Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zo is het, dat Wij. de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Enig artikel. In de Opiumwet ( Staatsblad 1928 no. 167) worden de volgende wijzigingen aangebracht.

A

In artikel 2, eerste lid, wordt in plaats van „C. te bezitten of aanwezig te hebben” gelezen:

,,C. te bezitten, aanwezig te hebben of aan te wenden”.

B

In artikel 3, eerste lid, wordt in plaats van „in, uit of door te voeren” gelezen:

„A. in, uit of door te voeren,

B. te bezitten, aanwezig te hebben of aan te wenden”.

C

Artikel 4 wordt gelezen als volgt:

„Artikel 4

1. Het voorschrijven op recept van enig middel, in artikel 2 bedoeld, mag slechts geschieden, wanneer dit recept voldoet aan nader door Onze Minister te geven voorschriften.

2. Het bestellen van enig middel, in artikel 2 bedoeld, door houders van een verlof, bedoeld in het eerste lid van artikel 6, en door apothekers, apotheekhoudende geneeskundigen en veeartsen, bedoeld in het tweede lid van artikel 6, mag slechts geschieden met inachtneming van nader door Onze Minister te geven voorschriften.

3. Het is verboden een vals of vervalst recept aan te bieden ter verkrijging van enig middel, in artikel 2 bedoeld.”

D

In artikel 5 wordt in de eerste zin van de eerste alinea in plaats van „gesteld in artikel 3, eerste lid” gelezen:

„gesteld in artikel 3, eerste lid, A,”.

E

In artikel 6, eerste lid, wordt de eerste zin vervangen door:

„Het verbod, gesteld in artikel 2, eerste lid, B, C en D, en in artikel 3, eerste lid, B, is niet van toepassing:

a. voor zover Onze Minister dit heeft bepaald ten aanzien van een in artikel 2, eerste lid onder g, bedoeld verdovend middel,

b. voor zover Onze Minister schriftelijk verlof heeft gegeven tot het verrichten van een of meer van de daar bedoelde handelingen”.

F

In artikel 6, tweede lid, wordt de aanhef beginnende met „Het verbod” vervangen door:

„Het verbod, gesteld in artikel 2, eerste lid, B en C, met betrekking tot de aldaar onder a, c, d, e, f en g bedoelde middelen, en in artikel 3, eerste lid, B, met betrekking tot de aldaar onder a en b bedoelde middelen, is, behalve voor zover betreft het aanwenden dier middelen, mede niet van toepassing:”

G

Artikel 6, derde lid, wordt gelezen als volgt:

„3. Het verbod, gesteld in artikel 2, eerste lid, B, voor zoveel betreft vervoeren, dat in C, met betrekking tot de aldaar onder a, c, d, e, ƒ en g bedoelde middelen en dat in artikel 3, eerste lid, B, met betrekking tot de aldaar onder a en J bedoelde middelen, is mede niet van toepassing op hen, die aantonen,

dat zij deze middelen in de bevonden hoeveelheid tot de uitoefening der geneeskunst, der tandheelkunde of der diergeneeskunde of voor eigen geneeskundig gebruik behoeven of volgens wettelijk voorschrift in voorraad moeten hebben en langs wettige weg verkregen hebben.”

H

Aan artikel 6 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:

„4. Het verbod gesteld in artikel 2, eerste lid, B, voor zoveel betreft vervoeren, dat in C, met betrekking tot de aldaar onder a, c, d, e, f en g bedoelde middelen en dat in artikel 3, eerste lid, B, met betrekking tot de aldaar onder a en b bedoelde middelen, is, behalve voor zover betreft het aanwenden dier middelen, mede niet van toepassing op hen, die aantonen, dat zij deze middelen vervoeren in opdracht van een daartoe bevoegde.”

I

Artikel 10, eerste lid, wordt gelezen als volgt:

„1. Hij die artikel 2, 3, eerste lid, of 4, of de regelen, gesteld krachtens artikel 3, tweede lid, van deze wet overtreedt of niet voldoet aan de voorwaarden of voorschriften, bij een verlof, bedoeld in artikel 7, of bij de herroeping van een zodanig verlof gesteld, wordt, indien hij het feit opzettelijk heeft gepleegd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en anders met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden.”

J

Artikel 10, tweede lid vervalt. Leden 3—6 worden leden 2—5. In lid 4 worden de woorden „lid 5” gewijzigd in „lid 4”.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk, 18 Juni 1953.

JULIANA.

De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,

J. G. SUURHOFF.

De Minister van Financiën,

VAN DE KIEFT.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

J. ALGERA.

De Minister van Justitie,

L. A. DONKER.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. W. BEYEN.

Uitgegeven de zeventiende Juli 1953.

De Minister van Justitie, L. A. DONKER.

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: Bijl. Hand. II 51/52, 2526; Bijl. Hand. II 52/53, 2526; Hand. II 52/53, bladz. 2607; Bijl. Hand. I 52/53, 2526; Hand. I 52/53, bladz. 2229.