is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1952, no. 301-400, 01-01-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en de Nederlandse of de Indonesische nationaliteit bezit,

is bevoegd aan de voorzitter van de rechtbank schriftelijk inschrijving als advocaat te verzoeken.

Bij het verzoek worden de nodige stukken tot staving van de Nederlandse of de Indonesische nationaliteit overgelegd.

2. De griffier zendt onverwijld afschrift van het verzoek, alsmede de bijlagen, aan de raad der orde van advocaten in het arrondissement.

3. Indien de raad zich, overeenkomstig artikel 4, tweede lid, tegen inwilliging van een verzoek om inschrijving met vrucht heeft verzet, wordt een nieuw verzoek, bij dezelfde rechtbank binnen een jaar na het eerstbedoelde ingediend, buiten behandeling gelaten, tenzij, naar het oordeel van de voorzitter van de rechtbank, wijziging in de omstandigheden behandeling van het verzoek rechtvaardigt; in het laatste geval handelt de griffier, zoals in het vorige lid is bepaald.

Artikel 3

1. De advocaten worden bij de rechtbank, waarbij zij verlangen te worden ingeschreven, op requisitoir van het openbaar ministerie beëdigd.

2. Zij leggen de navolgende eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn.”

Artikel 4

1. De beëdiging geschiedt niet, voordat ten minste vier weken na de indiening van het verzoek tot inschrijving zijn verlopen, tenzij de raad vóór afloop van deze termijn verklaart, geen bezwaar tegen de beëdiging te hebben, noch later dan een jaar na de indiening van het verzoek.

2. De beëdiging blijft achterwege, indien de raad zich binnen voormelde termijn bij met redenen omklede beslissing tegen de inschrijving verzet.

3. Deze beslissing kan alleen worden genomen op een der na te noemen gronden:

a. dat de verzoeker niet voldoet aan de in artikel 2 gestelde vereisten voor inschrijving;

b. dat gegronde vrees bestaat, dat de verzoeker als advocaat inbreuk zal maken op voor de advocaten geldende wetten, verordeningen en besluiten of dat zijn inschrijving uit anderen hoofde de eer van de stand der advocaten schaden zal.