is toegevoegd aan uw favorieten.

De Vrouw; veertiendaagsch blad gewijd aan de onderlinge opvoeding der vrouw, jrg 1, 1893-1894, no 10, 07-02-1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bereiken. Dat de geschiedenis meer knappe en energieke mannen dan vrouwen aanwijst is waar, maar even waar is het, dat door heel de geschiedenis heen, der vrouw minder dan den man gelegenheid is geschonken zich naar lichaam en geest vrijelijk te ontwikkelen, 't Staat bij mij vast, dat bij gelijke levensomstandigheden en opvoeding de vrouw noch in verstandelijk noch in lichamelijk opzicht beneden den man zal staan. In afspraak met mijn vriend v. d. B. te H., hoop ik daarop later terug te komen. In mijne oogen is de vrouw noch de mindere noch de meerdere van den man, maar zijns gelijke. Er zullen wel altijd minder verstandige en sterke vrouwen tegenover sterke en verstandige man. nen, als omgekeerd gevonden worden. Dat zegt niets.

Uit het bewustzijn nu, dat de vrouw de gelijke van den man is, vloeit voort de erkenning dat even goed als de man, de vrouw het recht heeft zich door arbeid een zelfstandig bestaan te verwerven. Ik ben dus voor vrouwenarbeid in elk opzicht, en wijl nog zoovelen daar tegen zijn, wenschte ik meer tijd aan dien strijd te kunnen besteden.

Nu zal menigeen zeggen : door te strijden voor het socialisme, strijdt ge toch ook voor de emancipatie der vrouw. Dat is waar. Het is ook mijn heilige overtuiging dat alleen door het socialisme de vrouw volledig vrij kan worden. Maar men vergete niet, dat dit kan, terwijl het van de socialisten af zal hangen of de vrouw werkelijk vrij worden zal.

Daar nu nog zoovele socialisten 't zij uit onverschilligheid, 't zij met bewustzijn gekant zijn tegen de volkomen gelijkstelling van man en vrouw, daarom is 't noodig dat voor de vrouwen-emancipatie afzonderlijk nog veel strijd gevoerd wordt.

Ongeveer 2 jaar geleden sprak ik eens te Groningen over « De gelijkheid der vrouw ». Een partijgenoot diende mij van repliek en verklaarde zich beslist tegen den vrouwenarbeid. Op mijne vraag, wat een meisje moest doen dat nu eens geen dienstbode wilde zijn en wie men de gelegenheid had ontnomen door eigen arbeid in haar onderhoud te voorzien, antwoordde hij : « Laat zij zien een man te krijgen, die voor haar zorgt. »

Dit antwoord uit den mond van een socialist, die wil : Vrijheid voor allen, verwonderde mij; later vernam ik dat meerdere partijgenooten er even zoo over denken. Treurig! De consequentie toch dier redeneering is, dat de man voor de vrouw moet .zorgen, en de laatste dus slavin is van den eerste, d. w. z. : van hem « genadebrood » moet eten! Als ik vrouw was, zou dat mij bewegen nooit te huwen, want dat brood is bitter! !

Hoe veel verhevener is daarentegen de gedachte, de vrouw vrij te laten, door arbeid voor zich zelf te zorgen ! Daarbij, hoeveel minder ongelukkige huwelijken zouden er voorkomen, indien de vrouw niet uit nood, maar geheel uitvrijen wil. uit liefde, met den man een verbond sloot? Mij lacht het denkbeeld nog altijd toe, een levensgezellin te krijgen, die niet om een man verlegen is, die door eigen arbeid in haar onderhoud voorziet. Dat zou mij een waarborg zijn voor de echtheid harer I liefde.

Maar ook uit een oogpunt van recht ben ik vóór vrouwenarbeid. Ik ontzeg den man het recht, de vrouw te verbieden vrijwillig dezen of genen arbeid te verrichten. Ook om te beslissen dat dit of dat werk voor haar schadelijk is.

't Moet nu toch eens uit zijn met de gekke bewering, dat eenig werk voor de vrouw wel en voor den man niet schadelijk is (Een uitzondering hierop maken de zwangere vrouwen). Hoewel het organisme der vrouw verschilt van dat des mans, zullen de invloeden van het werk op beider lichamen wel dezelfde zijn. Te lang en te zwaar werken, vaak in ongezonde atmosfeer, zal voor den man wel even nadeelig zijn als voor de vrouw.

Trouwens, al mocht met statistieken bewezen kunnen worden, dat de levensduur der fabriekarbeidster korter is dan die des fabriekarbeiders (zulke statistieken zijn mij niet bekend) dan nog zal rekening moeten worden gehouden met het werken der vrouwen tot kort voor de bevalling, dat wel daarop van invloed zal zijn.

(Slot volgt.) J. v. d. Veer.

Be puouw m 'U3e3üt.

De aangewezen plaats der vrouw is aan den huiselijlijken haard, hooren wij overal verkondigen; haar rol van huisvrouw en moeder bepaalt hare werkzaamheid tot den kring van het huisgezin, terwijl hare zedigheid haar alle inmenging in openbare aangelegenheden verbiedt. Deze theorie is heel mooi, — in theorie; maar hoevele vrouwen kunnen hare rol van huisvrouw en moeder werkelijk in praktijk brengen? Hoevelen kunnen hare plaats aan den huiselijken haard inderdaad bekleeden ?

Zoo spreekt Michel Benoit in « La Ligue » ; en dan bewijst hij met cijfers dat in België, in 1880, op een bevolking van ruim vijf en een half millioen zielen slechts 189619 vrouwen hare taak van huisvrouw en moeder ten volle konden waarnemen. Konden. Of zij het allen ook deden is een andere vraag; want de meeste dezer gelukkige vrouwen zullen wel te vinden zijn in de klassen der rijken en aanzienlijken, en daar is de ouderwetsche opvatting van de plichten der huisvrouw en moeder meestal een ijdele klank.

Uit de volkstelling van 1890 blijkt dat in België 882219 vrouwen bepaalde beroepen bekleeden; de dienstboden niet medegerekend. De werkkrachten bij handel en industrie worden voor 43.8 per cent door vrouwen geleverd.

In de groote wereld. — De prinses van Wales en haar dochter slepen op reis honderd vijftig koffers mede, en ook een groot om over al die koffers te waken.

't Is duidelijk te bemerken dat die hooge lui niet zelve noodig hebben het geld te verdienen, als zij 't op zulke dwaze wijze verkwisten. Daar wordt voor gezorgd trouwens door millioenen arme duivels, die geen koffers op reis noodig hebben. Controleur.