Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het droevigst en meest tragisch geval is echter de iilotselinge dood van den 27-jarigen schilder H. Tb. de Court Onderwater, wien ik de eer had persoonlijk te kennen en van wien velen de schoonste verwachtingen koesterden. Niemand minder dan Jozef Israëls zag in zijn jongensteekeningen een toekomstig talent. Ruim vier jaren studeerde de jonge kunstenaar te Parijs en toen hij even meerderjarig naar zijn geliefd Holland en zijn vaderstad Dordrecht terugkeerde, stuwde zijn neiging hem in de richting van het interieur, het clair-obsour, waarin onze grootmeesters van de oude en nieuwe scholen zoo bizonder uitmuntten.

Hij werkte in Brabant, later in het Gooi, dat Hollandsche Barbizon. Daar waar de oorspronkelijke kleederdracht nog eenigszins vooral bij de naburige visschersbevolking der Zuiderzeekust bewaard is gebleven, sloot hij zich aan bij de Laarder Schilderkolonie en met negen andere jonge artisten werd de in koiten tijd naam makende Club de Tien opgericht. Door die jongelui werd gewerkt, gestreden en geleden, ’t laatste niet het minst, want het kunstenaarsleven télt oneindig meer dagen van strijd en teleurstelling dan van triomf. Toch Court, zooals hij kortweg genoemd werd, had over dit laatste niet te klagen. In 1903 werd hem op de Amsterdamsche tentoonstelling de eerste prijs van het Willink Van Collen-fonds toegekend voor zijn portret van een boerenvrouw en op de Wereldtentoonstelling te St. Louis verleden jaar behaalde hij de zilveren medaille, met een kapitaal doek « Melkschenkende boerin », o. m. in The Studio afgebeeld. Hij had succes en werd gewaardeerd, niet alleen om zijn zeer veel belovend talent, maar om zijn mooi karakter en beminnelijke persoonlijkh( id. Hij behoorde tot die edele naturen van wie men naar waarheid kan getuigen ; er was geen kwaad in hem.

Ik heb de onder bloemen bedolven baar door zestien zijner kunstbroeders naar de laatste rustplaats zien dragen en nog