is toegevoegd aan uw favorieten.

Staatsblad van het Koningrijk der Nederlanden, 1953, no. 301-399, 01-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAATSBLAD VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN

342

BESLUIT van 20 Juli 1953 tot vaststelling van regelen ter uitvoering van de Inkwartieringswet (Inkwartieringsbesluit).

Wij JULIANA, bu de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Oorlog en van Marine van 30 Juni 1953, No. 3963;

Gelet op de lnkwartieringswet;

De Raad van State gehoord (advies van 7 Juli 1953, La. No. 17);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Minister van 17 Juli 1953, Nr. 380.394 BIJ/Nr. Minmar 329781/ 249071;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de wet: de lnkwartieringswet;

b. Onze Minister: Onze Minister van Oorlog of van Marine, wie het aangaat.

Artikel 2. In dit besluit wordt mede verstaan onder: ■

a. vordering in eigendom: de in eigendomneming krachtens artikel 28 der wet, alsmede de beschikbaarstelling in eigendom vanwege de gemeente krachtens artikel 6 der wet;

b. vordering in gebruik: de ingebruikneming krachtens artikel 28 der wet, alsmede de beschikbaarstelling in gebruik vanwege de gemeente krachtens artikel 6 der wet.

Artikel 3. 1. Geen verstrekkingen worden gevorderd indien daardoor de uitoefening van een beroep of bedrijf in ernstige mate wordt belet of belemmerd.

2. Het in het voorgaande lid gestelde lijdt uitzondering in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, indien en voor zover de commandant, die vordert, van oordeel is dat het belang waarvoor de vordering geschiedt voorrang dient te hebben op de voorziening in de essentiële behoeften van de volkshuishouding, tenzij het betreft goederen en diensten van vitaal belang voor de functionnering van bedrijven, welke zijn opgenomen op een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, samengestelde lijst.

Artikel 4. 1. Geen vordering vindt plaats:

a. van onroerende goederen, vermeld in de Voorlopige hijst der Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, opgemaakt door de Rijkscommissie, ingesteld bij Koninklijk besluit van 7 Juli 1903, no. 44, en door de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, ingesteld bij Koninklijk besluit van 10 Mei 1918, no. 66, tenzij het Hoofd van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg desgevraagd heeft verklaard dat daartegen uit een oogpunt van monumentenzorg geen bezwaar bestaat;

b. van onroerende goederen, opgenomen in een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister, wie het mede aangaat, samengestelde lijst, vermeldende gebouwen welke naar hun inhoud of naar het doel, waarvoor zij gebruikt worden, van wetenschappelijke of culturele betekenis zijn, alsmede gebouwen welke uitsluitend gebruikt worden voor de uitoefening van de openbare eredienst;

c. van terreinen, welke naar het oordeel van de Houtvester van het Staatsbosbeheer uit een oogpunt van natuurof landschapsschoon of wegens hun betekenis voor de natuurwetenschappen van bijzonder belang zijn.

2. Onze in het voorgaande lid genoemde Ministers bepalen in hoeverre in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden, welke gevaar opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, van het gestelde in het eerste lid kan worden afgeweken. Daaromtrent worden bij de instructie, bedoeld in het derde lid van artikel 28 der wet, nadere voorschriften gegeven.

Artikel 5. Zo min mogelijk worden verstrekkingen gevorderd, waardoor de uitoefening van de openbare eredienst en de werkzaamheden in het belang van de gezondheidszorg, alsmede die van instellingen van weldadigheid en van sociale instellingen worden belet of belemmerd.

Artikel 6. 1 . Geen verstrekkingen worden gevorderd van Ons en van de Leden van Ons Huis.

2. Bij de toepassing van de wet en van dit besluit worden de uitzonderingen, welke in het volkenrecht zijn erkend, in acht genomen.

HOOFDSTUK II

Inkwartiering en onderhoud

AFDELING 1

Algemene bepalingen

Artikel 7. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. de commandant: de officieren van de zee-, land- en luchtstrijdkrachten, bedoeld in het eerste en vierde lid van artikel 28 der wet, alsmede voor wat betreft de eerste afdeling en de tweede paragraaf van de derde afdeling van dit hoofdstuk, degenen die krachtens artikel 6 der wet bevoegd zijn een aanvraag te richten tot de burgemeester;

b. zomer: het tijdvak van 1 Mei—1 October;

c. winter: het tijdvak van 1 October—1 Mei.

Artikel 8. In de hierna volgende bepalingen van dit hoofdstuk worden onder officier mede begrepen de adjudant-onderofficier en de onderofficier met een daaraan gelijkgestelde of hogere rang.

Artikel 9. In ruimten, welke krachtens dit hoofdstuk verwarmd moeten zijn, dient de temperatuur tenminste 16° Celsius te bedragen.

Artikel 10. De in dit hoofdstuk vermelde verstrekkingen worden alleen verschaft op de wijze en in de mate als door de commandant wordt aangevraagd of gevorderd.

Artikel 11. 1. Aan de vordering tot inkwartiering wordt, al naar gelang de commandant zulks aanvraagt of vordert, voldaan door:

a. verstrekking van individuele inkwartiering;

b. verstrekking van collectieve inkwartiering.

2. Onder individuele inkwartiering wordt verstaan het onder dak brengen van ten hoogste twee militairen in een afzonderlijke kamer van een bewoond huis.

3. Onder collectieve inkwartiering wordt verstaan het gezamenlijk onderdak brengen van meer dan twee militairen in een ruimte.

Artikel 12. 1. Officieren en afzonderlijk reizende militairen worden, met inachtneming van artikel 14 der wet, zoveel mogelijk individueel ingekwartierd.

2. Indien de toestand ter plaatse geen voldoende individuele inkwartiering toelaat, kunnen officieren tot de troep behorende ook collectief worden ingekwartierd, met dien ver-