is toegevoegd aan uw favorieten.

De Vrouw; veertiendaagsch blad gewijd aan de onderlinge opvoeding der vrouw, jrg 1, 1893-1894, no 2, 15-08-1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vereenigd waren, dan was hun strijd overmorgen gewonnen.

De strijd voor de ontvoogding der vrouw gaat gepaard met moeilijkheden, die natuurlijkerwijze aan de arbeidersbeweging vreemd zijn.

Immers haar strijd wordt verwikkeld door het feit dat in hare rangen alle standen der maatschappij zouden moeten plaats nemen, — edelvrouw naast boerenmeid, — terwijl het leger der arbeiders uitsluitend tot ééne caste, tot zijn eigen caste behoort.

Van den anderen kant, hoe treurig hun lot nog zij, zijn de werklieden veel dichter bij hun doel dan de vrouwen.

Daarbij komt nog dat de strijd der proletariërsvrouw tweeërlei is : zij heeft te strijden èn als vrouw èn als werkster.

Behoeft men, in die omstandigheden, hoogdravende redevoeringen, om te bewijzen dat de vrouwen de hulp der mannen van de hand niet mogen wijzen, als die hulp rechtzinnig en voor hare zaak bevorderlijk is ? (i)

Hoe grooter strijd, hoe meer toewijding gevergd wordt, en de gestelde vraag wil ik met eene andere vraag afdoen :

Zouden de slaven van Amerika nu reeds hunne vrijmaking verkregen hebben, — zouden zij die ooit verkregen hebben, zonder de edelmoedige hulp der blanken, die voor hunne zaak zelfs hun bloed vergoten?

En men verlieze niet uit het oog dat de vrouw de slavin in de maatschappij is. Patrick.

aa^vw\y\ y/\ y/x'v/x ~v/\ \y\ 1 'x/x q/\ 'y/x /\/\ '\/\/\/\/ay\/\/\/\/\

Deustoorbe Dreugbe

Op een warmen voormiddag, nu een paar weken geleden, sprak het jongste dochtertje van vrouw D... :

— Wat is het toch schrikkelijk warm vandaag, mama.

— Ja, liefste, dat is het ook.

— En dan gaat mama nog het vuur aanmaken, sprak het oudste meisje, dat op het machien zat te naaien.

— Nu, sprak vrouw D..., dat moet ook, wij moeten immers toch het ontbijt klaar maken?

Daar viel nu niets tegen in te brengen, dit begrepen de meisjes óók. Maar toch, na een poosje, zuchtte het oudste weer :

Ach ! wat moet het toch heerlijk zijn rijk te wezen!

W aarom? vroeg vrouw D..., die juist weder binnenkwam en die woorden gehoord had.

— Wel, de rijken hoeven toch 's zomers bij geen brandend vuur te zitten arbeiden ; ZIJ hebben ruime, luchtige woonkamers, terwijl WIJ in kleine verhitte hokken zijn opgesloten. ZIJ hebben een grooten hof, WIJ nog niet altijd eene achterplaats van een voorschoot groot; en dan, wanneer de hitte onuitstaanbaar wordt, keeren zij de stad den rug toe, en gaan eenige weken aan het zeestrand of op hunne prachtige buitenverblijven doorbrengen... Ach! zuchtte zij weer, wat moet de zomer heerlijk zijn, tusschen lommerige bosschen en geurige velden!

— Wel, wierp de kleineer onnadenkend tusschen, wat het laatste betreft, dat kunnen wij toch ook. Mama hoeft maar alle dagen met ons naar buiten te wandelen.

Neen, antwoordde de oudste, dat kunnen wij niet, want wij moeten arbeiden; de rijke menschen behoeven immers niet, zooals wij, in hun onderhoud te voorzien.

(i) Neen, Patrick, dat mogen wij niet, maar dat willen wij ook met. Wij aanvaarden gaarne de hulp en den raad van iederen man, die het goed met ons meent. Red.

Zoo ging het gesprek tusschen de twee meisjes zijn gang, terwijl vrouw D... heen en weer liep en zich met het toebereiden van het sober maal spoedde. Eensklaps zei de jongere tot de oudere zuster :

— Nu, zeg al wat gij wilt, maar ik beweer dat mama toch wel eens met ons naar buiten kon; is het niet, maatje lief?

Aldus ondervraagd, antwoordde vrouw D... : _— Ja wel, kinderen, en als gij deze week heel lief zijt, wil ik dit Zondag wel eens doen.

De kinderen echter, hadden met deze belofte geen vrede.

— Zondag is het misschien zulk schoon en warm weer niet, sprak de jongste.

Of is mama door eene of andere omstandigheid verhinderd woprd te houden, zooals trouwens meer gebeurt, meende de oudste.

Daar kon vrouw D... niets tegen inbrengen. Zij was eene vrouw, die evenals vele anderen alléén in haar bestaan en in dat harer kinderen moest voorzien. Deze laatsten, twee meisjes van 12 en 16 jaren, brachten nog maar eene geringe hulp bij. Het gebeurde ook vaak dat zij 's Zondags afwezig zijn moest en dat kon zij vooraf niet bepalen. Daarom, toegevende aan het verlangen der kinderen, dat ook het hare was, sprak zij :

— Komaan, kinderen, legt het werk neer, en komt ontbijten, daarna gaat gij u aankleeden, wij zullen van daag naar buiten gaan; echter moeten wij dan morgen wat vroeger opstaan en vlugger doorhalen, om den verloren tijd in te winnen.

Waar zouden zij naartoe?

Na eene korte woordenwisseling kwam men overeen. Naar den melkboer!... En blijgemoed ginghet verder.

De hitte was langzamerhand drukkender gewórden, zweetdruppelen biggelden langs de aangezichten der wandelaarsters. Het jongste dochtertje deed een voorstel : zij zouden den tram nemen tot buiten de poort.

— Dat kan niet kind, sprak vrouw D.... dit lenst im¬

mers 22 1/2 cent.

Het meisje haalde daarop haar beursje te voorschijn ; zij had eenige spaarcenten, en zou mama en groote zus eens trakteeren op een rij toertje. Aangenomen !

Het drietal stapt dus in den tram en riidt verdpr

uiterst gelukkig en zich voor eenige uren rijk wanende.

Eensklaps staat de tram stil. Eene schamele 1 jonge vrouw, met een bleek, ziekelijk kindje op den arm, treedt binnen, en ziet teleurgesteld rond omdat er in dé tweede klas geene zitplaats meer voorhanden is (want hier in Gent bestaan de tramrijtuigen, welke eene volksinstelling heeten te zijn, uit twee klassen. Het is immers niet denkbaar, dat Mijnheer of Mevrouw fabriekant of werkgever, in den tram naast een arbeider zou terecht komen, op wier arbeid nochtans zij het winnen om op zachte kussens te zitten, terwijl voor hem eene onbekleede houten bank goed genoeg is).

Nu, de jonge vrouw kwam het gezelschap der 2e klas vergrooten, dat buiten ons drietal uit nog eene vrouw en een paar arbeiders bestond.

Een dezer arbeiders, de teleurstelling der vrouw bemerkende, stond op en bood haar zijne zitplaats aan, die zij met een dankbaren blik aanvaardde; zoo kwam zij naast vrouw D... terecht, die haar met'belangstelling gadesloeg.

I )it kon zij zooveel te beter, daar de jonge moeder zich voortdurend met haar kindje bezig hield, dat het armpje gansch omwonden had en op welks gezichtje bij eiken schok van den tram, een pijnlijke trek té voorschijn kwam. Zij verlangde iets meer van die vrouw te weten; want de uiterst zindelijke, alhoewel armoedige klesding, gepaard aan het bleeke, zachte