is toegevoegd aan uw favorieten.

De Vrouw; veertiendaagsch blad gewijd aan de onderlinge opvoeding der vrouw, jrg 2, 1894-1895, no 9, 11-11-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allerlei

Professor Bucbner, te Leipzig, heeft onlangs een belangwekkend boek geschreven : Over de verdeeling der beide geslachten op de aarde. Oorspronkelijk dacht men, dat het een soort natuurwet was, dat bij alle aanzienlijke volken ongeveer evenveel mannen als vrouwen waren. Wel is waar gaf reeds de vader van de hedendaagsche beschrijvende statistiek, de Pruisische predikant Süssmilch, in het midden der XVI IIe eeuw toe, « dat er wat meer meisjes dan jongens tot volwassen leeftijd komen. Hij meende echter, dat dit overschot door tweede huwelijken van weduwnaars in orde kwam, en hij zag daarin een wijzen voorzorgsmaatregel van den Schepper, die wilde, dat ieder manspersoon evengoed een vrouw, als iedere maagd een man krijgen kon en niemand bang hoefde te zijn, ongehuwd te moeten blijven. »

Voor de nieuwe statistici is het echter geen geheim, dat in de beschaafdste landen van Europa een aanzienlijk overschot van vrouwelijke personen bestaat, vooral op den besten leeftijd <">m te trouwen, van 20—3o jaar.

Na aftrek van Italië, Griekenland en de landen aan den Eeneden-Donau, heeft Europa eene bevolking van ongeveer 3oo millioen bewoners, waaronder het aantal vrouwelijke personen dat der mannelijke met ongeveer(i)4 1/2 millioen over treft. Volgens de wetten der statistiek en van het huwelijksrecht zijn dus bij ieder geslacht 4 1/2 millioen meisjes reeus bij de geboorte veroordeeld ongetrouwd te blijven.

In Oostenrijk komen door elkander 1047 vrouwelijke personen op 1000 mannelijke, een betrekkelijk gunstige verhouding, daar in Portugal

1091, in Noorwegen 1090, in Polen 1076, in En. geland 1060 vrouwen zijn op iedere 1000 mannen. Zoover de statistiek het heeft kunnen nagaan, vindt men overal, met zeer kleine uitzonderingen, een meer of minder groot overschot van vrouwen. Dat onveranderlijk saldo aan dochteren Eva's zien we zelfs in de zoogenaamde nieuwe landen, waarin oorspronkelijk tengevolge der emigratie van bijna uitsluitend mannen, de verhouding omgekeerd was; de het vroegst bezette en thans het dichtst bevolkte Staten der Amerikaansche Unie wijzen reeds op eene groote meerderheid van vrouwen, Rode-Island 1078, Massachusetts 1677 vrouwen op 1000 mannen; Canada biedt een gelijk verschijnsel aan.

Gaat dit op in de verschillende rijken, nog sterker is het, wanneer men de steden alleen beschouwt. En vooral doet dit verschijnsel zich voor in de meeste Europeesche steden, niettegenstaande de werkelijke verhouding tusschen de geslachten door de sterke garnizoenen niet duidelijk is. Maar zelfs, wanneer men de militairen er bij rekent, vin-

(1) Bebel geeft voor dit overschot het cijfer 345 millioen.

den wij in het jaar i885 op iedere 1000 mannelijke personen in Berlijn 1081, in Dresden iii3, in Frankfort a/d. Main 1123 vrouwen, enz. In Staten* die geen of slechts een klein staand leger bezitten, zooals Zwitserland, België en Scandinavië, wijzen de steden bijna zonder uitzondering op een veel grooter overschot van vrouwen, dan het geval is over het geheele land.

Om echter een duidelijk beeld te hebben van de verhouding der beide geslachten tot elkander, moest men alleen de geboorten en sterfgevallen in het oog vatten. Men zou dan zien, dat er nie* minder jongens geboren worden dan meisjes — integendeel, er worden meer jongens geboren, maar er sterven veel meer mannelijke personen dan vrouwelijke.

©emoftratie in fce Keuken

Het dienstboden-vraagstuk is er een, dat niet licht op politiek terrein zal worden overgebracht en zijne oplossing dus niet zal vinden in de Kamers. Mannen zeggen, dat het een vrouwenbelang is en lachen er om als om een nietigheid, vergeleken bij 't vraagstuk der landnationalisatie, of den strijd tusschen arbeid en kapitaal. Groote dames, als Lady Jeune en Lady Aberdeen maken er in voorname tijdschriften een literarisch vuurwerkje van, waarachter zij haar klassentrots en

rassenhaat trachten te verbergen. Niemand beschouwt dit onderwerp met welgevallen of behandelt het met wezenlijken ernst, eenvoudig omdat het een spooksel is, dat alle gezinnen van onzen tijd bezoekt. Overgeërfde begrippen over staathuishoudkunde en zedelijkheid blijken machteloos, wanneer wij de dienstboden beschouwen ontdaan van muts en keukenschort, en ze erkennen als rechtmatige kandidaten naar het burgerschap.

Landnationalisatie en de beslechting van den strijd tusschen kapitaal en arbeid liggen nog zóó ver van ons af, dat een kandidaat naar een kamerzetel nog allen tijd heeft om zich dien door een mooie redevoering in den geest der socialistische partij te verschaffen. Als reeds over een paar eeuwen de grond gemeenschappelijk bezit zal zijn en het volk de rechten zal genieten waarop het aanspraak mag maken, — wel, dan is t al héél mooi, en onze kandidaat heeft dus allen tijd om zijn toekomstplannen te maken en uiteen te zetten. Maar zoodra hij het spreekgestoelte verlaat, staat er een veel lastiger vraagstuk vlak voor zijn neus in de gedaante van den loonslaaf of de livereiknecht, die hem zijn glas spuitwater met cognac presenteert. De klassen- en massenstrijd, die dagelijks grooter wordt in ons midden, wordt in het klein gestreden in ieder huis, dat op het bezit van een salon en een keuken kan roemen, en waar een