Jongensverzet "Wat was je in die oorlog? Dat is een heel subtiele vraag. Wij waren natuurlijk anti-Duits. En we hadden natuurlijk de schurft aan NSB-ers. Ik was niet zo'n vechter, maar de jongen die voor de school met een NSB-blaadje stond te venten hebben we op de bek geslagen. En verder? Je was in je Sturm und Drang periode. Ons jongensverzet ging niet in de eerste plaats tegen die bezetter. Dat ging tegen die vorige generatie. Het generatieconflict is echt niet uitgevonden in de jaren zestig. Wij beleefden dat inderdaad als de jonge dichtertjes van Nescio. Het ging niet om de bezetter, maar om die oudere generatie die geen barst begreep van waar wij mee bezig waren. Dat waren je ouders en ook de bezetter. Als ik terugdenk aan de oorlog, dan denk ik vooral terug aan een enorm intense periode van existentie, het ontdekken van de wereld om je heen. En dat die wereld gefrustreerd werd door die bezetter, dat was een bijkomende factor. Mijn oorlog was meiden, sport en lezen. Vooral lezen, lezen, lezen, boeken, boeken, boeken en tweedehands boekwinkels. Dat is natuurlijk ook een vlucht geweest." "Als je nou met je kinderen praat over hoe het vijftig jaar geleden was, dan weten zij dat er goeie en slechte mensen waren. Ach, ik heb haast geen foute mensen gekend. Er zat bij ons een jongen in de klas, Bob Oosterhof. Niet alleen was-hij bij de Jeugdstorm, het was ook een onaangename gozer. Maar die zat in een isolement, want de klas bemoeide zich niet met hem." --- 'Staken!' "Lou de Jong en Ben Sijes schrijven dat bij de Februaristaking ook scholieren betrokken waren. Maar wat betekende dat? Op die dag hoorden we dat er wat in de stad te doen was. Ik kwam op de fiets langs mijn oude school en hoorde iedereen roepen: 'We staken!' Dus zijn we toen met dat hele zooitje op de fiets en de tassen slap over het stuur die stad doorgetrokken, al roepend: 'Staken!' En overal juichende mensen, éénig joh! Toen gingen we naar de Deutsche Oberschule waar Moffenkinderen op zaten. Wij weer roepen: 'Sta-aken!' Dat vonden we zo prachtig dat we nóg een keer die straat zijn doorgefietst. Dat hadden we nooit moeten doen, want toen stond daar een open Duitse personenauto en daarin stonden een paar Duitse officieren met van die lange jassen. Ik vergeet het beeld nooit. En die begonnen in de lucht te knallen. Ik heb nog nooit zo gauw een menigte zien oplossen. De fietsen lagen dwars over de straat. Ik zat met een paar jongens achter de toonbank van een schoenmaker. Een consternatie! Achteraf zie je dat in historisch perspectief en dan blijkt dit de dag van de Februaristaking te zijn geweest." De oorlog was geen aaneenschakeling van excessen, Westerbork, de razzia's, de Moffen, de NSB. Zelfs de Hongerwinter en de distributie waren uitzonderingen op dagelijkse routine. De meeste mensen beseffen het niet als ze getuige zijn van een historische gebeurtenis. En als niemand het beseft, is er geen sprake van een historische gebeurtenis. Geschiedenis bestaat bij de gratie van de waarnemer, de verslaggever, de fotograaf. Wat niet is geregistreerd, bestaat niet en kan dus nooit geschiedenis worden. "Dat heb ik later ook ervaren, toen ik na ruim driejaar terugkwam uit Indonesië. Op de kade zei een vent: 'Julie kunnen er helemaal niet over oordelen, jullie zaten er te dicht bovenop.' Ik was woedend, dacht: 'Die klootzak heeft in z'n fauteuil gezeten terwijl wij uit ons evenwicht gerukt werden.' Maar die man had wel gelijk..." "In de oorlog heb je hier en daar even onder het gordijn door gekeken. Maar de samenhang tussen de dingen die in de oorlog gebeurd zijn, die heb ik pas later op een rijtje gekregen, waarschijnlijk door De Jong. Als ik terugdenk aan die tijd, dan denk ik aan buitenkanten. Dat alles is pas later helemaal in perspectief gekomen." "Maar ik heb ook heel geweldige indrukken uit die tijd. Je zag natuurlijk in de stad wat er met de joden gebeurde. Voor de oorlog ging ik als jongetje vaak met m'n vader naar de jodenhoek. Mooie herinneringen - aan m'n vader en aan die stad. Op de lagere school had ik een vriendje, Samuel Rodrigues. Zijn ouders hadden zo'n Jantje-van-Alles winkeltje. Ik was hem uit het oog verloren. En dan zie je veel later dat hun winkel is dichtgespijkerd. Pas veel en veel en veel later ben ik mij gaan realiseren dat ook Samuel waarschijnlijk om het leven gebracht is door die vuile rotzakken. En op dat moment ben ik me verwijten gaan maken, wat geen verwijten kunnen zijn. Op dat soort kleine dingen ga je het toespitsen. Op een avond liep ik na spertijd met mijn zusje door de Transvaalbuurt. Verscholen in een portiek hebben we een stoet joden zien opbrengen. Daar hebben we wekenlang over gepraat. Maar op de een of andere manier leef je verder. Want wat is er de volgende week? Misschien een wedstrijd van je sportclub. Dan blijft zo'n indruk niet hangen. Bij een opgroeiend kind verdwijnt dat eenvoudig in het elastiek van duizend-en-een indrukken. Er stapelden zich zo ontzettend veel indrukken op. En die indrukken waren niet alleen bepaald door de oorlog en de bezetter. Die werden bepaald door honderdduizend andere dingen en daar hoorde de bezetting bij. Later ga je je verwonderd afvragen hoe het komt datje als vijftienjarige daar niet zo van onder de indruk bent geraakt." --- Bombardement "Ik weet nog dat ik met mijn vader na het bombardement van Rotterdam ben geweest. Ik ruik het nog, maar ik zie het niet, want als ik kijk, zie ik de bekende foto's. Maar ik ruik nog wat ik daar heb geroken. Dat is bij me gebleven als een onuitwisbare indruk." "Natuurlijk was er ook bij ons opgroeiende jongens verzet. Dat verzet was gericht tegen de maatschappij van die ouwe zakken. En in die tijd bestond de maatschappij ook uit Moffen en NSB-ers. Je agressie daartegen was wel anders, maar in het algemeen was ons verzet het egocentrisme van de opgroeiende Halbstarken, om dat gekke woord in dit verband maar te gebruiken. Het was gericht tegen de hele maatschappij waarin de bezetting een bijzonder hinderlijk bijverschijnsel was." "Mijn vader was bij de spoorwegen. Hij was net zo anti-Duits als de rest van Nederland. Pas achterafis dat idee gekomen van: die spoorwegen hebben die treinen toch maar laten rijden. Het was vreselijk om een trein met voedsel voor de moffen te transporteren en later kwam de spoorwegstaking. Maar in het begin kn eenvoudig niet. Want aan al die mannetjes hing een gezin, een familie, zieken, kinderen, vrouwen. Moetje die mensen achteraf gaan verwijten dat ze in die tijd doorgewerkt hebben? Kom nou toch. Een andere zaak is, dat die Moffen optimaal misbruik hebben gemaakt van die puur menselijke eigenschap om te willen overleven." --- Oproep verbrand "In 1944 kregen mijn vriend Jasper en ik de oproep voor de Arbeidsdienst. We hebben er nooit over nagedacht om te gaan. We hebben de oproep als een soort ritueel plechtig boven het aanrecht verbrand. Wij hadden in die tijd net eindexamen gedaan en onze leraar Hellinga was op een gegeven moment ondergedoken. Vanuit zijn onderduikadres schreef hij mij een paar brieven van de kwaliteit van Rilke's brieven 'an einen jungen Dichter'. Het waren documenten die ik op zak droeg. Toen hebben we Hellinga via het poststempel op de Veluwe opgespoord. Toen we zelf moesten onderduiken, heeft Hellinga ons ondergebracht bij een boer. Daar in Doornspijk hebben we boerenknechtje gespeeld, overdag werken op het land. Ik heb zelfs nog met de zeikkar over het land gereden. We schilden aardappels voor de hele boerenfamilie. En 's avonds las je. Zo heb ik de Gotische grammatica uit m'n kop geleerd. Die kan ik nog steeds citeren: Jach-ats-iganz-int-skip-varlaif... We hadden daar nogal wat boeken. We sliepen bovenin een hooiberg of in een oud leeg kippehok. Maar eind '44 begonnen ze daar razzia's te houden om mensen op te pikken die moesten graven aan die IJssellinie. Wij kregen vroegtijdig een seintje: 'Jongens dr benn moffn oan de stroat...' Wij vluchten, maar we bleven meestal dicht bij huis, in een bos. Ik vergeet nooit dat we daar een keer stront kregen over de vraag of we nou in een donker bosje moesten gaan liggen waar weinig licht was, of in een lichter bosje waar je kon lezen maar wat onveiliger was. Een krankzinnig conflict. We hebben het meegemaakt dat er Moffen aan weerskanten langs ons heen trokken. We hoorden ze lullen en ze schoten door ons bos. Dat is voor ons goed gegaan, maar er zijn toen verscheidene mensen gepakt." --- Geitevel "Toen we onderdoken, dachten we dat de oorlog gauw afgelopen zou zijn. Dus onze kleding was helemaal niet ingesteld op de winter. Ik ben toen nog naar m'n familie in Hattem gefietst om kleren te krijgen. En we zijn weken bezig geweest met het prepareren van een geitevel. We hadden wat schapewol en een juffrouw wilde daarvan wel een trui voor me breien als ik bereid was haar wc schoon te maken. Zo gingen we die winter in. Op het laatst had je geen sokken meer aan je poten en de techniek was om er twee over elkaar te dragen zodat je de gaten in de ene met de andere stopte. We zijn toen naar Hattem gegaan want in Doornspijk werd het te gevaarlijk." "In Hattem hebben we het bevrijdingsfeest meegemaakt. Ik heb kreeg een baantje: op de zolderverdieping van het stadhuis ben ik een paar weken bezig geweest met de registratie van onderduikers en tijdelijk verblijvenden. Op een feestavond heb ik m'n trui uitgeleend aan een meisje. Want de meiden spelen er natuurlijk ook doorheen. Toen ik thuiskwam, had ik longontsteking. Dus ik heb al die kostelijke weken na de bevrijding daar bij op een bovenkamertje bij tante Bertha gelegen." "Op een gegeven moment was ook het westen bevrijd. Toen zijn we op een paard-en-wagen afgereisd. Dat ging sjok-sjok-sjok langs die landweg. Toen zei de man op de bok: 'Jongens, de rogge stajt er al wier mooi bie...' Dat was voor mij in feite het slotakkoord van de oorlog. Ik dacht: 'Jezuskristus - vier jaar oorlog, bezetting, de hele klerezooi en wat zegt die boereman? Op dat moment zag ik de hele zaak in perspectief: dat is vier lullige keren ploegen, mesten, zaaien op een klein rotakkertje. En verdomd: de rogge staat er al weer mooi bij." --- Soldaatje spelen "In de oorlog had ik al kennis gemaakt met de uitgever en boekhandelaar Balkema in Amsterdam. Meteen na de bevrijding ben ik daar in de boekhandel begonnen. Daar heb ik eenjaar rondgelopen en heel literair Nederland mogen leren kennen. Op instignatie van Balkema heb ik er Godfried Bomans de deur mogen wijzen, omdat hij jatte als een raaf. Mooie tijd. Maar na eenjaar moest ik in dienst - met die eerste lichting na de oorlog, de Zeven December Divisie. Dat ging met grote spanning, want niets was verder van m'n bed dan soldaatje spelen. Maar op de een of andere gekke manier vond ik het ook niet erg dat ik in mijn kuif gepikt werd en aan de andere kant van de wereld werd neergezet, zonder dat ik er zelf voor aansprakelijk gesteld kon worden. Bovendien was ik toen zo langzamerhand ook in staat om die boekenrekken naar beneden te trekken: al die mensen, die naar de literaire boekhandel kwamen, alleen maar om in een schilderachtige houding de laatste dichtbundels te staan inneuzen..." HenkJ. Meier --- Stuurman aan wal Complex Ik houd niet zo van termen als 'post-industrieel', postchristelijk' en 'post-modern'. 'Post' betekent immers 'na' en dan getuigt het toch van geestelijke armoede, dat je de tijd waarin je nu leeft geen eigen, autonoom etiket op kunt plakken. Het minste wat we kunnen zeggen, is dat we in een 'complexe' maatschappij leven. Complex wil zeggen, dat onze maatschappij een ingewikkelde zaak is, maar toch ook dat er sprake is van een zekere samenhang. Weliswaar zijn de samenstellende delen niet gelijksoortig en evenmin gelijkwaardig, maar wij zijn ons toch bewust van een geheel. In Nederland is het allereerst de taal die ons samenbindt, een uniek gegeven. Onder de paraplu van die gemeenschappelijke taal leven wij dus in een 'complexe' maatschappij, tot de rand gevuld met losse onderdelen, zonder eigenlijk een boodschap aan elkaar te hebben. Toch bestaat er wel een zekere wisselwerking. Daarbij speelt communicatie steeds meer een strategische rol, zowel binnen de onderdelen als daarbuiten. Binnen de specifieke onderdelen spreken de betrokkenen hun eigen taal, vaktaal, dialect, jargon, turbotaai - allerhande groepstalen heb je. Daarbuiten moeten wij het met ons allen hebben van de zogenaamde massacommunicatie. Waarom is die in de laatste jaren steeds belangrijker geworden? De massamedia, krant, radio, televisie etcetera, zijn niet alleen de kerken boven het hoofd gegroeid, maar ook in toenemende mate de politiek. Wat is toch het nieuwe dat er aan de hand is met die media, datgene wat we ondanks alle publiciteit en alle onderzoek op dit gebied toch blijkbaar nog niet wisten. Althans onvoldoende beseften? De geheel nieuwe, eigensoortige rol die de media tegenwoordig blijken te spelen, is dat zij ons een 'overkoepelende' betrokkenheid en identiteit verschaffen. Deze functie vervullen zij ook zonder dat wij ons daarvan bewust hoeven te zijn. Wat massacommunicatie teweeg brengt, is het op één lijn brengen van het merendeel van de langs elkaar heen levende individuen en groepen in onze complexe maatschappij. De waarheid' bestaat op die manier in feite niet buiten een 'consensus', een soort stilzwijgende overeenstemming dat de dingen zoals zij via de media tot ons komen, nu eenmaal de werkelijkheid vormen waarmee wij moeten leven. Die overeenstemming, dat geruisloze verbond is het produkt van de vereffening van elkaar beconcurrerende ideologieën. Via de media vallen die tegen elkaar weg. Je ziet dat momenteel zelfs op wereldschaal gebeuren. Door deze onderlinge beïnvloeding bezit een maatschappij - ook al verkeert zij zoals eigenlijk overal het geval is in een permanente crisis - toch een zekere stabiliteit. Door de werking van massacommunicatie komt een gedeeltelijke aanpassing tot stand, een vorm van evenwicht, waardoor dat complexe maatschappelijke systeem ondanks alles toch functioneert. Deze overwegingen bied ik aan bij het aantreden van de nieuwe regeringsploeg in onze lage landen. Zij zijn bedoeld om de dames en heren die volgende week bij Hare Majesteit op de stoep zullen staan, tot enige bescheidenheid aan te sporen. Peter Hofstede ---