BERLIJN den 23 december. Gisteren avond ten zeven ure heeft de hofprediker dr. Ehrenberg, omringd door verscheiden andere hooge geestelijken/ in tegenwoordigheid van HH. MM. den Koning en de Koningin , prins en prinses Frederik der Nederlanden en Hoogstderzelver Dochter, de verdere leden der Koninklijke Familie, den hofstoet en de voornaamste militaire en burgerlijke autoriteiten, bij het stoffelijk overschot van Z. M. den Graaf van Nassau cene plegtige redevoering uitgesproken. ,] De treurige plegtigheid , die ons hier verecnigd heeft (zoo ving de reaerraar aan), is evenzeer berekend om hartverhcüende herinneringen en ernstige betrachtingen in ons te verwekken, als om ons binnenste met smartelijk gevoel te bewegen." Daarop somde hij de veelvuldige banden op, door welke de Overledene met het regerend Koninklijk Huis van Pruissen verbonden was, en vervolgde toen: „De Koningin, zijne gemalin; zijne moeder, de Ërfstadhoudster, en zijne zuster, de Hertogin, hebben, in de droevige jaren , toen wij, onder lijden en zorgen gebukt, den aanblik van ons dierbaar Koningspaar en iler Koninklijke Kinderen derven moesten, door hare tegenwoordigheid ons vertroost, door hare minzaamheid ons opgebeurd , door hare vroomheid en weldadigheid ons gesticht en vervrolijkt. In die jaren was het ons ook "vergund hemzelven een tijd lang in ons midden te zien, en ons in zijnen opgeruimden en innemenden aanblik te verheugen. Zijne Zonen hebben onder ons gewoond, hebben in ditzelfde huis een deel hunner kindschheid en jongelingschap doorleefd , en wij mogten meer dan ééne schoone hoop voor de toekomst zien bloeijen. liet was, eindelijk, over hem beschikt dat hij onder ons zijne aardsche loopbaan eindigen zou. Wij treuren met ons Koningshuis; met de Kinderen en Kleinkinderen des zaligen Konings; met de Gravin, zijne diepbedrukte gemalin; met zijn Volk, hetwelk hem geëerbiedigd en liefgehad heeft, zoo als goede vaders door hunne goede kinderen geëerd en bemind worden." Na de doorluchtige Voorzaten des Vorsten eervol herdacht te hebben, inzonderheid als edelmoedige beschermers van het kostbaarst goed en heiligst regt der menschen, om den Schepper van hemel en aarde naar eigen overtuiging en eigen geweten te dienen , ging de redenaar voort: „ Dit alles heeft, wel is waar, de nu Ontslapene slechts achter en onder zicli , en is daar van geene beduidenis waar het er alleen op aankomt welke waarde de mensch in zichzelven heeft; maar nogtans is het geoorloofd het ons, aan zijne lijkkist, tot onze geestverheffing , te vertegenwoordigen. „ De Zoon des vijfden IFillcm.s is voor zijn Volk, ruim vijf en twintig jaren lang, een wijs, regtvaardig , mild en vaderlijk Koning geweest. Hij heeft het geluk en de smart van dat Volk onafgebroken in zijn hart gedragen, en zich op het ijverigst bemoeid om , door vrijgevige en grootsche verordeningen, welke de verdiende erkentenis'niet gemist hebben, en die, na zijn verscheiden , in nog rijkere mate verwerven zullen, onder hen licht des geestes te verbreiden, edele krachten en pogingen op te wekken en aan te vuren, gebreken te verhelpen , lijden te verminderen , lasten te verligtcn , de middelen tot welvaart te vermeerderen. Een tijd van zware mocijelijkheden en hard leed brak voor hem en zijn Volt aan. In dien tijd zag men hem , terwijl hij , met strenge zelfbeheersching, elke hartstogtelijke opwelling ver van zich afweerde , met rijp doorzigt en altijd heldere bezonnenheid, de omstandigheden , beboetten en maatregelen wikken en wegen; men zag hem een werkijver, eenc vastberadenheid , eene waardigheid van houding, eene regtvaardigheid, cene zielrust, standvastigheid , onverschrokkenheid, en een vertrouwend tocverzigt op Hem , die de lotgevallen van menschen en volken regelt, aan den dag leggen, die hem de achting, ja de bewondering zijner tijdgenooten verwierven , en 'die hem bij de nakomelingschap een onsterfelijken roem verzekeren. Zijn Volk stond hem, als den getrouwsten en dappersten , trouw en dapper bij, bereid tot iedere opoffering, volvaardig tot iedere inspanning, in ontberen en dulden niet te vermoeijen. De Koning, de heldhaftige Prinsen en het geheele Volk waren als één man, en in alles ééne gedachte, één gevoel en één wil." Het vervolg der rede, waar zij eene meer bepaald godsdienstige wending neemt , bevat, nadat het plotseling afsterven des 'Graven vermeld is, de volgende merkwaardige zinsnede: „Wie hem toen zag zou gedacht hebben dat hij alleen was. Een was nogtans met hem, wiens bijzijn het beste is, voor hoogen 'en geringen , voor beschaafden en verwaarloosden , voor rijken en armen van geest; die niemand vleit , niemand verschoont , maar het met ieder wèl meent, en zich aan ieder die Hem toelaat hulprijk bewijst; Hij was bij hem in wien alleen het heil van den mensch ligt , die alleen zijn tocvoorzigt is in leven en in sterven, die den dood met al zijne verschrikkingen heeft overwonnen , en eeuwig leven in zaligheid en heerlijkheid te weeg heeft gebragt. Men vond namelijk, toen de Koning ontslapen was , op de tafel aan welke hij even te voren had gelezen , het welbekende boek (van Th. a Kèmpls) Over de Navolging van Christus , opgeslagen bij het hoofdstuk dat ten opschrift draagt: Van de betrachting des doods. — Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven, zij rusten van hunnen arbeid, en hunne werken volgen hen." Met een plcgtig gebed, ook voor,het Nedcrlandsche Volk en Koninklijk Huis, werd deze indrukwekkende redevoering besloten. Even na tien ure werd het lijk in stilte weggeleid , daar de eerbewijzingen , aan den hoogen rang van den overleden Vorst verschuldigd, op begeerte van Z. K. H. Prins Frederik der Nederlanden, achterwege moesten , Wijven. Het militair escorte der lijkstaatsie werd door Z. K. 11. mns jugitjt van Wurtemberg gecommandeerd. Een1 detachement garde-dragonders opende den trein, toen volgde een detachement der lijfgarden, en hierop de bedienden van den overleden Koning, te voet, voor den met acht koninklijke paarden, die met zwarte fluweelen klecden omhangen waren, bespannen lijkwagen, achter welken onmiddellijk Z. M. de Koning van Pruissen , prins Frederik der Nederlanden en prins Jlbcrt, als naaste doorluchtige rouwdragers, volgden ,en eindelijk de overige hier aanwezige Koninklijke Prutsen, in hunne eigen rijtuigen. Een detachement garde-curassiers en garde-ulanen sloot den optogt. Toen de kist op den lijkwagen geplaatst werd, bewezen de gezamenlijke troepen de militaire honneurs. De staatsie trok in de opgegeven orde naar de plaats waar het doorluchtige lijk ingescheept moest worden , om naar Hamburg, en van daar naar Holland overgebragt te worden. --- PARIJS den 25 december. Ré*cAidJpac\i3., die tot ambassadeur van de Verheven Porte te Parijs is benoemd, heeft Konstantinopel den II dezer verlaten, ten einde zich naar zijnen post te begeven. Hij zal waarschijnlijk tegen den 5 of iojanuarij alhier aankomen. De oudste zijner vijf zonen vergezelt hem als tweede gezantschapssecretaris, een der jongeren als attaché. — Indien men geloof kan hechten aan brieven uit Oran van den 8 dezer, dan zou Abd-el-Kader nu tot het uiterste gebragt zijn en zich bereid betoond hebben om in ecne schikking te treden. Hij zou, indien de Fransche Regering hem een jaargeld verschafte , Algerië verlaten en naar Mekka trekken. — Men heeft reeds vele bijzonderheden medegedeeld aangaande de plcgtigheden, die den 15 januarij aanstaande plaats moesten hebben bij de inwijding van de fontein in dé R.ue Richelieu , welke naar Molière genoemd is. De directie van het Théatre Francais had ook reeds alles tot die plegtigheid in gereedheid gebragt, toen de Prefect van de Seine eensklaps heeft verklaard , dut hij zijne toestemming daartoe niet kon geven. Bij gevolg zal de inwijding van die fontein zonder eenige plegtigheid plaats grijpen. — Men leest in een dagblad van Toulon: „ Den 18 dezer is alhier van Tunis aangekomen het stoomschip Tartare, hetwelk depêches van den Franschen Consul aldaar overbragt; terstond na de aankomst van genoemd schip is een courier naar Parijs vertrokken. „ De Tartire heeft den ©vertogt van Tunis naar Toulon in drie dagen gemaakt. Men zegt dat zij belangrijke tijdingen overbragt aangaande de onecnigheid, tusschen den Bey van Tunis en het Gouvernement van Sardinië ontstaan. Den 25 november heeft de consul van Sardinië, ile heer Peloro', tot gtootc verwondering der Kuropeschc bevolking, Tunis met zijne familie verlaten, en zich op een stoomschip ingescheept, dat voor rekening van den Bey te Genua gebouwd is, en dat deze laatste geweigerd heeft te aanvaarden. „ Niets is uitgelekt bij de aankomst van de Tartare, die alleen de brieven voor het Ministerie heeft mcdegebragt, maar doorgaans wèl onderrigte personen verzekeren, dat de beide partijen het Fransche Gouvernement tot bemiddelaar zouden gekozen hebben, hetwelk ons ecne spoedige schikking doet verwachten." Volgens brieven uit Konstantinopel, zou zich de Sardinischc Hcgcring vroeger tot de Porte gewend en op eene gewapende beslissing aangedrongen hebben, maar door deze geantwoord zijn dat zij gcciie kennis van het bestaan van een handcltractaat tusschen Tunis en Sardinië droeg, en dat, ofschoon de Bey iVi deze zaak met overijling scheen gehandeld te hebben, zij niet beslissen kon of hij regt, dan wel onregt had. — De naijver tusschen de Fransche en Engelsche Natie heeft geen gering aandeel aan een oorlog die thans, doch gelukkig slechts op het schaakbord , gevoerd wordt. De schaakclubs van Londen en Parijs hebben namelijk den onlangs gehouden strijd niet opgegeven , in welken een engelsch kampvechter, de heer Staimton , de zege heeft behaald. In het aanstaande voorjaar zal die strijd hervat worden , en een voornaam fransch schaakspeler, de heer Dcschapelles , die sedert verscheiden jaren niet meer speelde , zich , op verzoek zijner vrienden, daarin mengen. Men zegt dat hij er ecne som van tienduizend francs onder verwedden wil dat hij het van den heer Staunton zal winnen, en dat verscheiden andere liefhebbers alhier insgelijks voor aanzienlijke sommen zijne zijde willen houden. De laatste partij, door welke de ncdetlaag van den parij schen speler, den heer St. Amand, beslist is, heeft, zegt mep, niet minder dan veertien uren, met slechts geringe verpoozing, geduurd. — Uit Rome schrijft men dat het afsterven der beroemde zangeres, mevrouw Catalarii, in den aanvang dezer maand, na kortstondige ziekte, op haar landgoed bij Sinagaglia heeft plaats gehad. Zij was in 1784 te Sinagagha geboren, en had dus den leeftijd van negen en vijftig jaren bereikt. Voor de eerste maal trad zij, in haar zestiende jaar, te Venetië openlijk op, en rustte sedert het jaar 1831. Haar echtgenoot , de heer de Valabrèguc , die in 1838 overleed , liet haar drie kinderen achter. Het nagelaten vermogen van mevrouw Catajani wordt op ruim acht millioen francs begroot. — Per telegraaf zijn heden geene tijdingen uit Spanje ontvangen. Volgens de brieven tot den 19 dezer waren de zittingen van het Congres provisioneel gestaakt. Men dacht dat, bij de overreiking van het adres aan de Koningin, de heer Martinez de la Rosa zich tot de bijvoeging van zeer weinige woorden bepalen zou, en dat ook in het antwoord van 11. M. alles vermeden zou worden wat tot het in beschuldiging stellen van den heer Olozaga betrekking had. Vele geruchten waren omtrent wijzigingen van het Kabinet in omloop, maar de meest algemeene gedachte was, dat de tegenwoordige President van dat Kabinet, I met zijne ambtgenooten, de staatsaangelegenheden vooreerst zouden blijven besturen. Hiermede is echter het volgende in strijd, wat in een correspondentieartikel gelezen wordt: „ Wij zijn heden nog zonder Zitting, en, naar men elkander toefluistert, geloof ik dat wij zonder Ministerie zijn, of weldra wezen zullen. Volgens de loopende geruchten, zijn wij het Ministerie der zuivere Gematigde Partij genaderd, en zou weldra het groote raadsel zijn opgelost , hoe Ülozaga, die eenige kans had zich, door den invloed van zijnen naam , en door de waardigheden met welke hij bekleed was, te handhaven, omvergeworpen is, opdat de komst van het Juiste Midden in Spanje tot het bewind zich des te eerder zou kunnen verwezenlijken. Van het ministerie Gonzalez Bravo spreekt men niet meer, en dewijl men er niets van duchtte, dewijl het , grootstendeels, uit lieden zonder ondervinding op politieken invloed was zamengesteld , had men er den last van opgenomen als van zoodanig een waarvan het niet moeijelijk valt zich te ontdoen. „ Zie hier waartoe wjj voor het oogenblik genaderd zijn: niet tot eene volslagen kabinetsverwisseling, maar tot eene ministeriële hervorming. De heer Martinez de la Rosa zou , zegt men, met deze taak belast wezen. Hij is, zoo wordt verder verhaald, door de Koningin geroepen om hem over te halen den post van gezant ie Parijs op zich te nemen, en heeft, na eenig uitstel tot overwegen gevraagd te hebben, hetwelk hem echter geweigerd is, er in toegestemd den titel van ambassadeur te aanvaarden , onder voorwaarde dat men andere Ministers van Staat voor buitenlandsche zaken, voor binnenlandsche zaken, voor justitie en marine kiezen zou, onder welke eene andere Vertegenwoordiging plaats had, en waarmede het mogelijk zou zijn zich te verstaan. Deze inwilliging zou hem gedaan wezen , en hij zich thans ijverig met eene zoodanige ministeriële hervorming bezig houden, [ntussehen verhaast men uit vrees, dat deze pogingen der Camarilla soms voorgekomen mogten worden, het vertrek van den secretaris, die bestemd is den heer Uernandez te Parijs te vervangen. Ja, die secretaris zou zelfs reeds afgereisd wezen, in gezelschap van een anderen persoon, om beiden, in overeenstemming met het Hof der Tuilcriën, de plannen en instructien van het Gouvernement te beramen , hetwelk Spanje besturen moet. Als aanstaanden president-minister noemt men den markies de Mira Florcs of den heer hturiz; omtrent de overige nieuwe Ministers is nog minder met zekerheid iets bekend." Een dagblad van Madrid deelt , onder het opschrift Vlugt van den heer Olozaga, het volgende artikel mede , hetwelk echter nadere bevestiging vereischt: Een brief uit Talavera van den 18 dezer berigt dat de heer Olozaga ontvlugt is. Eenige kooplieden ■, die uit Estramadura kwamen, zouden hem den i.j.den ontmoet hebben, zoodat hij zich toen vermoedelijk naar Portugal begaf. De gewezen minister wendde het hoofd om, op het oogenblik dat de kooplieden hem voorbijgingen, ten einde niet herkend te worden, en was vergezeld van Sjorman en een bediende, die een geweer in een bandelier droeg. Zij zaten alle drie te paard en hadden een twintigtal gewapende smokkelaars tot escorte bij zich. Toen de kooplieden in de herberg te Torralba de Orepesa , een klein dorp , zes mijlen van Talavera gelegen , gekomen waren , wonnen zij nadere berigten in, en vernamen dat het werkelijk de heer Olozaga geweest was , die den nacht in die herberg had doorgebragt. --- ’s GRAVENHAGE den 27 december. Gisteren morgen is Z. K. H. prins Frederik der Nederlanden uit Berlijn in deze residentie teruggekeerd. — Gisteren nacht heeft de maatschappij in het algemeen en de Hooge Raad in het bijzonder een treffend verlies geleden, door het afsterven van den heer mr. E. R. van Nes van Meerkerk, lid van genoemden Hoogen Raad; een man die wegens zijn braaf karakter en zijne uitgebreide kundigheden in ruime mate de achting genoot van allen die hem kenden. — Bij koninklijk besluit van den 24 dezer is tot staatsraad in buitengewone dienst benoemd de heer J. van der Vinm, laatstelijk directeur der middelen en domeinen van Nederlands Indië , en thans met verlof in het Moederland, met bepaling dat hij , op den voet en tot het einde, aangewezen bij het koninklijk besluit van den oden te voren (Staatsblad n.° 61) , gedurende het jaar 1844 zal zitting nemen in den Raad van State. Bij koninklijke besluiten van den 21 dezer zijn nog benoemd: Tot arrondisscmcnts-dirccteurs der indirecte belastingen, te Amsterdam C. Stecndijk , benoemd arrondissementsdirecteur der indirecte belastingen te Breda; te Breda P. L. J. Collard, benoemd arrondissements-directeur der indirecte belastingen te 's Ilertogenbosch, en te sllertogenbosch ƒ. S. Leurs, benoemd inspecteur der registratie in Limburg; tot surnumerairen der registratie inGroningen, jonkh. mr. J. IV. F. J. du Peyron van Breugcl en mr. J. D. Quintus. — De Minister van Marine heeft ter kennis gebragt van de zeevarenden , dat , blijkens eene bekendmaking van de Britsene Admiraliteit (Hydrographisch Bureau), van den 28 october 1842, thans een stilstaand licht wordt vertoond van het Moclje-hoofd te Alicante, welk licht 29 nedcrlandsche ellen verheven is boven de oppervlakte van de zee , en dienvolgens op eenen afstand van 3$ duitschc mijl kan worden gezien. De schepen welke, bij nacht van om de Zuid komende, dit in licht in het gezigt loopen , worden gewaarschuwd, het in geen geval beoosten het Noorden van het miswijzende kompas te brengen , en wel ten einde de klippen te vermijden, welke beoosten het eiland Plana gelegen zijn, terwijl men daarentegen , van om de Oost komende , het bedoelde licht niet westelijker dan het W. N. W. van het gemelde kompas moet brengen , ten einde vrij te loopen van ka.iv> Iluertas; bezuiden het licht, in de diepte van 5 a 8 vademen water, vinden de schepen Ccne geschikte ankerplaats. ---