THEEVISITE. Kleine An heeft theevisite Van haar buurtjes Rie en Noor. Annefje doet heel gewichtig Als een echte gastvrouw, hoor! Zij schenkt thee voor Noor en Rietje, Beiden melk en suiker, ja? Wilt u cake, of heeft u liever Soms een plakje chocola? „Foei, Marjo, je mag niét vragen" Zegt An tot haar poppekind, „Jij weet toch wel, dat jou mammie Dat beslist niet neti»*- --- Een stad, onder steen bedolven Interessante vondsten te Herculanum Herculanum is een plaatsje, dat vroeger aan. den Noordvoet van den Vesuvius lag. In het jaar 79 n. Chr. heeft een der hevigste uitbarstingen van 'dezen vulkaan — die overigens ook nu nog wel eens spookt! — plaats gehad. Die uitbarsting kwam zóó onverwacht, dat de twee stadjes Pompeï en Herculanum met haar bevolkingen volkomen verrast werden. De menschen» vonden een snellen verstikkingsdood en werden met de stadjes bedolven onder de steenen en de lava, die uit den. berg naar buiten werd geslingerd. Herculanum lag het dichtst bij den berg en werd met een laag lava bedekt, die meters boven de huizen uitstak. De gloeiende lava. stolde en steenhard en niemand, die het niét wist, zou Vermoed hebben, dat daaronder eens een'ijverig stadsleven was geweest. De laag van de lava verweerde spoedig en vormde een zeer vruchtbaren , bodém, waarvan de mensch wldra weer bezit nam voor zijn landbouw. Boven 't bedolven Herculanum verrees een nieuw dorp: Resina. «; Eeuwenlang bleven de schatten in dén grond onaangeroerd, doch in de JBe eeuw, toen de belangstelling voor de oudheid groeide, vatte men 't plan op, de beide stadjes op te graven. In 1738 begon men bij Herculanum te graven: een ontzettend zwaar werk! Steen voor steen moest worden weggehakt en dit kostte, zooals je gemakkelijk begrijpen kunt, kapitalen aan arbeidsloon. Hoewel er dus ook in dien eersten, tijd belangrijke dingen gevon-' den zijn, heeft de eigenlijke oude stad Herculanum eerst veel later het daglicht teruggezien. Op den eersten October 1738 gaf de toenmalige koning van Napels, Charles van Bourbon, den Spaanschen ingenieur. Alcubierre de opdracht, samen met den Zwitserschen architect Karl Weber, met de opgravingen te beginnen, terwijl de historicus Francesco La Vega intusschen zou trachten, uit oude documenten een stadsplan van Herculanum op te duiken, waaraan men zou kunnen zien, hoe en waar de opgravingen het best konden worden begonnen. Het laatste gelukte echter niet en zelfs nu zijn de Italiaansche geleerden nog altijd tevergeefs aan het zoeken naar dezen plattegrond. Het allereerst werd de groote schouwburg van Herculanum ontdekt en verder het gerechtsgebouw en eenige tempels. In 1750 en 1765 stiet men op het z.g. „huis der papieren", een onschatbare bibliotheek, waar tevens tal van prachtige beelden werden gevonden. Erg systematisch werd er in dien ouden tijd nog niet gegraven; 't was eigenlijk meer een buitmaken van kostbare voorwerpen, die dan in allerijl naar het museum te Napels werden gebracht, dan een blootleggen van het stadsplan. Als men ergens een toegang had gemaakt, daalden de geleerden door de nauwe gangetjes in de oude stad af en sleepten weg, wat kon worden losgebiki. Toen er nu zoowat niets meer te halen was, bleven de opgravingen een tijdlang liggen. Éérst in 1828 begon men van boven " af té graven/ Eerst werden toen twee alleenstaande huizen ontdekt, het z.g. „huis van Argos" en later, .-tusschen 1869 en 1875, onder *de regeering van Victor Emanuel 11, twee huizenblokken, die in de oude stad „eilanden" werden genoemd en de ingang van de volksbaden. En nu is in 1927 onder Mussolini het werk weer met nieuwen moed opgevat. Professor Majuri kreeg thans de leiding. Hij begon met het stadje Resina, dat precies boven de oude stad Herculanum ligt, gedeeltelijk te laten ontruimen en afbreken. Dit bracht wel veel schade mee, doch voor een juist beeld van de geschiedenis moet men iets over hebben! Veel prachtige dingen zijn nog gevonden, zoo- A: dat de oude schrijver Statius, die in zijn geschriften opgeeft van de schitterende inrichting der paleizen tè Herculanum, volkomen gelijk krijgt. Deze paleizen zijn nu aan het licht gekomen en men heeft hierin de fraaiste wandschilderingen ontdekt, die een duidelijk beeld geven van de Romeinsche kunst in die oude tijden. Ook vond men nog kort geleden een reeks bronzen en marmeren borstbeelden, die keizers voorstellen. Dank zij de voorzichtige graafmethode van prof. Majuri is dit alles onbeschadigd te voorschijn gekomen. De heele openbare badinrichting is thans voor den dag gekomen, verder nog eenige „eilanden" en een complete waterleiding met watertoren. Het schijnt, dat Herculanum een naar onze begrippen tamelijk klein stadje was. Het inwonertal wordt op 4000 a 5000 geschat. --- Ons oog; grootste kunstwerk der schepping! Als men ons oog vergelijkt met een eersteklas fototoestel, dan schijnt het op het eerste gezicht, alsof de techniek hier de natuur heeft overtroffen; inderdaad schijnt de lens van de camera beter te zijn dan de lens van het oog. De ronding van het hoornvlies is nooit zóó precies als bij een precizielens, kleine korreltjes en stofjes zweven ook soms voor onze oogen. Dit kun je goed merken, als je tegen 'n effen, grijze lucht aankijkt. Het gezichtsveld is dan niet volkomen egaal, maar er „drijven" altijd wel enkele oneffenheidjes in, die niét in de lucht, maar in je oog zitten. . , Een ander „foutje": als we 's avonds gaan wandelen, dan lijken ons alle lichten uit de verte nét stralende sterren met onregelmatige stralenbundels, ofschoon de lantaarns toch hun licht regelmatig verspreiden. Dit verschijnsel kan worden verklaard uit de onregelmatige lichtbreking aan de oppervlakte van ons oog, dat altijd eenigszins vochtig is, en dit valt nog meer op, als een zeer sterk licht op een zeer klein gedeelte van de oogoppervlakte valt. Is nu werkelijk de menschelijke techniek de natuur vooruit, wat het oog betreft? O neen, juist de nieuwste onderzoekingen hebben uitgewezen, dat ons oog meer presteert dan de allerbeste en duurste camera ter wereld. Ten eerste zien wij in vorm en kleur en verder is het oog de camera de baas, omdat het precies even scherp dichtbij als veraf kan zien. Deze eigenschap van de ooglens, om de bolvormige ronding van haar oppervlakte binnen een honderdste deel van een seconde op veraf en dichtbij in te stellen, is op zichzelf al een voordeel van de levende stof boven het doode glas, dat het glansrijk tegen alle nadeelen opweegt. Verder hei-ben de geleerden vastgesteld, dat ons oog precies gebouwd is in harmonie met de wetten van het licht. Enkele jaren geleden stelde prof. Planck de theorie op, dat de lichtstralen bestaan, uit zeer kleine krachtdeeltjes, die als kogeltjes, afgeschoten uit een denkbeeldig geweer, ons oog treffen. De geleerden hebben nu uitgerekend, hoeveel van zulke „lichtquanten", zooals ze genoemd worden, wel noodig zijn, om net nog de cellen van het netvlies te prikkelen en ontdekten, dat één lichtquant reeds de gewaarwording van licht kan oproepen. Dit nieuw ontdekte feit is van groote beteekenis: het toont ons n.1., dat ons organisme zich op bewonderenswaardige wijze bij de natuur aanpast; Hoe verder de wetenschap voortschrijdt en doordringt in de geheimen van bouw en functie van ons oog, des te grooter wordt onze bewondering voor dit schitterend geconstrueerde orgaan. --- Een bruid en een bruidsmeisje Twee snoezige modelletjes voor onze Poppenkinderen De meesten van jullie, beste meisjes, hebben ongetwijfeld de pop voor de tentoonstelling al klaar. Maar misschien zijn er onder jullie toch nog enkele laatkomertjes, die nog voor den 15en haastig een mooi poppentoiletje moeten vervaardigen, omdat ze er, om de een of andere reden, niet eerder toe gekomen waren. Voor deze treuzeltjes geef ik ditmaal nog eens even een paar origineele modelletjes. We zien hier een poppenbruid in wit satijn met een bruidsmeisje, dat een japonnetje van goüdbrocaat met een vestje van witte zijde draagt. Laten wij allereerst het lieve bruidje eens even bekijken. Dit bekoorlijke poppenkind draagt, zooals ik al zeide, een toiletje van wit satijn. Het jurkje is zeer eenvoudig, het heeft lange mouwen met manchetjes, een breeden kraag, die uit een vierkant geknipt is en een wijden rok met sle,ep. Langs den kraag en den rok is een smal dönsrandje aangebracht. De fijne sluier is op het hoofdje bevestigd met een enkele, witte bloem, die je ook weer uit zijde kunt vervaardigen.. Denk er aan, dat je den rok als een geheel kunt knippen, terwijl de sleep er apart aan bevestigd wordt. Het japonnetje van het bruidsmeisje heeft korte pofmouwtjes, een nauw keurslijfje en opk alweer een wijd uiteenwaaienden rok met diepe plooien. Achter aan den rok is een strik van witte zijde vastgemaakt, terwijl het vestje van een rij kleine, goudkleurige knoopjes voorzien is. Dit aardige sleepdraagstertje heeft in het haar een krans van blauw satijnen bloemen, die op een lint bevestigd zijn. Is dit niet een allerliefst paartje? Misschien zijn er wel twee zusjes, die ieder een pop voor onze groote tentoonstelling in orde maken en die tezamen dit mooie bruidje met haar bruidsmeisje willen nabootsen. Of twee vriendinnetjes, die hetzelfde doel beoogen. In ieder geval: bruidjes zijn op ons pop- zeker welkom. We zullen haar met den noodigen eerbied ontvangen en haar een eereplaatsje in onze tentoonstellingszaal geven. v Zooals jullie ziet, is bij de voorbeelden een patroon van het bruidtoiletje gevoegd. --- ONS GROOTE VERHAAL Het meisje uit den molen HOOFDSTUK XII. De donkere dagen voor Kerstmis. Den volgenden morgen was Wiepke al om zes uur uit de veeren. Ze had slecht geslapen en voortdurend benauwd gedroomd. Eindelijk kon ze het in bed niet langer uithouden, ze stond op, ofschoon het buiten nog geheel donker was en ze de kou als een vochtige, kille deken om zich heen voelde. Wiepke rilde in haar flanellen nachtponnetje. Hè, wat was het vreemd in huis, nu Vader en Moeder weg waren! Schuw keek Wiepke de kamer rond, ze voelde, dat ze bang was, al hoorde ze oude Trui op het veldbed bij het raam rustig ademen en al lag Berendje in z'n witte wiegje genoeglijk op z'n duimpje te zuigen. Vreeselijk, dat Moeder nu minstens twee of drie dagen in de stad moest blijven, om alles voor Vader in orde te maken. „Wees nu flink, lieveling", had ze gezegd, voor ze in de auto stapte. „Ik laat je alleen, maar ik kom voor het einde van de week terug. Oude Trui zal voor het jongetje en jou zorgen en ik verwacht van je, dat je heel gehoorzaam en lief zult zijn. Ik ben zooeven bij buurman Lust geweest, die zal morgenochtend de knechts inlichten. Zij weten, wat er te doen is en kunnen hun gang gaan, ook al is Vader er niet." Wiepke overdacht dit alles, toen ze bij de pomp haar brandende oogen bette. O, ze zou het niet erg gevonden hebben, alleen met oude Trui in den molen te blijven — integendeel, ze zou Voder en Moeder graag getoond hebben, wat ze waard was in tijden van nood, maar haar geweten liet haar niet niet rust. Zij had immers het luik op den eersten zolder open gelaten. Waarom ze het opgeslagen had, wist ze niet eens meer; spelenderwijs had ze, snuffelend tusschen de zakken met graan, het zware luik opgetild, omdat ze probeeren . wilde, hoevpr haar krachten gingen. En toen — ja, nu •wist ze het opeens weer — toen meende ze geritsel te hooren en — waarlijk — daar stak een aardig, klein, grijs muisje z'n spits kopje om den hoek van een stapel touw. Heel voorzichtig was Wiepke naderbij gekomen, aangetrokken door het fijne gepiep van dat grappige langstaartje met z'n •slimme, zwarte oogjes en z'n guitig snuitje, maar rrrt.weg was Pietje Grijsoor en Wiepke had er het nakijken van. • Weer rilde het kleine meisje. Ze herinnerde zich nu heel goed, dat ze met hei touwtje, dat ze voor Jannie's Sinterklaaspakje van zolder gehaald had, naar beneden was geloopen en dat ze het luik had vergeten te sluiten. En die onachtzaamheid kostte Vader misschien het leven! Wie weet was alles nog veel erger, dan de dokter oorspronkelijk gedacht had! Stel je voor, dat Vader behalve een bezeerd heupbeen en drie gebroken ribben ook nog andere inwendige kneuzingen opgeloopen had! Stel je voor, dat Vader sterven moest! Wiepke kon zich niet langer goed houden. Op de tafel, die nog vol onuitgepakte cadeautjes lag — daar had die goede Moeder, toen Wiepke weg was, immers voor gezorgd — legde ze haar hoofdje en schreide heete tranen. Zoo vond Trui, die een kwartiertje later wakker schrok door de kraaiende geluidjes van kleine Berendje, haar. „Wat heb je, kind?" De goedige, bevende, oude stem klonk zacht en medelijdend. Wiepke keek eens in het rimpelige gezicht, dat over haar heen gebogen was. Ze zweeg. „Vertel ouwe Trui maar, wat er op je hartje ligt", zei het grijze vrouwtje, Wiepke's bruine vlechtjes streelend. En toen barstte Wiepke los. Dat zij — zij — het luik op zolder opengelaten had — dat zij zoo bang was, dat zij voor die nalatigheid gestraft zou worden — dat.,— dat zij vreesde, dat Vader sterven moest. « Als een heel klein kindje nam de oude vrouw haar op schoot. \ „Och, m'n arme Wiepekind, wat haal je je voor muizenissen in je hoofdje. Erg is het, dat je het luik niet gesloten hebt — ja. Maar ik geloof zeker, dat Vader beter worden zal en als hij dan weer hier is, dan zul je hem toch zeker alles vertellen?" „Natuurlijk", knikte Wiepke nadrukkelijk. Twee dagen later kwam Moeder thuis en die bracht het heerlijke nieuws, dat Vader inderdaad genezen kon. Maar 't zou lang duren, eer hij weer heelemaal de oude was. Hij lag nu in het gips en hij zou voorloopig het ziekenhuis niet kunnen verlaten. Wiepke wist niet, of ze lachen of huilen moest. „Moes", fluisterde ze, ,ik heb u iets heel ernstigs te vertellen.'..." En toen stortte ze haar hartje voor Moeder uit. Zonder iets te zeggen, liet deze haar uitspreken. „Mijn lief, onnadenkend meisje", prevelde ze eindelijk. „Gelukkig is alles nog vrij goed afgeloopen. Wees voortaan oplettender, beloof me dat. En nu, lieverd, geef me een zoen, want boos kan ik niet op je zijn. Ik begrijp: je bent al genoeg gestraft." Wiepke nestelde zich in Moeders armen. „Wat bent U lief voor me," zuchtte ze. „Eigenlijk moest U kwaad op me zijn." Moeder glimlachte eens even. Och, dacht ze, dom kindje. Je hebt het immers niet met opzet gedaan. „Weet je, Wiepekind, we moeten samen probeeren, dapper te zijn.-Er komt een moeilijke tijd voor ons. Vader zal minstens zes weken wegblijven en als hij dan terug komt, is hij natuurlijk maar niet dadelijk weer flink en sterk. Ik moet dus met' CerT rit en Jacob de zaken in den molen regelen. Zul je me, zooveel je kunt, helpen?" „Graag, Moes," zei Wiepke en ze meende het. Het wérd een moeilijke tijd voor kleine Wiep. Vader bleef langer weg dan ze gedacht hadden. Twee maal in de week ging Moeder naar stad en dan bleef het' kleine meisje den geheelen dag alleen met de knechts en oude Trui. De dagen waren donker en stil, de regen kletterde tegen de ruiten en groote, grijze wolken dieven langs den lagen polderhemel. O, wat verlangde Wiepke in dezen winter dikwijls naar de Lente, als het buiten weer licht en zonnig zijn zou. Maar het moet gezegd: ze deed haar best, om opgewekt en vroolijk te zijn en den anderen niets van haar onrust te laten merken. Voor Berendje bleef zij het zorgzame moedertje, dat zij altijd geweest was en oude Trui had een heele hulp aan haar. Wiepke zorgde wel, dat niemand iets van naar moeilijkheden begreep: alleen met de trouwe Jannie sprak zij soms over alles, wat haar hartje benauwde. Het verveelde het kleine, blonde meisje nooit, naar haar vriendinnetje te luisteren. Zoo gingen de donkere dagen voor Kerstmis voorbij. (Wordt vervolgd). Ö, wat verlangde Wiepke naar de Lente, als alles buiten weer licht en zonnig zijn zou. ---