Brief van Kaïn. Aan den heer Jacob van Oversteeg, pedel der Vrije Universiteit te Amsterdam. Wel Edel Geboren Heer! Zeker is geen sterveling, van al de daizende millioenen die sedert de Schepping bier op aarde hebben geleefd, zoozeer veracht en gesmaad als ik. Ik heb dien smaad gedragen, wetende dat ik se heb verdiend omdat ik mfo'n broeder heb vermoord. Maar, WelEdelGeboren Heer, hoe zwaar ik m(j heb vergrepen aan God en den mensch, toch verdien ik niet meer verachting en smaad daa mty toekomt; en hoezeer ik bereid ben, alle vernedering en straf te dragen welke ilit m(jn ondelgbare schold voortvloeien, moet ik mij — juist daarom moet ik mij — verzetten tegen het dragen van niettwe verachting en nlenwen smaad, die mij onverdiend zonden worden opgelegd. Gij, christen, levende bij den geest des ontfermens, zult dit zelfs mij, zwaar geslagene, als een recht toestaan; en gij, christen, znlt haastiglijk een onbezonnen woord, aan uw lippen ontvloden, terugnemen, dat, wellicht argeloos gesproken, niettemin mijnen rng geeselt met nieuwe schorpioenen. Gij hebt, WelEdelG eboren Heer, te Vijfhuizen in de Haarlemmermeer een redevoering gehouden, en daarbij gezegd, dat ik de eerste socialist was. Dit heeft mij diep gegriefd; geloof mij, ik heb dit nimmer verdiend. Ik ben een broedermoordenaar, dat is waar; maar meer niet: ik ben geen socialist, en ik ben het nimmer geweest Te meer moest uw woord mij grieven, wijl gty als pedel der Vrije Universiteit, na Dr. Kuyper geacht wordt de fijnste Schriftuitlegger van uw vaderland, zoo niet van de gansche christenheid te zijn; en nw woord ten deze van buitengewone beteekenis is. De gevolgen daarvan zouden mij een nieuw leed, niet te overzien van omvang, kunnen berokkenen; wreeder dan wat ik in jaren te dragen heb gehad. Want het kan u, christen, allerminst onbekend zyn, hoe juist in de laatste eeuw de naam van socialist den drager soms heftiger smaad, verachting en marteling bracht, dan de naam van broedermoordenaar. Immers, gy, christenen, hebt door menigvuldig te insinueeren dat socialist en Antl-Christ nagenoeg één pot nat ztfn, daartoe, ruimschoots bijgedragen. En niet het minst dank ik het aan u, dat in de latere tientallen van jaren mijne vervolging eenigszins heeft afgelaten, zoodat mij de gelegenheid is gegund, een weinig adem te scheppen, en op mjjn verhaal te komen. Doch, WelEdelGeboren Heer, dit ls nog niet de voornaamste reden waarom ik mij gegriefd gevoel. Laat het mij ronduit zeggen: ik leefde in de onder* stelling, dat bg n, politieke christenen, het oog om oog en tand om tand, ten mijnen opzichte voorgoed bad afgedaan; ik had mij de illusie gemaakt, dat gij op mfj het evangeliewoord toepasselijk hadt gemaakt: ga heen, en zondig niet mem-. Hierin ben ik bitter teleurgesteld. Het blijkt, dat, hoe hoog overigens het peil van het onderwijs aan de Vrije Universiteit moge staan, toch de evolutieleer daar gebrekkiger wordt onderwezen dan aan de indifferente hoogescholen. Anders toch, WelEdelGeboren Heer, hadt gij, als pedel dier VrUe Universiteit, door een kier van een slechtgesloten deur der collegezalen, meer dan eens moeten opvangen, welke evolutie ook ik, met zoovele andere fenomenen uit de grijze oudheid, in den loop der eeuwen heb ondergaan. Gij aoudt dan weten, dat ieder nieuw tijdperk in de geschiedenis der menschheid mij een nieuwe gestalte heeft gebracht, en dat de tegenwoordige 'eeuw, wel verre van mij te verafschuwen als de eerste christenheid deed, staat in m\ju teeken; dat zij, als de eeuw van het moderne kapitalisme, mijn naam draagt en mijn wapen voert; want, als gij het nog nimmerhoordet,hoor het dan thans, Jacob van Oversteeg, ik ben herboren in het modern» kapitalisme f Het is waar, mijne evolutie is groot geweest. Niet meer ben ik de ruige, woeste herder met den knods. Niet meer zwerf ik door woud en veld, mijn aangezicht verbergende voor de menschen. Niet meer wordt mg een bete broods en een dronk water. geweigerd aan den drempel der mensehelijke woning. Trotsch beweeg ik mij in het drukste gewoel der mensèhheid. Deemoed is mij vreemd; ik eisch en neem. En de wereld gehoorzaamt mij, dient mij, huldigt mij, ver* heerlflkt mij. Niet meer sla ik met een woestep, enkelen slag mijn broeder neer, op wien ik afguustig ben: de beschaving beeft ook mij verfijnd, WelEdelGeboren Heer! Mijn broeder en mijn zuster, het teedere kind en den man in de kracht zgns levens, ik dood ze niet met een en slag; ik dood ze in eentonigen, langduriger» arbeid, bij stof en hitte, bij gevaarlijke werktuigen en giftige materialen. Ik dood ze in nauwe, ellendige woningen, waar zij, alle leeftijden opgehoopt, lichaam noch geest behoorlijk kunnen verzorgen. Ik dood ze in een geestelijken nacbt van onwerendheid en van allerhande zonden. Met het wassen der eeuwen is ook myn moordzucht toegenomen, en met wellust zie ik ze gaan door de straten en over de velden: slecht gevoed, slecht gekleed, slecht ontwikkeld, zwak naar lichaam en zwak naar geest, prooi van de meest moderne beroepsziekten en prooi van de oude tering; ik zie ze bij honderd-, bij duizend-, bij hondderddulzendtallen; en mijn KaTnsbloed stuwt kraehtig door mijne aderen, een gloed van wellust vervult mij; trotsch richt ik het hoofd met het Ealnsteeken op, en ik juich: dit alles is m\jn werk. En als opnieuw een stem uit den hemel klinkt, en God'B gestalte voor mij staat, en mij vraagt: Kaïn, wat hebt gij met uwen broeder gedaan ? dan antwoord ik trotscher en driester dan ooit: Ben ik mijn broeders hoeder? Ik meende, WelEdelGeboren heer Van Oversteeg, dat dit a niet onbekend kon zijn. Ik beb onder de menschen talrijke dienaars; wie van bet leven meer eischt dan een nederige plaats aan den disch, pleegt zich aan mij te verbinden; de grooten en machtigen der aarde, vorsten en regeeringen, staan voor het overgroote deel in mijn teeken. Hebt gij niet, het is nog niet geheel twee jaar geleden, in de greep van uw meester naar bet nrbeidersrolk, iefs van Kaïn'? vnïst vermoed? Hebt gij niet, bij alle geroep van ontferming en barmhartigheid — dat ia mijn allermodernste evolutie! — begrepen, dat het politieke christendom een uitvinding is van mijn brein ? Ziet gij niet, hoe de naastenliefde, mijn vyand, onder zijn heerschappij kwijnt? Hoe het alle onzalige hartstochten wekt, boe het prikkelt tot opstand, boe haat es verderfegn vrachten zijn ? Heeft nw scherpzinnigheid n niet doen inzien, WelEdelGeboren Heer, dat toen uw meester tot den arbeider sprak: Zoek eerst bet Koninkrijk God* en zijne gerechtigheid; toen hij den ouden arbeider Helsdingen tegemoet voerde, dat de waarltjkvrome, d. i. goede, mensch altijd reden tot danken heeft voor hetgeen hem is gelaten; dat hjj toen de proletariërs mij is de armen veerde ? Hebt gij niet beseft, toen zijn discipel Talma van het Kerstmisevangelie een prop op het geweer maakte, en op zijn wijze een Carmignole zong van vrede in de hut, leve de stem van het kanon; dat hij mij toen wierook bracht ? Klonk het: ben ik m£ns broeders hoeder niet door de gpeetwet heen tot uw oor ? En hoorde* gy niet hei gieren van mijn knods door do lacht» toen het wraakzuchtig woord "der misdadige woeling tot nieawe menschenoffers op mijn altaar noodde? Jacob van Oversteeg, ik had u wijzer gedacht. Ik had nog vel h> u een heel, heel klein miniatnur- Kaïn-tje gezien, nietwaar, gij, die Staalman in Den Helder toch niet juist iets goeds hadt toebedacht; en dia den ongezeggelijken Boender zoo frisch wist te boendere». Gij valt mg tegen, Wel Edel- Geboren Heer. Maar ik zon niet erkentelijk zijn ▼oor mijn tegenwoordige, aangenamere omstandigheden, als ik niet iets over mijn kant liet gaan. Ik wil edelmoedig zijn. Ik schenk a vergiffenis; maar op één voorwaarde: noem mij nooit weer socialist! Ik heb geen lust, opnieuw in de versukkeling te geraken, en ik laat niet met mij sollen. Gij z\jt nu gewaarschuwd; gedraag er u naar. ZoolaDg gij dat doet, kunt gij rekenen op de machtige bescherming van nw dienstwillige Kalx. --- FEUILLETON. PARIA'S. Vertelling uit het leven der russische joden, DOOR S. JOESJKEWITSJ, 4) — Goeden morgen, Sjlojma,—zei plotseling een vrouwenstem naast hem. Hij hief het hoofd op, liet het aanstonds weer hangen en bromde: — O, jij bent het, Sima, — goeden morgen. De vrouw ging verder, maar toen viel baar iets in en zij kwam snel terug. Zij was heel mager, had een groot, gezwollen lichaam en was steeds aan het medicijnen slikken; om den armendokter Zaterdags niet te verzuimen, zat sij elke week van 's morgens vroeg in de kliniek tot de dokter om twee uur 'g namiddags kwam. Door de zware vracht der twee manden die zij aan haar armen hangen had, voorovergebogen, vertelde zij Sjlojma kuchend een lange geschiedenis van haar armen jongen. Het lawaai om, hen heen was oorverdoovend, en om haar eigen woorden te verstaan, schreeuwde zij hard alsof Sjlojma doof was. — Wat zeg je daar van ? — begon zij steeds weer en hield buiten adem op. — Bestaat er dan geen gerecht meer? Er moet toch een overheid in de' stad zijn; de stad kan sonder overheid toch niet bestaan.... — Spreek duidelijk, — viel Sjlojma haar ifi de rede met zijn strenge 6tem. — Je verliest den halven dag... — Zoo, ben je daar eindelijk, — «ei plotseling een vrouw die naast Sima bleef staan. — Waar heb je toch gezeten? Je hebt met Sjlojmastaan praten. Laat dien ouden jood met rust! Ooeden morgen, Sjlojma 1 Hoe gaat het met je dochter? Een vroolijke, knappe vrouw met levendige, lachende oogeu, scheen ztf in al dat haasten en jagen een bizondere lncht in te ademen en er zich aan te bedrinken. De aanblik van die tallooze menschen die zaten, stonden of rondliepen, bracht haar in een aangename opwinding en zij had de grootste lust ieder iets toe te roepen, ieder te vertellen hoe vroolijk zij te moede, hoe goed en prettig zij zelfs was en hoe er geen grooter vreugde was dan hier in den zonneschijn onder zooveel menschen te zijn. Zij babbelde onvermoeid, verslond de straat met de oogen, ving elk woord in de vlucht op, had altijd een antwoord bij de hand en beefde van verlangen met zooveel mogelijk menschen in aanraking te komen. — Kom, kom mee, — riep zij, terwijl zij Sima zonder meer met zich mee trok. — Zie eens hoe prettig het vandaag is. Men zou denken dat hier bruiloft gehouden werd. Wat is dat daar? Er wordt gekeven, neen, — ik geloof dat het een voebtpartg is. Ach goeie God, wat sta je daar dan als een stnk hout! Zij liep met haar manden vooruit en riep de achterblyvende toe: „Kijk roaAr voor je uit, verlies mij niet uit het oogl" — maar Sima trok mat de schouders op en zeide hoofdschuddend: — Een echte kozak', Sjlojma; heelemaal geen vrouw. Vraag nu eens waarom die zoo vroolijk is! ik wed dat ze het zelf niet weet. Een dezer dagen hebben ze haar zoon bij een diefstal gepakt. —• Je verliest den halven dag, — herhaalde Sjlojma zonder op te kijken. — Ach Sjlojma, mijn heele leven is verloren, wat beteekenen dan die paar uren? Zestien jaar lang ben ik met die manden geplaagd, die mij naar den grond trekken — dan komt het er op een dag meer of minder niet aan. Jij hebt toch enkel maar te luisteren, — het verdriet heb ik. Geef me een beetje gednld. Ik heb vier dochters en een onnoozele jongen. Waar is onze God? Die twee manden. Die dragen mij niet — ik moet ze slepen. Ik moet voor mijn kinderen zorgen, — ze zijn al wel volwassen, maar zij blijven daarom toch mijn kinderen. Nu heeft de meubelmaker mijn zoon weggejaagd. Het is noplosbare vraagstuk, dat door geen parlement, «een burgerlijke wet opgelost wordt, — alleen door Ie schoone instelling van het tsarisme kan opgelost worden. Die honderd volkstammen kuunen Jlijkbaar samen geen wetten maken, maar de Ywestie is dadelijk opgelost als hun op honderd ruggen dezelfde knoet de wet schrijft. Een gemeenschappelijke parlementstaal kunnen ze niet vinden ■naar de samenleving loopt als een spinnewieltje af als van al die honderd stammen 4e eigen taal ontnomen, het geloof onderdrukt is, Je zeden met voeten getreden worden. Die vele volkstammen zyn niet rijp zich zelf in vrede en eendracht te regeeren, maar een zwerm van hoogere en lagere Tschinowniks(l), een dozijn onnoozele generaals met roode wotkineuzen, en een troep geslepen dieren kunnen het bestuur over al deze volken spelenderwijs voeren, In een woord: die, honderd volkstammen zouden in een moderne staatsinrichting binnen twee dagen elkaar de haren uit 't hoofd geplukt hebben, maar bij 't geknal van de alleenzaligmakende knoet van't absolutisme lost zich allé gevaarlijk geharrewar op in een verzoeningshyme naar de oude melodie „Danst gij Polen, danst gij Daitschers Allen voor dezelfde zeep " t Het typeert de bourgeoisie, dat ze u allevraagitukken, die zich verheffen boven de plomp nateriSele niet anders kan oplossen, dan door haar itooggeroemd parlementarisme op zij te zetten en de bereddering vol vertrouwen in banden van de politie te leggen. ,Voor het sociale vraagstuk — uitzonderingswetten, voor _'t nationale vraagstuk — de zweep fan 't absolutisme; zoo doet men in Duitschland, *oo denkt men 't Rusland toe." Onze partijgenoote meent, dat de oplossing van het nationale vraagstuk spoediger zal komen en van geheel andere zijde dan men verwacht. De vervolgingen en verdrukkingen, waaraan ze allen op hun beurt blootstonden, hebben de arbeiders van tongen en godsdienslea in't tsarenrijk geleerd, dat 't vleesch van hun vleesch en bloed van bloed was dat in Petersburg vermoord werd en gewroken moet worden. De geschiedenis van 't martelaarschap van alle nationaliteiten in Rusland heeft bewezen, dat aan vrijheid voor geen hunner te denken valt loolang de bijl niet gelegt is aan den stam van 't despotisme te Petersburg. De liberaale nationalistische vrijheidsbeweging is in 't zand geloopen. En zoo is ook in Rusland het proletariaat de eenige drager van burgerlijke vrijheid en volkenvrfde. De burgerlijke vrijheid zal niet aistuiten op het nationale vraagstuk, maar het nationale vraagstuk zal opgelost worden door de burgerlijke vrijheid, die uit de revolutionaire klassenstryd vaa 't proletariaat geboren wordt. ---