is toegevoegd aan uw favorieten.

De Vrouw; veertiendaagsch blad gewijd aan de onderlinge opvoeding der vrouw, jrg 14, 1906-1907, no 3, 06-10-1906

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tief houten ploeg voort, wachten met wantrouwend geheven koppen op het „Km" van den man, die zijn koperen beenen in de klonterige aarde zet, ze er een voor een met een ruk uittrekt — zijn lange, even gebogen zweep wuift zachtjes als een

fijn wit lijntje tegen den blauwen bergachtergrond.

Het is heerlijk mooi — de aarde ruit op in donkere golven onder den voortsnijdenden ploeg en als ze bij den hoek van 't afgepaste land moeten keeren, komen de koeien met de koppen en de roodgele flanken juist in de zon — heftig lekt en druipt het schitterlicht om de beesten en belijnt scherp en snel den man, een klein silhouetje nu, langs zijn donker buis, zijn witte broek en donkere beenen ... Ik zou hier kunnen zitten en niets doen dan kijken ... maar de twee karbonkels, in Katjong's gezicht, grappig verlicht door de schemering van den parasol, zien me aan en vragen „waarom maak je geen pottrèt?" Het is als iederen morgen ;

waar ik zoolang naar kvjk, uegnjpi uij ™ als iederen morgen begin ik weer soms ademloos in een zenuwachtige spanning, dat het mooie veranderen zal door een voorbijgaande wolk, door een beweging in het licht, soms mijn onmacht zóó voelende, dat ik haast niet durf te werken. Als ik met een paar vlekjes den man, den ploeg en de beesten aangeef, hoor ik achter me een brommend gerommel. Aha, er zijn weer toeschouwers, onhoorbaar op hun bloote voeten gekomen, nieuwsgierigen, en als ik omkijk, zie ik een troepje menschen nog altijd in koukleuming, gewikkeld tot hun zwarte oogen in sarongs, samengepakt — en mij aanstarende. Een kleine jongen met een zweep in' de hand heeft zijn beesten in den steek gelaten, de geiten ruk-plukken aan de struiken langs den weg, die vuurroode kembong sepatoes

laten neerhangen, maar hij denkt niet aan ze — mijn schetsboek heeft heelemaal zijn aandacht.

De Katjong onderwijst ze nu: „Dit is de berg en daar het koffiebosch, en dat 't djagoengveld," een verwonderd „Wah-h" duidt aan, dat zijn leerlingen in pays de connaissance" zijn. Jammer, dat ik niet" kan verstaan, wat ze onder elkander zeggen en ook de Katjong weet 't niet precies, als ik het hem vraag, hij spreekt md&r weinig Javaansch, kent alleen Maleisch — maar „pottrèt" en „presen" (fooi) verstaan ze en dus maak ik ze duidelijk, dat ae man van clen ploeg een fooi zal hebben, als hij een oogenblik wil stil staan. Nu beginnen ze met vervaarlijke schieeuwstemmen den persoon in kwesties iets toe te roepen, maar die trekt er zich niets van aan ên duwt zacht zijn ploeg voort en strijkt even met den zweep langs de koeienruggen. „Krrr ,

Krrr" is het eenige geluid in de wijde stilte en ja, nu hooi ik het weer, het fijn geluidend getjilp van de duizenden vogels, dat als een naspel van teere toontjes boven mijn hoofd is Eindelijk begrijpt de man aan den ploeg het; hij blijft staan, de beesten genieten van de rust, het licht omarmt de i,n^in rn-non wonf cmririeliik mooi en met ingehouden

J.ICC-1U " v-w* O ~ -,J l i.' i-'l

adem werk ik, bevend van vreugde... het is stil rondom me, ik tenminste hoor niets, ik word weer als iederen morgen gedoopt deor de rustbrengende koele hand, die de natuur op mijn voorhoofd legt.

En als ik thuis kom, nog in een zwijmel van 't mooie, dat ik zag, dat later op den terugweg langs me heen is gegaan in schitterende nu, door de hoogere zon gewekte weelderige fleurigheid, die de bergen eèn tint blauwer maakte — de schaduwen op den weg dieper deed fluweelen, die het oude vrouwtje met haar spierwit haar boven het bruine aapachtige snoetje, als iederen morgen een luchtje doet scheppen onder het bamboe-poortje overklatera door trossen vuurroode blaren. Als ik thuis kom, leg ik mij even voor het ontbijt, op mijn langen rotton stoel in de voorgalerij en denk ... aan niets. De andere logé's zijn op. Sommigen wandelen in den tuin, anderen zitten nog in de galerijen, «aast de mijne, hebben twee pas uit Holland gelsomen dames, (d. w. z. ze zijn beiden ongeveer een jaar m India) elkaar gevonden en of ik wil of niet, hoor

ik het gesprek aan, dat zij gisterenavond aan tafel begonnen en nu blijkbaar voortzetten.

„Ja, dan moet u op Soerabaja komen — die jongens daar — brutale vlegels en duur...."

„Zoo, hoeveel betaalt u daar?"

„Tien gulden," een mannenstem.

„En de kokkie twaalf" — de dame weer.

„Ja, dat is niet als bij ons op de fabriek, maar daar krijg je ook niet veel bijzonders voor."

„Alle waar is naar z'n geld Maar hier niet

meer hoor, 't zijn me jongens!"

„Een duur leven in Soerabaja?"

„Gut ja, met vier honderd kom je er amper

en daarvoor kom je nou in Indië; die waschmantien dat is ook een plaag "

Ik sta op en ga den zon-doordrenkten tuin in, waar een rand paarse bloemen schuchter kleurt tusschen het gras in het blinkend voetpad. In een prieeltje, waar groene zonlichten flonkeren, verberg

ik mij en cienK „ae tioianascne vrouw ju ±uuiu. Dit is er weer eene, wie het stof van de hel beneden in de oogen gewaaid is — arme, het duurt dagen, misschien weken, voor ze den hemel hier ontdekt — en ik snuif de geur op van een dikke tros rozen, die juist om den hoek van 't prieel naar binnen kükt en de verre blauwe lucht achter zich heeft. (taroen. M. E. Kooy—Van Zeggelen.

(Wordt vervolgd.)

De keus ener moeder.

II (Slot).

Uit 't moderne Vrouwenleven.

door

GERTRUD PRELLWITZ.

En zij kwamen aan. Een grote zaal, al dicht bezet door vrouwen, verstandige, interessante, geestige gezichten. Eva bemerkte, dat allen naai haar gezellin keken, 't Was duidelik, dat allen haar kenden. Velen kwamen haar tegemoet en begroetten haar met eerbied. Zij ging bij enige andere dames aan een apart tafeltje zitten, dat op 'n kleine verhoging stond (voor Eva had ze, ofschoon alles bezet was, een stoel vrij dicht bij zich inde buurt bemachtigd) en ging toen naar 't spreekgestoelte om de vergadering te openen. Eva onderging met welgevallen de atmosfeer, die over deze grote bijeenkomst lag: er was iets in van jeugd, blijmoedigheid, dapperheid. Zij was nog nooit op een parlementaire vergadering geweest, noch van mannen, noch van vrouwen. Zij verheugde zich over de goede orde, en-toen de voordracht kwam, was zij blij om de moed en de waarachtigheid, waarmee men hier de werkelikheid bij haar wonde plekken aanpakte. Die waren niet bang! En ze waren verstandig. Ze drongen' door. Zij zagen de verschijnselen en kenden de motieven, t werd alles helder. En 't was zo ernstig. Over de verhouding der geslachten spraken ze en dat er een verschuiving had plaats gehad, en hoe dat gekomen

was en hoe t op t nuweiiK van mviueu ^ Eva zag, dat 'ze veel onmogeliks verwacht en veel verkeerd gedaan had en in haar snikte 't op, hoe wij mensenkinderen toch in het donker rondtasten. En toen had de spreekster, een jonge vrouw met schitterende ogen, 't er over, hoe men trachten moest, de verschoven verhouding weer in evenwicht te brengen en alles tot een, gezonde ontwikkeling te leiden — welke eisen de nieuwe tijd stelde en dat iedere man en elke vrouw een beroep moest kiezen en als ze trouwden 't moesten blijven uitoefenen, 't Moest niet vanzelfsprekend zijn, dat de vrouw dan haar beroep opgaf, om huishoudster te zijn voor de man en financieel afhankelik van hem te worden en onmondig voor de wet. Maar ze moest of in zelfstandige beroeps• arbeid volharden en daardoor de inkomsten vermeesderen (wat de huwelikskansen weer zou vergroten) of als ze de verzorging van de huishouding

op zich wilde nemen, dan moest dat als zellstandig