Het Markgraafschap Hoensbroek VIII. De Parochie Hoensbroek v 0( ,01. eindelijk kwam er een beter tijdvak Wet k en godsdienst in het verschiet. By' de 'len V.un 7 Tennidor Jaar elf <26 Juli 1803> wer' niet geestelijke renten en pachten welke best verYreemd waren, tot hun oorspronkelijke (!8 teruggewezen. Helaas, de kerk en pen ,storie van Hoensbroek bevonden zicih in b"S. P'ohabelen toestand. Daarom zonden de Marko^6*8 een verzoekschrift aan den Heer ve,. gJ'aai van Hoensbroek, waarin zij hein 1>P c|hiten om bijstand, en tevens vroegen om de zpke°nstrans> de zilveren kroon en andere kerkover j '^dens de uitwijking door zyn Heer vader ('-n ir" ti'n medegenomen> te willen terugzentlèrs r°'J deden de bovenbedoelde bestuur(;,. f ?;*• de beweegredenen gelden, dat de Hoogten 6 * familie uit Hoensbroek was ontsprocp' °.n dat hare voorouders de tienden, geschat jarellUnst,ens 1000 gulden per jaar, sinds lange het Vf *' hadden genoten en dat de gemeente jaarle.c., had om de tienden van minstens 40 vra(ï Voor de Fransche omwenteling terug te ceri"n" ofwel de grafelijke familie te noodzaken j nieuwe kerk met pastorie op te richten. IW etj°P gaf de Markgraaf Clemens van en tot dat i eik' den 29e Maart 1804 fen antwoord, der . kerk-voorwerpen door wijlen zy'n Va■^qj.,lll hewaring genomen, onverwijld zouden vreu jn terugezonden, en dat hy tot zijn groote bemerkle dat de inwoners van de geij ep e daaruit hij en zijn familie afstamde, hun iiajvjp611 hef de voor den waren godsdienst herhet h"' 6n d-e Matste niet zou zijn die in betrof^61 der kerk zou bijdragen. Echter wat hem , de kwestie der „tiende-plicht" dit kwam liHg vreemd voor, omdat hij in de veronderstel- Voiie^v?s da' z'-'ne voorouders de tienden in de {; e*gendom bezaten. (Gewoonlijk was(ren) °nderih heffer of heffers verplicht de kerk te in ..""ouden en daar de graaf van Hoensbroek hij n. Scnieente de eenige tiende-heffer was zou Sehe? en-s de Sewoonte verplicht zijn met die tienden de onkosten der kerk te dekken.) hejtl Z"J' de zaak kwam n*** tal; klaardat Apy mo|gen uit een en ander besluiten, tierig V'enden niet bezwaard waren met het ongeval ri der kerk, ofwel in het tegenovergesteld Otn j cla* 'Ie bestuurders den moed niet hadden te j,eis aan hunne verplichtigen toors lnneren. We zeiden nog niets over de Pas- Pasto1" V de I^st der Parochieherders. Als Laüripo,rs komen in oude stukken voor, in 1530 in iR(,r& Smytsinghe, in 1551 Steven Smytinghe, 1634 ft Alexander Senden, in 1626 Joseph Bock, Peter nd Ramakers, 1656 Peter Aloffs, 1707 Vaas r aniels' 1716 Hendrik Wolters, 1722 Ser-1777 u?, • 1746 Nicolaas Hendrik Neynens, A 1 m Gheyst, 1794 A. P. Gheyst, 1822 1828 i van der Velpen, 1824 Frans Bompen, kers Brours, 1833 Johannes Schoenmaninn.' i7l. Pastoor Thomassen, 1891 Pastoor Pen- t Pastoor G- K(>olen, 18 Januari 1911 nerder 1-' Poseiaers> de tegenwoordige parochie- Pex n ■ voorzitter der vereeniging Ave öroe]rnpls'tus in 1927 het oude kasteel Hoenseze m Seld 20 gulden 18 stuiver. IriDostal ren'en> gehypoteeikeerd op gronden fielegen °.nder de gemeenten Heerlen en Nuth !i°n der' Z'Jn ™ den ■'oaD der tÜden gedurig split- Getliri"en anden en het dikwijls voeren van rechtseCn Post grootendeels verloren geraakt, slelhts V;>ii q,u ' Van tien val rogge aan Jonker Benier vast' Heer van Ter Wvcr> stond in 1859 e bn fn Was geleigen en veronderpand op Bevalt er houwland in de „Trebeck". i-6l>d aa6 hebben zich met de afleiding van rtle aanval onl&dig gehouden .We zullen er ena etl na" Zo° zeigt Dr' Fmn' dat we in ö °f apa m te vinden hebben het grondwoord o°ehit hef *^e beteekenis van water. Lohmeijer lU amb' naast anlba == J'd-f'j. ?n vindt vele overeenkomstige namen in II &t zes'SChe streken. En Jellinghaus besluit ri6 viJVer i n' dat in Duitschland ook een beken- o3tl °ok ] Ape heet. En zoo veronderstelt men ?a* de Nederlandsche benamingen Epe o* rhiit u°lfde moeten beduiden. Vooral bij all et| oude 6 blTren hestaan er tallooze met li-rt '"et h l] Woordvorni samengestelde namen, l'f Epen n besr'P ..water" of „vloed". En al c™l strn"u ook maar aan een zijtak der in de k vatl pp ende beek. en al spreekt men er is 8e«. dat v E,perheide, dan wil dit nog niet fen in oude tijden niet door water l>->!.: WaaA, korter by den vloed gelegen i^''Zpn V„ a',1 00K 'n andere streken afdoende h .°ork°men. &' hR"èdn!i °f Bahnenheyde. Dit is een ge- A, Hpf e onder de gemeenten Bocholtz en h'0,.m«*nt n-prefix banen heeft, zooals de vra*Sv ,)J' C lte maken met een ban in Ban- I-, ƒ "eleqpf, e' banen of bahne is eenvoudig een :>?en, ' vrije Plaats. Meer valt er niet over Ha vou Burg b« Heer- Dezenaam heeft h.,',at hij "' e aandacht gehad der etymologen, ïii :en> zoo trf.üiliIn ons ]and- zoowel als daarbij ! sanlen'r f,1-* voorkomt, hetzij alleen, het!,.,' f'lerep, stell'ngen. En dan denkt men daarlioó, s Wdb ;an,een oud gebouw. In Prof. Witlij.'' sj ;jnden we niets over een burg by Oji hogd°ni ut\m Slt>ngen's geschiedenis van 't 806?aS- 40 '™burg een-en ander medegedeeld VÜ atl Heer1" ?en »Huis en Hof- geheeten bet ijab in tle h ' St- Margrattn. Maar van een Ï931 nu kom^.rI,^ daarbij niet gewaagd. °Ns een£ st werk ..Publications" van ®e opheldering geven door te zeggen, dat de burcht of het castrum van Heer een oud 13e eeuwsch kasteel was, waarin sedert' de tweede helft der 15e eeuw de gevangenissen van het kapitel waren gevestigd. In de 18e eeuw lag de burcht in een bouwvalligen staat, en deed het kapittel van St. Servaas ze restaureeren. Aan het einde der 18e eeuw, in den tyd der Fransche revolutie werd de burcht geconfiskeerd en kwam ze daarna in verschillende handen. De vier kleine torentjes zijn er op het einde der 19e eeuw aan toegevoegd. De Publications vermelden daarbij wel niet op deze burcht of burg in het dorp zelf, of in de buurt lag, maar men kan toch met goede gronden aannemen, dat deze buurt by Heer daarom den naam van Burg heeft gekregen. Hasselberg bü Geul. Van al deze en volgende vlakte- en buurtnamen vinden we geen oorkonden of charters. We moeten daarom zooveel mogelijk den oorsprong der namen zelf trachten na te speuren. We vinden in deze benaming het ohd. grondwoord „hasale". In eene behandeling over „grenzen" uit de 18e eeuw wordt voorgeslagen in vele streken, dat, in plaats van de vele onvruchtbare, of beter gezegd, niet te bebouwen heuvelen, die er hier en daar een groot deel van den bodem omvatten, de gemeenten hazelstruiken zouden aanplanten, welke in by'na alle grondsoort goed gedijen. Nu had bovendien de hazel een symbolische beteekenis. Want in de vroege middeleeuwen renende men haar onder de heilige boomen. En de Germanen gebruikten den hazelstruik als omheining om de oude gevechtsplaatsen. De beteekenis van de omheining ging daarom over op de hazel zelf. Zij werd een vredes-heg, een haag voor omgrenzing. De hazelstok speelde ook by het volks-gerecht tot in de laatste tijden een voorname rol, zooals we nog hier en daar in de wijsdommen kunnen lezen. Eene heg van hazelnoten-struiken was bij onze voorvaderen de omheining ook voor de. maal» steden, waar vergaderingen werden gehouden, en recht gesproken. Hier en daar vertegenwoordigde zelfs later de hagel eene grens-scheiding, vandaar nog de namen Hazelarenhoek, Hazelberg, Hazeldonk, Hazelkamp; terwijl ook daarom in plaatsnamen de voorgevoegde hazel, hassel, hessel, hissel enz. vaak eene grens beduiden, ontstaan uit de oude voornoemde beteckenissen, d.i. óf een opzettelijike gemeente-verordenjng óf een voormalige maalstede-plek. In de buurt van Hasselberg is ook oud-Bomeinsch aardewerk gevonden. Hel of Helle by Nuth. Deze buurt- rf gelui ' ' naam gaf aan de volks-etymologie weer stof tot fantaseeren. Waarom voegt de vrager er anders by: „Zou deze naam iets te maken hebben met een diepe kuil, zoodat men daarom aan de hel ging denken?" En het mooiste ervan is dan ook, dat de beteekenis juist eene tegenovergesteld is, want we hebben hier aan water in plaats van aan vuur te denken. Irt zeer veel gevallen, dient men by afleidingen aan ligging en bodem der plaatsen te denken, om niet tot verkeerde conclusies te komen. Want ook by deze benaming vinden we zelfs bij Jellinghaus eene dwaling, waar hy het woord hel slechts laat gelden voor een hoogte, welk begrip we weer vinden in hil. En J. haalt ten bewyae daarvoor aan een groot aantal etymolog. werken. De voormalige moerassige bodem echter bij den oorsprong van de zijbeek der Hulsbergerbeek, waaraan ook Helle ligt, laat geen begrip van hoogten en heuvelen hier den voorrang. Want er ligt in de buurt ook nog een „Helletbrook" (brook = broek). We kennen eveneens de watetrbegrippen in Helmond, Helvoirt, Hei-akker, Helle-gat, Hellemeer, enz. Verder is nog de Helie een beek, welke zich bij Eupen in de Weser stort, terwijl er hier in ons land en e\ders ook nog Hellebeken stroomden. Wie over deze beteekenis van water en stroom een interessant artikel wil lezen, neme Dorren's Wporden'lijst op pag. 79. Huls bij Simpelveld. Hulsberg. Hulsen bij Beul en Hulsenbroek (id.) Daar de verschillende prefixen huls door de etymologen worden gehouden voor een stam van het ohd. hules, zijnele de mistel of huls, de bekende plant ilexaqinfolium, kunnen we bij de afleiding dezer namen kort zyn. Want de lezer of vrager zal dan geen toelichting meer noodig hebben. Jabeek. Bij dezen dorpsnaam staan we eigenlijk voor een raadsel. De naamvorscher Dr. Fmn. meent, dat de naam ontstond uit het oude grondwoord Jat met de beteekenis van vloednaam, en Prof. Jellinghaus ziet er een grondwoord jah in, dat snel en ook steil kan beduiden. Maar we vinden op de kaart in de onmiddellijke nabijheid geen vloed of beek. Wel op eenigen afstand de Roode Beek. We vinden evenmin een ouden oorkonden-naam. Alleen, dat de plaats reeels aangehaald werd in 1144. Hermann Albcrt Prielze heeft in zijn: „Das Gcheimnis der deiitsclien Ortnamen" met honderden Beek- en Beek-namen bewezen, dat beek in plaatsnamen niet altijd het begrip water of in zich sluit. Den plaatsnaam Jabeek heeft '■!j er echter niet bijgenoenid, zoodat de oorsprong van dezen dorpsnaam vooralsnog in het duister ligt. Kamerich. Oudtijds heette deze buurt bij Vaals Camerich. Dit Camerich is volgens Dr. Fmn. ontstaan uit het Latynsehe camera, het ohd. camara, met de beteekenis van Gemach, ons Nederlandsch gemak, in elen zin van woonhuis. Maar Prof. Jellinghuis voegt daaraan nog toe, dat het begrip Kamer, 't welk hierin schuilt in zulke plaatsnamen meer speciaal beteekent eene vorstelijke woning, of dan eene woning van een voornaam persoon, waaraan in de meeste gevallen een gereohts-kamer was verbonden. Zoon zelfde Camera bestond ook nog in het bisdom Munster in het jaar 1176. Vaals had dan ook in oude tijden verschillende voorname gebouwen, waarvan er nog aanwezig zijn.en er woonden niet minder oude, deftige families. Hiermede zal ongetwijfeld de naam Camerich in verband staan. De Locht (t/Heerlen—Aken.) Het mag een verheugend verschijnsel heeten, dat de belangstelling in plaats-, vlakte- en geslachtsnamen hoe langer hoe meer veld wint. En dat is begrijpelijk ook. De menschen willen gaarne weten waar hun voorouders woonden, hoe de voorvaderen dien naam deden ontstaan, zelfs, hoe hun eigen voorvaderlijke geslaohts- of familie-naam ontstond. We onelervinden dat dagelijks èn uit andere provinciën, waar we een zelfde rubriek hebben geopend, èn niet het minst uit ons eigen gewest. We ontvingen in verband hiermede twee vragen uit Noord-Brabant over den naam „de Locht" alsmede een dito vraag van de H.H. P. en C. uit Heerlen, van mej. v. H. en den heer D. uit Kerkrade, en den Z.Eew. H. B. uit Munstergeleen. Ter zake dan: De geleerde Dr. Fmn., meergenoemd, speurde den oorsprong der benaming na, en vond, dat daarin de oude Germaansche grondvorm „lanch" school, waarvan een later ohd. loh, met de beteekenis van heg, hout; in oude tijden, zoo voegt F. er bij, was het een benaming voor struikgewas, met eenige boomen hier en daar ertusschen, en waarin ook plekken grof gras stond zoodat er in kon geweid werden. Waar lo en 100 bosch beteekende, was dat volgens hem een bewijs, dat wijzigingen van den bodem later tot die benoming het aanzijn hadden gegeven. Tot zoover Dr. Fmn. Laten we nu de geleerde Jellinghaus aan 't woord. Deze verklaart ongeveer hetzelfde, maar gaat wat dieper op elen zin in. Locht uit loh, beter uit het oude lauch en het ags, leah, was niet alleen heg of eenig abruust, dan wel eens als een plek in den akker ligt, maar ook hoogliggend, reeds van verre zichtbaar struikgewas, zelfs met enkele hoornen en weide-achtige plekken er tusschen. Hij beweert, dat heel oorspronkelijk de Iohe(n) en Locht(en) tot religieuze doeleinden dienden en het volk toebehoorden. In elen later-christelijken tijd werden ze vaak verdeeld. Vandaar het ontstane begrip (ags.) leah = weide en veld. Daarnaast bestaat, ook wel in plaatsnamen een ander ló (moerassige weide), hier en daar lo leu, genaamd als laagliggend moerassige woudstreek. Daarna houdt hij als bewijs voor de verschillende verklaringen meer dan honderd plaats- en vlakte-namen aan in Duitschland. Een andere etymoloog, Dr. Gotzen, zegt hieromtrent, dat in verband met de vroegere sterke bebossching onzer grensgebieden vele dezer boschnamen met loh en locht werden samengesteld. Een dezer oude namen voor woud is loh, waarvan later locht is gevormd door het volk. Oorspronkelijk beteekent het laag struikgewas, met enkele boomen en begroeide plekken, waarin het vee onzer vooouders vaak weidde, vooral de varkens, die er eikels vonden. Hij neemt hier de verwantschap met hetlatijnsche „lucus"; het Woord is later slechts in plaats- en buurtnamen achter gebleven. Dat de grond in de perceelen der Locht-plekken niet tot de woeste gronden behoorde, vinden we ook bij onzen Limburgschen risoricus. Th. Dorren, die van de buurt Locht bij Spekholzerheide zegt: Locht is eene ontginning van tot akkerland gemaakte heide. Hij voegt er nog bij: Op gen Locht = eene hofstede bij Kleef, en hij besluit met de vergelijking ook met het Vlaamsche „lodhting", dat tuinland beteekent. Over' de beteekenis van het woord 100 vindt men in de N.G.N. Ie deel op pag. 155 een zeer mooi artikel, dat, wat betreft de oorspr. beteekenis ervan, of de afleiding in hoofdzaak met het bovenstaande overeenkomt, en ook nog is uitgebreid tot het gebruik van log en loch in de oude talen. We vinden daarbij wel niet aangehaald onze Nederl. buurtnamen Locht met de eindletter t. Maar waar Fmn. zegt, dat een oude vorm voor hoog b.v. = haugh, en ook dienzelfden grondvorm aangeeft voor 't woord hoogte, en hij dit toevoegen eener t aan Loch(t) als een veelvuldig verschijnsel der volkstaal verklaart, kunnen we met goeden grond aannemen, dat de diverse etymologische afleidingen aan juistheid niets te wenschen overlaten. GEBH. KB. --- GAS EN ELECTRICITEIT Ir. Franken voelt niets voor het aanbod van dhr. Harpman En wat Mevr. Franken er van zegt Ik heb met veel belangstelling het antwoord van dcii heer Harpman in het Limburgsch Dagblad van 19 Oct. j.l. gelezen en daarbij geconstateerd, dat geen enkele der door my gemaakte opwerpingen tegen het oorspronkelijk betoog van den heer 11. (zie L. D. van 30 Sept. en 7 Oct. j.1.) door hem als onjuist kan worden gekwalificeerd. Daarom komt de beer H. met het schitterend aanbod om mij een electrisch fornuis voor enkele maanden op proef te leveren. Ik voel me met dit aanbod zeer vereerd, immers ook Z.Exc. Minister Oud ontving een dergelijk aanbod van de zijde der electro-technische werkgevers, nadat hij bij de behandeling van 't ontwerp-Omzetbelastingwet verklaard had, dat electrisch koken nog zeer duur is. Maar toch zal ik van dit aanbod — evenmin als minister Oud — gebruik maken. Immers het gaat hier om een vergelijking der beide energiebronnen en vergelijkbare gegevens zijn alleen te verzamelen door dagenlang tege-' lijkertijd alle maaltijden zoowel op gas als op electriciteit te bereiden, zooals dit ook door Dr. Tautenhahn (zie L. D. van 7 Oct. j.1.) is geschied. Dit is de eenige juiste vergelijkingsmethode en ik acht het zelfnemen van dergelijke omslachtige proeven overbodig, nu reeds Dr. Tautenhahn aldus de Kwestie objectief heeft <"r, Jerzocht op 'n wijze, die zoowel van gas- als van electriciteitszijde als volkomen wetenschappelijk is aanvaard en üan ook tot geen kritiek heeft aanleiding gegeven. En bovendien voelt mijn vrouw er niets voor, weer zelf te moeten gaan koken — op een electrisch fornuis beslist noodzakelijk — terwijl ze het koken op gas gerust aan een zelfs niet al te snuggere dienstbode kan overlaten. De iieer Harpman neme ook vin mij eens aan, dal er wel degelijk personen zijn, die, omdat ze vroege - vóór vestiging in Limb'irg jarenlang op gas hebben gekookt, er nooit aan gedacht zouden ,lebben een electrisch fornuis aan te schaffen, indien in de plaats hu.uier tegenwoordige inwoning gas aanwezig was. Misschien is het hem ook niet bekend, dat in Valkenburg sinds de invoering van gas zeer goedkoop tweedehandsche electrische kooktoestellen te verkrijgen zijn. De heer Harpman eloet niet erg verstandig, bij zijn verdediging terug te komen op de 300 gasaans.uitingen in Valkenburg, die hem blijkbaar eig dwars zitten. Want hij vertelt in dit verband 'zoodanige grove onjuistheden, dat menig Valkenburgsch ingezetene bij 't lezen zich wel moet hebben afgevraagd, of het overige betoog van dhr. 11. er ook niet eens naast kon zijn. Van de ca. 300 gasaansluitingen te Valkenburg zijn er n.l. slechts 17 (de z.g. muntgasverbruikers), waarbij de binnenleiding en een tweepitsgascomfoor in huur zijn verstrekt tegen een vergoeding van 25 et. per maand. De overige gasverbruikers hebben allen zelf de binnenleiding en de toesteilen moeten betalen. De heer Harpman tracht met cijfers, bereikt bij enkele kookproeven (een drietal menu's) in de leerkeuken van de Vereeniging van Directeuren van Electriciteitsbedrijven den indruk te wekken dat het verhoudingsgetal 2,5 (1 M 3 = 2.5 KWh) algemeene geldigheid zou bezitten. Tegenover die beperkte proeven zijn heel wat meer onderzoekingen aan te halen, die zich over een uitgebreide kookprogramma uitstrekken dat meer in overeenstemming is met de omstandigheden in een normale huishouding en die eenstemmig tot resultaat hebben, dat in de praktijk zal blijken een verhouding 1 M 3 gas = 3 a 3.5 KWh een juister gemiddelde aan te geven. Een uitvoeriger discussie hierover hoort m.i. in de vakbladen thuis. Inderdaad gaat het er ten slotte om, wat de huisvrouw moet betalen en wanneer dan de heer Harpman een cijfer noemt voor stroomvervan 0.25 M 3 per persoon per dag tegenover stellen. Dat liet voor den heer H. een raadsel is dat de bereiding van spijzen op electriciteit vooral buiten de hoofdmaaltijden langer zou duren dan op gas, klinkt een beetje vreemd. Want iedere Ingezonden, huisvrouw, die wel eens getracht heeft gauw 'n spiegeleitje te bakken op een electrische kookplaat, zal hem dat kunnen vertellen. Maar zelfs aangenomen, dat by een gasprys van 10 cent het koken op electriciteit niet zoo heel veel duurder zou komen, dan blijven toch nog de volgende redenen op te noemen, waarom het koken op electriciteit geen algemeene ingang zal vinden: 1. Zijn de aanschaffingskosten der electrische toestellen veel te hoog om deze binnen het bereik van het grootste deel der bevolking te brengen. Op een tweepits-gascomfoor van f 10.— kan met zeker niet meer kosten dezelfde maaltijd bereid worden als op een electrisch fornuis, dat met inbegrip van speciale pannen f 150 kost. 2. Het koken op een electrisch fornuis vereischt een zekere intelligentie van degene, die er mee omgaat, wil men geen al te hooge stroomrekening krijgen. Bij weinig zorgvuldige behandeling schijnt 'n doorgebrande kookplaat ook nog wel eens voor te komen. Electriciteit dwingt dus de huisvrouw om zich zelf met het koken te bemoeien. 3. Behalve voor het zuivere kookverbruik (30 a 40 M 3 per maand) voor een normaal gezin vinelt gas in de huishouding algemeen toepassing voor warmwaterbereiding en voor ruimteverwarming. Dit meerdere gas wordt meestal geleverd tegen een prys van 4 a 5 cent per M 3, 'n prys, waartegen electriciteit onder geen omstandigheden — ook niet met nachtstroomtarieven — kan concurreeren. 4. By het koken op electriciteit zal wegens de hooge kosten de verwarming van de keuken met een andere warmtebron moeten geschieden. DU geeft extra-kosten, en de ervaring in Duitschland e.a. landen heeft bovendien geleerd, dat die andere warmtebron dan zooveel mogelijk ook voor het koken benut wordt in de verder electrisch geinstalleerde huishoudens. 5. Deskundigen hebben uitgemaakt, dat wanneer meer dan 20 a 25 pet. der bevolking electrisch zou gaan koken, de middagkook-spitsbelasting hooger zou worden dan de avondsspitsbelasting der electriciteitswerken, waardoor het onmogelijk zou worden, nog meer electriciteit tegen de lage kookstroomtarieven af te geven. Bij gelijktijdige aanwezigheid van gas en electriciteit zal dan ook zelfs bij de lage electriciteit s prijzen van 3 en 4 et. per KWh op den duur door de bevolking de voorkeur aan gas gegeven worden en daar zal ook de heer Harpman niets aan kunnen veranderen. Ik wel er de nadruk op legen, dat ik de goede eigenschappen van de electrische spijsberciding heelemaal niet ontken. En waar de heer Harpman wijst op de uitspraak van Dr. Tautenhahn, dan kan ik gerust verklaren, dat de gasindustrie er niet afwerend tegenover staat, dat het electrisch koken ingang zou vinden op het platteland, dat voor gasvoprziening door de hooge aanlegkosten der leidingen onbereikbaar is, maar het komt aan op de beantwoording der vraag, waar het land begint plat te worden. En daarover zullen gas- en electriciteitsleveranciers het wel nooit eens worden. Alleen zou ik willen opmerken, dat bü de wij::c van gasvoorziening in Limburg, waardoor het mogelijk is, het gas tegen zeer lage prijzen te distribueeren, nog zeer veel plattelandsgemeenten voor gasvoorziening in aanmerking komen. Daar een voortzetting der discussie over dit belangrijke vraagstuk, die uiteraard in te technische bijzonderheden zou vervallen, in een dagblad weinig zin heeft, zal ik niet verder op deze aangelegenheid terugkomen. ïk meen echter toch wel te hebben aangetoond, dat men maar niet klakkeloos behoeft te aanvaarden, wat van electriciteitszyde zoo gaarne als een uitgemaakte zaak wordt voorgesteld. Ir. FBANKEX. Heerlen, 26 October 1933. ---