GEMENGD NIEUWS MOEDER VAN SIR JOHN SIMON OVERLEDEN. De moeder van Sir John Simon, den minister Tan binnenlandsche zaken is te Londen overleden. --- „SO ENDETE EINE LIEBE...!” Uit het oog, uit het hart. Prins Bertil, de 23-jarige kleinzoon van koning Gustaaf van Zweden en zoon van den Zweedschen kroonprins, heeft de koninklüke familie veel zorg bereid met een romantische liefde, die hh' koesterde voor Margarita Brambeek, verkoopster in een warenhuis te Stockholm. Men heeft in Zweden veel over deze „romance" gesproken en des te meer verrast was men te hooren, dat zü beëindigd was. Toen prins Bertil de schoone Margarita leerde kennen, vertelde hij het zün vader. De Zweedsche kroonprins verklaarde, dat hij nooit toestemming zou geven tot een huwelijk van Bertil met mej. Brambeek, nadat reeds de broer van den kroonprins, zün tweede zoon en zün neef een niet koninklük huwelük gesloten hadden. Hierop wendde de jonge prins zich tot zün grootvader, den koning. Maar ook hier kreeg hü nul op request. Koning Gustaaf verzocht zyn kleinzoon de zaak nog eens twee jaar te overleggen. In dien titi mocht hü juffrouw Brambeek niet zien. Wanneer hü na afloop van dezen termijn nog altüd met haar wenschte te trouwen, zou men het hem niet verhinderen. Koning Gustaaf zelf beschikte, dat prins Bertil als marine-attaché naar Parus verplaatst werd. Met eenige spanning heeft men het verloopen van de twee jaren afgewacht, gedurende welke de prins en de verkoopster elkander volgens afspraak niet zagen. Nu heeft de koning zün kleinzoon naar Nizza laten komen teneinde zün beslissing te hooren. Prins Bertil heeft verklaard, dat hy, na rijp beraad niet meer den wensch heeft met Margarita Bracbeck in het huwelijk te treden! Hü beeft ook iedere correspondentie met haar verbroken. Margarita Brambeek staat bleek en on bewogen nog altijd achter de toonbank van het warenhuis te Stockholm. Zoo eindigde de liefde van een prins! --- MERKWAARDIGE BEKEERING. Een neger-sportkampioen. Bij Kösel en Pustet te München zal dit najaar een merkwaardig boek verschynen dat ten titel draagt: Menschen, die zur Kirche kamen en dat in 't kort de bekeeringsgeschiedenis zal verhalen van een groot aantal markante persoonlükheden, die in den laatsten tijd het Katholicisme omhelsden. Niet minder dan 21 landen zullen vertegenwoordigd zijn in deze verzameling, die haar ontstaan dankt aan het initiatief van Pater Severing Lamping O.F.M. Ook uit Nederland worden eenige gegevens omtrent bekende bekeerlingen medegedeeld meldt de „Tyd". De uitgevers deelen in een prospectus reeds een en ander mede over den inhoud. Zy vestigen met name de aandacht op het bekeeringsverhaal van Ralph H. Metcalfe, die in 1932 bü de Olympische Spelen te Los Angelos de zilveren medaille behaalde in de 100 M. wedstrüd hardloopen en die deel uitmaakte van de zegevierende Amerikaansehe ploeg in den Estafetteloop. Ralph H. Metcalfe is een negerjongen, die studeert aan de Marquette Universiteit. Wij laten hier zün bekeeringsgeschiedenis volgen, door hemzelven verteld, zooals ze dezer dagen zal verschynen, met vele andere bekeeringsgeschiedenissen, in het hierboven genoemde boek: Menschen die zur Kirche kamen. „Het geeft — aldus Ralph Metcalfe — echt een groote voldoening, als men op de loopbaan het wereldkampioenschap-hardloopen behaalt. Het is een oogenblik van groot geluk, wanneer men het record heeft bereikt of liever nog, verbeterd. De vreugden van de sportwedstrijden zün zeer aangenaam. Vleiende dagbladartikelen al mag men ze dan niet overschatten, zün toch dingen, die iedereen graag over zichzelf leest. Maar niets van dat alles, en zeker niet de eer en de gunsten, welke mü ten deel vielen, toen ik als hardlooper zooveel geluk had, kunnen vergeleken worden bü de groote innerlijke vreugde, die ik gevoelde op den dag, waarop ik voor het eerst ontdekte, dat ik katholiek was. In dezen godsdienst heb ik een nieuw geluk gevonden en het katholieke gebedsleven geeft mü een troost, waar ik vroeger geen flauw vermoeden van had. Myn bekeering tot de Katholieke Kerk was zonder eenigen twijfel de meest beteekenisvolle daad van beel myn leven. Ik kan niet zeggen, dat ik er een oogenblik spüt over heb gehad. Het zal by vele lezers, vooral in de Vereenigde Staten van Amerika wel eenige verbazing wekken, dat een negerjongen zich tot de Katholieke Kerk bekeerde. Men zal dit opvatten als iets heel ongewoons. Daar ons ras zich echter met snellen spoed op cultureel gebied voorwaarts beweegt, is de negerbevolking een volstaand veld voor den oogst van het Missiewerk. Onder de negers heeft de Katholieke Missie buitengewoon werk gedaan. Het wordt wel aangetoond door de talrijke kerken en scholen voor kleurlingen. Ik mag niet zeggen, dat het mü byzonder moeilük viel, katholiek te worden. De twüfels en zwarigheden van zoovele convertisten, die door hun vaders en familieleden worden belemmerd in hun gang naar de Kerk, heb ik niet behoeven te ondervinden. Myn moeder werd tezamen met mij katholiek. Ze woont in Chicago, in 't ouderlijk buis, en haar belangstelling voor het katholicisme werd opgewekt door blanke en zwarte vrouwen onder haar vriendinnen. Deze waren nl. katholiek en mijn moeder werd ontroerd door hun oprechtheid en hun üver en hun toewijding. Ik bezocht in die dagen nog het Gymnasium, en myn belangstelling ging toevallig ook uit naar het Katholicisme, zoodat ik my liet inschrijven aan de Marquette-universiteit, die een Katholieke instelling is en door Paters Jesuieten geleid wordt. Mijn bekeering was geenszins het gevolg van den aandrang dezer Jesuieten, ook niet van den invloed, dien mijn mede-studenten op mü hadden. Zoo heeft men haar wel uitgelegd, docht het is onjuist. Lang vóórdat ik de Martniette-Universiteit bezocht had ik al groote belangstelling voor de Kerk, en wat ik aan de Universiteit opmerkte, bevestigde slechts de conclusies, waartoe ik te voren reeds gekomen was. Op een reis van de Sportclub van de Marquette-Universiteit in 1932 vertrouwde ik aan een makker toe, dat ik van plan was, katholiek te worden. Hü ried my aan, dadelijk te beginnen met onderricht. Het schikte mij echter slecht. Ik zat midden in de studie en in de training (voor de Olympiade>. Mijn vriend echter hield voet bij stuk. Ik ging maar Pater John Markoe S.J.. dien wü allen vereerden als een echten kerel... Ik werd warm door hem ontvangen; hij maakte mü de studia van 't Katholicisme niet moeilijk en op 8 December 1932 werd ik opgenomen als lid der Maria-Congregatie. Ik bezoek nu regelmatig de negerkerk van de St. Benedictus Maurus, in de nabijheid der Universiteit en vaak gaan andere negers, ook niet-kafholiek, met mü mee. Het Katholicisme heeft mij de oogen geopend; ik verlaat mij thans od bet gebed bij al wat ik voornemens ben te doen. Ik hoop, dat het mij gegeven zal zyn, de katholieke geloofstrouw altyd te bewaren. --- EEN MODERN ZIEKENHUIS VOOR DIEREN. Te Los Angelos is enkele maanden geleden cci dierniz'ekrnhuis in &ibruik jr'.mie 1 waarvan de totstandkoming door de dierenliefhebbers met groote vreugde is begroet. Tweehonderd zieke dieren kunnen bier een goede verzorging genieten en ir.et de meest moderne middelen verpleegd worden. Er zijn kooien en hakken voor katten, bonden en vogels, maar onlangs zün ook twee slan«en en een kleine tüger opgenomen. Dag en nacht blüven doktoren en oppassers in het ziekenhuis en zelfs in den nacht kunnen dierenliefhebbers hun zieke lievelingen onder dokters behandeling stellen. --- GEEN MARKEN VOOR REIZEN BUITENSLANDS Naar het „Berliner Tageblatt" mededeelt, heeft de president van de bond van rüksvreemdelingenverkeer, minister dr. Esser op een vergadering van den bond verklaard, dat ook het volgend jaar het parool zal blüven „Reis in Duitschland". „In de toekomst zullen de vermogende lieden hun geld daar moeten uitgeven, waar zü het verdienen. Niemand zou liever de grenzen openen, had rijkskanselier Hitler nog onlangs aan hem verklaard, dan wü'. Want de millioenen Duitschers, die in het buitenland reizen, zullen onze beste propagandisten zijn. Op het oogenblik kunnen wü dit echter niet. Voorloopig moeten wij geen enkele mark onnoodig naar het buitenland laten gaan." --- DE „MILLIONNAIR” DIE GEEN MILLIONAIR WAS... En op tragische wijze dendood vond. Een tragisch geval van zelfmoord heeft zich pas in een dorpje van het district Trencsen (Slowakije) afgespeeld. Na een verblijf van vüf en dertig jaren in Amerika was onlangs een voormaligen bewoner teruggekeerd, die als jonge man van dertig jaren in de Nieuwe wereld zyn geluk was gaan beproeven. Volgens zün zeggen was hü teruggekomen om op zün geboortegrond de laatste levensjaren rustig door te brengen en daarin begraven te worden. In het arme dorp werd zün terugkomst met groote vreugde gevi-rd. Hü gold voor ieder als de rijke oom uit Amerika; men zag hem voor niet minder dan een millionnair aan. De besturen van liefdadige instellingen wisten hem spoedig te vinden. Een stroom van armen en bedelaars belegerde zün huis en liet hém zelfs op straat niet met rust. De goedhartige man toonde zich zeer vrijgevig. Het weeshuis en het armenhuis werden rijkelijk bedacht, niemand kon hü met ledige handen wegsturen. Als hü zich af en toe in de dorpsherberg waagde was deze weldra met talrijke gasten gevuld, die hem lang lieten leven, doch daarvoor op zün kosten hun glazen mochten ledigen. Zooveel weldaden verspreidde hij om zich heen, dat er in den gemeenteraad reeds een voorstel was ingekomen hem tot eereburger te benomen. Op zekeren dag was de oude heer plotseling verdwenen en dienzelfden avond werd zijn Hjk uit de Waag opgevischt. • Men dacht eerst aan moordaanslag en berooving, doch in zün woning vond men een brief waarin de ongelukkige zyn omstandigheden mededeelde. Hü was niet schatrük, noa minder millionnair. Na een hard en moeilük leven had hü juist zooveel kunnen overleggen, dat hü op bescheiden wyze zyn einde halen kon. Toen hü evenwel na zijn terugkomst als de groote millionair gevierd werd, had hü zich ondoordacht in deze opgedrongen rol zoo ingeleefd, dat hü zyn zuur verdiende geld met handenvol had weggegooid. In zün beurs vond men de rest. juist voldoende om de begrafeniskosten te dekken. Als laatste gunst vroeg hij van tijn dorpsgenonten een zeer nette, eervolle begrafenis. (M.M.) --- DE KLEPPERPOST. In het orgaan van de broederschap van Directeuren en Commiezen bü den P.T.T.-dienst treffen we een artikel aan onder bovengenoemde titel en dat is overgenomen uit:„Historiah a régi posta vilagabol" door Dr. F. Monus, hoofdinspecteur der P.T.T. te Debrecen. (Uit het Hongaarsch vertaald door A.G.M.A.) „Onder de regeering van Maria Theresia werden er in de goede, oude stad Weenen veel liefdesbrieven ontvangen door voorname dames met zwaar bepoeierde rococo-kapsels. Brandend van ongeduld zaten de schoonen in haar salons achter de witte gordünen te wachten op dé komst van de bestellers, die de kleine, geparfumeerde briefjes kwamen afleveren. Het pas gevormde beslellercorps bestond uit jonge levenslustige kerels, die zich weldra in de algemeene sympathie van de bevolking der vroolyke Donaustad verheugen mochten. De drukke niinnecoiTCspondentie verschafte aan het Weensche postkantoor veel werk; het meeste natuurlijk aan het bestellend personeel, want juist toen was men er in het keizerlüke Weenen toe overgegaan, de brieven ten huize der geadresseerden Ie laten bezorgen. Over de moeilükheden van een bestelling in die dagen moet men niet te gering denken. Het was niet gemakkelük om toegang tot de deftige behuizingen te kry'gen en de brievenbussen waren nog niet uitgevonden. Op de zware, met ijzer beslagen deuren was een kunstig gesmede klopper aangebracht, meestal in den vorm van een dierenkop. Door deze klopper herhaalde malen te laten vallen, kondigde de bezoeker of boodschapper zyn aanwezigheid aan. De bewoners gingen dan eerst voorzichtig poolshoogte nemen, wie er voor de deur stond, zoodat er steeds geruime tüd met het bestellen van een brief gemoeid was. Op vele deuren miste men zelfs een klopper en dat bemoeilijkte de aflevering in hooge mate. Maar de Weensche oostbestellers van die dagen waren vindingrük. Zü vervaardigden zich een klepper en gaven op de straat vóór hét huis waar ze bestellen moesten een „kleppermarsch", intusschen de ramen afspiedend of er vanachter de dichte gordynen geen hoofd te voorschün kwam.Weldra was elke besteller met een klepper uitgerust. Zo droegen links en rechts een tasch waarvan de riemen kruiselings over de schouders hingen. In de eene tasch waren de brieven geborgen, terwijl uit de andere de klepper te voorschyn gluurde. Deze klepper zag er iets anders uit dan de kleine handkleppers, waarmede onze jeugd zich weet te vermaken. De postklepper bestond uit een stevig eiken plankje, uitloopendc in» een handvat. Tegen weerszyden van de plank lag een stuk yzer, dat in de nabijheid van het handvat met een scharnier aan de plank bevestigd was. Bij het heen en weer bewegen van het instrument sloegen de üzers tegen het harde hout en veroorzaakten een doordringend geluid. Dit nu was de nieuw uitgevonden klepper, die den deurklopper vervangen moest en zoo kreeg de bestelling, die met behulp van dit instrument werd uitgevoerd, den naam van „klepnerpost". De vroolüke postmannen wisten al gauw hun instrument met zooveel vaardigheid te bespQlen, dat het een lust was naar hun geklepper te luisteren. In geen enkel archief heb ik sporen kunnrn vinden, dat ook in Hongaarsche steden een klepperpost heeft bestaan. Toch was de klepper er niet geheel onbekend, want in de steden [glo en Löcse werd dit instrument in de negentiende eeuw gebruikt door den stadsomroeper. --- De vestigingseischen voor den middenstand Aan de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer in t,?,'** '• ft wetsontwerp houdende regeling betreff'!■ _ Ie' vestigen van hiricnli:i. mi, waarin eenige tak van detailhandel, aid.ai.ht of kleine ni.iverln.id /.>' worden uitgeoefend, Wol-U het volgende ontleend: Hel is bepaald het verschijnsel der overbezetting, in het voórloopig verslag terecht gekenschetst het groote euvel, dat den middenstand bedreigt, dat een handelend optreden van den wetgever vereischt.. In hoeverre overbezet ting tot prijsverhooging kan leiden, is een bijkomstige vraag en in zooverre slechts van secundaire beteekenis. De mogelijkheid van zoodanige prijsverhooging is in de memorie van toelichting dan ook slechts terloops en met een enkel woord aangestipt. De minister is van oordeel, dat de beperkte opzet van het ontwerp toelaat voor het oógènblik het huidige economische beleid in algemeenen zin buiten beschouwing te laten. Hü meent zich dus te mogen beperken tot het vraagstuk van de overbezetting op zichzelf. Dat de verwachtingen inzake de beoo;gde regeling eenigszins getemperd worden door haar beperkten opzet is begrijpelijk. Indien de minister dieper ingrijpen niet raadzaam achtte, was dit omdat de bonte verscheidenheid, die dezen sector van het economische leven kenmerkt, van den wetgever, bedachtzaamheid en zelfbeperking vordert. Immers loopen niet slechts in verschillende takken van detailhandel, ambacht en kleine nijverheid de toestanden sterk uiteen, maar zelfs vertoont een zelfde tak in verschillende gemeenten vaak nog weer een eigen aspect. Daarenboven mag een regeling ter zake niet zoo stringent zijn, dat personen, die op dit gebied een plaats hopen te verwerven, op den duur allerwegen de deur gesloten vinden. Het is om deze reden, dat de noodzakelijkheid van een soepelen, .ich ten nauwste aan de practijk aanpassenden opzet bij herhaalde overweging al sterker opdrong. Deze opzet strookt met den principieelen toeleg van het ontwerp, dat, de vrijheid van bedrijf handhavende, slechts wering van cjrigêwenschte elementen en verheffing van het vak ten doel heeft. --- HET BEHOEFTE-ELEMENT. Tegen de inschakeling van het z.g. behoefteelement heeft de minister in dezen gedachtengp-'g niet te overkomen bezwaren. Het buiten beschouwing laten van het behoefteelement behoeft overigens te minder bezwaar te ontmoeten, in zooverre met de in het ontwerp vervatte regeling op den duur óp minder gekunstelde wyze dezelfde resultaten bereikt worden: de stroom van niet levenskrachtige elementen wordt er wel degelijk door afgedamd. In het winkelbedrijf b.v. is, zooals terecht opgemerkt werd, het „sterftecijfer" inderdaad zoo hoog, dat betrekkelijk spoedig na het in werking treden der wet de thans gevestigde ondernemers, wier zaak geen levensvatbaarheid bezit, vanzelf geëlimineerd zullen blijken. , --- De vestigingsechen voor de nijverheid. Wat betreft de nog m voorbereiding zünde wettelijke regeling inzake véstigingseischen voor de nüverheid, moge voor het oogenblik worden volstaan met de opmerking, dat deze van geïrcel andere Criteria uitgaat, met name dat aan den toeleg tot verheffing van het vak, die aan het onderhavige ontwerp in de eerste plaats ten grondslag ligt, met betrekking tot de nyverheid geen behoefte bestaat. Eenige bevoegdheid der gemeentebesturen, hierop neerk*mende, dat deze aanvullende vestiginyseischen zouden kunnn stellen, is, waar de wetgever zich voorbehield, zelf van gemeente tot gemeente regelend op te treden, ten'eenenmale uitgesloten. Het z.g. behoefte-element tot het onderwerp van plaatselüke verordeningen te maken ware eveneens ontoelaatbaar. Het is duidelyk, dat zulks niet in het systeem van het ontwerp past. Het kappersbedrüf rekent de minister tot het ambacht, feitenmateriaal, waaruit kan bbjken, dat zich voor een regeling óp grondslag van dit ontwerp minder zou leenen, staat hem niet ten dienste. Integendeel heeft hü den indruk, dat juist voor deze branche veel waarde aan den eisch van vakbekwaamheid moet worden gehecht. Het als overwoekering van het kleinbedrijf door het grootbedrijf aangeduide verschünsel is niet het onderwerp der onderhavige regeling. De toonstelling tusschen middenstandsbedrüf en massabedrüf, Zooals die zich in sommige brances van den detailhandel voordoet, is aan deze materie ten eenenmale vreemd en behoort dat ook te blijven. De vrees, dat het stellen van véstigingseischen op een belemmering van 't gezonde filiaalbedrüf Zal neerkomen, is dan ook niet gewettigd. Ten aanzien van handelskennis en vakbekwaamheid zullen geen andere dan minimum eische nin aanmerking komen. In dit licht bezien acht de minister geen termen aanwezig om b.v. tusschen zelfstandige winkelers en filiaalchefs verschil te maken. Het standpunt der leden, die niet slechts eisohen ter zake van credietwaardigheid, vakbekwaamheid en handelsennis zouden willen stellen, doch ook inrichting der bedrijven en kwaliteit der producten in geding zouden willen brengen, kan de minister niet deelen. Het is de bedoeling, uitsluitend hetgeen uit bet bedrijfsleven zelf opkomt te steunen en te bekrachtigen. Hierin ligt op-jeslöten, dat het stellen van véstigingseischen alleen dan zal geschieden, indien de betrokken branche daarvoor volkomen riip mag heeten en belanghebbenden mitsdien in staat ziin, zelf in concreto aan te geven, welke eischen huns inziens gesteld moeten worden. Wat handelskennis en vakbekwaamheid betreft, dat hij deze in voldoende mate bezit, zal de persoon, die zich wil vestigen, als regel aannemeliik kunnen maken door overlegging van een diploma, uitgereikt op grond van een met goed gevolg afgelegd examen. --- Vakexamens. Voor een aantal bedrijven bestaan thans reeds dergelijke diploma's. In dit verband valt o.a. te wijzen op de werkzaamheid van de Vereeniging tot veredeling van het ambacht, alsook, wat den detailhandel betreft, op de vakexamens voor het kruideniersbedri.il, voor drogisten enz. Tn overleg met ziin ambtgenoot van onderwijs, kunsten en wetensehappenheeft de minister in deze richtins reeds voorbereidend werk gedaan. Daarbij wordt op zoodanige inrichting der vakexamens aangestuurd, dat deze alle waarborgen zullen bieden, die redelijk kunnen worden verlanffd. Uit het bovenstaande blükt duidelijk, dat het geenszins in de bedoeling ligt, de kamers van koophandel op groote schaal met afneming van examens te belasten. Worden voor eenl'-'e branches véstigingseischen gesteld, dnn zullen deze hen, die op dat tüdstio reeds in het bedrüf zijn, in ieder geval """prnoeid laten. Van venters en marktkooplieden is. naar het den minister voorkomt, een verzoek, als bedoeld in art. 4 van het ontwerp, niet soudis? te verwachten. De typische functip van deze «roep mankt het trouwens onrlofnliik, haar in den onderhovisiep nr>zet te betrekken. Intusschen heeft het venters- en marktwezen sedert eenipen tijd de bijzondere van den minister. Tot welke resultaten de desbetreffende overwegingen op den duur zullen leiden, valt thans nog niet te zeggen. Met de organisaties van de belanghebbenden is nog overleg gaande. Dat do overheid met betrekking tot de in het ontwerp te regelen materie ook dan een taak zou hebben, indien ieder initiatief van de züde der betrokken ondernemers zelf uitblijft, is een gedachte, die niet ligt in de lün van het ontwerp dat principieel streeft naar een regeling, die aan de overheid geen andere taak toekent dan het bevorderen, steunen en bekrachtigen van wat uit het bdrüfsleven zelf is opgekomen. Overigens achte de minister alleen reeds om redenen van financieelenaard zeker onder de tegenwoordige omstandigheden een zoo .ütgebreiden opzet niet voor verwezenlüking vatbaar. --- DE GEWENSCHTE WIJZIGING VAN HET CONTINGENT. Op het oogenblik is de toestand zoo, dat na de vrijstellingen en na de keuring onder de tegenwoordige dienstplichtwet jaarlijks ongeveer 26.500 man overblyven en daar vallen er dan een 200 nog af door loting. Hieruit volgt dat zonder wüziging van de dienstplichtwet het benoodigde contingent onmogelük verkregen zal kunnen worden, ook niet, zooals vaak beweerd wordt, door afschaffing van de loting. Nagaande hoe het goede contingent dan wel is te verkrijgen, wees spr, verzwakking van de keuringseischen af, evenmin wil hü tornen aan vrijstelling voor geestelük ambt of kostwinnerschap, ook al omdat de daarvoor verkregen nummerieke winst zeer gering zou zy'n. Er bluft dus niets anders over dan herziening van het stelsel der vry'stellingen wegens broederdienst. Thans dient er slechts een zoon per gezin, welk zeer vry'gevig stelsel in 1922 is aanvaard omdat bet contingent zoo klein moest zün en men den invloed der gesmade loting tot een minimum wilde terugbrengen. Het was dus geen doel, maar slechts middel. Wordt de grootste helft der broeders vrügesteld dan ontstaat een winst van 4000 man, waardoor het mogehjke contingent 30.500 man wordt. Wordt de kleinste helft der broeders vrygesteld, dan kan het contingent stygen tot 33.000 man, van wie 1000 man voor de marine. Een derde systeem, waarbij ongeveer één broeder wordt vrügesteld op vier zonen zou een landmachtcontingent van 34.000 man leveren. En algeheele afschaffing van deze vrijstelling of met andere woorden algebeele dienstplicht zou een legercontingent van 42.500 man kunnen opleveren. Volgens deze cijfers zouden spr. desiderala, voor zoover hü die tot dusver heeft geuit, kunnen worden vervuld door het stelsel van vrystelling van de kleinste helft der broeders. --- Inschakeling van bedrijfsraden. In zooverre zulksmogelijk zal zyn, is de minister gaarne bereid, de bedrijfsraden in te schakelen. Intusschen staat het reeds nu voor hem vast, dat voor het verstrekken der vestigings-vergunningen deze organen, wier taak trouwens bepaaldelijk op sociaal terrein ligt, niet in aanmerking komen. Daartoe is het apparaat noodig, dat alleen bü de kamers van koophandel aanstonds beschikbaar is. Dat inzake de te stellen minimum-eischen de middenstndsraad zal worden gehoord.sluit allerminst uit, dat ook andere organisaties gelegenheid zullen verkrijgen, haar advies kenbaar te maken. De minister is gaarne bereid, diverse groepeeringenvan belanghebbenden te hooren. Aan de artikelen wordt nog het volgende ontleend: Zou de verkoop van koffie en thee als tak van detailhandel worden aangemerkt en zouden daarvoor vestisinaseischen worden gesteld, don zal hü, jjie naast andere waren ook deze beide artikelen wil verkoopen. daartoe alleen versninnint* behoeven, voor zoover genopmde twee artiifMen betreft. Dafr op het platte land. in eenzelfde winkel veelal een nroote vers"lieidr>nh',id van artikelen verkriisbaar is.zonder dat wellicht aanleiding bestaat tot het stellen van véstigingseischen. laat de ontworpen regeling de mogelijkrheid open. deze gemeenten zoo noodig uit te zonderen, --- Is wijziging dienstplichtwet urgent ? De noodzakelijke vergrooting van het contingent; eerste oefentijd van 9 maanden en 3e herhalingsoefeningen Uiteindelijk is invoering van den algemeenen dienstplicht gewenscht In een zeer druk bezochte vergadering van de vereeniging ter beoefening van de krygswetenschappen in Den Haag heeft de kolonel van den genèralen staf jhr. J. Th. Alting von Geusau, directeur van de Hoogere Krijgsschool, de vraag behandeld, of herziening van onze dienstplichtwet urgent is. Spr. acht het onlogisch in deze wet een getal vast te leggen, dat de sterkte van het jaarlijksche contingent aangeeft, omdat de organisatie van het leger niet in die wet is vastgelegd. Doordat men in de wet van 1922 een contingent hééft vastgesteld, dat verband hield met of liever gezegd, voortsproot uit de destijds bestaande organisatie, was elke organisatie, welke meer mannen vergde, onmogelük, hetzü men die mannen aan andere troependeelen ontnam, waar zü evenwel evenmin gemist kunnen worden. Als sterk sprekend voorbeeld hiervan haalde hij aan de opheffing van de vierde groep der sectie infanterie, ten einde voor andere nieuw opgerichte onderdeelen mannen te krijgen. De mankracht onzer infanterie heeft er ernstig onder geleden en het hoofdwapen is er een bloedarm organisme door geworden. Het vastleggen van het contingent in de wet is z.i. dé cardinale fout vau de Dienstplichtwet 1922 en volgens hem moet dat getal er uit verwy'derd worden en het contingent elk jaar bü Kon. besluit vastgesteld worden. Na de wü'ziging van de Dienstplichtwet van 1935 zal volgens spr.'s becyfering het bestaand contingent op globaal 24.500 man komen (te beginnen met de lichting 1937), waardoor men juist voldoende mannen heeft om in de thans bestaande organisatie te kunnen voorzien. Doof de oprichting van het eskadron pantserwagens en door de motoriseering van de treinen. — maatregelen welke reeds in uitvoering zün — komen we nu echter reeds weer tekort. Nagaande hoeveel mannen er noodig zün, om het ingevolge het defensiefonds beschikbaar komende materieel van bediening te voorzien, becüferdc kolonel van Geusau, dat per jaar noodig zün voor de mitrailleurs 414 man, voor de zoeklichten 190 man, voor het infanteriegeschut 110 man en voor de artillerie van 10 veld 58 man, te zamen circa 1200 man. Voegt men hierbü 150 man voor de pantserwagens en de treinen, dan is het tekort 1350 man per jaar. Een tekort dat kan worden opgeheven door binnen het kader van de bestaande wet de loting af te schaffen, zoodat allen, die niet vrijgesteld en niet afgekeurd_ zün, moeten dienen. Dan zijn er evenwel nog 15 jaar noodig om op sterkte te komen, hetgeen niet toelaatbaar is. Met dezen maatregel alleen komen we er echter niet, omdat ook nog verschillende andere verbeteringen urgent zün, als hoedanig spreker noemde: Het weder invoeren der vierde groep der sectie infanterie; oprichting van een tweede eskadron pantserwagens — waartoe ook reeds besloten is — en van sectiën pantserwagens voor de verkenningsafdeelingen; oprichting van batterüen infanteriegeschut bü de regimenten huzaren, de bataljons wielrijders en de verkenningsafdeelingen; versterking van de batterüen infanteriegeschut by dé regimenten infanterie tot 6 stukken en indeeling van een soortgelüke battery bü elke divisie; uitbreiding van de artillerie; uitbreiding van de pioniers. Voor deze zes, door spr. uitvoerig toegelichte desiderata zal een jaarlüksche contingentsuitbreiding van rond 4000 mannen noodig zyn. Spr. wenscht ook verhooging van de depotsterkte van 10 tot 20 pCt, vooreerst omdat hü een sterkte van 10 pCt. te gering acht, maar ook omdat hü de grootere sterkte een middel acht om het bemannen van het nieuwe materieel te kunnen versnellen, zoodat dit niet weer 15 jaren zal vergen. Hiervoor is een contingentsvermeerdering van 2700 man noodig. Het totale contingent zou dus dan moeten worden 32.690 man. --- HET AANTAL BIJ MOBILISATIE OP TE ROEPEN LICHTINGEN. Kolonel Alting von Geusau behandelde voorts de organisatie van ons leger uit de breedte en uit de diepte bezien, waarbij hy betoogde, dat aan een recruteering van ons leger uit 15 lichtingen zeer groote bezwaren verbonden ziin. Spr. acht een stelsel van 12 lichtingen gewejlscht.. Daarbü zün desiderata handhavende komt hy tot een contingent van 39.500 man, wat vrijwel algemeene dienstplicht beteekent, dus geheele afschaffing van de vrijstelling wegens broederdienst. Bü de organisatie uit de diepte passen veel herhalingslichtingen en het feit, dat bij ons de man in zijn 15e dienstjaar voor den vyand gebracht wordt, terwyl hü in zün 5e dienstjaar zyn laatste herhalingsoefening heeft volbracht, is ontoelaatbaar. Reden waarom invoering van dc derde herhalingsoefening met klem werd verdedigd. --- DE EERSTE OEFENTIJD. welke in ons leger voor de onberedenen slechts 5% maand bedraagt, werd vervolgens uit drieërlei oogpunt beschouwd nl. wat betreft: 1. de. elementaire en individucele geoefendheid van den enkelen man; 2. de oefeningen in compagnies en bataljonsverband, vooral bedoeld vcor oefening van de reserve-officieren; 3. het steeds hebben van een relatief geringe sterkte aan geoefenden voor bezetting van de kazemetten; waarbü de slotsom was, mede in vergelüking met andere landen, dat onze eerste oefentüd veel te kort is. Voor alle onberedenen dient de eerste oefentijd 9 maanden te zijn met een blyvend gedeelte van 50 pCt. voor de bezetting van de kazematten. Tot slot van zijn betoog gaf kolonel Alting von Geusau eenige gedachten over de grensbeveiliging, waarbü spr. bleek voor te staan een stelsel van beveiliging door middel van hooggeöummerde regimenten of onderdeden daarvan, welke bij gedeeltelijke mobilisatie worden opgeroepen. --- PRACTISCHE VOORSTELLEN. Spr.'s practische voorstellen in zake wijziging van de Dienstplichtwet zün: 1. Verwy dering uit de wet van het getal dat het contingent aangeeft; 2. Opneming in de wet van systeem van vrijstelling wegens broederdienst van de kleinste helft der broeders, waardoor een contingent mogelijk wordt van 32.000 man, waarmede het behoud van 15 lichtingen alle door hem voorgestelde wijzigingen kunnen worden uitgevoerd en in de grootere depotsterkte een middel aanwezig is om de bemanning van luchtdoelgeschut, infanteriegeschut, mitrailleurs e. d. te vormen. 3. Opneming in de wet van de derde herhalingsoefening. 4. Vaststelling van den eersten oefentüd op negen maanden voor de onberedenen, met opkomst in één ploeg, drie maanden verspringen bij de divisies en een blüvend gedeelte van circa 50 pCt. der infanterie gedurende drie maanden. Deze verbouwing van het leger zal geruimen tüd kosten. Daarna zal de tyd zün aangebroken om over te gaan tot invoering van den algemoenen dienstplicht, opdat het léger zal kunnen worden gerecruteerd uit 12 inplaats van uit 15 lichtingen. Op de inleidng volgde een gedachtenwisseling. --- KERK EN SCHOOL Ned. Nat. Bedevaart naar Rome in 1937 Het Comité tot Samenstelling van Nederlandsche Bedevaarten (V.N.8.) heeft, met goedkeuring van bet Doorluchtig Episcopaat, in zyn op 27 October j.l. gehouden vergadering besloten ter gelegenheid van den 80sten verjaardag van Z.H. den Paus, in de tweede helft van April 1937 een Bedevaart te Organiseeren naar Rome. Nadere byzonderheden omtrent déze bedevaart zullen worden bekend gemaakt. Voorts kan worden medegedeeld, dat de Vereeniging tot Samenstelling van Nederlandsche Bedevaarten (V.N.8.) door het Doorluchtig Episcopaat werd aangewezen als DE organisatie van Rome-reizen in 1937. --- BOEK EN BLAD Een Libel van Pater Henri de Greve Van de hand van den bekenden radiospreker, Henri de Greeve, naar wiens „Lichtbakens" door menschen van alle gezindten graag wordt geluisterd zal binnen enkele dagen een boekje het licht zien: „Gods Kans." Dit werkje zal in de bekende Libellen-Serie van de firma Bosch en Keuning te Baarn worden opgenomen. ---