De taak der overheid: zich te onthouden. Belangrijke debatten werden deze week in ons parlement gevoerd, naar aanleiding van de algemeene beraadslaging over hoofdstuk IV (Departement van Justitie). Belangrijk te meer omdat eenige principieele quaesties werden aangeroerd en principieel behandeld. Zoo werden het kerkelijk en burgerlijk huwelijk besproken in verband met artikel 449 van het wetboek van Strafrecht, welk artikel straf bedreigt tegen den godsdienstbedienaar, welke een kerkelijk huwelijk voltrekt, vóórdat gebleken is, dat het burgerlijk huwelijk is voltrokken. De heeren Harte en Van Basten Batenburg wilden dit artikel zien afgeschaft of althans zien gewijzigd. De Minister van Justitie antwoordde daarop, dat intrekking van dit artikel van hem niet te wachten is, omdat de Minister er van overtuigd was, dat „wanneer deze poenale sanctie werd ingetrokken, er een groot aantal personen zou zijn, die, goedgeloovig, in den waan verkeerende, dat zij een wettig huwelijk sluiten, eenvoudig ecu kerkelijk huwelijk aangaan. Eene overtuiging, nu, is eene overtuiging, al is het dan mogelijk dat zij eene zonderlinge is. Want, met den heer Harte kunnen we toch vooropstellen, dat geen godsdienstbedienaar, van welke richting ook, zijn geloofsgenooten zal overgeven aan het gevaar, door het niet doen voltrekken van het zoogenaamd burgerlijk huwelijk, de wettelijke gevolgen, als daar zijn het wettigen der kinderen enz. te doen missen. Vooral omdat, door een zeer lange practijk, het volk ten volle begrijpt, de voorwaarden, de beteekenis en de gevolgen van het burgerlijk huwelijk. lutusschen kunnen we ons toch reeds eenigszins verheugen in het feit dat de minister zich niet zal verzetten „wanneer op het principieele standpunt van artikel 449 W. v. S. een goed geformuleerd voorstel bij de wetgevende macht ! zal worden gedaan. Hierop wenschten wij in de eerste plaats de aandacht te vestigen. Vervolgens echter wilden wij — , en dit zal het opschrift van dit ' ous opstel verklaren, — eenige regelen wijden aan een, ons voorkomend teekeueud gezegde vau den Minister, naar aanleiding van hetgeen gesproken werd over de Neo-Maithusianistische propaganda. De heer Brummelkarnp (anttrevolutionnair) welke deze zaak ter sprake bracht, vroeg den minister of hij toegeven wilde dat er slechts ééne zedelijkheid is. De heer Cort van der Linden nu, is vooral wanneer dergelijke vragen worden gesteld, nogal erg voorzichtig in het geven van eigen opinie. Liever gewaagt hij van het feit, dat er meerdere meeningen bestaan. Zoo ook nu, al noemde hij dan, vaag genoeg, het bestaan dier verschillende meeningen omtrent de zedelijkheid, „een vaD de meest karakteristieke en betreurenswaardige feiten van onzen tijd." In 't voorbijgaan zij opgemerkt, dat deze ontboezeming niet aangeeft voor welke der meeningen de minister partij koos —■ vandaar dat de woorden ons vaag toeschenen. Tegenover het Neo-Malthusianisme nu, stonden volgpns den minister twee meeningen t?genover elkander, waarvan de eene beweert dat genoemde school onzedelijk is, de andere dat zij „eene hoogst zedelijke strekking heeft." En daarom let wel, komt het den minister voor, dat het de taak der overheid is, „zich te onthouden". Zich te onthouden: daar staat het. Ook dus, wanneer de overheid er zich vau bewust is, dat een of andere theorie strijdig is met de wetten der zedelijkheid, met het eeuwige en onveranderlijke natuurrecht, strijdig dus met Gods geboden en H. Wil, moet diezelfde overheid zich onthouden, moet die overheid toelaten, dat die theorie «ich verbreidt en overgaat tot het maken van praetische toepassing en practijk, wanneer 'er eene richting bestaat, welke niet van oordeel is, dat de bedoelde theorie onzedelijk on dus ongeoorloofde strekking heeft. Dat is dan toch een burgerlijk laat-gaan systeem, den heftigsten liberaal eer-aandoende, maar het is tevens een systeem van pas-opdat-je de-vingers-niet-br»ndt. Nu kan dat heel practisch zijn •wanneer iemand minister is en blijven wil, maar het is ons onbegrijpelijk hoe iemand de consequenties van zulk een beweren zou durven aanvaarden. Bijvoorbeeld : er bestaat in de wereld eene richting, welke zich anarchisme noemt. Gekant tegen de tegenwoordige maatschappelijke orde, en nastrevend tot eiken prijs, de meest ongebondeiie en meest ver zich uitstrekkende vrijheid, zien de volgelingen cv geen kwaad in, door het dooden van individuen, liefst van rang, stand en invloed, dat vrijheids-ideaal te bereiken. Moet nu de overheid zich onthouden ? Volgeus den minister Cort van der Linden ja. Want met te wijzen op het belang der samenleving, op de bescherming der maatschappij, welke bescherming liet dooden menschen onpractisch vindt, kan men niet meer aankomen. Wanneer men het idee van conventioneele moraal eerbiedigen wil. Leve de Consequentie ! Intusschen valt ons het optreden van den minister in deze zaak erg tegen. Want het is bekend genoeg, dat de economische opvatting van den minister, met gunstig is voor de Neo-Malthusianistische propagande. Maar, als men Minister is --- PEESOVERZICHT. Sociaal-Democratische Idealen. In het laatste nummer van „De Paradox, het blaadje van den bekenden anarchistisch-evolutionistiachen heer Alexander Gohen, kan men een zóó welgeslaagde parodie op d6n sociaal - democratischenheilstaat lezen, als men noch brj Eugm Richter, noch by een anderen vijand der socialisten ooit zou kunnen vinden. Het artikeltje, dat onder het hierboven staand opschrift is geplaatst, begint met (als motto) de volgende vermakelijke variatie op den Bibelabonschen Berg: In dat sociaal-democratische land Zijn sociaal-democratische steden. In die sociaal-democratische steden Wonen sociaal-democratische menschen. Die sociaal-democratische menschen Hebben sociaal-democratische kinderen. En die sociaal-democratische kinderen Eten sociaal-demociatische pap Met den sociaal-democratischcn lepel Uit den sociaal-democratischen nap. En dan volgt het begin van het artikeltje: „Dat ze in 1898 zal plaats grijpen, de stichting van den sociaal-democratischen heilstaat — zooals de zalige Friedrich Engels uit goede bron wist en verzekerde — dat komt me twijfelachtig voor. „Maar wiitir is het: de sociaaldemocratie staat voor de deur. „De uitgehongerde sociaal-democratie. Hongerend... naar baantjes, naar de macht en naar de kas. „In de plaats der nog slechts uit sleur en kracht-van-gewoonte voortbestaande regeerings vormen: coüsütutioneele en andere monarchieën en republieken, die eiken dag iets van haar prestige verliezen, staat ods eerstdaags de ijzeren schepter der volksregeering te wachten. (Dat „eerst-daags" kan nog een jaar of dertig verwrjderd zijn. Misschien vijftig. Liefst honderd!) „Een areopagus van verloopen en nog gangbare advocaten (van dezen wemelt het in elke rechtgeaarde volksbeweging), „volks"-koffiehuishouders, kappers, hondenscheerders, blikslagers, rookverdrijvers, glazenwasschers, zuiveraars van wandgedierten, konrjnenfokkers, turf-, melk-, groenen andere boeren, schoolmeesters, uit-de-zaken-teruggetrokken deurwaarders, prulblad-redacteurs, e. t. g, die allen, met uitzondering van de prulredacteurs en de advocaten — in de oprechte meening verkeeren dit het nu hun beurt is te regeeren, zal ons dwingen tot het verorberen van 8-urenzuurkool, het inzwelgen van 8-urenbier en het baggeren van 8-uren-turf. „Onze versnaperingen zullen bestaan in Guesde-chocolade en Marx-saliemelk en in onze vrije uren zullen we moeten marcheeren langs, in en dóór Liebknecht-pleinen, Bebel-markten, Anseele-lanen, Jaurès-grachten, Plechanof-sloppen en Hyndman-stegen. „De onschuldige krachtmeters, die op sommige openbare plaatsen — in spo >rwegstations, speeltuinen enz - den belangstellende de gelegenheid bieden zijn spierkracht te beproeven, zullen van regeeringswege worden vervangen door grimmige tétes-deturc — op vaderlandsche kermissen bekend onder den naam „Kop-van-Jut" — waarvan het gebruik even verplicht als kosteloos zal zijn. „Onomkoopbaar en stomme getuige zal de dynamograaf onze nieuwe heeren en meesters op de hoogte brengen van onze Leistungsluhigkeit op het gebied van ploegen, leerlooien, metselen, scharenslijpen, bestraten, koffiebranden, parelduiken, maaien, wolkammen, schoenpoetsen, aardappeljassen, enz. „Een „volks'Meger zal in de plaats treden van de tegenwoordige militaire organisaties, de schutterij worden afgeschaft.... als niet krijgshaftig genoeg ter eventueele onderdrukking van „reactionnaire woelingen en de gendarmerie of marechaussee in stand gehouden voor de „misdadigers van gemeen recht" — een zeer rekbare rubriek, waaronder, natuurlijk, een ieder zal worden gerangschikt die niet verkiest te dansen op de betooverende muziek der sociaal democratische chefs d'orchestre„Er, o! nee plus ultra van zelfbestuur, eenmaal binnen de muren van de eene-of-andere Singer-gevange ■ nis zullen we het recht hebben, zelven onze bewaarders te benoemen.'' De heer Cohen toont dan met voorbeelden aan, dat al die gekheden niet overdreven zijn, maar alle berusten op reeds in praktijk gebrachte of in ernst door verschillende socialisten voorgestelde denkbeelden. Terecht zegt dan ook de heer Cohen iets verder: „Het is een stellige onwaarheid dat rhet belachelijke doodt". Dan immers ware de sociaal-democratie sinds jaar en dag tot haar vaderen verzameld geweest!'' Zeer juist! Maar alle beetjes heipen, voegt het „Hbl" hieraan toe. En daarom roepen wrj, zegt het blad, den heer Cohen naar aanleiding van deze parodie toe: »Ga zoo voort, geachte heer!'' (Tijd.) --- Partijen en Menschen in Oostenrijk. Het Centrum geeft onder dit opschrift de volgende beschouwing: De jongste schandalen in den Rrjksraad ta Weenen hebben zoozeer de algemeene aandacht getrokken, dat men zich niet zonder bezorgdheid afvraagt, wat het einde wezen zal dertusschen Slaven en Duitschers steeds toenemende verbittering. Ongetwijfeld loont het thans de moeite, uit eene studie over de Oostenrrjksch-HoDgaarsche monarchie, in het laatste nummer van de „Revue des deux Mondes1' verschenen, een en acder op te teekenen. Hoeveel partijen zijn er in den cisleithaanschen Rvjksraad ? De „verkiezingskaart" vaa G. Freytag laat een onderscheiding toe van dertig groepen en nevengroepen, waaruit evenwel niet dan vijftien partijen kunnen worden geclassificeerd. Men komt dan tot de volgende indeeliDg : Duitsch-liberalen 77 Duitsch nationalen 47 Christelrjk-socialei', antisemieten :-!0 Duitsch-conservatieven. 43 Czechen 79 Slowenen 16 Croaten 11 Serviërs 2 Polen 68 Ruthenen 11 Rumeniórs 6 Italianen 19 Democraat 1 Sociaal politiek 1 Sociaal-democraten. 14 Bij den eersten oogopslag bemerkt men, dat de tegenwoordige getalsterkte der onderscheidene fracties afwisselt van 79 tot 1. Eene homogeene meerderheid is derhalve vrrj wel onmogelijk. Voorts laten de Czechen hun Duitschliberale tegenstanders slechts met twee stemmen in de minderheid. Evenzoo wegen Duitsch-nationale en Duitschconservatieven nagenoeg tegen elkander op. Welke partij heeft dus de beslissing in handen? Feitelijk de Polen, tenzrj een toevallige combinatie der kleinere groepen voor een enkele maal de balam naar rechts of links doet overslaan. De tegenwoordige Rijksraad, waarvan 72 afgevaa-digden krachtens algemeen stemrecht gekozen zijn, kan onder geen enkel opzicht, verstandelijk, zedelijk of maats ;happelijk, in de schaduw staan bij zijn voorgangers. Mannen, die een sieraad waren hunner partij, zijn uitgesloten of zwijgen. Bepaaldelijk werd de Duitsch-gezinde Linkerzijde niet verminkt maar onthoofd Schier alle f f actiën missen haar aanvoerders. Ook de socialistische. Bij uitzondering mocht dr. Victor Adler het veld behouden, maar daartegenover staat, dat thans, als vertegenwoordigers des volks zitting hebben: voor Weenen, een koffiehuisbediende, „convaincu d'indélicatesse'', en voor Galicië een ongeletterde boer, die daags na zijn verkiezing stomdronken van de tribune viel, waarop men hem geheschen had. Ook Stojalowski werd niet herkozen. Nop, zes partvjgenooten bewaren zijn heugenis in het parlement. Alleen de Christelijk-socialen en de anti-semieten maken een gelukkige uitzondering. Dr. Gessmann als organiseerend talent, piÏDS Lichtenstein als redenaar, Dr. Lueger als volksmenner : — cc.i partij, die over zulke eminente krachten beschikt, heeft geen reden, aan haar toekomst te wanhopen. Hoe de Ryksraad intusschen ook samengesteld zij als een verkleind beeld van het groote rijk mag hij veilig worden beschouwd. Daar vinden wij terug den onderlingen naijver der verschillende rassen. Den haat tussohen Duitschers en Czechen. Den strijd van burgers en proletariërs tcsgen een erfelijk grondbezit, een erfelijk kapitaal. Den afkeer der nationaliteiten van een centralistisch beheer. Het protest der verdrukten tegen den overmoed van het liberale Jodendom. Behoeft het nu wel een uitvoerig betoog, dat de ministers, geroepen om met zulk een parlement te regöeren, op uiterst onvasten grondslag bouwen ? Een Oostenrijksch minister, zegt de heer Charles Benoist niet onaardig, die 's avonds ter ruste gaat in het zalig bezit eener parlementaire meerderheid is volstrekt niet zeker, dat hij haar nog heeft, als hrj 's morgens wakker wordt. Vandaar de gedurige wisselingen — niet ten beste van 's rijks schatkist! — in de kabinetten, ook al konden deze zelf, gelijk het mini! terie- Taaffe, zich gedurende eonige jaren staande houden. Als handig premier had graaf Taaffe 't schip van Staat weten te houden buiten de branding vandenrassenstrrjd. De partyen zeide men schertsend, •w aren als een „eiserner Ring" om zijn vinger. Een ring van gutta percha, schijnt ons evenwel toe, zou de gedachte der speelsche critiek nog treffender uitdrukken. Voorzichtig, berekenend, plooibaar, rekbaar dat waren de eigenschappen van graaf Taaffe's staatkunde. Regeeren met den steun der Slaven, maar de Duitschers niet verbitteren ; een botsing der nationaliteiten voorkomen ; tusschen Rechter- en Linkerzijde het ministerieel evenwicht behouden, ziedaar wat hem gelukt is, veertien jaar lang. Het spreekt vanzelf, dat een dergelijke ingewikkelde staatkunde voortdurend onderhandelingen noodig maakt en tal van geheime agenten vereischt, die de regeering op de hoogte honden van de strooming der geesten. Zulke handlangers worden intusschen licht gevaarlijk. Doch geen beter middel voor een bewindsman om vrij te blijven dan hun onophoudelijk te doen gevoelen, dat hun diensten niet onmisbaar zijn. Graaf Taaffe verstond die kunst. Hij kende het Hof, de hoofdstad, het Parlement. De jammerlijke keerzijde van vele schitterende medailles was hem niet ontgaan. Ingewijd in de geheimen van menschen en dingen, families, huishoudingen en betrekkingen, wist hij steeds zijne „sujetten te benuttigen, zonder door hen op een dwaalspoor te worden gebracht. Geheel anders Badeni. Hij kende In de hoofdstad noch de menschen noch de dingen. Schipperen was zijn aard niet. Aan zijn geestkracht alleen dankte hij zijn succes in Gallicië. Doch in weerwil van dit alles zag hij zich genoodzaakt, tot de vroegere experimenten en de vroegere handlanger» der Regeering zijn toevlucht te nemen. Was het wonder, dat h\], van huis uit een Pool, met de gedachte omging, van de Poolsche fractie het bolwerk te maken zijner politiek ? (leen andere partij trouwens had zich zoozeer als deze, onder alle omstandigheden, aaneengesloten en regeeringsgezind betoond. En na de Polen viel zyn oog op de Czechen. Ook hen wilde hij aan zich verbinden. Een offer aan hun nationale eigenliefde, als de bekende taaiverordening, scheen hem geen te dure prys. Maai daarmede was de traditioneele Duitsche politiek van Oostenrijk losgelaten. Voor de Duitsche trad de Slavische, voor de centralistische een meer federalistische staatkunde in de plaats. Nochtans heeft het niet in Badeni's plan gelegen, om zich een standvastige parlementaire meerderheid te vormen, al poseerde zijn ministerie, ter wille der katholieke behoudsmannen, ook als conservatief. Afwisselende, voorbijgaande, toevallige meerderheden: dat was zijn ideaal. Kon hij langs dien weg misschien niet veel tot stand brengen, hij kon althans veel tegenhouden. Doch een dergelijke staatkunde eischt méér behendigheid dan kracht. De stoere Badeni was er niet voor berekend. Men heeft zijn portret slechts aan te zien : die hooge gestalte, die breede schouders, dat krachtig gevormde hoofd, die zware knevel, die kin bovenmate lang, zij spreken van iets anders dan plooibaarheid en beweeglijken aard. Toen dan ook zyn woord geklonken had: „Ich bin ein Führer; Ich will das Parlement führen," maakte het een verbijsterende indruk, vooral bij de Duitsche oppositie. „Hij den Ryksraad leiden ? Hu', de Pool ? Onmogelijk !" Want aan een aanslag op de onafhankelijkheid der Kamer geloofde de Duitsche coalitie zelve niet 's Ministers Poolsche en Slavische sympathieën waren haar een doorn in 'toog. Badeni wist, Badeni trotseerde het. Op den duur zou 't hem onmogelijk blijken, zijn karakter te ontveinzen. Daar verscheen de taaiverordening van April. Rumoer in de gelederen der Linkerzijde. Duitschers en Czechen tegen elkander in 't harnas, Het baatte niet, of de minister al verzekerde, dat een geringschatting der historische beteekenis van Duitschland, te eenen male aan den voorgestelden maatregel vreemd was. Eet baatte niet of de Rechterzijde al in het midden bracht, dat nog de helft van 't geen aan Gallicic was toegestaan, den Czechen ten goede kwam. De storm was niet meer te bezweren. „Als een verraad aan Duitschland", als „een begin van 't einde" werd de taaiverordening het sein tot gewelddadigheden, gelijk wellicht nooit een parlement ter wereld te aanschouwen gaf, Wat zal het einde zijn van dit alles ? Is de ontbinding van den Oostenrnkschen eenheidsstaat nabij ? Zeker is het, dat de scharnieren van het kunstmatig saamgestelde getimmerte kraken. Een somber voorgevoel, dat de dag der beslissing nadert, maakt zich van hoofden en harten meester. En middelerwijl loert Hongarije van ztfn slot Ofen met spiedend oog, en wacht Bohemen in het Hradschin te Praag met nauw verbeten ongeduld op de ure zijner bevrijding. J. --- Het politiek debat in de Tweede kamer. Een ieder, die de Handelingen der Tweede Kamer, betreffende Hoofstuk I gevolgd heeft, zal met ons van meening moeten ztjn, dat men daarin niets terugvind* van den toon 6n de opvattingen welke den strijd by de stembus in Juni jl. hebben beheerscht. Van anti-protectionisme en vel minder nog van anti-clericalü»me was er in de Kamer sprake. En de premier (de heer Pierson) eindigde zijn redevoering, gehouden in antwoord op hetgeen tal van sprekers van allerlei richting hadden in het midden gebracht, zelfs aldus: „Wy begeeren niet lauweren te verwerven voor dit kabinet, niet voor de liberale partij, maar alleen voor het Nederlandsche parlement, voor de derlmdsehe natie, eorlang eerbiedig Men «riderlijk geschaard om den troon jonge Koningin.'' '"-«<7«boa«ie onderschrijven wij deze wooroén. En waar de regeering verder verklaarde, dat zij uit haar plannen, zooveel mogelijk, steenen des aanstoots verwijderd zou houden, daar ligt het voor de hand, dat van Katholieke zijde in de Kamer geen direct vijandige, ja, zelfs een tegemoetkomende boudiag tegenover het kabinet werd aangenomen. Hoe geheet anders zou het er in ons land uitzien, wanneer ook bij algemeene verkiezingen de strijd der meeningen even kalm en bezadigd plaats greep, als onlangs in de Tweede Kamer het geval was. Hoeveel geloofshaat zou daardoor verdwijnen, hosveel godsdienstige hartstochten en vooroordeelen worden gekalmeerd. In de verkiezingsperiode drongen wij herhaaldelijk daarop aan. En waar nu eminente mannen van alle partijen in de praktijk toonen.dat zij eenzelfde gedragslijn willen vormen in de Tweede Kamer, nu daar zelfa niet de flauwste echo werd gehoord van al hetgeschetter, geschreeuw en lawaai, dat, nog slechts kort geleden, alom in den lande tegen „Rome" werd gehoord, daar is het te hopen, dat men zulks in de toekomst ook bii de stembus zal nalaten en ook daarbij den strijd voeren zal met waardiger en edeler wapenen. Immers als er door ernstige en bekwame mannen, zooals de leden der Tweede Kamer in Nederland gelukkig nog zijn, ook maar het geringste geloofd werd van al het bazuingeschal, dat kort geleden in het land tegen de Roomsche overheersching werd gehoord, dan spreekt het toch van zelf, dat er ia de Kamer stemmen zouden zijn opgegaan, welke van bezorgdheid voor die overheersching deden blijken. Maar zelfs de specifieke vertegenwoordiger der Christel ijk-bistorische richting zweeg over dit punt als het graf, alhoewel het schering en inslag was b\j alles wat men hoorde in de dagen van 16-26 Juni. De algemeene beschouwingen over de staatsbegrooting voor 1898 hebben nog in andere opzichten haar nuttige zijde gehad. Het betrekkelijk groot aantal leden, dat sinds ettelijke weken voor het eerst zijn intrede deed in ons parlement, heeft zich blijkbaar de zeldzaam goede eigenschappen, waardoor onze Kamer zich onderscheidt van de vertegenwoordiging . in veel andere landen, reeds eigen gemaakt. En dit achte men een niet gering voordeel omdat het een hechten waarborg oplevert, dat OQza Kamer, door zich zelve te respecteeren, ook bij de natie ia eere blijven zal. Menig nieuw Kamerlid zal ongetwijfeld nu reeds hebben leeren :n?ien, dat het heel wat gemakkelijker is in volksvergaderingen met een paar groote woorden de moeilijkste kwesties door te hakken, dan die aangelegenheden met het oog op de eischen der piv-ktijk en de verschillende belangen in wetten te belichamen. (Mb.) ---