(Advertentie) MS DONDERDAG een echte Pers vèr beneden de wer- . f»'! yl | keüjke waarde In uw bezit te krijgen... ijs Si wmmir DIE KANS biedt Perez u NOG DRIE S ||8 2 DAGEN In de balansopruiming , s 1™ perez I yraa I'erzUche Tapijten ! p AmiUrdam, Rokln 118, tal. 32958 ' Eg Amsterdam - Rotterdam - Dan Haag - Utrecht - Eindhoven - Arnhem - Hilversum --- (Aivtrlentit) Ver koudheidsbacil ten zijn lts de dood voor— I I MO) " ' protekcie tegen infektio --- Poëzie Zn de Prisma-serie is een om- en bijgewerkte herdruk verschenen van het boekje ,Jn het land van de dichter" van Gabriël Smit. Het boekje beoogt, nu het aantal lezers van poëzie toeneemt, een beter begrip voor de poëzie te wekken. Als inleider tot poëzie is Smit wellicht aan de Nederlandse kinderen beter bekend dan aan de volwassenen al enkele jaren verzorgt hij voor het schoolradioprogramma van dé K.R.O. een „poëzie-klas". Hij doet dat voortreffelijk: hij doceert niet, maar tracht eigen enthousiasme over te brengen, hij is vertrouwelijk, huiselijk bijna, als dat op school mogelijk is, zonder niveau te verliezen of huisbakken te worden. Hij maakt de indruk, een ideale leraar te zijn, hü dwingt tot samen luisteren, al mag niet vergeten worden, dat Smit vrij spel heeft: hij praat voor onzichtbare en dus ideale leerlingen. In de uitzendingen die ik beluisterde, besprak hij één of enkele verzen van een bepaalde dichter, waarbij uitgangspunt en eindpunt steeds het behandelde gedicht was, al vertelde hij soms en passant enkele anecdotica over de betreffende dichter. In het tweede deel van ,Jn het land van de dichter" doet Smit hetzelfde uit de belangrijkste perioden van onze literatuur bespreekt hij telkens een of meer verzen. Beknopt, en daarom soms teleurstellend; de geleidelijk tot verdiept inzicht leidende uitvoerigheid van de radio-tekst ontbreekt 'tier, waarbij nog komt, dat de toon, de haast aarzelende en daarom zo overtuigende wijze van spreken. Smits inleidingen eigen, in de geschreven tekst niet te horen zijn. Hetgeen een verlies is. Niet elke goede leraar blijkt goede leerboekjes te kunnen schrijven. Toch acht ik het tweede deel van Jn het land van de dichter" geslaagder dan het eerste, omdat daar de tekst uitgangspunt voor de beschouwing is. Elke inleiding tot de poëzie dient van het gedicht zelf uit te gaan: daarmee heeft de • er nu eenmaal te maken. Dat is zijn materiaal. Wat daaraan voorafging, kan bij kennisname wel eens bo:iend zijn, maar kennis ervan maakt de leze? weinig wijzer. Mijn bezwaar nu tegen het eerste deel van Smits boekje is, dat Smit te vroeg begint: bü de werkzaamheid van de dichter, bij de processen die aan het voltooide gedicht voorafgingen. Hij legt de weg af: dichter-gedicht-lezer, terwijl m.L de route gedicht-lezer-dichter de voorkeur dient te hebben. Met theoretische verhandelingen over wat zich in het land van de dichter afspeelt — en wat daar gebeurt, moet steeds omzichtig, onder allerlei voorbehoud en in bedekkende termen als „tDonder" en „raadsel" beschreven worden — is een nog oningewijde lezer van poëzie niets gebaat. Hü gelooft dat op Smits gezag wel, maar hij wil poëzie leren lezen, letterlijk achter de tekst zien te komen. En daarvoor is grondige analyse «an die tekst noodzakelijk. Smits werkwijze was te verdedigen geweest, had het tweede deel van zijn boekje de illustratie gegeven van het in. het eerste deel betoogde (al kan men het boekje dan nog beter van achteren naar voren leren). Dat is nu niet het geval Ik kan me een oningewijde lezer voorstellen, die na lezinp van het eerste deel, waarin overigens veel goede opmerkingen staan, met poëzie in de praktijk nog geen raad weet. Wat Smit vertelt, had hy niet achterwege behoeven te laten; het had alleen gebruikt moeten worden in en na de bespreking van een aantal zorgvuldig gekozen gedichten. Ik wou. dat Smit een boekje geschreven had ,Jn het land van de lezer"; het slothoofdstuk had dan Jn het ln tussen de kerken breed uit te mrten. De gezamenlijke zendlngstaak stond er duidelijker voor ogen. Voor het overige sorgden de vertegenwoordigers van de jonge kerken in Azië en Afrika er wel voor, dat de grote missionaire roeping en dn dienst der kerken inzake de sociale en raciale problemen geen ogenblik vergeten" konden worden. De stem van Azië en Afrika klonk te New Delhi duidelijker dan in Amsterdam en Evanston. Op velerlei manieren drongen de Jonge kerken er bl) de kerken van het Weeten op aan, ze niet te hinderen in hun éénwording. Want hoe zouden «tige belemmeringen voor de eenheid. Er moet schaamte onder de christenen 'IMi dat zH niet veel sneller en beslister tot eenheid en retamenlUk getuigenis kannen komen. Het warm vooral de jongeren In New Delhi, die, In groten getale aanwetig, 'uiting gaven aan hun verontrusting over de wereld-in-nood en aan hun ongeduld over zoveel traagheid in de kerken om werkelijk oecumenisch en apostolisch te handelen en daarvoor lets te wagen en ervoor over te hebben.' Sten heeft te New Delhi de Oecumenische Beweging in werkelijkheid kun. nen beleven. Men voelde te als een realiteit. De kerken waren er samen aan het werk. Er was beslist geen stemming van wat-hebben-wtj-het-toch-ver-gebracht. Daarvoor was nog echt geen reden! De kerken weten maar al te goed, hoe vaak zU getaald hebben en nog talen. Evenmin waa er echter een stemming van defaitisme. Realisme cou men het kenmerk van de derde Assemblee kunnen noemen. Daarom werd er ook toveel nadruk op gelegd, dat oecumenische op-" voeding eeo van de belangrijkste aspecten in het leven der kerken moet tHn.' En wel in wereldwUde tin. New Delhi krijgt paa echt gestalte, Is er gezegd, wanneer de plaatselijke gemeenten verantwoorde risico's durven nemen. En risico's, die helpen gestalte geven aan de 'ne kerk, getuigend en dienend in d« wereld, altijd verantwoord! ' • • ---