is toegevoegd aan uw favorieten.

Lelie- en rozeknoppen; weekblad voor meisjes, jrg 4, 1885-1886, no 26, 16-09-1885

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoekende, bij onzen gewonen dokter aan te gaan, en hem te vragen zoo spoedig mogelijk te komen.

Thans keerde gelukkig ook de dienstbode terug, en terwijl ik haar bij Annette liet, snelde ik naar mevrouw Ki-uger toe, om haar de vreeselijke tijding mede te deelen. Helaas! Ik voor mij geloofde aan geen mogelijkheid van redding meer, en voor het eerst in mijn leven gevoelde ik mij gedwongen, om met de wanhoop in het hart nog eene rustige uitdrukking aan te nemen; maar mijne hand beefde zóódanig, dat terwijl ik nog voor de kamerdeur stond, buiten machte om slechts eenigszins tot kalmte te geraken, mijne vingeren onwillekeurig den knop omdraaiden, en ik mij onverwacht tegenover Annette's moeder bevond.

( Wordt vervolgd.)

OVER NIEUWERE BEELDHOUWKUNST.

VUL (Slot.)

Onder de beeldhouwers, die een eenigszins internationaal eharakter hebben, moeten wij ook den heer F. Leenhoff vermelden, in 1841 te Zalt-Bommel geboren. Zijne ouders waren van Delft, waar zijn vader organist was. Hij heeft de grootste verplichtingen aan Giuseppe Mezzara, Italj. beeldhouwer, die in 1855 zijne zuster tot vrouw kreeg en liem geheel voor de beeldhouwkunst won. Te Parijs gevestigd, genoot liij zeer bizonder den omgang van Yitet (de VAcadémie franfaise). In '75 begon hij zich op het graveeren toe te leggen, onder de leiding van zijn schoonvader, den Heer Fran9ois (de llnstitut).

Hij heeft als plaatsnijder vele werken uitgevoerd; zijne beelden zijn de volgende:

1863, Salon de Paris, Glaudius Civilis. (Hij had dus zijn vaderland niet vergeten.)

'65, Christus in het graf.

'67, Pindarus.

Deze 3 beelden zijn tijdens de woede der „Commune" in de lucht gevlogen.

'69, Een rustend krijgsman, en een bareliëf voor eene kerk te Parijs. Hij had met dit beeld veel succes. In '72 werd het hem in marmer besteld voor het Muzeüm van Angers.

In '74 volbracht hij de missie om het standbeeld van Thorbecke te maken. De taak was niet licht. Als er een wezenlijk verschil is tusschen onderwerpen en personen, die door beeldhouw- of boetseerkunst te behandelen zijn, en anderen, die zich beter leenen om geschilderd te worden, dan behoort zeker Mr. J. R. Thorbecke tot de laatste. Aan Apollo werd allerminst gedacht, bij het zien van den grooten staatsman, en zelfs een romeinsch portret-standbeeld van hem te maken, liet de haardracht eri het kostuum niet toe. In ieder geval is het wel opmerkelijk, dat de beroemde vertegenwoordiger van eene andere partijschakeering dan die der felle Orangisten, ten gevolge van Haagschen weerzin, eene plaats heeft gevonden te Amsterdam, dat men in de tijd van haren hoogsten bloei eerder de

Burgemeesterlijke dan de Princenstad genoemd zou hebben, en waar men alleen smakeloos genoeg geweest is, om een scheepslading naambordtjens met Stadhouders-, Nassau- en Prins-Hendrikkade, behalve de Prinsengrachten, aan de hoeken der grachten te spijkeren, nu men niet meer, als in de XVTIe Eeuw, voor te grooten invloed van de Hofpartij te vreezen had.

Van 74 tot 78 heeft de Heer Leenhoff een kasteel van de Gravin Duchatel met zijn werk moeten stoffeeren, terwijl hij in 78 ook eene Biblis in een bron veranderende leverde, een marmeren beeld vOor de tuinen van Passy.

In '80 voltooide hij in mai'mer een Perseus.

In '82 een Faun, met geit.

Op dit oogenblik is de nymf Echo in marmer onder handen. In volkomen over-een-stemming met Thorbecke, wat de staatkundige beteekenis betreft, werkt hij aan een groep uit het leven van Oldenbarneveld.

Onder onze beeldhouwers, die hunne opleidinggedeeltelijk althands in't buitenland genoten hebben, is geen der minsten: Henri Joseph Teixeira de Mattos, geboren te Amsterdam, 21 Dec. 1857.

Zijne meesters» waren, van zijn 17e tot 20e jaar, te Amsterdam de Hoogleeraar der Akademie F. Stracké en, van zijn 20e tot zijn 23e, Signor Monteverde te Rome.

Op zijn 20e jaar leverde hij reeds, in marmer, eene Romeinsche min; in 1878 den geestigen buuste Verrast, en zijn fraai geboetseerde Slavin, in pleister; in'80 de zwierige Asschepoetster, in '81 het borstbeeld van Potgieter, beide in marmer; in '83 twee flink gestelde XVIIe-eeuwsche Schutters, ter verciering van den Doelenhotelgevel; in 84 de borst eelden van J. A. Aiberdingk Thijm, P. J. H. Cuypers en S. Mendes da Costa, en een bareliëf in marmer van de sohoone, vroeg gestorven Mevrouw Enthoven; in '85 eindelijk: een borstbeeld van Dr. G. F. Westerman; een keurige statuëtte De Zondvloed; terwijl de buuste van Mevr. Kleine in voorbereiding is.

Met zeldzame volharding is de reeds met veel succes bekroonde kunstenaar na nog naar den grand prix de Rome komen dingen.

Men zegt wel eens : Holland heeft geen beeldhouwers; maar het gaat er meê als met de ziektegevallen, of, om een gracelijker vergelijking te maken, met de sterren. Kijk maar stipt, en de gezonden worden lijders, in de blaauwe lucht verdringen zich de zonnen, en de beeldhouwers scharen zich in dichte gelederen.

Hier te Amsterdam hebben wij bijv. nog den Limburger De Fernelmont, die een Hink gebouwd borstbeeld van Hugo de Groot heeft gemaakt en aan verschillende huizen beelden ter verciering heeft aangebracht; den zeer bedreven Heer C. Post (Looyersgracht, 23J, die o. a. met groote korrektheid en zwier, zonder geboetseerd model, een cortège van genietjens om een koelbak in hout snijdt, die

hem een echten lauwer waardig maakt.

Dan hebben wij de kunstenaarsfamilie van Roskam: de vader Kasper Hëndkik, is te Harderwijk geboren in 1818. Hij heeft vooral dekoratief gewerkt aan verschillende monumenten, terwijl hij zich een eigen genre geschapen heeft, in zijn allergeestigste in klei geboetseerde volkstypen.

Zijn zoon Eduard Roskam is geboren den 25en Sept. 1854. Hij is opgeleid aan de Rijks-Akademie alhier en sedert het jaar 72 te Leuven, waar hij de lessen gevolgd heeft van De Taeye en Van der Linden, om 2 jaar in Parijs te gaan werken en twee jaren in Italië.

Ook hij heeft zich meest met dekoratie ve kunst beziggehouden, zijn talent dienstbaar makend aan de verciering zoo van partikuliere woningen, als monumenten (Koninkl. Pavilioen Centraal-Station). Meer dan éene medalje, door hem behaald, getuigen van zijn talent.

Ten bewijze, dat ook de vriesche afdeeling van het Nederlandsche volk niet vreemd blijft aan eenige zijner kunstuitingen, voer ik. ten slotte, voor u op: den Heer Simon Miedema, zoon van Rein Miedema en Jeltje Schaafsma, geboren te Harlingen, 13 Juli 1860. Zijn vader gaf hem de eerste opleiding; verder werd hij gevormd aan de Akademie te Rotterdam door de Heeren Tabink en Grave, en deed in 1882 eene reis door Italië.

In 1879 leverde hij de beelden aan de beurs te Leeuwarden; in 1880 stelde hij een borstbeeld ten-toon, voorstellende Mephistopheles, dat op de expozitie te Amsterdam verkocht werd. In '81 leverde hij het beeldhouwwerk aan het Panorama te Rotterdam; in '82 een Negerin, als buuste behandeld, een buuste van Oom Lijning uit Cremers Anna Rooze, en eenige portret-buusten, waaronder die van den kunstbeschermer Droogleever Fortuyn ; voords Javaansche en Afrikaanscie typen, en twee beelden, getiteld De laatste kus en Een zoon der baren, thands tentoon-gesteld te Antwerpen; eindelijk een groep, voorstellende De Maatschappij,

Mag „de laatste kus" het onderwerp niet dadelijk voor het oog roepen, — het beeld heeft groote verdiensten: 't is een stervende grijzaart, wien het kruisbeeld aan de lippen wordt gebracht.

Verschillende eerepenningen, door den Heer Miedema behaald, wettigen, Voor zoo veel noodig, zijne aanstelling reeds in 1879 tot leeraar in het boetseeren aan de Rotterdamsche Akademie.

Ziet daar, mijne jonge lezeressen, een, zij 't dan wat droog, overzicht van de Nederl. beeldhouwwerken onzer dagen. De belangrijkste gevolgtrekking, die er uit te maken valt, is, dat er toenadering plaats heeft tusschen k u n s t en n ij v e rh e i d. Hoe meer het s c h o o n e aan het nuttige verbonden wordt, hoe algemeener zijn invloed zal zijn, en hoe beter het aan zijn bestemming zal beandwoorden.

Alb. Th.