NIEUWS UIT AMSTERDAM Veertig jaar Gemeentetelefoon Een bijna volmaakt bedrijf Onze Amsterdamsche correspondent schrijft ons: De telefoon is een merkwaardig ding in onze samenleving. Zij is een zegen, maar zij is dikwijls ook een vioek. Dit laatste hangt echter niet af van de telefoon, maar van de menschen zelf. Er zijn menschen, die verslaafd zijn aan de telefoon en die een soort telefooncultus bedrijven. Zij meenen, dat zij gelukkig zijn, dank zij de teleloon, in werkelijkheid echter zijn zij diep ongelukkig, alhoewel zij het geluk hebben dat niet te beseffen. Een van mijn kennissen is een man, die geen kwartier van zijn leven slijt zonder daar minstens een keer in te telefoneeren, maar er zijn talrijke kwartieren, waarin hij voortdurend op staat om naar de telefoon te rennen, als hij tenminste niet net bezig is na zijn laatste telefoongesprek te paan zitten. Zoo zijn er heele volkeren, die door de telefoon voor goed zijn bedorven. De Engelschen behooren daar niet bij; zij maken behoorlijk gebruik van de telefoon, maar zij houden er niet van. Zij haten haar trouwens evenmin, maar zij haar en behandelen haar als een ding," dat bruikbaar is, maar waarmee men zich nooit encanailleert. In ons land en speciaal in onze groote steden is de telefoon voor velen een dwingeland, maar het moet haar worden nagegeven, dat zij zich tot een populaire dwingeland heeft weten te maken. In Amsterdam worden er dagelijks ongeveer 270.000 telefoongesprekken gevoerd via 144.000 K.M. ondergrondsche telefoonkabels en toen op Kerstmis 1933 tengevolge van een brand in de telefooncentrale aan de Spuistraat een deel van de stad voor eenige weken zonder telefoon kwam te zitten, toen waren de jammerkreten in de lucht boven de stad bijna hoorbaar. Deze machtspositie in het leven van de hoofdstad heeft, het gemeentelijk telefoonbedrijf bereikt in veertig jaren, een tijd zoo kort, dat het bijna niet te geloven is. En toch is het historisch boven allen twijfel verheven, dat de gemeentetelefoon op I November a.s. nog pas zijn veertig jarig bestaan te herdenken heeft. Niettemin heeft Amsterdam zijn telefoon al langer. Want niet zoodra had de Amerikaan Bell de telefoon uitgevonden, of te New York werd de Internationaal Bell Telephone Company gesticht en deze onderneming bracht de nieuwe zegening der techniek over de heele wereld, ook in ons land. Toen de telefoon nog slechts vijf jaar oud was, verkreeg de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij te Amsterdam een concessie voor den tijd van vijftien jaar van 1 November 1880 tot 1 November 1895. Op . 1 Juni 1881 begon de exploitatie, door alle Amsterdammers met minstens even argwanende'öogen bekeken als'de eerste trein "naar Haarlem. Er waren 49 abonné's, — er zijn tenslotte altijd nieuwlichters en waaghalzen. De Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij heeft haar taak zeer behoorlijk vervuld en toen het publiek eenmaal zag, dat degenen, die een telefoontoestel in de hand nam, niet geëlectriseerd werd of zich in het niet oploste, begon het aantal abonné's ook geleidelijk te stijgen. Toch bleef de telefoon nog langen tijd een artikel, dai alleen heel gewichtige zakenmenschen om zich heen konden hebben, een luxe-artikel was het zelfs nog niet eens. Zoo kwam het, dat de telefoon een zeer eigenaardige maatschappelijke functie ging uitoefenen, die Bell heelemaal niet bedoeld had. Het bezit van een telefoon verhoogde het crediet van een zakenman aanzienlijk. Deze overweging bracht velen ertoe zich een telefoon aan te schaffen en zoo werd de telefoon toch vrij spoedig ook een instrument, -dat niet alleen meer behoorde bij zaken, die zeer aanzienlijk waren, kort en goed de telefoon werd een algemeen gebruiksvoorwerp, alhoewel tot op den huidigen dag toe een zaak, die niet eens een telefoon heeft nog steeds niet veel aanzien geniet. De Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij was druk doende haar net uit te breiden en reeds had zij enkele interlocale aansluitingen tot stand gebracht, toen hier en daar het besef begon door te dringen, dat het wel zoo nuttig en practisch zou zijn de exploitatie van de telefoon bij de overheid onder te brengen. Behalve, dat het practisch was, beloofde het ook een voordeelig zaakje te worden en daarin heeft niemand zich vergist, want de telefoon, zoowel de rijks- als de gemeentetelefoon is een florissant bedrijf, dat nog nooit anders dan winst heeft opgeleverd. In 1895 eindigde de concessie van de Bell Telephoon Maatschappij en zij werd niet vernieuwd. Maar natuurlijk konden gemeente en concessionaris het weer niet direct eens worden over de vergoeding, welke de gemeente-aan de maatschappij te betalen had en zoo werd de concessie dan nog met een jaar verlengd. Op 1 November 1896 echter ging de telefooncentrale aan de Spuistraat open — de centrale van de Bell Telephoon Maatschappij was op den zolder van de Groote Club gevestigd geweest — en van dien dag af heeft het Amsterdamsche telefoon bedrijf geen minuut meer stil gestaan. Ki dien tijd waren er 1700 abonné's, die allen als zij wilden telefoneeren, aan den zwengel van hun toestel moesten draaien en geduldig wachten tot de telefoonjuffrouw zich meldde, of niet geduldig wachten en nog eens draaien net zoo lang tot zij van drift buiten adem raakten en den heer Bell allerlei dingen toewenschten, die niet mooi waren. Op het platteland kent men dit afschuwelijk systeem nog wel. Amsterdam is er reeds tamelijk vroeg af geweest. Want toen ,in 1911 de nieuwe telefooncentrale Zuid gebouwd werd, "durfde men onmiddellijk over te gaan tot doorvoering van het halfautomatische systeem. Weliswaar moest men nog steeds wachten tot de juffrouw zich aan het toestel meldde, maar men werd tenminste niet meer in de verleiding gebracht zijn ongeduld aan te vuren door het draaien aan de zwengel. Trouwens het dient erkend, dat de Amsterdamsche tele[foon haar klanten goed bediende en juffrouwen had, die snel gehoor gaven als men de telefoon van de haak nam. Van de'in dienst stelling van de centrale Zuid af is de telefoon van jaar tot jaar vooruit gegaan. Nieuwe telefooncentrales werden ingesteld voor alle stadswijken en geleidelijk aan werd het groote werk voltooid, dat bestond uit het omschakelen van de telefoon van het half-automatisch op het vol-automatische systeem, dat nu in Amsterdam al sinds jaar en dag is ingeburgerd. En daarmee is het nog niet uit, want thans is men druk doende Amsterdam ook vol-automatisch in het interlocalc verkeer in te schakelen. Reeds is het inkomende verkeer van buiten de stad geheel automatisch en binnen afzienbaren tijd zal dat ook met het uitgaande verkeer het geval zijn. Wat er daarna nog aan de Amsterdamsche telefoon te vervolmaken valt? Niemand zou daar eigenlijk het antwoord op kunnen geven. Want de telefoon is bijna een volmaakt bedrijf geworden. Het Rijk smeedt booze plannen om de gemeentelijke telefoonnetten te annexeeren, maar sympathie zullen die plannen in Amsterdam nooit ontmoeten. Amsterdam is tevreden met zijn telefoon, omdat het er nooit last maar altijd gemak van ondervindt. Een bescheiden herdenking van het feest is onder zulke opwekkende omstandigheden wel op haar plaats. Men gaat in de Militiezaal een tentoonstelling houden en daarbij wordt een gedenkboek uitgegeven. En menig Amsterdammer zal in deze dagen wel eens willen denken aan de telefoon, wier grootste verdienste is, dat zij het haar klanten in al die andere jaren overbodig maakt aan haar te denken. Behalve aan het begin van de maand, als zij haar rekening presenteert voor de bewezen diensten. Maar zelfs dan kan men er geen bittere gedachten bij hebben. --- Amsterdamsch notaris gearresteerd. Een bekend notaris hier ter stede die — naar wij destijds meldden — het vorig jaar in financieels moeilijkheden is geraakt, welke tot gevolg hebben gehad, dat hij in Juni 1.1.. nadat aanvankelijk door de rechtbank een voorloopige surseance van betaling was verleend, failliet werd verklaard. is thans, op grond van een onderzoek door de centrale recherche, hetwelk zeer ernstige verdenking van verduistering, ten nadeele van clienten heeft opgeleverd, op last van de justitie gearresteerd, en in het huis van bewaring opgesloten. --- Zwijntjesjager aan het werk. Dat ondanks de scherpe controle door de recherche het gilde der, rijwieldieven zijn „handwerk" niet heeft opgegeven, moge blijken uit het feit, dat gisteren in de sectie Stadhouderskade niet minder dan zes aangiften van rijwieldiefstallen gedaan zijn. In al deze gevallen zijn de daders tot dusver spoorloos. --- De storm. De storm heeft ook in de stad hier en daar schade aangericht. De brandweer is ongeveer 25 maal uitgerukt voor hulp bij stormschade. In de meeste gevallen werd hulp verleend voor losgescheurde zinken platen, schoorsteenen, die dreigden te vallen enz. In twee gevallen was de schade grooter. Zoo woei van een perceel in de Kinkerstraat een gedeelte van de dakkapel weg. De stukken kwamen terecht in de winkeletalage van het naastgelegen perceel. De schade in de etalage was aanzienlijk. Ook werd hulp verleend in de le Laurierdwarsstraat 12, waar de achtergevel, die bouwvallig is. dreigde in te storten. De brandweer heeft den gevel gedeeltelijk afgebroken en met planken weer dichtgemaakt. --- Maaike Braat. In de bovenzaal exposeert Maaike Braat een aantal kleine aquarellen van duin, zee en achterland, vlotte impressies, aardig van kleur soms, maar zonder veel diepgang. Eigenlijk konden dergelijke opzetten evengoed, misschien beter in portefeuille blijven tot het wérk wat grootscher zou zijn geworden, meer beteekenend, want men beschouwe de schilderkunst vooral niet als een wel gezellige Spielerei. De aanzetjes van zee zijn als kleur niet onverdienstelijk; wat grijs en wat blauw, hier en daar met een weinig geel erin vloeien zacht in elkaar en suggereeren iets van fijne stemming. Een enkel dorpsgezicht is als aanzet levendig, prettig, maar het duinlandschap lijkt me voor Maaike Braat nog te moeilijk. Ze weet er niet voldoende vorm aan te geven en de slappe constructie verraadt hier de oppervlakkigheid. H. v. C. --- MUZIEK. Lener Kwartet. Het Lener Kwartet is nog altijd een der meest populaire ensembles bij de liefhebbers van het kwartetspel. De heeren speelden gisteravond in het Muzieklyceum voor de leden van den Amsterdamschen Kunstkring en zij vonden er een uitstekend bezette zaal, die met groote voldoening luisterde naar Brahms' op. 51 no. 2, Schumann's op. 41 no. 3 en Haydn's op. 76 no. 2. De Leners houden zich bij de samenstelling van hun programma's altijd aan den veiligen kant; de moderne kwartetlitteratuur heeft hun belangstelling slechts matig. Maar men hoorde dan toch weer eens een niet vaak voorkomend werk als Schumann's kwartet, dat wel een reproductie van groote meesters noodig heeft om het nog te kunnen volhouden. Schumann had hier zooals zoo vaak schoone vondsten, maar het viel hem moeilijk er een gave compositie van te maken. Hij is breedsprakig en ontwikkelt niet zelden meer vertoon dan door den „inhoud" van zijn muziek verantwoord is. Bovendien zij:i de invallen, die Schumann hier had nogal zeer verschillend van waarde en stemming en dat komt aan de eenheid van de compositie evenmin ten goede. Doch het dient erkend, dat Lener en de zijnen het werk in een forschen greep pakten en daarin wisten te vereenigen, wat zich schijnbaar niet al te best vereenigen laat. Maar toch was het verschil tusschen dezen Schumann en een meesterwerk als Haydn's tweede kwartet uit opus 76 duidelijk hoorbaar. Nu is dit kwartet dan ook wel een kunststuk van de hoogste orde. Het geeft een geserreerde uitdrukkingskracht, welke den toehoorder, die Haydn alleen zou kennen als den componist van „Die Schöpfung" en „Die Jahreszeite.i" verbaasd zou laten staan. De Haydn van de kwartetten, vooral die uit zijn rijpsten tijd, waarvan het onderhavige werk er een is,'heeft niets meer gemeen met den Haydn, waarvan de mare gaat, dat hij nv/gal zoetelijk was aangelegd. Integendeel, men hoort in dit in d kl. t. geschreven werk een toon, die veeleer verwant schijnt aan de verhelen demonie, als men het zoo noemen wil, die men ook zoo vaak bij Mozart aantreft. Het wil mij evenwel voorkomen, dat Lener en de zijnen ons dezen keer de hoogte en de diepte van dit werk niet zoo hebben doen zien als wij dat van hen mochten verwachten. Er waren natuurlijk sublieme passages in hun voordracht, maar over het algemeen leek deze vertolking toch wat oppervlakkig en zelfs wel eens wat slap waaronder de toonkwaliteit ook te lijden had. Het publiek heeft het ensemble met gul applaus zijn waardeering voor dezen avond betoond. H. --- Door een defect aart de stuur-inrichting verkeerde het Duitsche stoomschip „Kurt Hertwig Siemers” bij Hoek van Holland in nood. De sleepboot „Witte Zee" schoot te hulp en sleepte.het schip den Nieuwe Waterweg binnen. --- ADRESVERANDERINGEN Wij verzoeken onze abonné's beleefd bij opgave van adresverandering ook het oude adres te vermelden. --- KUNST EN LETTEREN SCHILDERKUNST. FRANS HALSTENTOONSTELLINO TE HAARLEM. De directeur van het Museum verzamelt! Onze Haarlemsche correspondent schrijft: Eenige maanden geleden meldden wij, dat te Haarlem het plan was opgevat in 1937 ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Frans Halsmuseum een groote expositie van de werkstukken van den meester te houden. De gemeente verleende reeds spoedig principieel haar medewerking, door deel te nemen in het garantiefonds, terwijl thans vast staat, dat het geheele benoodigde bedrag bijeen is, dank zij ook de goede hulp van vele particulieren. De directeur van het museum, de heer G. D. Gratama, is op 'zoek gegaan naar Frans Halsen en hij vertelde ons, dat het voorloopig resultaat bevredigend is. Hij maakte een reis naar Duitschland, waar hij in verschillende musea 40 schilderijen bezichtigde en 32 uitzocht. Er moeten nog vele formaliteiten achter den rug zijn, eer de stukken in Haarlem kunnen aankomen, maar de directeur rekent toch wel op de helft van het bezichtigde. Bovendien is hij I er in geslaagd van particulieren in Duitschland een en ander ter leen te kunnen krijgen. De volgende reis is naar Frankrijk, waar waarschijnlijk geen moeilijkheden ondervonden zullen worden in de plaatsen, waar meesterstukken van Hals te vinden zijn. In Amerika moeten volgens ingewonnen inlichtingen ongeveer honderd werken van den meester verblijven. Het is natuurlijk niet mogelijk, om daar naar toe te gaan, ook al om financieele redenen. Maar de correspondentie is in vollen gang en enkele toezeggingen zijn reeds binnen. De expositie, die een unicum zal worden'en uit binnen- en buitenland ongetwijfeld duizenden bezoekers zal trekken, wordt geopend op 30 Juni 1937 en zal drie maanden duren. --- TOONEEL. „De heer en mevrouw Severin", door André Ransott. — Grand Théatre Gooiland. Satyre of draak? Eigenlijk zweeft de comedie van den heer en mevrouw Severin in een grensgebied, zoodat het een kwestie wordt van de instelling van den toeschouwer. De één zal het een draak vinden, de ander een satyre en het is heel moeilijk vast te stellen, wie het meest ge lijk heeft. De hoofdpersoon, de heer Severin, is een mensch, die weet hoe hij zich op het leven moet instellen. Hij is volmaakt gelukkig, alleen al omdat hij gelukkig zijn wilen geen enkele reden aanwezig acht om dat geluk te laten verstoren, ook niet door die dingen, welke hij „kleine menschelijke bokkesprongen" noemt, maar die toch veelal in staat zijn een heel menschenleven te vernietigen. Meneer Severin heeft de juiste instelling op het leven gevonden en daarvan is 'ie overtuigd. En toch is er één, op wie hij zich niet goed heeft ingesteld: mevrouw Severin. Mevrouw Severin is niet tevreden met haren apathisch gelukzaligen, nooit uit zijn evenwicht te brengen echtgenoot. Zij wil vroolijkheid, gezellig uitgaan — maar je moet toch weer thuis komen ook, zegt Severin, en daarom blijft hij maar thuis — en er mag ook zoo nu en dan heusch ook wel eens een buitje aan den echtelijken horizon opkomen. In haar verlangen naar een emotioneeler huwelijksleven past mevrouw Severin een klassiek middel toe: de jaloerschheid. Een oude, trouwe vriend van den echtgenoot, meneer Bidou, die al twintig jaar lang iederen avond met den heer Severin een partijtje schaak speelt, moet haar helpen. En dan begint het spel om hel geluk van twee menschen, die van elkaar verschillen en toch bij elkaar als pool en evenaar. In geestige dialogen heeft de auteur de situatie uitgewerkt en ais het doek voor de laatste maal is gevallen, hebben wij van hem geleerd, dat „niet weten" een basis kan zijn om gelukkig en tevreden verder te leven. De heer Severin weet niet, hoe de verhouding tusschen zijn vrouw en Bidou zich, althans ten aanzien van dezen vriend, heeft ontwikkeld en mevrouw Severin verkeert in den waan, dat haar man eindelijk eens om harentwille zich „als een man" heeft gedragen. Is zulk een „niet weten" een hechte basis? Op die vraag geeft de comedie geen antwoord. Een klein groepje van de Amsterdamsche Tooneelvereeniging heeft deze comedie prachtig voor het voetlicht gebracht. Voor de milieu-teekening was prachtig, dank zij het voortreffelijke ensemble-spel en de goed geslaagde décors en costumes anno 1888. Ook den regisseur A. Defresne komt alle lof toe. Oscar Tourniaire wist prachtig den juisten toon te treffen in zijn uitbeelding van de figuur van den heer Severin. Hij was een burgerlijk en steeds goed geluimd manneke, dat gezellig knikkebolde, wanneer zijn vrouw — Wilhelmina Duymaer van Twist — haar temperament in een woordenvloed over hem uitstrooide. Zij was vooral ook goed als de wel wat theatrale vrouw, waarvan men zegt, dat de vorige eeuw er zoovele heeft gekend. Jo Sternheim toonde, als meneer Bidou, tot de beste acteurs van onze plankenwereld te behooren. Van dezen zonderlingen vriend des huizes maakte hij een aanvaardbare figuur en dat op zich zelf is al een mooie prestatie. Sara Heyblom, Peter van Hulzen en Tatio Wyma vervulden de bijrollen naar behooren. Er waren bloemen voor Wilhelmina Duymaer van Twist. --- ONS DAGELIJKSCH KINDERVERHAAL COLUMBUS DE ONTDEKKER VAN AMERIKA 281. De dikke huisknecht trad binnen en meldde twee bezoekers aan. Het waren de schrijnwerker met zijn neef. matroos Bormejo. De dorpsgenooten van den ouden zeevaarder, voelden wel dat zij nu moesten vertrekken. Want de twee heerschappen hadden zooveel te verstaan gegeven dat zij Columbus direct wilden spreken. Ongaarne vertrokken de lieden, want net zou Columbus vertellen van zijn reis naar Spanje in boeien gekluisterd. Daarbij had hij hen die ketenen laten zien. 282'. Columbus, die vader Bormejo herkende als de pleegvader van Rodo. noodigde hem verheugd uit binnen te komen. Wie neef Bormejo was, was gauw vertelt. Eenige ververschingen werden aangeboden, die de beiden gasten zich goed lieten smaken. Eindelijk vroeg Columbus wat hen hierheen voerden. Vader Bormejo haalde een doosje voor den dag, opende dit en haalde er een ring uit. De Meester schudde van neen. „Neen, heer." zeide hij, „Diëgo is zoo gezond als maar mogelijk is en zijn ring heeft hij aan de hand." Een diepe rimpel trok over het voorhoofd van Columbus. „Dan moet deze ring van mijn verloren zoontje zijn." zei hij. „Die waarschijnlijk door slechte doortrekkende zwervers is ontvoerd, op jeugdigen leeftijd." --- KUNST IN DE HOOFDSTAD SCHILDERKUNST. Tentoonstelling van schilderijen door A.C. WïLLINK in de Kunstzaal van Lier, Rokin 126. Het werk van dezen schilder toont grooten vooruitgang. Deden vroeger zijn leege straten met een of meer figuren erin vaak bizar, kil en gewild primitief aan, thans komt Willink met geheel ander werk voor den dag. Men zou hem nu den schilder der groote verlatenheid, der stille eenzaamheid kunnen noemen. Levende wezens ziet men nauwelijks meer op deze klassieke, statische landschappen met dreigende luchten. Hun grootschheid kan men enkel afmeten naar een oud Romeinsch beeld of een wit oplichtend slot ergens in het dal. Zoo ziet men op „Statue" (no. 1) een rijzige vrouwefiguur tegen een hooge zuil, terwijl het onherbergzame berglandschap zich eenzaam ontrolt onder een bewogen, zwartgrijze lucht. Dit motief keert herhaaldelijk in Wïllink's uitvoerig behandelde werken terug, waarvan de grootste winst is, dat er een accent van bewogenheid leeft in deze nauwgezette verantwoording der gedroomde werkelijkheid. Het „Riviergezicht" (no. 6) werd uiterst verfijnd behandeld. Fraaie wolkschaduwen trekken over de bergen en het water, waar alles stil is en in zich zeif gekeerd. „Arkadisch landschap" (no. 5), waar overal de rotsblokken uit het geheei verstilde water oprijzen, is een schilderij van enkel rust en verfijnde bezinning met een groen-blauwen hemel erboven. Over het algemeen is Wïllink's kleur donker, zelfs somber, zooals b.v. in "Jachtslot" (no. 2), waar men een fragment ziet van een klassiek slot met Romeinsche beelden, het ver vóór zich wegschuivende berglandschap trotsch beheerschend. Het is een sterk suggestief schilderij, hetgeen de schilder in tegenstelling met vroeger door natuurlijke middelen bereikt. Naast deze Romeinsche landschappen vindt men op de tentoonstelling ook twee zelfportretten van den kunstenaar, uitvoerige werken, maar tevens bewogen, vooral het zelfportret met schedel, waarin gevoelige lichtspelingen zitten. --- Wielrijder door auto gegrepen. Te negen uur is gisteravond een 25- jarige wielrijder toen hij uit den inrit van een rijwielstalling de Nassaukade opreed, door een auto gegrepen. Hij kwam op de motorkap terecht en sloeg daarna met het hoofd door de voorruit. Met een diepe vleeschwonde aan het hoofd en vermoedelijk een lichte hersenschudding is het slachtoffer naar het Wilhelmina-Gasthuis vervoerd. --- MUZIEK. De Wiener Stingerknaben in Concordia te Bussum. Het optreden van de Wiener SSngerknaben in Concordia te Bussum is een groot en verdiend succes geworden. De twintig jongens, die in koorkleedjes opkwamen, begonnen hun repertoire met geestelijke liederen. „Canite tuba" waarin vooral het „annuntiate" een sterken toets kreeg, was hier en daar nog niet geheel af, ■wat den inzet betrof, doch bij het volgende lied uit het Lijdensmotief: Tenebrae factae sunt was het geheel reeds volmaakt zuiver afgestemd. Bijzonder trof de zin: Domine in manus tuas emendo spiritum meum. Als slot van de Latijnsche liederen volgde nog het Ave Maria van Gounod, terwijl dit gedeelte van de uitvoering besloten werd met „Gott in der Natur" met op het laatst het met telkens grooter aandrang herhaalde: „Lob dem Gewaltige". Voor de pauze werd nog de kleine opera van Mozart opgevoerd: Die betrogene Nachbarin. De jongens toonden zich hierin behalve uitstekende zangers ook goede acteurtjes met aardige gebaartjes en reeds veel tooneelroutine. Het applaus zwol aan tot een ovatie. In het tweede gedeelte van den avond werd een luchtig programma afgewerkt dat begon met het Standchen van Schubert, gevolgd door het teere „Abendgang im Lenz". Veel bijval vond het vlotte en geestig voorgedragen Madele, ruck, ruck, ruck, terwijl besloten werd met de „Deutsche T3nze" van Schubert, die ook eens Sangerknabe was. Als toegift volgde natuurlijk „An den schonen blauen Donau", waarop de kleine zangers en hun leider Victor Gomboz als toegift een groote plak chocolade kregen. Het publiek toonde zich opgetogen over dezen buitengewoon zuiveren capellazang, die bewees dat met goede scholing een hooge graad van perfectie te bereiken is mits het stemmenmateriaal goed is. , En dat is bij deze Wiener Sangerknaben ongetwijfeld het geval. --- NIEUWE UITGAVEN. De stille strijder door O. van Bokhorst. Uitgave G. F. Callenbach, Nijkerk. De stille strijder, dien G. van Bokhorst in dezen roman schetst, is er een uit het groote legioen der onbekenden. Daarin strijdt hij voor zijn gezin, onopgemerkt maar onversaagd en bezield met den vasten wil om te winnen. En hij wint, deze eenvoudige arbeider! Zijn Ideaal, dat het hem door noesten arbeid moge gelukken zijn oudsten zoon Wulfert een trap hooger op de maatschappelakker te doen stijgen door het halen van de onderwijzersacte, ziet hij kort voor zijn tragischen dood vervuld. En eerst dan beseft Wulfert van Wengen, die getrouwd is met de dochter van den „bovenmeester", de diepste roerselen van zijns vaders stil gemoed. Maar vader Barend heeft in zijn strijd een grooten steun gehad aan zijn Beertje, eenvoudig moedertje bezorgd om vele kleine dingen. Die kleine dingen zijn met bijzondere voorliefde geobserveerd en beschreven, overeenkomstig de bedoeling van den auteur een gewoon verhaal te vertellen van alledaagsche menschen, waarin hij uitstekend geslaagd is. Voor de bewoners van het Gooi is een bijzondere aantrekkelijkheid, dat het verhaal zich in onze landstreek afspeelt zoodat in het bijzonder de Hilversummers vele plekjes in het boek zullen herkennen. De uitgever zorgde voor een keurigen band, dte aan het boek een zeer verzorgd aanzien geeft. --- Libellenserie, Bosch en Keuning te Baarn. In de Libellen-serie zijn weer eenige aardige nieuwe werkjes verschenen. No. 131 is een „handleiding voor verzamelaars van postzegels" door G. J. Peelen. Uit de geschiedenis der postzegels en der philatelie wordt hierin het een en ander verteld, terwijl verder de maatregelen tegen vervalsching, de rubriceering en dergelijke aan de orde komen. Dr. VV. J. A. Schouten schreef over „De wereld der sterren" (no. 174). Belangrijke astronomische problemen als die van den bouw en de structuur van het heelal, van de afstanden der sterren en de beteekenis van nevels en Melkweg worden hierin op bevattelijke wijze behandeld. No. 193 is van de hand van M. Barendrecht-Hoen en draagt tot titel „De toovertuin der Alpen". Over de flora van de Alpenwereld wordt hierin veel wetenswaardig verteld, terwijl talrijke mooie foto's de weelde van deze wereld in beeld brengen. En ten slotte is er nog No. 192, waarin dr. P. J. Waardenburg, privaat-docent in medische erfelijkheidsleer aan de Rijks-Universiteit te Utrecht, een diepgaande beschouwing wijdt aan het moeilijke vraagstuk van de erfelijkheid bij den mensch. ---