Ras en Volk (Van een medewerker) ii nationaal-socialisme is dus, door j,™ wezen, voor andere volken gevaar- J*er dan het fascisme. Hoever zijn besmetting al in Vlaanderen doorgewerkt, blijkt wel hieruit, dat jy schrijver van het boekje dat wij erboven noemden, een blij keiijk toch man, juist het fascisme Afwerpt en het nationaal-socialisme Het eerste biedt, volgens- niets dan „het zielige theorietje f,!* Mussiolini over het corporatisme, Ijn Jammerlijk product dat, met stuk-3 6n brokken aan elkaar geflanst, de a der fascistische omwenteling htepaf meet rechtvaardigen met docst ale drogredenen". Hoeveel grooter at daartegenover Hitler, de „man der w °rzienigheid op een keerpunt, eenig WÏ Seschiedenis", die „in zijn prachtig W »Mem Kampf", een soort van (jpenbijbel, dien alleen zij critiseeren, ?(.e hem niet geheel hebben gelezen, daar Vq Beniaal leiderschap aan het geheel heeft gegeven in een onvergelijkev e synthese van daad". Eh de schrljfj r Beeft zich dan ook geheel over aan a, ras- en stam-idee : de Germanen, dat de superieuren ; alle anderen, en W ïlame de Latijnsche volken, zijn in- L r- En hij lamenteert zeer over de ing van kardinaal Faulhaber en de '^irïieke geloofs&enooten' hi Duitsch 4e l6hier nu een wel sterk voorbeeld van HcJerwaiTing, die de ras-idee kan aan- Itgsten zelfs in intelligente geesten. Ze i]e al het andere overhoop loopen, zelfs tfie ccrbied voor het Kerkelijke gezag, ja °nder katholieken toch zoo groot is. e 6' *e kan bij een geloovigen katholiek en ruwe verdringing der Kerk oVe de plaats die haar toekomt, geheel >W. het- hoofd doen zien. Nu is het dat een Vlaming lichter oni e e demonische bekoring va;n de ras- q6 dan b.v. een Nederlander — °fid amingen hebben eeuwen lang de ondervcnden van het v 0aansche" door het „Latijnsche' *anSÖeel ~ maar in andere landen, vOl.r geen ongelijke behandeling van ïtxe is geweest, ziet men, min ol r> hetzelfde. öVg^1 is de ras-idee, in de koortsige t)re\*aardeering waarin Hitler haar j*k, een bedriegelijk begrip, een ge- Vt^,l^6 waan. Wij zullen zeker niet fêft .ten> dat er rasverschillen zijn lij '.. mindere mate, stamversehillen, f. algemeen' verschillen van af&en st) maar zij die, met Hitler, de "« »eid van afkomst het cement voor en de kracht van een volk z*en daarbij twee feiten over het %e' dat zuiverheid van ethni- Vere,afkomst althans to de Westelijke 2 d zeer zeldzaam is ; eeuü dat de ethnische afkomst niet de H a f* en zelfs niet de v o o ris. m s t e factor in een volkseenheid 0t*i ï". het eerste Punt belangt: Er zijn, fin "u maar eens bij de „Germanen' %\ ® -Latijnen" te blijven, bijna geen "Qerm ar e e n i g e r m a t e zuivere k volken meer in Europa en stellig geen zuiver Latijn- . grootste Germaansche zuiver- men, gelijk bekend is, nog Öe Soan,dinaviërs', maar ook te V \ aanzien zijn er toch al heel r"k°rreltjes zout"... in het bloed. \ 2eker is het ethnografisch absurd Vt °°als nu ook deze schrijver weer ' «e Duitschers voor een zuiver Germaansch volk te willen doen doorgaan. Wij laten nu de jongste infusie met een typisch mengvolk als de Oostenrijkers nog rusten ; het Duitschland van vóór den Anschluss was waarlijk op het stuk van afkomst al gemengd genoeg. Want het Zuiden is sterk geïnfiltreerd met Alpine-stammen en het kernvolk van Duitschland, Pruisen, niet minder sterk met Slavische elementen, Velen Pruisen kan men dat, in hun gezichtsbouw, nog zeer duidelijk aanzien en in de karaktereigenschappen van menigen Pruis (in het „herrische" b.v.) vindt men eveneens de Slavische afkomst terug. En wat den Latijnen betreft, noch Italië met zijn sterken Germaanschen inslag in het Noorden, noch Frankrijk dat zijn naam zelfs van den Germaanschen stam der Franken kreeg, zijn ook maar in de verste verte van zuiver Latijnsche afkomst. Maar het is dan ook niet — dit is het tweede punt dat wij zooeven formuleerden — de gelijkheid van afstamming, die de krachtigste factor is in de wezenseenheid van een volk. Ze is een factor, maar een niet essentieele, niet onmisbare. Zeker is het van belang voor de volkseenheid dat diepe verschillen, d.w.z. weikei ij k e ..ras" (niet zoo maar stam-) verschillen in niet te groote mate aanwezig zijn. Zoo is het b.v. goed, dat een Europeesche samenleving te midden van een ander ras (wij denken b.v. aan de Boeren en Engelschen in Zuid-Afrika te midden van Kaffervertegenwoordigers van het zwarte ras) zich afwerend houdt tegenover rasvermenging; welk een verslappenden invloed een talrijk mulatten- of mestiezendom op een volk van blanke afkomst hebben kan, is o.a. voor iederen Mizierer in Zuid-Amerika waarneembaar. Is het percentage van het andere ras echter gering of is het vermengingspercentage niet groot — bij een en ander denke men in het bijzonder aan de Joden in de meeste Westersche landen— dan is er geen gevaar in, want dan wordt dit element van nationale verscheidenheid geheel overvleugeld door de elementen van nationale eenheid, waarvan de voornaamste zijn : eenheid van taal, maar bovenal: eenheid van geschiedenis. Benheid van godsdienst en van zeden en gewoonten kunnen bijdragen tot versterking van de volkseenheid, maar ze zijn in dat opzicht volstrekt niet onmisbaar. En nog minder is dat de eenheid van afstamming wanneer men, zooals meer' en meer gebruikelijk wordt onder de Kramp-psychose van het nationaalsocialisme, het begrip „stam" gelijk gaat; stellen met het begrip „ras". Wij hebben in den loop der eeuwen, duizenden I Fransche Hugenoten en zeker nog veel! meer Duitschers (waaronder stellig' menige Pruis met heel wat Slavisch bloed in zijn aderen) in ons volk opgenomen zonder dat zijn eenheid daardoor eenigermate is geschaad. Maar het is dan ook de taal en, nog sterker, de geschiedenis en deze laatste nog niet eens als beleving maar als feitelijk fundament, die de grootste elementen der eenheid van een volk uitmaken. Hoe sterk zelfs de eenheid van geschiedenis alléén al werkt, kan men zien aan Zwitserland, waar drieërlei volß met drieërlei taal leeft (met de Rheto- Romanen er bij zelfs vierderlei) en dat nochtans een sterke nationale eenheid vormt... op den grondslag van een gezamenlijke geschiedenis. lets dergelijks, zij het niet zoo kras vertoont Groot-Brittannië m|et zijn Engelschen, Schotten en Welschmen diezeer verschillend van aard (en dan ook van afstamming) zijn en ten deele nog verschillende talen spreken maar die nu al door een lange gezamenlijke geschiedenis tot één volk zijn saamgegroeid. En zoo zouden we nog tal van voorbeelden kunnen noemen. Ook van nauw stamverwante volken die toch van elkander, door de geschiedenis zijn vervreemd (Spanjaarden en Portugeezen b.v.). Wij hebben aan het boekje van den heer Decleene tamelijk veel aandacht gewijd. Misschien meer dan het op zichzelf verdient. Maar het is een symptoom. Van een tegenwoordig helaas veel verspreide, onjuiste en gevaarlijke opvatting van het wezen der nationaliteit. Een opvatting waarin het elemient „ras" (waarmee men dan nog vaak slechts „stam" bedoelt) buitensporig wordt overschat. Terwijl men heenziet over het voornaamste element in de fundeering van een nationale eenheid. Want dat is : de Historie. Zelfportret vdn Vincent van Gogh uit de 4e Collectie Regnault vanaf 17 Mei as. in het Bruikleenmuseum van den Bataviaschen Kunstkring --- Juridische Vragenbus Sm '''Ven1* van vragen voor deze rubriek ge- Q °P den briefomslag te vermelden,: '.Afd. Juridische Vragenbus" be^5- Abonné No. 404 vraagt : Zekere otl A behoort tot één der achterïi-a'*°nen van zekere Regent B, in de 5e J»)ie en wel steeds in de mannelijke <(s« kleinzoon, achterkleinc«tev k,s. Regent werd opgevolgd. Deze jju leeft nu nog als Regent. ri1 beti^,een Regentszoon, ongeacht of h« in K*mg is of niet, minstens Raden, ?°n «-de oude tijd placht een Regentsrt Qrd't in betrekking zijnde (bedoeld »$ vei« i: een Regentszoon, die vanwege rT> •nna.blJvrouwen, die vader Regent beft Hak Vele 'broeders en zusters heeft) te verlaten om zich als ?! Vest,,,'andbouwer of Kjai in de dessa £ Zoryien- Uit bescheidenheid wil dan een ÏÏ*l verkeerende Regentszoon ?ierVar, Iyke titel niet dragen. Als gevolg "2- Ofi(lraê'en de kinderen, kleinkinderen d,B geen Raden. zooni °ver-overgrootvader van A, ettvo boven reeds aangehaald een der mvfï ReSent B, nu verkeert ook In tv le v£aae is nu : « eft A> alsmede diens zonen .(kin-I[ei rfi°S aanspraak op den adellijken en zoo ja, volgens welke bepalingen (s.v.p. artikel en jaar van het betrekkelijke Staatsblad of Bijblad op te geven) ? 2e. Zoo A daartoe inderdaad recht heeft, kan hij dan zonder meer dien titel voeren, of is hiervoor eerst van Regeeringswege toestemming noodig, zoo ja tot wien heeft hij zich dan te wenden ? In de Bijbladen op het Staatsblad Nos. 13711 en 13888 is een regeling opgenomen voor de beoordeeling van aanspraken op een inheemschen adellijken titel of praedicaat. Volgens artikel 2 van eerstbedoeld bijblad mag de titel „Raden" worden gevoerd : 10. door afstammelingen zoowel in de mannelijke als in de vrouwelijke lijn van een Soesoehoenan van Soerakarta, een Sultan van Jogjakarta of een Hoofd van het Mangkoenagorosche of Pakoealamsche Huis, met dezen verstande dat na den zesden graad de titel nog slechts in de mannelijke lijn kan overgaan. ;20. door afstammelingen in de mannelijke lijn van op Java en Madoera geregeerd hebbende vorsten — andere dan bedoeld sub 1 —