NEDERLANDSCH INDIË. Batavia, 10 December 1903. Nog eens: Veldheerejï achter de Schrijf, tafel. Gisteren bestreden wij de meening van Miles, den correspondent van bet Soer. Hbl. dat in de djambische zaken niet van uit Batavia zou zijn ingegrepen. Wij deelden daarbij mede hoe, eerst nadat de Begeering haar wil duidelijk te kennen had gegeven, aan de inmenging voor een goed deel een einde is gekomen. Maar zelfs nu nog ziet men aan het departement van oorlog met leede oogen de nog betrekkeljjk geringe zelfstandigheid van den gewestelijk militairen commandant te Palembang en tracht men het eenmaal verloren gezag, op welke wijze ook, terug te krijgen. Wil men een voorbeeld? Het is zoo lang nog niet geleden dat voor het Djambische eenige opnemers warden gevraagd. Men meende daarvan toen een nuttig gebruik te kunnen maken. Het ofHcieele antwoord op een officieel verzoek daartoe luidde: dat „er geen opnemers beschikbaar waren"! Toen men zich bij dit dwaze antwoord niet neerlegde, kwam ten slotte het hooge woord er uit: Er waren eigenlijk wel opnemers maar als deze eenmaal te Djambi zouden zijn, zouden zij geheel uit de hand zijn, daar niet het werk doen waarvoor zij opgeleid waren. .... enz. Kort gezegd: ze souden van achter de schrijftafel te Batavia niet meer gecontroleerd kunnen worden. En dat terwijl er toch in Djambi een stafofficier was, zelf oud-opnemer, die deze lieden van een behoorlijke instructie kon voorzien, hun werk kon nagaan. Dit is slechts een staaltje uit vele welke alle aantoonen hoe angstig men ia om in Djambi nog meer van het gezag te verliezen, dat men hier in handen had genomen. De spijtige uitdrukking, opgevangen uit den mond van hooggeplaatste officieren aan het departement: Wij zijn „maar" troepenleveranciers van Atjeh en Djambi, anders niet! spreekt boekdeelen. Vooral in den aanvang der djambische expeditie was het meer dan erg; kolonel Christan kon niets doen of hem werd tekst en uitleg gevraagd; zijn handen waren, van den aanvang af, meer dan gebonden en zelfs na zijn aftreden heeft men nog getracht zijn beleid van achter de schrijftafel te critiseeren. Evenwel zonder succes. Von höchster Stelle werd die critiek eenvoudig ter zijde gelegd, dhkr was men met het betoonde beleid tevreden. Miles betoogt ook dat de oorzaken waarom officieren zich over den toestand in Djambi wel eens ongunstig uitlaten, waarover men ginds ten hoogste verbitterd is, zijn dat daar veel wordt afgebroken maar weinig opgebouwd, dat van civiele zijde te veel invloed op de operaties wordt uitgeoefend en ook het civiel bestuur in niet geringe mate invloed heeft op de beoordeeling der officieren. Hieromtrent het volgende: Van civiele zijde zou invloed, te veel invloed . op de operaties worden uitgeoefend. Eilieve, welke operaties zijn er toch in het laatste halfjaar na de feitelijke pacificatie van het geheele gebied nog noodig geweest ? Wat heeft de troep in dien tijd eigenlijk anders gedaan dan politie-dienaten, zwaar werk, dat geven wij gaarne toe, vervelend werk ook, maar toch zeker niets waarbij speciaal militaire leiding in da eerste plaats noodig was. Dat deze leiding daarentegen geheel in handen van het civiel bestuur werd gelaten, kan slechts afgekeurd worden door ben die den toestand van het land niet kennen; dat de invloed van het civiel bestuur bij het regelen van patrouilles met leede oogen wordt gezien door enkele officieren die nu eenmaal meonen alles beter te weten en alles liever dragen dan „het staan onder een burgerlijke autoriteit" behoefde toch zeker geen oorzaak te zijn om do verdere invoering van het burgerlijke bestuur in Djambi tegen te houden? In ons vorig opstel zetten wij uiteen waarom men van civiele zijde, o. i. zeer terecht" „niet wil erkennen dat de in Djambi aanwezige troepenmacht voor de pacificatie van dat gebied veel te klein is", zooals Miles beweert, „dat het onmogelijke van de troep wordt gevorderd". Dat men de schuld op den commandant gooit als iets niet lukt „door geringd troepensterkte", al gaat daardoor ook een geheel leren vol plichtsbetrachting moraliter verloren, is iets wat wij voor rekening van den schrijver laten; het komt ons echter voor dat het oordeel over het militaire optreden van zulk een commandant in Djambi in bevoegde, militaire handen berust en steeds berust heeft, dat dat oordrei hier nader wordt overwogen en men maar niet tiiir nichts dir nichts het burgerlijk bestuur mag aanwrijven dat het op elke ongunstige bsoordeeling invloed heeft uitgeoefend. . , y Zeer zeker komt h'eTvoor dat het civiel bestuur zich nu en dan bij den militairen commandant beklaagt over het gebrek aan activiteit door dezen of genen officier betoond en dat, wanneer na onderzoek de juistheid der uitgebrachte beschuldiging blijkt, de betrokkene „een deuk in zijn conduite" krijgt maar... is dit dan ten onrechte ? Generaliseeren is ook in deze uit den booze. Miles teekende verder „als geheel waar" het verhaal op van een officier die een vijandelijke sterkte moest nemen met tachtig bajonetten, het doel hiermede niet kon bereiken, en van een echec later door een tweemaal sterkere afdeeling, voor dezelfde versterking geleden. Hoewel de officier in quaestie te voren versterking had gevraagd, was deze hem niet verstrekt omdat zij niet noodig werd geoordeeld; toen hij niet slaagde in het volvoeren van zijn opdracht, werd hij van.civiele zijde onbruikbaar verklaard en moest heengaan. \Vij hebben ons de moeite getroost de Djambiverslagen nog eens nauwkeurig na te gaan en vonden nergens het verhaal van een mislukten tocht door een troepenmacht van deze sterkte ondernomen, tegen een object waartegen later ook een afdeeling van 160 man het hoofd stootte. Het meest in overeenstemming met het verhaal aan Miles gedaan, is de tocht naar Limboer van uit Loeboe Pelajang. Is deze tocht bedoeld, dan is Miles geheel verkeerd ingelicht; wij zijn in staat hem desgewenecht de dessous van deze geschiedenis, welke ver van vleiend zijn voor de betrokkenen, zeer uitvoerig te geven. „Onbruikbaar verklaren" van civiele zijde, het is alsof het maar zóó gaat! Per slot van rekening zijn er dan toch nog rechters te Palembang en Batavia, willen wij hopen. Verder behoeven wij het artikel van Miles niet te ontleden. Deze nadere uiteenzetting is, gelooven wij, voldoende om ons goed recht aan te toonen tot het schrijven der bestreden beschouwingen. Er valt in Djambi nog veel, heel veel te doen en daartoe is noodig volstrekte samenwerking tusschen civiel en militair gezag. Die samenwerking heeft geleden en zou nog verder lijden door inmenging van Batavia uit. Daarom moest aan die inmenging een einde komen en wij zullen dankbaar zijn als de openbare bespreking daarvan tot het doel heeft bijgedragen. Op de beschouwingen van Miles in zake de politiek van generaal van Heutsz, zoo in de Astour van den Kunstkring het begrepen dat, gelijk wij reeds mededeelden, den heer Borel uitnoodigde een uitvoerige beschrijving te geven der tentoonstelling, welke beschrijving geïllustreerd in boekvorm zal verschijnen. De beschouwingen van den heer Borel zullen er ongetwijfeld toe bijdragen de belangstelling voor chineesche kunst aan te wakkeren en, waar het nog noodig mocht zijn, ook op te wekken. Een Vorstelijk Jubileum. In de Telegraaf lezen wij: Den Ten Januari 1904 zal het 25 jaar geleden zijn dat prinses Emma van Waldeck- Pyrmont zich in den echt verbond met Koning Willem 111 en wij weten allen, hoe Koningin Emma, van het oogenblik af dat zij als vorstin der Nederlanden Haar tblyde incoraste" in ons land deed, zich beijverd heeft, zich in te leven in den aard en den geest van ons volk. De traditie der Oranjevorsten die door hun voorgaan in de beoefening van weldadigheid, deze deugd der deugden tot een nationale deugd wisten te verheffen, werd door de jonge Koningin, ook na het overlijden van d°n weldadigen Koning, niet alleen voortgezet, doch op eej wijze in eere gehouden, die Haar de liefde van Haar volk deed geworden. Geen inrichting voor de armen of lijdenden deed vergeefs een beroep op Koningin Emma. Met de koninklijke belangstelling ging steeds een koninklijke gift gepaard. Geen stad, geen dorp bijna in Nederland waar een in tijdelijken nood verkeerende, een zwaar getroffene door de milde hand der Koningin niet werd geholpen of voor goed geied. Duizenden in den lande wendden zich om hulp tot de Koningin der weldadigheid, zooals wij haar bij voorkeur zouden willen noemen en niet een die hulp verdiende werd ooit afgewezen. Honderden werden geholpen, om weder in de noeden van het gezin te kunnen voorzien, hetzij een geliefde studie te kunnen voorzetten, of een roeping te volgen. En hoe ze te tellen de zieken die hun herstel te danken hebben aan de Koningin die nooit een verzoek ooi hulp van een zieke afsloeg. Er zouden, indien men niet wist Koningin Emma daarmede onaangenaam te zijn, boekdeelen gevuld kunnen worden met de heerlijkste staaltjes dezer koninklijke liefdadigheid. De laatste koninklijke daad, schenking van het landgoed Oranje-Nassau oord dat thans door H. M's voorgaan herschapen is in een sanatorium voor borstlijders, zette de kroon op Haar lietdadigheidswerk. Op haar reizen door ons land, hetzij met des Koning, hetzij alleen, later vooral met de jonge Koningin, golden baar eerste en meest belangstellende bezoeken de inrichtingen ten behoeve van armen en zieken. Er is dan ook bijna geen inrichting van dien aard, welke zich niet verheugt in de schoone herinneringen aan een bezoek der vorstinnen. Met dit alles voor oogen behoeft het geen verwondering te baren dat de commissie voor de vierirjg van het vorstelijk jubileum, er in de allereerste plaats aan heeft gedacht, deze viering in dienst te stellen van de armen en verdrukten in den lande, want hoe kon men meer handelen in den geest van Hare Majesteit dan Haar in de gelegenheid te stellen nog meer wel te doen? Dit is, als wij goed begrijpen, de bedoeling der commissie dat over het geheele land lief.ladigheidsfeesten werden georganiseerd, waarvan de opbrengst, Koningin Emma als een nationaal huldeblijk aangeboden, door Hare Majesteit voor een of ander weldadig doel bestemd zal worden. De gedachte, op dezen gewichtigen dag, die voor Vorstin en volk een dag vol zoete herinnering is, Koningin Emma te huldigen als de Koningin der weldadigheid, is o. i. een zeer gelukkige, die als uit het hart der natie is gegrepen en haar de gelegenheid zal bieden, mede te werken tot een feestviering, der Hooge Vrouwe, de koninklijke Moeder van armen en bedrukten volkomen waardig. Ook Indië, inzonderheid Batavia, dankt veel aan Koningin Emma. En ook hier ton daarom het in Nederland gerezen denkbeeld uitvoering mogen vinden. De Aardigheid schijnt er al af, bij Z. E. minister Idenbarg. Onze parlementaire medewerker schrijft ons toch: Ia regeeringskriogen is men nagenoeg eenstemmig van meeniog dat het kabinet door den uitslag van de eerstvolgende verkiezingen voor de tweede kamer in de gelegenheid zal worden gesteld, om aan te blijven. Wie zich daarover verheugt, — niet de minister van koloniën. Gaat de kamer niet om en blijft daarom het ministerie Kuyper aan het roer, dan zal de heer Idenburg uit solidariteit met den premier in functie blijven, maar naar de voortgezette eer van het ministerschap verlangt hij overigens volstrekt niet. Ook hij heeft in zijn snelle, duizelingwekkende vlucht reeds ontwaard dat het alles geen goud is, wat er blinkt en dat aan de roos van het gezag de doornen waarlijk niet zijn gespaard geworden. Bitter kan hij zich daarover tegen zijn omgeving uitlaten en hartgrondig naar het oogenbtik haken dat hij weder de onopgemerkte, eenvoudige man van vroeger zal zijn. ______ Het Onderzoek op Banka. Deelden wij gisteren mede dat docr den directeur van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid aan den chef van het mijnwezen was gevraagd naar de toestand der contractkoelies (mijnwerkers) op Banka uit een heden per mail ontvangen schrijven blijkt ons hoe door dezelfde autoriteit een correspondentie is geopend met den resident van Banka, naar aanleiding van het artikel over de behandeling der mijnwerkers in het Bat. Nbld. van 7 November. Het onderzoek is dus, zij het nu op papier, in vollen gang en vi ij kunnen niet anders hopen dan dat uit dit nieuwe onderzoek eindelijk eens de noodige verbeteringen zullen voort «loeien. Rusland en Japan. De telegraphische berichten over een mogelijken oorlog tusschen Japan en Rusland, welke ons in de laatste maanden en weken werden geseind, gaven ons aanleiding een schets te geven van het japansche leger, waarvan onze lezers het laatste gedeelte vinden in het derde blad. De heden ontvangen berichten schijnen er op te wijzen dat van een oorlog voorloopig geen sprake behoeft te zijn — gelukkig, ook voor ons, aangezien wij licht in een eventueelen oorlog betrokken kunnen worden. Is dus een nauwkeurige kennis van Japans sterkte thans minder actueel, — die kennis komt toch echter zeker van pas wanneer men nagaat dat een conflict tusschen beide staten vroeger of later zal moeten uitbreken, omdat de belangen van beide volken te veel ineen loopen, en wanneer men bedenkt dat Japan een onzer naburen is met wien wij steeds goed rekening zullen moeten houden. En Nederland kan er het voorbeeld uit putten hoe Japan zich in korten tijd opgewerkt heeft tot een machtige militaire natie, hoe dus door een krachtigen wil in korten tijd veel tot stand kan worden gebracht. De Engelsche Expeditie naar Thibet die een wetenschappelijke zendiDg heette te vervullen, is er slecht afgekomen- Daily News en andere bladen melden dat een engelsche expeditie, onder aanvoering van kapitein Hammond, belast met het onderzoek van da handelswegen in Thibet, tot den laatsten man vermoord is op den weg naar Lhassa (de heilige stad In Thibet. waarvan de toegang aan vreemdelingen verboden is. Zij die aan het bloedbad ontsnapten, zouden vreeselijk gefolterd zijn vóór zij gedood werden. Dit feit zal als voorwendsel dienen om de militaire expeditie welke Engeland zich voorstelde naar Thibet te zenden, te rechtvaardigen. De expeditie, waarvan wij reeds melding maakten, sLiat onder bevel van den majoor Younghusband en wordt met rpoed gereed gemaakt. Drieduizend man zullen er aan deelnemen. ___^___ Petroleum. Over de in wording zijnde europeesche petroleuuitrust, waarvan Reuter een maand geleden seinde, lézen wij in de mailbladen: Tegenwoordig worden volgens de duitsche bladen te Berlijn besprekingen gehouden over een nieuwe organisatie van de petroleummarkt, waaraan behalve door de Deutsche Bank die zich onlangs bij de Rumeensch Galicische Petroleumindustrie heeft geïnteresseerd en den heer Kornfeld, directeur van deUngari«cbe Kreditbank (tevens vertegenwoordiger van de Oesterreichische Kreditanstalt) ook wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van de russische petroleumnijverheid terwijl voor zoover het de belangen van de bankwereld betreft nog behalve de duitsche en oostenrijksche ook fransche en engelsche financieele firma s aan de conferentie deelnemen. Het algemeen belang bij een nieuw organisatie van de petroleummarkt is voornamelijk hierin gelegen dat het verbruik voor het gevaar wordt behoed, van door de Standard Oil Company te ■worden misbruikt en aan de belangen van deze maatschappij te worden dienstbaar gemaakt Men wenscht m.a.w. de petroleum voor een kunstmatige verhooging der prijzen te vrijwaren. Wanneer een organisatie der oostenrijksche, rumeensche en russische petroleumindustrie dit gevaar uit den weg kan ruimen, zou reeds een zeer gewenschte uitkomst worden bereikt. Gelijk het B. T. in het midden brengt is de prijsverhooging, welke het onlangs gevormde petroleum kartel heeft ingevoerd, geen ongunstig voorteeken voor de toekomstige goede uitwerking van de pas tot stand gekomen organisatie. Mocht ook de nieuwe organisatie het thans zoo algemeen gevolgde stelsel invoeren om het verbruik te belasten dan zou zij, naar het blad opmerkt, niet in concurrentie met de Standard Oil Company treden, maar een bondgenoote van de amerikaansche maatschappij gaan worden. En daarop zou het ook uitloopeu, wanneer de op het oogenblik te Berlijn gevoerde onderhandelingen tot gevolg zouden hebben dat het afzetgebied tusschen de Standard Oil Company en de nieuwe organisatie werd verdeeld. Alsdan zouden vermoedelijk de nieuwe organisatie en de Standard Oil Company elk op haar gebi.d, aan de verbruikers zoo hoog mogelijk prijzen voorschrijven. Bouwgronden der Bevolking. Volgens de van de hoofden van gewestelijk bestuur ontvangen gegevens, welke, voor zoover de gewesten Pekalongan, Samarang, Kedoe en Preanger-Regentschappen betrelt, als geheel betrouwbaar kunnen worden aaogemerkt, zijn de voor geregelde cultuur ontgonnen bouwgronden der inlandsche 'bevolking in de gouvernementsresidentiën van Java (hieronder niet mede te rekenen particuliere landerijen) en op Madoera bij het einde van 1902 te stellen op 4,115,477 bouws, terwijl de gegevens over 1901 aanwezen 4,083,522 bouws. Van deze uitgestrektheid werden als sawahs (bevloeibaie en andere) gebruikt 2,929,740 bouws tegen 2,933,974 bouws op uit. 1901 en als tegalvelden 1,185,731 bouws, tegen 1,151,548 bouws op uit. 1901. De uitgestrektheid der voor geregelde cultuur ontgonnen bouwvelden werd ook thans bijna geheel in cultuur genomen. Verder werden van de bovendien aanwezige gronden — de niet geregeld bebouwde tegalvelden—in cultuur genomen naar hetgeen de verkregen opgaven aanwijzen, in 1901, 165,879 bonws en in 1902, 134,475 bouws. De uitkomsten van den padi-oogst waren ook in 1902 over het algemeen gunstig. De bevolking bleef, hetzij voor eigen rekening, hetzij voor rekening van particuliere ondernemers, in belangrijke mate bouwgronden dienstbaar maken afn de teelt van suikerriet. De indigo-cultuur bleef vrijwel stationnair, behalve in de afdeelingen Panaroekan (Besoeki) en Berbek iKediri) waar eenige uitbreiding viel waar te nemen. De cultuur in tabak oam toe op verschillende plaatsen. In de Preanger Regentschappen werd de teelt in bruine boomen opnieuw uitgebreid. In bijna alle gewesten werd de klapperteelt uitgebreid, hetgeen in de Preanger-Regentschappen ook het geval was met de theecultuur en in de meeste residentien, hoewel in mindere mate, met die van kapok. Daarentegen nam de vrije kofQecultuur steeds in beteekenis af. Het Pantserschii> «Hertog Hendrik" zal na een procfreis buitengaats voor vertrek naar Oost-Indië op 1 October 1904 worden gereed gemaakt. Het Auxiliair Eskader zal voorloopig uit vijf schepen blijven bestaan. Men is wel voornemens, indien volaoend machinekamer-personeel tegen dien tijd aanwezig mocht zijn, het zesde schip in 1904 uit te zenden maar op het oogenblik ziet het er niet naar uit, zoo schrijft men ons uit Holland dat aan dit voornemen spoedig uitvoering zal kunnen worden gegeven. Onze Dokgelegenheden. Na gemeenschappelijk overleg tusschen de ministers van koloniën en van marine zal een commissie worden benoemd om te overwegen wat moet worden verricht om de dokgelegenheid in Indië te verbeteren. Als leden dier commissie worden genoemd de gepensionneerde vice admiraal Mac Leod, de gepensionneerde hoofdingenieur van het marine etablissement te Soerabaja Siebers, de heer Veninga van de Droogdokmaatschappij te Amsterdam en de ingenieur van scheepsbouw der marine van Veen, terwijl als secretaris zal optreden de bij afdeeling materieel aan het ministerie van marine gedetacheerde luitenant ter zee der eerste klasse Schoonhoven. Verloven. In 1902 is aan 130 civiele en 52 militaire landsdienaren (europeescue ambtenaren en officieren en ondei luitenants der landmacht) buitenlandsch verlof wegens langdurigen dienst verleend (tegen 120 en 48 in 1901,), terwijl aan 65 europeesche ambtenaren en 39 otïicieren der landmacht zoodanig verlof wegens ziekte werd toestaan (in 1901. 53 en 59). De Samensmelting van de Officierscorpsen van het nederlandsche en van het indische leger is nog altijd niet van de baan, immers in de memorie van antwoord wordt gezegd dat de zaat"nog in studie is. Dat was zij verleden jaar ook en dat zal zij in 1904, 1905 enz. nog wel zijn. Verblijdend teeken voor den indischen ollicier, want al dat maar niet opschietend gestudeer bewijst daghelder, hoe de zaak niet zoo heel eenvoudig is en bergen van bezwaren moeten worden weggeredeneerd. En daar men bij het ministerie van koloniën wel andere, meer dringende zaken te doen heeft en bovendien onder het tegenwoordige hoofd ook niet zoo bar warm over een fusie loopt, zal het einde wel wezen dat het rapport der staatscommissie een veilig en warm plaatsje in dearchievru bekooit. J. Borgesius -}•. Hedennacht overleed in het militair hospitaal na het ondergaan van een ernstige ope-" ratie, de heer J. Borgesius, in leven onderwijzer der eerste klasse alhier. Geboren te Oude IVkela, bereikte hij den leeftijd vau 53 jaar en was den laatsten tijd werkzaam aan de eerste lagere school inde Willemslaan. De heer Borgesius had ia de onderwijswereld eeu goeden naam. ______ Onderwijs. De minister vat koloniën heeft P. Lem, D. T. Adema, J. B. Kreeft, J. VV. Bruekliuijaen en 11. A. Surink gesteld ur beschikking vau deu Gouverneur-Generaal om te. wolden benoemd tot onderwijzer derde klasse bij het openbaar lager onderwijs. Machinisten-Examens. Meden slaagden in het examen voor eerste machinist oij de Koninklijke Pakkeivaartmaatschappij progran:uia de tweede uittctnuisteu F. 11. R. Schuize en 11. T. T. Teügbergeu met voldoende, en W. Suwerink met g-»-'!. Vulkanbesteigusgen. in het eerste nummer van de jaargang 1903—1ÖU4 vaa Über Land umi Meer komt een geïllustreerd verhaaltje voor dat Vulkanbesteigungen heetende en door een üuitsch oflicier geschreven een schets geeft van een bezoek aan den Papandajan nabij Garoet en de Biouio nabij Tosari. Natuurlijk heelt de dappere man er maar weder lustig op losgesneden en allerlei zaken verteld die op zijn zachtst gesproken van oppervlakkige of vluchtige waarneming getuigen. Zoo o. a. zegt hij dat Java een paradijs is waar geen enkele bedelaar te vinden is en alle bewoners volkomen met hun lot tevreden zijn, dat het hotel van Horck te Garoet de,meest ideale caravanserail van de gansche wereld is en dat hij bij den tocht van Tosari naar de Bromo gevaren heeft doorstaan, waarbij hij zich van tijd tot tijd moest herinneren dat hij duitsch oflicier en dus een man zonder vreeze was. Wie op een mak paard of in een draagstoel gezeten, zich van het hotel Tosari naar de Bromo heeft doen pikoelen, zal moeten erkennen dat de tocht gemakkelijker, minder vermoeiend en gevaarlijk is dan een uitstapje van Sindaoglaja naar den ontbijtberg. Een Kind Verdronken. In de rivier van Soenter werd gistermiddag drijvende gevonden en opgevischt bet lijkje van den inlandschen knaap die Dinsdagmiddag, terwijl bij in de rivier van Kwitang een bad nam, door den sterken stroom werd medegesleept en verdronk. Het bleek een kind te xijn van een javaanschen klerk bij een der militaire bureau* alhier. Tegenwoordigheid van Oekst. Te Rijswijk sprong hedenmorgen een Europeaan uit de tram, nadat hij te vergeefs getracht had die te doen stilslaan. De man kwam daarbij te vallen doch had de tegenwoordigheid van geest zijn beeuen op te trekken welke anders onvermijdelijk overreden zouden zijn. I'olitienikuws. Gisteren werj door de politie de inlander Djisan aangehouden toen hij in het Krawangsche gestolen goederen, van hier afkomstig aan uen man trachtte te brengen. — De politie zoekt naar de Chineezen Lim A Pang en Kho A Boen, afkomstig van Buitenzorg en die er hun handwerk van maken tusschen die plaats en hier clandestine opium te smokkelen. — Eenige dagen geleden vertrok de chineesche vrouw Tan Sek Nio van Serang herwaarts om een familielid te Pinangsia op te zoeken. Daar do vrouw niet terugkeerde en de familie haar hier ook niet zag wordt de vrouw die voor een groote waarde aan bij zich had door de politie opgespoord. — De Chinees Oeij Kang Ho, koopman te Pintoe Ketjil, zond gisteren zijn bediende Kho TjoenEnguit met f 231 om enkele goederea te betalen, welke besteld en ontvangen waren. De bediende keerde echter zooals zoovelen vóór hem, niet meer terng. — Aan het station der staatsspoorwegen in de benedenstad werd gisteravond door de politie twee Chineezen aangehouden, die geen pas hadden. Bij onderzoek bleek een hunner Kwe Boe Seng, ook geen vergunning tot vestiging in deze gewesten te hebben terwijl tevens bleek dat bij reeds lang wegens diefstal door de politie gezocht werd doch zich onder een valschen naam had schuil gehouden. — Te Angke werd door de politie een Chinees aangehouden die behalve clandestien opium ook nog revolverpatronen bij zich had. Hij ging natuurlijk achter slot. — Gisteren kwam het te Parapattan tusschen twee inlanders tot een gevecht. Het was natuurlijk weder de oude quaestie de vrouw. De beide verliefden ranselden elkander zoodanig met een stuk hout af dat zij, strijdensmoede, naar het stadsverband moesten gedragen worden. — Voor de speelloods te Senen stond gisteravond een Chinees zijn winst na te tellen, toen hem door een onbekenden inlander de beurs uit de hand -werd gerukt. Hoewel de Chinees al schreeuwende de dief achtervolgde, wist deze in de duisternis te ontkomen en bleef de gelukkige winner zijn twaalf gulden kwijt. — Voor de naderende Passer malem feesten welke op de gewone plaatsen zullen gehouden worden, komen nu reeds bij de politie tal van aanvragen voor het plaatsen van tenten en spelletjes binnen. Personalia. Door den eersten commies bij de algemeen© rek eckamer J. P. W. Meijer is het verzoek gedaan om eeajarig verlof naar Europa wegens langdurigen di>nst. — De controleur van de afdeeling Koetoardjo D.A.N. Fischer, is belast met de waarneming der betrekking van aspirant controleur te Poerworedjo tegelijk met zijn eigen functies. — De aspirant controleur te Sitoebondo J. Couwenberg, is belast met de waarneming der controle-afdeeling Panaroekan tegelijk met zijn eigen functies. — De waarnemend administrateur bij de tinmijnen op Banka L. Berkhout wordt benoemd tot aspirantcontroleur bij het binnenlandsch bestuur op de buitenbezittingen. — De benoemde hulponderwijzeres L.J. Rambalde heeft intrekking van haar plaatsing te Banda Neira gevraagd. — De leerares met verlof in Nederland C.E.B.J. Kuneman wordt gepensionneerd. — De heer dr. Lamb heeft het verzoek gedaan om zich als tandarts in Nederlandsch-Indië te mogen vestigen. — De administrateur bij het mijnwezen van bet district Koba A.K.F.W. Ockerse heelt het verzoek gedaan om bij voorkomende gelegenheid in aanmerking te worden gebracht voor een benoeming als adjunct-inspecteur van financiën. — De machinist der tweede klasse bij de staatsspoorwegen op Java E. Hess Busselaar, is van Djokjakarta naar de werkplaatsen te Poerworedjo overgeplaatst. — Aan den machinist der derde klasse bij de staatsspoorwegen op Java Ph. Bieger, is wegens dringende redenen voor een maand verlof verleend naar Madioen. — Het wegens ziekte voor twee maanden verleend verlof naar Poespo en Tosari, van den derden commies bij de staatsspoorwegen op Java E.L. Abbink, is om dezelfde reden met feu maand verlengd. — De stattonacommies bij den dienst der staatsspoorwegen op Java, de Jager is overgeplaatst van Buitenzorg Daar Batavia. — Aan den stationscommies der staatsspoorwegen J.W. Kei ra te Batavia, zijn wegens ziekte twee maanden verlof verleend, door te brengen te Meerster Cornelis en Soekaboemi. — Aan den klerk bij de staatsspoorwegen op Java E.L. Hartsteen, is wegens dringende reden voor een maand verlof verleend naar Batavia en Indrapoera. — Aan den treincontroleur der staatsspoorwegen te Batavia J. Stadelman zijn wegens gewichtige redenen twee weken verlof verleend naar Magelang. — Bevorderd tot adjudant onderofficier der cavalerie, de wachtmeester der cavalerie, stalmeester bij den Gouverneur Generaal bij het leger gevoerd voor memorie Companjen. — Het verzoek van de firma C. Moll tot den invoer en het bezit van opium voor de bereiding van opiumpreparaten tot geneeskundig doel is door de Regeering afgewezen. Militaria. Aan den maganjnmeester der eerste klasse (majoor) K. A. (Men is één maand verlenging van het hem reeds verleend verlof wegens ziekte verleend naar Buitenzorg en Sindacglaija. — De wapen-controlear H. Davis van de geweermakers school te Meester-Cornelis heeft één maand verlenging van het hem reeds verleende verlof wegens ziekte naar Buitenzorg gevraagd. Gouvernementsbeschikkingen. AanG.E.A. Cordromp is op den voet der bestaande bepalingen voor den tijd van 75 jaren ten behoeve van den kleinen land- en tuinbouw in erfpacht toegezegd een uitgestrektheid woesten grond Tan ongeveer 12 (volgens schatting der commissie van «nderzoek ongeveer 10) hou ws gelegen in het district Soelang afdeeling en residentie Rem bang tegen een pachtsom van f 0.10 per bonw, per jaar zoolang de gronden uitsluitend voor opgemeld doeleinde gebezigd worden en aan Lammers van Toorenbarg van ongeveer 18 bouw gelegen in bet district Selokaton afdeeling Kondal (Semarang) tegen een pachtsom van f 0.10 per bouw per jaar zoolang de gronden uitsluitend voor opgemeld doeleinde gebezigd worden. — Afgewezen is het verzoek van A. C. A. von Banniseht, strekkende ter erlanging in erfpacht voor den tijd van 75 jaren van een perceel woeste gronden groot ongeveer GO bouw gelegen in het district Losari afdeeling en residentie Cheribon. — Het aan A.C. Wittenrood, tijdelijk klerk bij de exploitatie van staatsspoorwegen op Java wegens ziekte verleend binnenlandsch-verlof door te brengen teTretes (Pasoeroean) is terzelfder zake verlengd met een maand. — Machtiging is verleend om in daghunr den beschadigden oeverlaat van de Wadoek Gedang koeloet afdeeling Grisse (Soerabaja) te herstellen, zijnde de kosten geraamd op f 6920. — Aan Maria Wijnanda Emmen, wonende te Djokjakarta ond ruim 20 jaren zijn verleend brieven van meerderjarig verklaring. — Een gratificatie van f 150 is toegekend aan 6.L. Hanibals, boekhouder der tweede klasse bij de in- en uitvoerrechten en accijnzen te Batavia als belooning voor buitengewone werkzaamheden ter zake van de waarneming der betrekking van ontvanger van voormelde middelen aldaar van den len Augustus tot den 13en September 1903. Suez Kanaal Maatschappij. De raad van bestuur der Suez Kanaalmaatschappij heeft besloten, van den 2en Januari 1904 af, de volgende voorloopige uitdeelingen op rekening van het boekjaar 1903 te doen: op deaandeelen fr. 12.50 voor rente en fr. 40 voor interim dividend, samen fr. 52.50 bruto, of na aftrek van de belasting, fr. 48,178 netto; tegen fr. 48,325 netto verleden jaar. Op de actions dejouissancefr. 40 interim dividend, zijnde fr. 36,487 netto, tegen fr.36,727 ten yorigen jaar; en op de oprichtersaandeelen fr. 22.535 interim dividend, zijnde fr. 20.765 netto, tegen fr. 20.995. Een Biograpiiie van Zola. Ei nest Vizetelly, de vriend van Zola en uitgever van diens werken in het Engelse!), heeft een biographie voltooid van Zola. Het werk zal eerstdaags verschijnen. Een Menschelijke Gashouder Naar men meldt wordt thans in het academisch ziekenhuis te Leiden een patiënt verpleegd, bij wien zich brandbaar gas in de maag ontwikkelt. Hij kwam toevallig tot de ontdekking daarvan, toen er bij het opsteken van een sigaar, een vlam ontstond die zijn baard schroeide. Een geval als dit is zeldzaam. De patiënt lijdt overigens aan een gewone, veel voorkomende maagaandoening. De Zelfgemaakte Keizer Lebaudï van wien men reeds dacht dat bij zijn keizerschap liet varen, om voor zijn in die qualiteit verrichte daden als eenvoudig fransen burger de gevolgen te dragen schijnt het nu in eens weder over een anderen boeg te gaan werpen. Althans door zijn «ordonnans-officier" Bunoit is het volgend schrijven gezonden aan den heer Audoain procureur van de matrozen die in dienst geweest zijn van den keizer der Sahara en thans schadevergoeding eisenen: Zijn Majesteit de keizer van de Sahara heeft vernomen dat u is opgedragen door eenige rhililitairen die onder zijn vaandels gediend hebben een schadevergoeding van hem te eischen van 100.000 francs voor elk, wegens toegebracht nadeel." iZijn Majesteit is van oordeel dat dit proces niet zal gevoerd moeten worden tusschen deze oud-soldaten en hem maar tusschen de machtige fransche republiek en het jonge en zwakke Sahara-keizerrijk. Doch noch de fransche rechtbanken, noch de saharasche rechtbanken kunnen over deze zaak onpartijdig oordcelen. Daarom stelt Z. M. voor het onderzoek op te dragen aan een neutrale mogendheid, bv. Engeland, België, Nederland of Zwitserland." tin het geval uw cliënten zich tevreden willen stellen met de uitspraak van een arbiter, stelt Z. M. voor de arbitrage te aanvaarden van den heer Ditti, voorzitter van de Seine-rechtbank, een man van algemeen bekende eerlijkheid." >Deze laatste weg zou veel sneller zijn." »Z. M. vertoeft thans te Londen (Savoy-Hotel) en wenscht gaarne uw antwoord te ontvangen." De Hollandsche Mail. Het SS. Primes Sophie, met de hollaudsbhe mail aan boord, is heden, om 6 ure des ochtends te Sabang aangekomen op reis naar Batavia. Men verricht het eenvoudige alleen'dan met meesterlijke zekerheid wanneer men meer kan dan dat. Uit het Procesverbaal van een Politieagent. — Ik noodigde den betrokkene uit, mij te volgen, waarop hij antwoordde: »Je kunt naar de maan loopen." Nadat dit gebeurd was, ging ik onmiddellijk tot arrestatie over. Verschil van Opvatting. — Meier: Het is heel makkelijk om de liefde van een vrouw te winnen. Je geeft haar maar zooveel geld als ze hebben wil. — Muller: Zoo en noem je dat makkelijk? Onmogelijk. De kolonel verzoekt op last van zijn vrouw in een brief aan den kapitein dat deze zijn vrouw ertoe zal brengen de kolonelsvrouw voortaan op die nederige wijze te groeten, die met den lageren rang van haar man overeenkomt. Het antwoord van den kapitein luidt: »Tot mijn spijt kan ik onmogelijk aan uw verzoek voldoen. Ik sta ook onder de pantoffel." ---