Advrten tit r Verhoog • } ; de verkeersveiligheid j ; Rijdt op | ; j 1; personenwagenbanden g i Deze zijn door de j» volledige dwarseriftg gj . IDEAAL v| %^ANTI-SLIP^ --- Tsjechische bisschoppen genieten slechts schijn-vrijheid Westen moet zich aan de recente vrijlatingen niet vergapen Onjuiste voorstelling van zaken Een nieuwe golf van communistische propaganda, waarvan ook deze keer bet Vaticaan niet vergehoond la gebleven, beeft Europa weer overspoeld onder do bedrieglijke vorm van de coëxistentie. Het valt licht te begrijpen, dat voor het welslagen van deze propaganda, men moet immers „goodwill" kweken onder de westerse democratieën, ook de volksdemocratieën een duit in het zakje moeten doen. En wat zou beter bun goede bedoelingen kunnen aantonen, zo redeneert men, dan de vrijlating van enige bisschoppen, wier veroordeling het Westen in opschudding bracht? Let wel wU schrijven vrijlating en niet eerherstel. Ook Tsjeohoslowakiie, dat met Polen en Oost-Duitsland wel het meest onder Russisch toezicht staat, heeft voor het welslagen van deze propaganda een offer moeten brengen en aan enkele zogenaamde „vijanden van het volk" de vrUheid moeten geven. D.w.z. men heeft hen uit de gevangenis ontslagen doch voor de rest z(jn zij nog evenzeer gevangen als voor hun ontslag. Zo heeft de Tsjechoslowaakse volksdemocratie de laatste weken twee bisschoppen vrijgelaten: Mgr. Vojtassak. bisschop van Spis, in 1951 tot 24 jaar gevangenisstraf veroordeeld, en Mgr. Busalka, hulpbisschop van de apostolische administrator van Tirnawa, eveneens in 1951 tot levenslang veroordeeld. Geen van beiden mag echter naar zijn bisdom terugkeren en zijn werk hervatten; beiden zijn ondergebracht in een liefdadigheidsgesticht. Hun plaats en hun ambt zijn intussen, op hoger bevel van de minister die het bureau voor erediensten onder zich heeft, ingenomen door een vicaris capitularis, die het volle vertrouwen van de regering geniet (men heeft hier een prachtig voorbeeld van de toepassing van de wet van scheiding van Kerk en staat). Alvorens de bisschoppen hun ambt weer zouden kunnen uitoefenen, zou de regering eerst de door haar in strijd met het kerkelijk recht aangestelde vicarissen capitularis moeten wegzenden. En dit is-zij geenszins van plan, want deze functionarissen, anders kunnen wij hen niet noemen, genieten het volle vertrouwen van hun opdrachtgevers, terwijl de ontslagen bisschoppen dit nu juist niet genieten. Hun ontslag uit de gevangenis is geenszins het gevolg van een erkenning of onderwerping aan de kerkelijke politiek van de regering. Het aan de bisschoppen gegeven verbod om naar hun bisdommen terug te keren bewijst dan ook dat de houding, de vijandige gevoelens van de volksdemocratie tegenover de Kerk nog lang niet zijn veranderd. Zij blijft de Kerk knechten, de coëxistentie is alleen mogelijk voor hen die zich aan de slavernij van een nationale Kerk, los van Rome, willen onderwerpen. Men mag zich dus aan de vrijlating van de twee bisschoppen niet vergapen en er geen ommekeer in de politiek van de volksregering in zien. De volksdemocratie hoopt die indruk juist wel te wekken en om deze idee nog meer levensvatbaarheid te geven, voegde het Tsjechoslowaakse nieuwsbureau, dat de vrijlating van Mgr. Vojtassak cn Busalka aankondigde. eraan toe. dat op het ogenblik alleen Mgr. Trochta, bischop van Litomerice, in 1954 tot 25 jaar veroordeeld, nog in de gevangenis zou zijn. Van de 12 bisschoppen, zo vervolgt het agentschap, zijn er nog vijf in functie: Mgr. Matocha, aartsbisschop van Olomouc, Mgr. Picha van Hradek- Kralove, Mgr. Necsey, apostolisch adminlstrator van Nitra, Mgr. Carsky, apostolisch administrator van Kosice en Mgr. Lazlk, apostolisch administrator van Tirnawa. Vier andere bisschoppen zijn uit hun bisdom verbannen: Mgr. Beran, aartsbisschop van Praag, Mgr. Skoupy van Brno, Mgr. Pobozny, vicaris capitularis van Rosznava en Mgr. Hlouch van Budejovice. De Osservatore Romano tekent bij dit bericht aan dat het volkomen onjuist is. Tsjecho- Slowakije telt 14 bisdommen en niet twaalf zoals het nieuwsbericht laat veronderstellen. Er zijn twee aartsbisdommen, 10 bisdommen en twee apostolische administratoren, zodat het aantal bisschoppen, hulpbisschoppen en administrator* het geval 12 overtreft. Het nieuwsbureau zegt echter niets van Mgr. Gojdic van het geünieerde bisdom Preshow en van zijn hulpbisschop Mgr. Hopko, die beiden gevangen genomen zijn omdat zU zich in 1950 verzet hebben tegen de opheffing van hun bisdom of liever omdat zU weigerden met hun priester* en gelovigen over te gaan naar de orthodoxe schismatieke Kerk. ZU werden met 200 van de Sll priesters die het bisdom telde, veroordeeld omdat zU niet van hun geloof wilden afvallen. Ook wordt er niet gesproken van de hulpbisschop van Spls, Mgr. Barnas, die tot 15 jaar gevangenisstraf Is veroordeeld, noch van Mgr. Zela, hulpbisschop van Olomouc. Het bericht dat er nog maar één bisschop ln de gevangenis zou zijn (Mgr. Trochta) is derhalve met opzet vals en onvolledig. En zouden wij bij het getal van gevangen gehouden bisschoppen ook niet de uit hun bisdom verdreven bisschoppen mogen rekenen? Zij bezitten wel een grotere physieke vrijheid dan de gevangenis biedt, maar zU bezitten geen morele vrijheid, svenmin trouwens als de bisschoppen die nog hun ambt kunnen uitoefenen. Deze laatsten genieten slechts een schijnvrijheid. Al hun bewegingen worden gecontroleerd. Zij moeten aan de regering verlof vragen om het vormsel in de parochies te mogen toedienen en zij mogen zich met hun oriesters slechts onderhouden in tegenwoordigheid van een regeringsambtenaar, voor het merendeel leken en communisten. De regeringsmededeling heeft dan ook slechts één doel: een valse Indruk geven. Daarom is er ook geen ruchtbaarheid gegeven aan de deportatie in september van het vorig jaar van de zusters van het hospitaal te Levoca, waarbij één zuster stierf op het ogenblik van de gevangenneming en een ander tijdens het transport. En nog minder werd er gewag gemaakt van de deportatie op de 27e augustus van dit jaar van de 70 zusters van het hospitaal van Tirnawa. Mgr. Beran, de aartsbisschop van Praag, die men hier In gesprek ziet met de vroegere president van Tsjechoslowakije, Gottwald, is nog altijd de gevangene van het communistische régime. --- RADIO en TFTFVISIE vragen een exacte analyse De tijd is rijp voor practische initiatieven Y T et observeren van de Nederr~W landse geluids- en beeldomroep is een steeds weer boeiende bezigheid, omdat de nauwkeurige waarnemer telkens getroffen - wordt door onverwachte facetten in het complex van krachten en uitdrukkingsvormen van deze bij uitstek massa-communicatiemiddelen. Men moet er zich dan op voorbereiden van de ene verbazing in de andere te vallen, maar het meest blijft men toch verbaasd door het feit,.dat hij — hoewel de omroep te onzent zijn tegenwoordige vorm vrijwel uitsluitend te danken heeft aan het opbouwende werk van particuliere verenigingen, die vooral in de begintijd botje bij botje hebben moeten leggen — in wezen toch zo weinig in de belangstelling staat van het grote publiek. Dat kan zich misschien nog wel eens warm maken voor de een of andere omroepzaak, het is in hoge mate te betreuren, dat kringen die leiding moeten geven aan de economische, sociale en culturele ontwikkeling zich weinig hebben ingelaten met de omroep en zijn problemen. Wanneer men daar tevergeefs aanklopt om actieve medewerking — dit geldt niet in de belangstelling voor de regionale omroepen — dan valt het niet te verwonderen, dat wetenschappelijke onderzoekers zich weinig of niet aangetrokken gevoelen tot de radio. Het aantal publikaties, die sedert het begin van de radio dan ook verschenen zijn, met uitzondering van een aantal pamfletten en polemische geschriften, zijn op de vingers van twee handen te tellen. Er is een studie van dr. Grutzner „De ordening van de omroep in Europa", dr. Enserinck schreef een werk over de geschiedkundige ontwikkeling van de radiowetgeving in Nederland, mej. dr. J. de Boer, secretaresse van de radioraad, promoveerde op een verhandeling over de plaats van de omroep in het openbare leven in Nederland tot 1940, terwijl oud ministerpresident prof. Gerbrandy zich al in 1934 met de omroep heeft bezig gehouden. Na de oorlog kwam er nog een studie van dr. Spelberg (Een radiogemeente) en dr. K. Dijk. En dat is praktisch alles. Na de oorlog is echter duidelijk aan het licht gekomen, dat, wil men de radio in al zijn geledingen leren kennen, deze kennis alleen kan steunen op een uitgebreid feitenmateriaal. Tot dit inzicht is in de eerste plaats gekomen het ministerie van 0., K. en W., dat in 1952 aan het Centraal Bureau voor de Statistiek een opdracht verstrekte tot een wetenschappelijk onderzoek. In de eerste plaats heeft de laatste wereldoorlog ons duidelijk laten zien van hoeveel invloed de radio is geweest op miljoenen luisteraars toen andere communicatiemiddelen wegvielen en in de tweede plaats heeft de minister het als een noodzakelijkheid gevoeld om een gedachtenwisseling rond de televisie waardevol te maken met de ervaringen en gegevens die in de radio zijn opgedaan achter d* hand. De publicatie zelf die ln het voorjaar van 1954 verscheen „pretendeert dan ook niet meer te zijn dan een eerste globale verkenning op het terrein van de radiobeluistering in het kader van de overige vrije-tijdsbesteding", zoals de directeur van het C.B.S. dr. Ph. J. Idenburg in zijn voorwoord opmerkt. TwUfel aan het nut van dit onderzoek verdween als sneeuw voor de zon, want de uitkomsten brachten feiten aan het licht, waarvan men nauwelijks had gedroomd. Het belangrijkste feit is wel, dat het met de aard van de programma's zeker niet zo slecht was gesteld, zoals wel werd gesuggereerd. Cijfers immers wezen het tegendeel uit. Zo is, om slechts een enkel voorbeeld te noemen, de radio na de oorlog veel serieuzer geworden dan voordien het geval was, want slechts 40 pet. van de uitzenduren worden gevuld met ontspanningsprogramma's, terwijl 60 pet. was gewijd aan ontwikkeling en verdieping, omdat o.a. ook het gesproken woord sterk aan betekenis won, mede o.a. als gevolg van een toeneming van hoor• spelen en reportages. Wij mogen gelukkig erkennen, dat in radio- en televisiekringen de betekenis van het objectieve onderzoek is begrepen en als bewijzen daarvan noemen een VPRO-onderzoek enige jaren geleden ingesteld door het Instituut voor het Sociaal Onderzoek van het Nederlandse Volk (Isonevo), een NTS-enquête naar de waardering van de Eurovisie-programma's, die in de Eurovisiemaand in 1954 werden uitgezonden en een VARA-rapport, dat deze omroep samenstelde n.a.v. een onderzoek in april j.l. onder zijn TV-kijkers. Dan is er een dezer dagen een documentair rapport van het Instituut van Perswetenschappen verschenen „Televisie ei» reclame", dat in opdracht van de „federatie van omroepverenigingen" is opgesteld. Doel van deze samenvatting was om materiaal bijeen te brengen voor de discussie over commerciële televisie. En tenslotte moeten wij nog noemen de uitspraken van jhr. Th. Röell en J. W. Rengelink nog niet zo heel lang geleden, waarin deze beide leden van het dagelijks bestuur van de NTS nog eens nadrukkelijk het belang van wetenschappelijk sociologisch-psychologisch onderzoek bepleitten. De genoemde rapporten zijn dikwijls te eenzijdig van opzet en daardoor in hun uitkomsten beperkt. Bovendien missen dergelijke studies, hoezeer ook te waarderen, een zekere eenheid en is van een continuïteit al helemaal geen ■ sprake. Deze overwegingen brengen ons er toe de vraag te stellen ot er niet binnen academisch verband een vorm van wetenschappelijk onderzoek te creeren valt, die aan een duidelijke practische behoefte tegemoet komt? --- Wereldprotestantisme Voor enige weken is bij de firma Romen en Zonen te Roermond- een boek verschenen, waarvan met recht en reden kan worden verwacht dat het menige scheve opvatting, die taai voortleeft onder de Nederlandse katholieken, zal recht zetten en dat dezen bovendien een kennis bijbrengt, welke in onze tijd zonder meer onmisbaar moet worden geacht. Wij bedoelen „Het Wereldprotestantisme", geschreven door een deskundige bij uitstek, prof. dr. W. H. van de Pol, hoogleraar in de fenomenologie van het Protestantisme aan de Universiteit van Nijmegen. Het werk is verschenen als onderdeel van de reeks ~De godsdiensten der mensheid". Een bijzonder aantrekkelijke eigenschap van deze uitvoerige studie zouden wij met nadruk voorop willen stellen: ondanks de brede en diepe eruditie, die eraan ten grondslag ligt is 'i.het Wereldprotestantisme" geen droog wetenschappelijk boek geworden, dat maar moeizaam te volgen is. Elke lezer, die over enige algemene ontwikkeling beschikt, kan het in zich opnemen. Dat is ook de bedoeling van de schrijver, die zich richt tot „een zo wijd mogelijke lezerskring" en met deze opzet overal rekening houdt. Op de tweede plaats moet erop gewezen worden, dat hier geen theologie wordt bedreven. De auteur wil alleen „van het wereldprotestantisme, zoals het zich in verleden en heden feitelijk aan ons voordoet in heel zijn bonte verscheidenheid van typen en schakeringen, een alzijdig, goed geproportioneerd en werkelijkheidsgetrouw beeld geven", waarbij hij streeft „naar een zo groot mogelijke billijkheid, onpartijdigheid en objectiviteit". Uit deze opzet volgt onmiddellijk, dat het Nederlandse protestantisme, zoals wij dit kennen, geen norm is noch kan zijn voor de hier gegeven uiteenzettingen, daar het immers in het grote geheel van het wereldprotestantisme „maar een klein onderdeel" vormt. Aan de actualiteit van dit boek bestaat niet de minste twijfel. Het wereldprotestantisme verkeert „in een stadium van vernieuwing en herleving". „Het ontwaakte wereldprotestantisme maakt zich op om eigen innerlijke tegenstellingen en onenigheden te overwinnen en om de mensheid van de toekomst te winnen voor het Evangelie". Aan deze „levende werkelijkheid" kan men niet achteloos voorbij gaan. Vooral voor de katholieke kerk betekent dit een zeer ernstig te nemen uitdaging. Elke afzonderlijke katholiek zal daartegenover zijn houding hebben te bepalen en er „op praktisch-godsdienstige wijze vanuit zijn eigen geloofsovertuiging en geloofsbeleving mee in het reine moeten komen". Het gaat in laatste instantie om de Waarheid. Het is daarom vanzelfsprekend, dat een behoorlijke kennis van het Wereldprotestantisme voorwaarde Is voor een vruchtbaar gesprek. Voor het opdoen van deze kennis is het jongste boek van prof. v. d. Pol de helderste en meest betrouwbare bron, die wi) kennen. Weerleggingen van de protestantse opvattingen moet men in dit werk niet zoeken. Dit valt buiten de opzet, die zich beperkt tot een historische en fenomenologische beschrijving van de verschillende vormen, waarin het protestantisme optreedt. De auteur heeft zijn boek in vier hoofdstukken verdeeld, waarin h(j achtereenvolgens ontstaan en ontwikkeling bespreekt van het luthers, het hervormd en het Anglicaans protestantisme, terwijl het laatste hoofdstuk een apart overzicht geeft van „de weg, die de reformatie vanaf haar opkomst en stabilisatie in de 16e eeuw heeft afgelegd naar reïntegratie en consolidatie van de vele en velerlei kerken tot 'n aaneengesloten wereldprotestantisme in de 20e eeuw." Door heel zijn boek heen legt de auteur sterke nadruk op de positieve waarde en betekenis van het protestantisme. Daarom vooral is zijn werk uiterst leerzaam voor de Nederlandse katholieken, die doorgaans een veel te negatieve opvatting hebben over de Reformatie, wat overigens in eenzelfde mate geldt van de reformatorische christenen ten opzichte van de katholieken. Protestanten en katholieken hebben te lang naast en tegenover elkaar geleefd om eikaars werkelijke ideeën te kennen. En toch — om een geliefkoosde uitdrukking van de schrijver te gebruiken — „horen zij bij elkaar". Echte toenadering is afhankelijk van beter inderling begrip. Daartoe draagt dit boek in hoge mate bij. Een zeer belangrijk punt in dit opzicht is de juiste waardering van de persoon van Luther. Aan de hand van de jongste resultaten der Lutherstudie tekent de auteur jen beeld van de grote Reformator, dat wel zeer afwijkt van de gangbare voorstelling, zeker onder katholieken. Definitief kan dit nog moeilijk zijn, maar enkele essentiële punten zijn wel zeker en verdienen om het grote belang van de zaak algemeen bekend te worden. De ontwikkeling van het protestantisme in Duitsland, Zwitserland en Engeland vormt het onderwerp van de eerste drie hoofdstukken. Waar het hervormd protestantisme ter sprake komt, worden de Nederlandse hervormde en gereformeerde Kerken besproken Over het Anglicaanse protestantisme, de meest omstreden vorm van het christendom, geeft de schrijver uitvoerig zijn persoonlijke opvattingen weer. Het laatste woord is hierover zeker nog niet gezegd, wat niet wegneemt, dat Van de Pols voorstelling van deze Ingewikkelde materie uiterst verhelderend werkt. Al met al mogen wij de auteur zeer dankbaar zijn voor zijn hoogst leerzame en actuele boek, dat enig is in zijn soort. WU zijn ervan overtuigd, dat zelfs protestantse lezers zeer veel daaruit kunnen leren, al was het alleen maar, dat daardoor hun eigen kijk een wijder en minder geïsoleerd perspectief krijgt. „Het Wereldprotestantisme" verdient de aandachtige lezing van ieder, die de betekenis van het christendom in de huidige wereld ter harte gaat. --- Buitenlandse voorbeelden Kijkt men in het buitenland rond, dan treft men vele instituten aan, die zich of geheel of gedeeltelijk bezig houden met radio-onderzoek. De BBC kent het instituut van de Audience Research, dat 0.1.v. de sprankelende Robert Silvey periodiek met resultaten voor de dag komt, waarmee de programmadiensten ten zeerste gediend zijn. Zelfs de Engelse commerciële televisie maakte in de aanvang gebruik van de mogelijkheden van Silvey's afdeling. Kijken we naar Duitsland, dan treffen we daar meerdere instituten voor publicistiek aan, meestal verbonden aan universiteiten, die radio en TV binnen hun werkterrein hebben betrokken. De kroon spant toch wel het Hans Bredow Institut van de universiteit van Hamburg, dat zo langzamerhand in Europa een leidende rol gaat spelen. Naast wetenschappelijk onderzoek verzorgt het om de drie maanden een voortreffelijk tijdschrift „Rundfunk und Fernsehen", dat in betekenis de plaats gaat innemen van het BBC Guarterly, dat in 1954 ophield te verschijnen. Verder geeft het een keur van oorspronkelijke hoor- en TV-spelen uit en bereidt het uitgaven voor op het gebied van radio en televisie. Wetenschappelijke medewerkers van het instituut zijn bovendien belast met het geven van colleges aan de universiteit, waarin een systematische behandeling van radio- en televisieproblemen aan de orde komt. --- Suggestie Het komt ons voor, gebruik makend van het gunstige klimaat in de omroepwereld en daarbuiten, dat er voor Nederland een mogelijkheid is om een dergelijke activiteit te ontplooien, wanneer men er In slaagt de betrokken partijen hiervoor te interesseren. Want met de opkomst van de televisie is de apathie t.o.v. deze massacommunicatiemiddelen aan het verdwijnen. Dat mag ook wel, wanneer we ons realiseren, dat er in ons land ongeveer 2,7 miljoen radiotoestellen en distributieaansluitingen zijn. Verhoudingsgewijs staan we hiermee (21 op 100 inwoners) by Engeland en de Skandinavische landen (Zweden 31, Noorwegen 25 en Denemarken 29) ten achter, maar ls het aantal hoger dan in België en Frankrijk (resp. 19 en 18). En aan het eind van het jaar zullen ongeveer 100.000 TV-ontvangers zijn geteld. WU menen, dat Nederland in het Instituut van Perswetenschappen met de daaraan verbonden persbiüiiotheek een instituut bezit, dat met steun van belanghebbenden in de bovengenoemde richting zou kunnen worden uitgebouwd. Het zou op die manier een grotere financiële armslag kunnen ItrUgen en de vraagstukken van radio en televisie in het juiste verband kunnen bestuderen (het beschikt trouwens reeds over een vrU volledige boekerij op het gebied van de radio- en TV-Jonrnallstiek) terwijl radio en TV in het universitaire onderwijsplan zouden kunnen worden opgenomen. Een In de studententijd ontwikkelde en gerichte belangstelling kan niet anders dan In de toekomst vruchten afwerpen voor de omroeporganisaties. --- WIJ ETEN TE VEEL Geen instinct meer om het goede voedsel te kiezen re zijn een beetje geschrokken, toen we in een serieus boekje over voeding, van niemand minder dan van prof. dr. C. den Hartog, onze grote voedseldeskundige, directeur van het Voorlichtingsbureau van de Voedingsraad, lazen, dat de volwassen vrouw 60 gram vet per dag nodig heeft, de man, bij een zittend leven, 75 gram, en dat het verbruik per hoofd in Nederland 115 gram is. Wij hebben de brievenweger genomen en er een klont boter van zestig gram op afgewogen om voor onszelf enigszins een idee te krijgen van het volume vet, dat je dus per dag tot je zou mogen nemen. Waarbij dan nog is inbegrepen alle vettigheid, die je binnenkrijgt verspreid in de kaas, de jus, de soep, de melk in het kopje koffie, eventueel de chocolade of het koekje, dat je erbij snoept, zelfs van de tomaat, waar je in bijt, want in een tomaat zit — blijkens de voedingstabel — ook nog een fractie vet. Wy hebben ons voorgenomen om zuiniger te worden met de „vetpot", want de klont op de brievenweger leek minder in volume dan wat er zo dagelijks per persoon verdwijnt aan alles bij elkaar, en een voortdurend te veel aan vet heeft kwade gevolgen zoals dr. Den Hartog nadrukkelijk zegt en herhaalt in „Voed U goed en blijf gezond". Dit mag eigenlijk niet met het klimmen der jaren. --- DE KINDEREN VAN NU ZIJN LANGER DAN DE KINDEREN VROEGER OMDAT ZE MEER MELK DRINKEN een boekje in de serie „Raad en Daad" (uitg. Jan van Tuyl, Zaltbommel). De Belgen doen bijna net zo dom als de Nederlanders, die eten de man per dag honderd gram vet. Ondanks hun Bourgondische aard dus juist iets minder. Volgens de wetenschap eten we allemaal veel te veel. Maar dat komt vanzelf omdat er ook zo veel is. De winkels staan opgepropt met de meest lekkere en interes* santé en verleidelijke en altijd weer nieuwe dingen. Wat de huisvrouw helemaal niet van plan is te kopen, dat neemt ze toch omdat het zich zo onweerstaanbaar aandient. „We hebben het instinct om het juiste voedsel te kiezen gedeeltelijk verloren", staat er te lezen in genoemd boekje, „en de enorme keus sticht verwarring". Het is dan ook niet onreëel, dat de wetenschap zo nu en dan de keuken binnendringt en zich bemoeit met wat er in de potten en oannen komt. Per slot heeft de huisvrouw de verantwoording voor de huisgenoten wat betreft hun gezondheid, voor zover die afhangt van de maaltijden. En die afhankelijkheid is helemaal niet zo gering. Al moet men het natuurlijk niet aan de andere kant gaan overdrijven en alléén maar „gezonde" dingen eten en iedereen de les lezen, die het waagt een stuk moccataart te verkiezen boven een bord yoghurt! Er zijn van die rauwkost- en knoflook-uit-gezondheid-fanaten, die vergeten, dat een maaltijd nog iets anders is dan het lichaam, op de meest verantwoorde wijze van „bouw- en brandstoffen" voorzien; een maaltijd moet ook een plezierig iets zijn. Het is juist de kunst om de menu's zo te kiezen, dat ze aan alle eisen: lekker, voedzaam, gezond, voldoen. De huisvrouw, die steeds méér moet weten, schiet te kort als ze niet op de hoogte is van de wisselwerking tussen gezondheid en voeding. Die voeding heeft bepaalde eisen voor kinderen, voor kleuters weer anders dan voor 16- jarigen en met het klimmen der jaren moet er wéér op andere dingen worden gelet. En die ± miljoen bejaarden, die we in ons land hebben, krijgen die, overal waar ze wonen, wel wat ze moeten hebben? Dat is ook alwaar niet te veel, liever gezegd niet te zwaar en vooral niet te vet. Maar vooral wèl voldoende eiwit, dus vlees, vis, ei of kaas. In „Voed U goed en blijf gezond" wqrdt speciale aandacht besteed aan wat de ouderen nodig hebben, en wat men ze niet moet voorzetten. Er is zelfs een voedingsschema opgesteld voor de maal. tijden door de dag. Er staan meer schema's in dit handleidinkjt. Niet dat men die nu precies hoeft te volgen, maar ze geven een idee. Schema's passen natuurlijk nooit precies, zeker niet voor zoiets individueels als de dagelijkse totding want iedere mens heeft nu eenmaal zijn eigenheid tegenover dat hele individuele, dat „eten' is. Maar ze helpen om inzicht tt krijgen. Achter de coulissen, in de laboratoria, wordt de invloed, die het voedsel op 's mensen licfiameljjlc welzijn heeft, tot in de finessei uitgeknobbeld. Men probeert het op ratten. Er was eens een familie ratten, die tot in het zestigste geslacht gezond was, er waren voldoende rattenkindertjes en :e leefden lang en gelukkig. Mast vanaf het een en zestigste geslacht werd hun voedsel gewijzigi, ze kregen meer vollemelkpoeier en wat- gebeurde er? Ze waren sneller volwassen en ze werden veel later „oud". De mensen tegenwoordig worden ook ouder en de jeugd is sneller jeugd-af. Het kind in 1956 ij eerder volwassen dan zemt:j jaar geleden, het is ook langer van stuk. Een twaalfjarige is in 1956 niet minder dan acht centimeter groter dan een kind van d:e leeftijd op het eind van de vorig', eeuw. Dat schijnt vooral te komen door het hogere melkverbruik. Maar ook omdat er meer vlees wordt gegeten, meer groente ei fruit. Vroeger werd er helaas dikwijls meer met „vulling" gewerkt dan met voedsel.'De welvaart wei toen ook zo anders verdeeld. Het lezen van dit soort goeievoedingboekjes is overigens niet bevorderlijk voor je rust. Dl melkfles kijkt je, als het gelezent nog vers in je geheugen staat, voortdurend verwijtend aan. Er wordt zo hevig gehamerd op de belangrijkheid van melk. Ook voor volwassenen. Er bestaat voor hem ff haar geert garantie „det de voedingsstoffen voldoende in d« dagelijkse voeding aanwezig zijn' als daar niet een halve liter me'it aan te pas komt (pag. 44). Al det nat! Terwijl de mens al voor 6' procent uit water bestaat en hij ook nog eens 2 liter water per dag nodig heeft. We zullen meer „koffie verkeerd" moeten gaan drinken. Of er zouden in ons land ook eeni melkbars moeten komen zoals i" Denemarken en Noorwegen. Maf daar is de melk dan ook echte melk, als je die drinkt denk je viet aan een fabriek maar aan een koe, die de ingrediënten bij«" heeft gegraasd in een sappig bergwei. Maar daarover hoeven we onze eigen koeien niet verwijtend aan te kijken... , A. Bgl Het noodzakelijke rantsoen melk? --- „MOORD OP DE PLAS” een detective van prof. dr. P. Geyl Op omslag en titelblad van het detectiveverhaal „Moord op de plas", dat m de Prismareeks van „Het Spectrum" verschenen is, staat als auteursnaam P. Geyl vermeld. Achterop vindt men onthuld dat de hekPnde historicus prof. dr. P. Geyl er de schrijver van is. In een kort voorwoord verhaalt hij zelf, dat hij het verhaal in het voorjaar van 1941 in drie weken geschreven heeft, zich daarin wegdromend „uit het roerige en toch saaie verblijf van de Nederlandse geïnterneerden in het kamp van Buchenwald" naar een vooroorlogse sfeer, naar jeugdherinneringen. Het merkwaardige is, dat onder die omstandigheden een dergelijk onbekommerd verhaal kon ontstaan. Dat het goed geschreven is mag men wellicht toeschreven aan zijn geoefendheid, opgedaan als auteur van wetenschappelijke publicaties, Gemak- kei Uk zou men denken, dat de fantasie, die hy hier de vrije loop laat, de historicus per definitie vreemd moet wezen, maar geheel juist is dat niet. Weliswaar toonde prof. Rogier zich onlangs in onze kolommen tamelijk huiverig voor de resultaten van het werk van de historicus, die zich met de pluimen van de dichter wil sieren, maar de verbeelding kent ook andere gebieden dan die van de dichterlijke vrijheid. Zij siert, dunkt ons, de historicus, wanneer hij uit het dorre feitenmateriaal het voorbije leven, dat er in verbor. gen ligt, weet te verbeelden, hetgeen overigens juist prof. Rogier meesterlijk pleegt te bewijzen. Prof. Geyl is enigszins anders van aard. Maar dat zulk een ordenende verbeeldingskracht hem evenmin vreemd is kan men ook uit dit divertissement lezen. Het verhaal is helder en overzichtelijk samengesteld, nuchter ook en menselijk, met een gevoel voor sfeer ook, zonder dat men er de dichterlijke pluimen ln aantreft, alhoewel die in dit geval niet misplaatst geweest zouden zijn. Er is eerder een man aan het woord, die van het leven op en om het water houdt, en daar helder en onderhoudend over vertelt. Misschien lukt hem het waarmaken van zijn figuren niet helemaal, maar hi) heeft meer aandacht voor de gewone menselijke kanten van hun karakter dan in vele verhalen ln dit genre de gewoonte is. Ook daardoor is het een boekje gewor- j den, dat men met bijzonder genoegen leest. R. --- Kapitein C. Bouman commodore H.A.L.-vloot De directie van de Holland Amerika Uln te Rotterdam heeft kapitein C. Bouman, gezagvoerder van de Nieuw Amsterdam, benoemd tot commodore van de Holland Amerika Hjn-vloot. ---