Economische kantteekeningen Constanteen variabele kosten Ter wille van een goede bedrijfsvoering is het in vele gevallen nuttig en zelfs noodig, dat de ondernemer een deugdelijke berekening maakt van den kostprijs. Het uitvoeren van een kostprijsberekening is niet voor alle bedrijven even eenvoudig. Waar het vooral aankomt op den arbeid en de machine practiseh geen rol speelt, komt men een heel eind door bij de totstandkoming van een product, een meubelstuk b.v., het aantal werkuren te berekenen en de loonsom, die daaruit resulteert, en in de tweede plaats de materiaalkosten. Strikt genomen is deze berekening nog niet volledig, omdat de werktuigen onderhoud vragen, hoe gering mogelijk ook, en er toch ook wellicht huur betaald moet worden voor de werkplaats. Deze tweede groep kosten, die bij het handwerk in beteekenis niet zoo belangrijk is vergeleken bij loon- en materiaalkosten, moet van de eerste groep wel worden onderscheiden. Ongeacht of er bedrijvigheid is in de werkplaats, deze kosten blijven steeds bestaan. De huur moet op gezette tijden worden voldaan, inkomsten of niet. De werktuigen moeten onderhouden worden, anders gaan ze misschien roesten. Indien er gesproken moet worden van machines, waarin een flinke som geld gestoken Is, beteekent elke dag, dat de machine door slapte in het bedrijf stilstaat, renteverlies. De machine brengt eiken dag onkosten ongeacht of het bedrijf draait of niet. Loonen en materiaalkosten zijn wisselend of variabele kosten, die direct verband houden met de bedrijvigheid. Treedt er slapte op in het bedrijf dan wordt (althans dan werd) er personeel ontslagen, terwijl er minder materiaal wordt verwerkt. Daarentegen behooren huur, rente en afschrijving, onderhoudskosten tot de constante of vaste kosten, i) De constante kosten stijgen naarmate het geïnvesteerde kapitaal grooter wordt. In het middenstandsbedrij f, in het handwerk zijn zij aanmerkelijk geringer dan in de groote industrleele onderneming, waarbij behalve de kostbare installaties, vooral bij leiding en administratie, van gewicht is. Het best kunnen we het onderscheid tusschen constante en variabele kosten demonstreeren aan de hand van het voorbeeld van een zeer kapitaalintensief bedrijf, het electriciteitsbedrijf. Volgens ons ter beschikking staande cijfers zou de kostprijs van de electriciteit die jaarlijks aan de verbruikers wordt afgeleverd voor 60 % worden bepaald door rente en afschrijving! Zoolang het bedrijf niet behoeft te worden uitgebreid en dus geen nieuwe kapitaalsinvesteering behoeft plaats te vinden, beteekent derhalve een toename van het verbruik een daling van den kostprijs per eenheid electrische energie. Het bedrag aan rente en afschrijving ligt immers vast, het is constant; wat stijgt is de som der wisselende kosten, n.l. loonen en materiaalkosten. Indien een verdubbeling mogelijk is van de productie zonder dat daarvoor het bedrijf dient te worden uitgebreid, stijgen de productiekosten geenszins tot het dubbele, doch hoogstens dat gedeelte der productiekosten, dat bepaald wordt door de variabele kosten. Uit deze kostprijsstructuur spruit de mogelijkheid voort om verschillende tarieven te berekenen. Daar de kosten van rente en afschrijving (60 % van alle kosten!) niet stijgen bij toename van het verbruik, kan het electriciteitsbedrijf aan verbruikers, die buiten de uren, dat een maximaal verbruik plaats vindt en de volledige capaciteit van het bedrijf in beslag genomen wordt, bereid zijn meer electrische energie af te nemen, zoodanige tarieven berekenen, dat niet veel meer dan de variabele kosten worden gedekt. Voor de algemeené rentabiliteit van het bedrijf is het beter, dat het verbruik over den geheelen dag en over het geheele jaar wordt verdeeld. Bijzonder onvoordeelig is daarentegen exploitatie, als het verbruik geheel valt binnen enkele uren en daardoor hooge eischen stelt aan de maximale capaciteit van het bedrijf en zoodoende de investeering van relatief veel kapitaal noodzakelijk maakt. Het electriciteitsbedrijf zal er dan ook op uit zijn het verbruik te stimuleeren buiten de „spitsuren". In den winter is er vooral een „piekbelasting" van het bedrijf in de late middaguren, als industrieverbruik, lichtverbruik in winkels en andere bedrijven en particuliere huizen samenvallen. Nu is één der middelen zoo niet hét middel om het bedrijf rendabel te maken de bevordering van het electrisch koken. Daar echter, althans in den winter — wanneer de meeste electriciteit verbruikt wordt, hetgeen bepalend is voor de maximale capaciteit van het bedrijf — de piekbelasting in de late middaguren valt, heeft het bedrijf er geen belang bij, dat het electrisch koken, waarvoor zooveel propaganda wordt gemaakt, in den middag geschiedt. Voor de exploitatie is het slechts voordeelig, als de warme maaltijd niet 's avonds doch 's middags wordt genuttigd, zooals op het platteland en in de provinciesteden veelal de gewoonte is. Het is na het bovenstaande ook begrijpelijk, dat een electriciteitsbedrijf door zijn hooge vaste kosten, die altijd doorloopen, in staat is uitermate goedkoope nachttarieven te berekenen, waarvan de consument profiteert door met een „boiler" warm water te winnen. De bedrijfsleiding redeneert zoo: we draaien tóch door, we maken toch onze kosten, die door de normale tarieven moeten worden gedekt en daardoor zijn we in staat tegen de 's nachts zeer geringe variabele kosten goedkoopen stroom te leveren. Van een dergelijke levering kan geen sprake zijn, indien de toename van het verbruik zou leiden tot uitbreiding van de technische outillage, dus van de vaste kosten. Een electriciteitsbedrijf moet zijn tarieven zoo stellen, dat het verbruik zooveel mogelijk over den dag of het jaar wordt verdeeld. Dreigt er een nieuwe „piekbelasting" te ontstaan, b.v. door het massaal electrisch koken des ochtends, dan zal het de tarieven moeten wijzigen. G. i) Op bevattelijke wijze wordt het verschil ook uiteengezet in het boekje van drs. P. Siebesma „Het vraagstuk van den kostprijs". --- De Volksdichter J.H. Speenhof Volksdichter te zijn, houdt niet altijd in de grove oppervlakkigheid te dienen. Men vraagt de volksdichters vaak met de rijmelaars, die te overdreven, te dramatisch, te sentimenteel, te oppervlakkig en die daarbij vaak op grove effecten uit zijn, die niet de humor, doch de luidruchtige grap dienen, wier werk gezongen wordt in de banale revues, door de zangers, die met veel air het publiek wijsmaken de kunst te dienen, doch in werkelijkheid ten koste van de kunst te veel aandacht vragen van elk publiek, dat onder hun gehoor is. Een volksdichter kan zelfs groote litteraire waarden in zijn werk leggen, als hij maar voldoet aan deze eene voorwaarde: midden en tusschen zijn volksgenooten te staan. Brederode is het voorbeeld van een volksdichter, die over het volk dichtte zonder banaal te worden. Anderen zijn Vader Cats, Van Alphen, De Génestet en de Schoolmeester. Deze hebben niet zoo zeer litteratuur gegeven, als wel aan de populariteit in hun kunst een groote plaats gewijd. Zij troffen het volk door hun gemakkelijk—te—volgen philosophie (Cato) of door hun humor, die soms gelijk bij den Schoolmeester wel eens te vermoeiend werkte. In de laatste jaren hebben wij eigenlijk buiten Speenhoff geen volksdichter gekend. De dichters zochten het in hoogere regionen en werden of om den vorm of om den inhoud hunner gedichten te onbegrijpelijk voor het volk, waren alleen te genieten door de ingewijden, de litterair-ontwikkelden. J. H. Speenhoff is het levend voorbeeld, hoe en wat een volksdichter eigenlijk moet zijn. Hij heeft over veel en allerlei gedicht. Alles had zijn aandacht. Hij kende de Nederlanders door en door met al hun goede hoedanigheden en doch ook met hun pietluttige ideeën en opvattingen. Vaak heeft hij hierover zijn glanzende humor laten vallen. Juist omdat Speenhoff in het bfezit was van die humor, werd hij nergens bijtend, sarcastisch of hoonend. De humor glimlacht om de dwaasheid van den mensch en kent die dwaasheden door en door. Gelijk Speenhoff, gelijk hij zich uit in vele van zijn gedichten, gelijk in „De 100ste opvoering van Lucifer", waarin hij overtuigend aantoont, dat er niet alleen op het tooneel, doch ook in de zaal comedie gespeeld wordt: „In de loges mooie vrouwen Die van ijs en Vondel houwen, En daar achter schuine heeren In korrekte avondkleeren. Naast hen jongelui met boorden Die nog nooit van Vondel hoorden En daar bij weer hunne zusjes, Nou, die vinden Vondel knusjes. Opoe is al ingeslapen Pa zit in zijn hand te gapen. Maar 't is zoo deftig, 't is toch fijn Pij Lucifer geweest te zijn Kenner der menschen is Speenhoff in vele opzichten. Hij uit dit soms in een vers, waarin hij het „slachtoffer" zoo beschrijft, dat het van hoofd tot voeten voor ons staat geteekend. B.v. „de Jaloersche Vrouw": Erger dan een huis met buren Waar piano wordt gespeeld Dan een paar verwende kindren Dan een hond die je verveelt Ban 'n lid van je familie Die je graag niet kennen zou Erger dan 'n taaie biefstuk Is 'n dol-jaloersche vrouw. Als dr man wat loopt te zingen Of 'n vroolijk moppie fluit Gaat ze met de deuren smijten Slechte kerel hou je snuit. Want ik ken je rare streken O afschuwelijke man Als jij zingt of loopt te fluiten Ben je wat gemeens van plan. En dat Speenhoff besluit met het volgende couplet. „Als ie 's nachts vermoeid van werken Heel gerust te slapen lei Heeft ze 't 's morgens op dr heupen Als tic in zn slaap niks zei: Jij hebt weer wat te verbergen Of 'n ander in je kop Om me voor de gek te houden Droom je ekspres niet hard op." Is dit niet de jaloersche vrouw bekeken door de bril van de humor. Zonder dat het hatelijk wordt, zonder dat de vrouw bespottelijk wordt gemaakt. Naast deze min of meer vroolijke liederen heeft Speenhoff ernstige, ontroerende liederen gegeven. Wie kent niet het bekende „Brief van een ouwe moeder aan haar jongen die in de nor zit": „Mijn lieve zoon, je moeder laat je weten, Als dat ze jou geheel niet kan vergeten; 't Is negen uur, je Vader is naar bed En in mijn handen heb ik jouw portret, 't Is stil in huis maar voor dat ik ga leggen O jongen lief, mot ik je nog wat zeggen: Dat ik van narigheid geen raad meer weet Dat ik geen rustig stukkie brood meer eet. Ik lig soms heel den nacht van jou te [droomen, Totdat de tranen in mijn oogen komen; Ik ben al oud, het maakt me zoo kapot, 't Is toch zoo hard, dat ik jou missen mot. En vader wil jouw naam in huis niet