is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, jrg 16, 1911-1912, no 9, 15-07-1912

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die uitsluiting opkomen en zeggen: de dienstboden behooren wel onder de wet te vallen.

Hier in de Kamer is blijkbaar niemand ooit geweest tegen de opneming van dienstboden in de ziekteverzekering. Ook de heer Talma niet destijds als Kamerlid.

MinisterTalma(A.-R.):... Anders staat de zaak met de dienstboden. Door mij is wel degelijk naar aanleiding van art. 1638$ van het Burgerlijk Wetboek bezwaar ontwikkeld tegen een inschakeling van de inwonende dienstboden in dit ontwerp.

Hoe staat het met art. 1688$. Moeten wij dat artikel opvatten zooals mr. van Houten het opvat in zijn brochure?

Ik heb — het is gereleveerd in het Verslag op bladz. 31 — in de Commissie gezegd: „Dat de regeling in genoemd wetboek onvoldoende zoude zijn, omdat bij ziekte de dienst vaak wordt opgezegd, om te ontkomen aan het alsdan verleenen van hulp, is den Minister niet bekend."

'De geachte afgevaardigde uit Zaandam heeft dit geciteerd en gezegd: dat is toch ongelooflijk; ik zal den Minister eens vertellen, hoe het is. Hij is daarop gekomen in de eerste plaats met de brochure van den heer van Houten, verschenen vlak na het in werking treden van de wet op het arbeidscontract. De geachte afgevaardigde concludeerde, dat in die brochure mr. van Houten tot de huisvrouwen in Nederland heeft gezegd, welk eer. gemakkelijk middel er is om aan de lastige en hatelijke bepaling van art'1638$ te ontkomen. Maar hij zeide er niet bij, welk resultaat dit advies heeft gehad, en daar ging het om.

Ik had niet gesproken van wat kon gebeuren, maar van wat gebeurde, van feitelijke toestanden. Wel heeft de geachte afgevaardigde verder gezegd, dat in 1910 een adres was ingediend van het Christelijk Vakverbond, waarin werd aangedrongen op het opnemen van de dienstboden in de Ziektewet, op grond, dat het Burgerlijk Wetboek in deze de zaak onvoldoende regelde.

Daar staat niet in, de geachte afgevaardigde heeft het ten minste niet voorgelezen, dat de onvoldoende regeling waarover wij het hier hebben aan de Nederlandsche vrouwen aanleiding heeft gegeven om de overeenkomst van dienstbetrekking op te zeggen ten einde te ontkomen aan de verplichting van art. 1638$.

In het nu niet curieus, dat, als er werkelijk zooveel menschen zijn, die het niet met mij eens zijn, dat die menschen dan niet tot mij gekomen zijn en gezegd hebben: als het u belieft, hier zijn de feiten?

Ik heb er mij onlangs over uitgelaten, dat er bezwaren bestonden tegen het opnemen van de handels- en kantoorbedienden in de Ongevallenwet en nu heeft het mij gefrappeerd, dat ik dadelijk daarop een geheele lijst gezien heb van ongevallen om aan te toonen, dat die personen recht hebben om opgenomen te worden in de Ongevallenwet.

De heer Duys: Als er maar een flinke organisatie bestaat. Deze ontbreekt echter bij de dienstboden.

De heer Talma, Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel: Ik geloof toch wel, dat, indien er inzake de dienstboden inderdaad een eenigszins veelvuldig gebruik werd gemaakt van een toepassing van dit artikel in den geest als de geachte afgevaardigde bedoelt, er wel een beweging zou komen. Inderdaad is de organisatie onder de dienstboden niet zoo groot en de dienstboden zullen wel niet, als er eens een enkele grief is, dadelijk naar een bureau loopen, maar waar gaat het hier om? De geachte afgevaardigde heeft bet voorgesteld, alsof een dienstbode, die ziek wordt, dadelijk den volgenden morgen om negen uur op straat wordt gezet. Zou men nu niet denken, dat, als dit herhaaldelijk voorviel, er niet velen in ons vaderland zouden zijn, die zich dit aantrokken? Ik geloof dus, dat, als hij niets anders heeft dan een adres, waarin geen feiten zijn gesteld en hij niets anders kan produceeren dan een brochure van mr. van Houten, de geachte afgevaardigde er niet in geslaagd

is het bewijs te leveren voor hetgeen bij hier als een feit heeft medegedeeld. Nu heeft de geachte afgevaardigde gezegd: het is zeer zonderling, ik heb nooit een enkel protest gehoord tegen het opnemen der dienstboden. Ik mag toch wel de opmerking maken, dat het ontwerp van dr. Kuyper van 1904 de dienstboden niet had opgenomen in de ziekteverzekering. Dit is toch onder de aandacht van het publiek gebracht en er waren vele personen, die de opvatting van het wetsontwerp geheel juist achtten.

(Wordt vervolgd.)

GEMEENTERADEN.

In den Raad van Amsterdam was op 19 Juni aan de orde een voordracht van B. en W. tot vaststelling van een verordening tot regeling van de bezoldigingen der ambtenaren en beambten van het Burgerlijk Armbestuur, met het amendement Smit c. s. op art. 1, om de verdeeling in apothekers-assistenten le en 2e klasse alsmede het verschil in salaris tusschen mannelijke en vrouwelijke assistenten te doen vervallen.

Het wordt verworpen met 22 tegen 15 stemmen.

De heer Abrahams licht eenige amendementen toe, strekkende om verbetering aan te brengen in de positie van het verplegend personeel en daarbij het klassenstelsel af te schaffen, en wijst er op, dat de verpleegsters op zijn minst even goed zijn als de verplegers. Vandaar dat spr. ook gelijkstelling voorstelde.

De heer Smit eenige amendementen van dezelfde strekking toelichtend, zegt, dat de Raad dezen middag zoo hard als een bikkel is en dus de amendementen niet zal aannemen. Al is het dan niet voor dezen Raad speciaal' dat spr. het woord voert, dan is het toch in elk geval voor de propaganda naar buiten. (Vroolijkheid).

Wethouder Jitta verdedigt een hoogere salarieering van de verplegers, omdat de mannen als gezinshoofden meer geld noodig hebben dan de vrouwen.

De heer Abrahams zegt, dat de leerling-verplegers toch niet als gezinshoofden in de gasthuizen komen. Men maakt hier weer gebruik van den lageren stand der arbeidsmarkt voor de vrouwelijke krachten.

De amendementen Abrahams en Smit worden in stemming gebracht en verworpen met 23 tegen 16 stemmen.

Aan de orde is art. 2 bepalende, dat, ingeval twee der in de lijst van art. 1 genoemde betrekkingen vervuld worden door een echtpaar, de wedde aan elke betrekking verbonden, verminderd wordt met 20 %.

De heeren Abrahams en KL de Vries stellen voor het amendement te doen vervallen.

De heer KI. de Vries wijst op het zonderlinge van de bepaling van art. 2. Wanneer man en vrouw samen een betrekking waarnemen, dan zullen zij die gewoonlijk goed vervullen en is het onbillijk hen daarvoor 20 % te korten.

De heer Smit ondersteunt het amendement-Abrahams.

Wethouder Jitta verdedigt het artikel.

Art. 2 wordt in stemming gebracht en aangenomen met 20 tegen 18 stemmen. (Handelsblad).

Vrij zinni g-D emokratis che Kiesv ereeniging te Uithuizen.

De Vrijz.-Dem. Kiesvereeniging te Uithuizen, heeft bij reglementswijziging vastgesteld, dat ook vrouwen lid kunnen zijn van gemelde kiesvereeniging. Zij mogen echter, als niet-kiezers, niet medestemmen over kandidaten voor de Tweede Kamer, de Provinciale Staten en den Gemeenteraad.

L