël (1843); Rodeph Shalom (1843); Temple Emanuel (1845); Shaarey Tefilah (1845) en Bnai Israël (1847). Laatstgenoemde werd gevormd door Nederlandse joden die nooit een eigen synagogegebouw bezaten, maar achtereenvolgens diensten hielden op het adres 154 Park Street, 63 Chrystie Street en ten slotte 41 Stanton Street. Na 1880 bestaat deze chewre alleen nog als begrafenisvereniging. Of zij iets te maken had met het NISF is niet duidelijk. De brief gaat verder. „De eenige geleerden hier zijn eenige Polen en ettelijke Duitschers. Sjabbes is het te mijnent vol van Polen en van eenige Duitschers, doch nog meer van professoren, 'gallechs' (priesters) en missionairs: 't is accuraat zoo een spel als in Londen - Bij mijn zoon Herry is een 'gallech' die hem iedere week ƒ 15 betaalt. Hij leert Rasji, Bioer, Eben Ezer en Gemore, leert thans Sanhedrin, is zeer groot in Hebreeuws, is een leerling van Gesenius. De niet- Joden leren 'tora' en de Joden eten 'ham. De hier wonende Hollandsche Joden zijn allen van den ouden adel, van de Barnevelds en de De Wits en meer van dat slag. Dat is werkelijk van het slechtste soort uit Amsterdam; er zijn zeker meer dan 100 familiën. Ik zweer u echter toe, dat zoo lang ik hier woon, ik bij geen drie in huis was. Zij voorzien eerlijk in hun onderhoud, doch zijn volstrekt zonder enige morele standaard voor zichzelf. Zij hebben een synagoge voor zich gebouwd en er 'Minhag Amsterdam' ingevoerd. Hun chazzen en predikant is zekere S., Noot uit Amsterdam. Zij wilden mij volstrekt als lid hunner gemeente hebben; ik heb echter gezegd, dat ik bij mijne gemeente blijf, doch wanneer ik hun van dienst kon zijn, zulks met genoegen zal doen. Hierop hebben zij mij honorair lid gemaakt en dat ik voor hen zal 'paskenen' en op jontev een 'droosje' zal houden met alles wat daar bij behoort, hetgeen ik hun beloofd heb, zonder dat ik echter maar de minste wederdienst wil hebben. Hierop hebben zij sjewoeës' hun synagoge ingewijd; ik heb er een 'droosje' gehouden en Herry een Engelsche voorlezing, waardoor zij veel geld gemaakt hebben. Hierop hebben zij L.P. (dien gij zeker kent) tot 'parnes' benoemd, omdat hij thans een rijk man is. Eerste dag 'Selieches' zijn zij naar de begraafplaats gegaan, alwaar S.N. iets gezegd heeft. Hierna heeft D.P. een soort van 'hesped' (lijkrede) gehouden, en daarna is deze heengegaan en heeft openlijk (voor bestuur en gemeenteleden) gestoofde oesters gegeten. Buitendien eet hij het geheele jaar 'treife' en overtreedt hij de sjabbat. Hierna lieten zij hem ook in de synagoge als spreker optreden. Toen ik dat hoorde, was ik woedend op hen en liet ik hun zeggen, dat ik niets meer van hen wilde weten en nimmer in hun synagoge zou komen en hun handelswijze zal verkondigen in alle Killes; en dat heb ik 'sjabbes sjoewe' en 'sjabbes bereisjies' gedaan, toen ik een 'droosje' heb gehouden in een der Poolsche synagogen, waar ik hen in hun waar daglicht heb gesteld. Daarna heb ik scherpe uitspraken gedaan en ben ik met de Polen aan de gang geweest; daar ik hun vooraf het thema mijner voordracht had afgekondigd, hebben zij zich tegen mij voor een debat voorbereid. Doch ik stond hun. Na afloop van den dienst zijn zij allen bij mij gekomen en hebben mij complimenten gemaakt, daar zij nimmer gedacht hebben zoo iets in Amerika te hooren. Ook hebben Parnassijns mij een bedankbrief gezonden. Later heb ik nog eenige malen gepredikt. Gij kunt u voorstellen, hoe dit den Hollanders heeft bevallen." (...) Tot zover de brief van E.L. Goldsmith. De emigratie van Nederlandse joden naar Amerika en hun leven daar, was voor Meyer Roest, de eerste redacteur van het NIW, al een onderwerp om door middel van het afdrukken van deze brief uitvoerig op in te gaan. Het onderwerp ligt er nog. J. Cahen is conservator van het Joods Historisch Museum te Amsterdam. Grafsteen van Judah en Annette Montezinos. Judah kwam uit Amsterdam --- Achteruitgang Een daling van het welvaartspeil van de joden trad op in de periode 1765-1775. In het algemeen was de economische positie van de gehele kolonie nadelig. De oorzaken waren slecht beheer en de crisis op de Amsterdamse Beurs van 1773, waardoor Surinaamse planters geen kredieten meer konden krijgen en genoodzaakt waren hun plantages te verkopen. In 1788 bezaten de joden slechts 46 plantages. Zij werden verantwoordelijk gesteld voor de slechte toestand van de kolonie en het sluimerende antisemitisme stak nu zijn kop op. Aan het eind van de achttiende eeuw bestond tweederde deel van de joodse bevolking uit verarmde families. In de loop van de negentiende eeuw en aan het begin van de twintigste zouden velen naar Amerika en Nederland vertrekken. Voor 1860 wordt opgegeven dat het aantal in Suriname woonachtige joden die lid zijn van de twee gemeenten 1419 bedraagt. In 1937 wordt gemeld dat er 700 joden in Suriname zijn, van wie 300 lid zijn van de Hoogduitse Gemeente. De realiteit is dat de joden zich in Suriname vrijwel volledig hebben geassimileerd met de rest van de bevolking. Al in 1937 wordt door een vooraanstaand lid van de Hoogduitse Gemeente geklaagd: „men vindt er ook vele Joodsche geslachtsnamen van personen, die helemaal geen joden meer zijn". Een impuls zou aan de joodse kolonie van Suriname zijn gegeven indien de plannen van de Freeland League for Jewish Territorial Colonization waren gerealiseerd. In 1947 arriveerde een delegatie van de League in Paramaribo om te onderhandelen over immigratie van joden uit Oost en Midden Europa en van joden die nog in kampen waren gehuisvest. De onderhandelingen werden echter vroegtijdig afgebroken omdat de League en het Surinaamse gouvernement niet tot overeenstemming konden komen over de toe te laten aantallen. Suriname wilde voorlopige immigratie op beperkte schaal van „ten hoogste 30.000 personen, met de mogelijkheid later onderhandelingen omtrent verdere immigratie te openen". De League wilde onbeperkte immigratie, ervan uitgaande „dat het aantal (Joden) dat in de komende jaren in Palestina zal worden toegelaten onbeteekenend zal zijn". Een jaar later werd de staat Israël uitgeroepen. G.C. Leurs is directeur van de Stichting Surinaams Museum. ---