Herstel in Nederland van buizerd, havik en sperwer staat in schril contrast tot Oost-Europa Roofvogel heeft de wind mee Door Jan Bengevoord Het gaat beter dan ooit met de Nederlandse roofvogels. Vooral de roofvogels in de bossen komen in zulke hoge dichtheden voor dat volgens deskundigen het maximale aantal van havik, sperwer en buizerd is bereikt. Dit spectaculaire herstel van de roofvogelstand na een dramatische ineenstorting in de jaren vijftig en zestig mag worden gerekend tot de grootste successen van de Nederlandse natuurbescherming. Er wordt zelfs weer gedacht aan herintroductie van de kolossale zeearend. Beduidend slechter is het gesteld met de Europese roofvogelstand buiten West- Europa en Scandinavië. Verschillende soorten staan op het punt uit te sterven als gevolg van vervui-, ling, grootschalige natuurvernietiging en bloedige vervolging. Bioloog drs. Ad Wittgen, in het dagelijks leven directeur van Natura Docet in Denekamp en tevens actief roofvogelonderzoeker, hoopt en vreest. In 1969 lag diep verscholen in een Winterswijks loofbos het nest van een havik. Het was een enorm nest dat al jarenlang door de majestueuze vogels werd gebruikt om kroost groot te brengen. Dit broedpaar had succes. Jaarlijks verlieten een tot twee jongen het nest. Andere broedparen waren minder gelukkig. Sommige vogels vielen letterlijk dood uit de lucht als gevolg van landbouwgif dat zich ophoopte in de vetweefsels, produceerden eieren zonder schalen of voerden het enkele jong dat uit het ei kroop letterlijk dood. De stand van de havik schrompelde ineen tot enkele tientallen broedparen. Het afscheid van de havik, een van de snelste en behendigste roofvogels van Nederland, leek nabij. Alleen in Twente en de Achterhoek hield de havik op enkele diep verborgen plaatsen stand. Zij ontliepen de vergiftigingsdood door zich te voeden met bosvogels die niet in aanraking waren gekomen met diëldrin, DDT, aldrin en andere chloorkoolwaterstoffen die kwistig werden gebruikt in de landbouw. Het ongecontroleerde gebruik van bestrijdingsmiddelen richtte echter een ware slachting aan onder de Nederlandse roofvogels. „Vooral het wettelijke verbod op het gebruik van een aantal bestrijdingsmiddelen in die tijd is de redding geweest van vele soorten roofvogels, vooral voor de sperwer en de havik. Het was een keerpunt," zegt directeur drs. Ad Wittgen van het Denekampse natuurmuseum Natura Docet. Al sinds lange tijd verricht hij roofvogelonderzoek en sinds twintig jaar reist hij jaarlijks een maand naar Griekenland., voor onderzoek in een van de roofvogelrijkste gebieden in Europa. Het keerpunt in de droevige neergang van de roofvogels heeft hij samen met vele andere on- derzoekers in oost-Nederland met gejuich ontvangen. Vooral omdat de hervestiging van havik, sperwer en buizerd in grote delen van Nederland kan worden toegeschreven aan nazaten van roofvogels die wisten te overleven in Twente en de Achterhoek. Mede dank zij dat paartje in Winterswijk kon de havikstand in Nederland weer uitgroeien tot zo'n 1700 broedparen. ,Kjek-kjekkjek' galmt de roep van de havik opnieuw door veel Nederlandse bossen. „Een grote rol heeft ook gespeeld dat de bossen die aan het begin van deze eeuw werden geplant ouder werden en een zodanig leefgebied boden dat het aantal roofvogels daadwerkelijk kon toenemen. Nu zou je kunnen zeggen dat de top is bereikt. De dichtheid is zodanig dat de beschikbare hoeveelheid voedsel de stand reguleert," aldus Wittgen. Regionaal en plaatselijk laat de dichtheid echter nog te wensen over. Dit wordt niet toegeschreven aan natuurlijke omstandigheden, maar aan vervolging door lieden die in roofvogels nog steeds de moordzuchtige schepsels zien die op deze aarde niet thuis horen. Ondanks een een ' enorme mentaliteitsverandering — vooral bij jagers die roofvogels altijd hebben beschouwd als concurrent in het jachtveld — is het afschieten van roofvogels onuitroeibaar. Nesten met jongen en eieren worden doorzeefd met een welgemikt schot hagel, oudere vogels gedood met vergiftigd aas of „soms wordt zelfs de boom met nest en al omgezaagd." Zo constateerde de Werkgroep Vogelsterfte in 1988 dat in Twente tien percent van de buizerds werd afgeschoten of vergiftigd. De Achterhoek is altijd milder gestemd geweest jegens de vogels, alhoewel ook daar bijna jaarlijks incidenten worden geconstateerd. Maar ook de toegenomen recreatiedruk op bossen en na tuurgebieden eist z'n tol. „Als pasen vroeg valt in de periode dat de vogels nog bezig zijn met eieren leggen, dan zie je dat in zo'n jaar veel nesten vroegtijdig worden verlaten," aldus Wittgen. Hij schat dat „door de bank genomen zo'n 40 percent van de broedsels jaarlijks sneuvelt." „De plaatsen waar dit gebeurt zijn bijna op de kaart aan te wijzen. Roofvogels ken-: nen nu eenmaal een regelmatige verspreiding en je kunt op je klompen aanvoelen dat het volledig ontbreken van roofvogels in grotere gebieden kan worden toegeschreven aan vervolging. Dankzij de samenwerking tussen natuurbeschermers, politie, jagers en grondeigenaren zijn dit soort zaken inmiddels wel bespreekbaar geworden. Roofvogels zijn volgens de wet volledig beschermd," constateert Wittgen. De broedplaatstrouw van soorten mag blijken uit onderzoek in Winterswijk naar de sperwer, de kleinere uitvoering van de havik. Zo vond de onlangs overleden mevrouw Nijenhuis uit Winterswijk voor het onderzoek van de beroemde bioloog L. Tinbergen in 1946 sperwer- nesten in vrijwel precies dezelfde gebieden waar ze ook nu nog worden aangetroffen in Winterswijk. Afschot kan de stand evenmin terugdringen. letwat bizar onderzoek in Engeland waarbij van broedparen het mannetje werd afgeschoten had tot resultaat dat er binnen de Tcortste keren een nieuwe echtgenoot opdook. Rondzwervende jonge vrijgezellen op zoek naar vaste verkering zijn ruimschoots voorhanden. Zelfs het met dynamiet opblazen van slaapplaatsen met honderdduizenden spreeuwen in België heeft het aantal spreeuwen in Europa niet verminderd. De stand van buizerd, havik en sperwer lijkt zich op de huidige — hoge — aantallen te stabiliseren op respektievelijk 4000, 3000 en 1700 broedparen. Ook de schuwe wespendief handhaaft zich in oost- Nederland uitstekend en telt in het totaal 500 broedparen. De meest algemene roofvogel van Nederland, de torenvalk met zo'n 7000 broedparen, staat er ook niet slecht voor en ,broertje' boomvalk met 1900 paren gaat het vooral op de zandgronden al evenzeer voor de wind. Zorgen baren vooralsnog de blauwe, bruine en grauwe kiekendief, die vooral door vernietiging van natte natuurgebieden sinds het begin van deze eeuw flink zijn teruggedrongen. De grauwe kiekendief, vroeger een vrij algemene broedvogel op graanakkers en heidevelden in Twente en de Achterhoek, dreigt met nog vijf paren in Nederland uit te sterven. Het is de enige soort die in Nederland op z'n eind loopt. De somberheid van Wittgen en andere roofvogelonderzoekers heeft sinds de de jaren zeventig plaats gemaakt voor hoop. Het enthousiasme heeft er zelfs toe geleid dat er voorzichting wordt gedacht over herintroductie van roofvogelsoorten die al eerder verdwenen: de reusachtige oehoe, slechtvalk, visarend en de zeearend met een vleugelspanwijdte van twee meter. Volgens Wittgen heeft herintroductie van deze laatste soort de meeste kans in Nederland door het ontstaan van onbedoelde natuurgebieden in de Flevopolders en de Zeeuwse meren. „Deze kunnen dienen als broedgebieden. Het probleem is echter dat zeearenden uitgesproken standvogels zijn. We moeten dan ook dieren die in gevangenschap, bijvoorbeeld dierentuinen, zijn geboren uitzetten. Anders gaan er eeuwen overheen voordat deze vogels vanuit Oost- Duitsland of Scandinavië zelf naar Nederland komen. Het vraagt echter veel geld en goede voorbereiding, maar vooral de wil om in Nederland weer'complete ecosystemen in tè richten." Dat zeearenden in Nederland geen hersenspinsels zijn, bewijzen de laatste jaren veelvuldig in Nederland overwinterende jonge exemplaren. Niet alleen in Zeeland of Flevoland, maar ook in Twente en de Achterhoek worden ze soms waargenomen. Natuurmuseum Natura Docet heeft aan deze bezoeken zelfs een opgestopt exemplaar overgehouden, dat in de buurt van Ootmarsum werd gevonden. „Jè houdt het niet voor mogelijk maar deze vogel is verdronken," vertelt Wittgen als hij het reusachtige dier uit een vitrine haalt. „Het is een onervaren jonge vogel. Bij het jagen in een plasje heeft hij waarschijnlijk een flinke karper met z'n klauwen gegrepen. Volwassen vogels sprei- den dan de vleugels en blijven op het water drijven totdat de prooi volledig uitgeput is. Dit exemplaar heeft waarschijnlijk de veugels ingetrokken en is vervolgens met vis en al onder water verdwenen. Nee, loslaten doen ze niet. Het is" gewoon een reflex om een prooi vast te houden, zelfs met deze noodlottige afloop." Sinds 1963 reist Ad Wittgen eenmaal per jaar voor een maand naar Griekenland voor studie van een gebied tussen bergen en zee bij de Bulgaars/Turkse grens, waar maar liefst 36 soorten dag- en nachtroofvogels voorkomen. „Het behoort tot de beste roofvogelgebieden van Europa en het was een .verademing om er te zijn in de tijd dat het in Nederland zo slecht ging met de roofvogels. Nu is het bijna omgekeerd. Het is ongelooflijk om te zien hoe dit gebied in de afgelopen jaren is toegetakeld. Griekenland behoort weliswaar tot de EG en heeft allerlei verklaringen ondertekend, maar er komt in de praktijk weinig van terecht," verwoordt Wittgen hoe de vreugde omsloeg in wanhoop. De teloorgang van zijn onderzoeksgebied door wegen, industrievestiging, landbouw met bestrijdingsmiddelen die nu juist in Nederland tot catastrofes leidden, maar vooral het ontbreken van enig begrip voor de natuur staat volgens Wittgen model voor de desastreuze ontwikkeling in heel Oost- en Zuid- Europa. Internationale afspraken over de wettelijke bescherming van roofvogels blijken papieren tijgers, die behalve door natuuraftakeling en milieuvervuiling worden geschonden door iedereen die een geweer kan vasthouden. „Ik begeleid sinds enige jaren biologiestudenten van een aantal Griekse universiteiten. Het is onvoorstelbaar als je ziet dat de meeste studenten nog nooit in het veld zijn geweest. Het was een unicum dat vijf jaar geleden iemand onderzoek naar roofvogels wilde doen. lemand die naar de natuur keek!" „Dat onderzoek bestond uit nesten zoeken, want men is gek op statistiek. Ondertussen gaat het de studenten meer om het rondrijden in een jeepie en de stoere bink uithangen in het dorp. De bureaucratie is ongelooflijk. Het enige dat professoren interesseert is vakantie en EG-subsidies om er zelf beter aan te worden." „In het gebied waar ik jaarlijks kom, moest bijvoorbeeld plotseling een weg worden aangelegd. Men raasde met bulldozers rond. Het hele landschap werd volledig vernield. Later besloot men om een of andere reden van de weg af te zien, maar de zaak was wel verwoest. Men staat hier feitelijk aan het begin van een ontwikkeling die in Nederland al achter de rug is. De hele mentaliteitsverandering moet in de Balkanlanden nog beginnen, maar er is vrijwel niemand die dat voortouw kan nemen zoals in Nederland indertijd Heimans en Thijsse hebben' gedaan." De keizerarend is inmiddels nagenoeg verdwenen en ook de zeearend in deze gebieden lijdt een loodzwaar bestaan. Arenden, gieren en andere roofvogels kunnen nu nog putten uit afgelegen gebieden, die echter binnen afzienbare tijd ook ten prooi zullen vallen aan droogmakerijen, milieuver- vuiling of natuurexploitatie op grote schaal. De fouten die in West-Europa werden gemaakt, en waarvoor nu diep in de buidel moet worden getast om de ergste schade te herstellen, lijken zich op grote schaal te herhalen. Daarbij staan de roofvogels model voor totale eco-systemen, want zonder een gevarieerde natuur is er voor roofvogels geen plaats. „De achteruitgang van de roofvogels in grote delen van Europa zegt iets over de toestand van de natuur. Die is schrikbarend." FOTO TEN BRUGGENCATE Ad Wittgen met de verdronken zeeardend. --- Lesbische vrouwen in Derde Wereld: vervolgd en erkend Door Canis Zijlmans „Ondanks de vele problemen die dit vaak voor hen.oplevert, weten lesbische vrouwen over de hele wereld in allerlei verschillende culturen toch vorm aan hun homoseksualiteit te geven," zegt drs. Saskia Wieringa van het Institute of Social Studies in Den Haag. Deze antropologe, die betrokken is bij wetenschappelijk onderzoek naar vrouwenorganisaties in Indonesië, India, Somalië, Soedan, het Caraïbisch gebied en Peru, kwam in verschillende Derde-Wereldlanden in contact met lesbiennes en zag hoe die in de verschillende culturen hun hoofd boven water houden. Naar het lesbisch-culturele tijdschrift Lust & Gratie stuurde zij een aantal reisbrieven geïnspireerd op haar ervaringen. Aangevuld met andere werden deze later gebundeld in de reisroman 'Uw toegenegen Dora D.', verschenen bij uitgeverij Furie. Behalve literatuurstudies heeft de antropologe geen gericht wetenschappelijk onderzoek naar 'lesbo-culturen' in de Derde Wereld gedaan. Door haar onderzoek naar vrouwenorganisaties had ze daarvoor te weinig tijd. Bovendien werden veel vrouwen die ze tegenkwam vriendinnen van haar, die ze niet als onderzoeksobject wilde gebruiken. Nog steeds denken veel mensen, volgens haar, dat homoseksualiteit alleen in het decadente' Westen voorkomt. Wat dit betreft spannen sommigen de kroon. Zo heeft zij zich dood geërgerd aan de rubriek van Telegraaf-colomnist Rob Hoogland over een lezing van haar in het Rotterdamse COC. Volgens eigen schrijven heeft hij deze niet eens bijgewoond, maar dat weerhoudt hem er niet van een stuk te schrijven dat is doordrenkt met vooroordelen. Smakeloos vraagt hij zich in zijn column af wat hij zich hierbij moet voorstellen: „De beschrijving van een uitgemergelde Ethiopische nabij Assab, die dan wel in hongersnood verkeerde, maar in haar 'anderszijn' tenminste nog enige genoegdoening vond." Saskia Wieringa: „Ik wist natuurlijk wel, dat er in de Derde Wereld ook lesbische vrouwen zijn, maar ik was nauwelijks op de hoogte van de manier waarop zij leven. Dat interesseert me." Uit de literatuur zijn de vrouwenhuwelijken uit Afrika bekend, die voorkomen bij 35 stammen tussen de Sahara en zuidelijk Afrika. Bij de Keniase Nandi's is zelfs zes percent van alle huwelijken gesloten tussen vrouwen. Een aantal dat overigens terugloopt door de door de kerk en staat doorgevoerde 'modernisering' van de samenleving. „Toch is het er volledig geaccepteerd door de bevolking," weet de antropologe. „Een vrouw betaalt net als de mannen voor een andere vrouw een bruidsschat. Soms komt het voor, dat de zoon van een rijke vrouw kinderloos sterft, waarna zij met een jonge vrouw trouwt. Deze maakt een kind met een door de eerste vrouw geselecteerde man, dat dan haar bezittingen en titels erft." Maar er. worden ook vrouwenhuwelijken gesloten die niet zijn gericht op het verwerven van nageslacht. Bij de Noordamerikaanse Indianen kende' men 'travestieten', die met seksegenoten samenleefden. In de literatuur worden zij neerbuigend 'berdache' genoemd (het Franse woord voor mannelijke prostitué). Bleef een indiaans meisje zich op jonge leeftijd consequent in mannenkleren hullen en speelde zij het liefst met jongensspeelgoed, dan legde de stam zich daar op een gegeven moment bij neer. Ze kreeg aansluiting bij de mannen, hield zich met specifieke mannentaken bezig en mocht een vrouw als partner kiezen. In de Aziatische stadstaat Singapore stuitte de antropologe op de laatste overblijfselen van de eens duizenden leden tellende Chinese beweging van vrouwen uit dé zij de-industrie, die met de machtsovername in China door de communisten als 'feodaal' vervolgd werd. Deze tegen het huwelijk gekeerde vorm van religieus 'zusterschap' ontstond begin vorige eeuw, doordat vrouwen weigerden zich te schikken in het traditionele rollenpatroon, met al zijn voor vrouwen nadelige verplichtingen. Zij trof er een gemeenschap van acht vrouwen, die onderling relaties onderhouden en zijn toegewijd aan Guan Yin, de godin van de genade uit de boeddhistische cultuur. Zij zijn nog steeds anti-huwelijk en vegetarisch. In nageslacht voorzien de dames, die in een tempel wonen, door de adoptie van meisjes, hetgeen hun mogelijk maakt aan de verplichte voorouderverering te doen. Heel andere lesbische vrouwen kwam Wieringa tegen in Indonesië, waar ze onder andere was voor onderzoek naar de drie miljoen leden tellende communistische vrouwenorganisatie Gerwani, die na de machtsovername door Soeharto geheel werd weggevaagd. Vormen mannelijke travestieten 's avonds nationale publiekstrekkers in bepaalde parken in de grote steden, homofilie wordt er uitsluitend gezien als een bezigheid van vieze mannen. Van lesbische vrouwen wordt het bestaan officieel eenvoudig ontkend. „Het lesbische leven in Jakarta," vertelt de antropologe, „speelt zich voornamelijk binnenshuis, in disco's en in kroegen af." De meisjes, die zij ontmoette, gingen heel gestileerd met elkaar om en spelen een soort rollenspel. Er zijn mannelijke types met stropdassen, broeken, opzichtige herenhorloges en -schoenen en vrouwelijke met veel makeup, kettingen en jurken. In de omgang zowel als in de erotiek gaat het initiatief en de leidende rol steeds van de 'guy' uit, terwijl de vrouwelijke component de verzorgende, volgzame en ontvangende rol op zich neemt. Saskia Wieringa hierover: „Voor de 'guys' is het heel moeilijk. Op school en op het werk mag je als vrouw al niet eens in een broek verschijnen, laat staan dat je je openlijk als lesbische kan gedragen. Die dat toch doen, vormen een heel dappere groep. Veel vrouwen hebben er hun carrière voor moeten opofferen." In Zuid-Amerika, met zijn dominante macho-cultuur, zijn lesbiennes door de verschillende militaire dictaturen vaak gewelddadig vervolgd. Maar er schijnt inmiddels op sommige plaatsen een kentering te komen. In het Peruaanse Lima, waar een soortgelijke lesbische praktijk bestaat als in Indonesië, was Wieringa begin jaren tachtig getuige •van de toenadering van verschillende vrouwengroepen. Na aanvankelijke afwijzing van de lesbische levenshouding, omdat het een kopie zou zijn van het macho-rollenpatroon, zocht de feministische middenklassebeweging toenadering tot deze femmebutch-cultuur'. Later werd daar de feminiStisch-lesbische organisatie GALF opgericht, waarbij zich zowel vrouwen uit de hogere als middenklasse aansloten. ---