is toegevoegd aan je favorieten.

De proletarische vrouw; blad voor arbeidsters en arbeidersvrouwen, jrg 33, 1938, no 1165, 05-02-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET VORIGE: Nollie Pierson, de 17-jarige dochter van een predikant, ontmoet in 1916 bij haar oom en tante, waar zij gelogeerd is. een jong officier, Cyril Morland Zij verloven zich en willen trouwen vóór hij naar het front moet. Tante Thera veelt voor de jongelieden, maar de vader wil geen toestemming geven. Als Cyril plotseling wordt opgeroepen, maken zij 's avonds samen een tocht naar een stille plek en op Nollie's aandringen wordt zij daar z*n vrouw. De volgende avond is ze in Londen om hem van het station te zien vertrekken. Zij wil verpleegster worden. Haar vader vraagt inlichtingen bij een nicht, die in een ziekenhuis werkt.

No. 12.

„Ik ben mevrouw Lynch. Wel, u bent Edward Pierson!"

Hij keek haar in het gelaat, waar hij nog geen acht op had geslagen.

„Leila!" zei hij.

„Ja, Leila! Wat vreselijk aardig, dat je komt, Edward!"

Ze bleven staan en elk zocht in de trekken van den ander naar de vervlogen jeugd, tot zij mompelde: „Ondanks je baard, zou ik je overal herkend hebben." Maar bij zichzelf dacht ze: „Arme Edward, wat is hij oud en wat ziet hij er uit als een monnik!"

En Pierson mompelde tot antwoord: „Je bent heel weinig veranderd! We hebben elkaar niet gezien, sedert mijn jongste meisje geboren is. Ze lijkt bepaald wat op je." Maar hij dacht er bij: „Mijn Nollie! Zoveel snoeziger. Arme Leila!"

Ze liepen door, terwijl ze over. zijn dochters praatten, tot ze het hospitaal bereikten.

„Als je hier even wilt wachten, zal ik je mijn patiënten laten zien."

Ze had hem in een kale vestibule gelaten, zijn hoed in de ene hand, terwijl de andere zijn gouden kruis aanraakte; maar ze kwam spoedig terug en toen kwam er iets warms om zijn hart. Wat stonden de werken van barmhartigheid de vrouwen toch altijd goed! Ze zag er ook anders uit, zoveel zachter, met de grote, grijze ogen onder haar witte kap en het witte schort over de blauwe japon.

Bij de verandering in zijn gezicht kreeg ook Leila een warm gevoel en ze voelde, hoe ze een kleur kreeg; en toen ze de richting insloegen naar een vertrek, dat eens een biljartkamer geweest was, keek ze hem tersluiks aan.

„Mijn mannen zijn schatten," zeide zij, „ze houden zo van een aanspraakje."

Onder een bovenlicht stonden zes bedden met het hoofdeinde te "en een groen gepleisterde muur, tegenover zes andere bedden, tegen een andere groen gepleisterde

muur en van elk bed was een gezicht naar hem toegekeerd — jonge gezichten, met maar weinig uitdrukking er op. Aan het eind van de zaal keek een verpleegster op en ging door met haar werk. Het gezicht van een hospitaal was niets nieuws meer voor Pierson, evenmin als voor iemand anders in deze dagen. Het was inderdaad zo gewoon, dat het niet van practische betekenis was. Hij stond bij het eerste bed en Leila er naast. De man glimlachte, ais zij sprak en glimlachte niet, als hij het deed en ook dit was iets bekends voor hem. Ze gingen van bed tot bed, met precies hetzelfde resultaat, tot zij werd weggeroepen en hij ging zitten bij een jong soldaat met een lang, smal hoofd en gezicht, wiens schouder erg in het verband zat.

Terwijl hij het verband eerbiedig aanraakte, zei Pierson: „Wel, beste jongen, is het nog erg?"

„O!" zeide de soldaat. „Een wond van een granaat-kartets, tamelijk diep in het vlees gesneden."

„Maar niet in de geest, zie ik."

De jonge man wierp hem een schuinse blik toe als wilde hij zeggen: „niet heel erg."

„Hou je veel van muziek?"

„Nogal Een goed tijdverdrijf."

„Ik vrees, dat de tijd in een hospitaal lang zal vallen."

„Ja, het duurt een beetje lang, dat is het hospitaaileven. Ik ben al eerder gewond, ziet u. Het is beter dan aan het front te zijn. Ik denk, dat ik het goeie gebruik van mijn arm zal verliezen. Het kan me niet schelen, ik zal wel mijn ontslag krijgen."

„U hebt hier wel aardige verpleegsters."

„Ja, mevrouw Lynch mag ik graag, het is net iemand om van te houden."

„Het is mijn nicht.''

„Ik zag u samen binnenkomen. Ik zie hier alles. Ik denk ook veel. Een tijdverdrijf.' '

„Mag je hier roken?"

„O ja, dat mag."

„Eens opsteken?"

De jonge soldaat glimlachte voor het eerst. „Dank u, ik heb er genoeg."

Er scheen wat uitdrukking te komen in het gezicht van den jongen man, als was een gordijn een beetje opgehaald. „Ik geef niet om Frankrijk," zei hij op eens, „ik geef niets om bommen en zo; maar ik kan niet tegen de modder Een massa gezonden sterven in de modder, ze kunnen niet overeind komen en stikken." Zijn gezonde arm maakte een onrustige beweging. „Ik was bijna zelf gestikt, kon net mijn neus er bovenuit houden."

Pierson huiverde. „Dank God, dat u het kon!"

„Ja, het was niets plezierig. Ik vertelde mevrouw Lynch er van die dag, dat ik koorts had. Het is een aardige dame en ze heeft heel wat met ons jongens meegemaakt. Nee — die modder is niet pluis, hoor!" En weer maakte hij een onrustige beweging met zijn rechterarm, terwijl de grammophoon begon met: „De jongens in het bruin" De beweging met de arm maakte op Pierson een vreselijke indruk; hij stond op en de verbonden schouder aanrakend. zei hij: „Goede dag! Ik hoop. dat u spoedig helemaal weer beter zult zijn."

De lippen van den jongen soldaat bewogen zich tot een soort glimlach, zijn neergevallen ooglid scheen te trachten zich op te heffen.

„Goede dag, meneer," zei hij, „dank u wel."

Pierson ging naar de hall terug Het zonlicht viel als een stroom door de open deur en een onweerstaanbare drang deed hem er in stappen, zodat het hem tot zijn middel verwarmde. De modder! Wat was het leven lelijk! Leven en dood! Beide lelijk! Arme jongens, arme jongens!

Achter hem zei een stem: „O, ben je daar Edward? Wil je de andere zaal nog zien, of zal ik je onze keuken laten zien?"

Impulsief greep Pierson haar hand.

„Je doet een edel werk, Leila. Ik wou Je vragen: Zou je het kunnen inrichten, dat Nollie hier komt om te leren? Ze wil dadelijk beginnen. De kwestie is, dat een jongen, van w'ien ze veel houdt, juist naar het front vertrokken is.'

„O!" mompelde Leila, en haar ogen keken heel zacht. „Arm kind! De volgende week kunnen we wel een hulp gebruiken. Ik zal zien, of ze nu zou kunnen komen. Ik zal het onze directrice vragen en het je vanavond laten weten." Ze drukte hem warm de hand. „Beste F.dward, ik ben zo blij, dat ik je weer. heb gezien. Je bent de eerste van de familie, die ik na zestien jaar zie Zou je Nollie vanavond niet willen meebrengen om met mij te souperen in mijn étage-woning?

Pierson nam het aan.

HOOFDSTUK X.

Mannen, zelfs al zijn ze niet zo artistiek aangelegd, die op vreemde plaatsen geweest zijn en in allerlei uithoeken der wereld, worden gevoelig voor schilderachtige sensaties Als een schilderij of een reeks schilderijen herinnerde Jimmy Fort zich later zijn eerste souper bij Leila Hij had de gehele dag onder een hete zon op zijn motorrijwiel rondgereden om paarden van de boerderijen los te krijgen, en Leila's beker Rijnwijn was van een zachte en zoete sterkte. Het dramatisch gevoel, dat hieraan ontleend was, had een zekere kracht^ te meer, daar het lange meisje, dat hij daar ontmoette, de wijn niet dronk en haar vader maar even zijn lippen bevochtigde, zodat Leila en hij al het overige gebruikten. In zijn geest vormde het een wonderbare voorstelling, zeer warm, gloeiend, en toch met een vreemd donkere scherpheid, die misschien kwam door de zwarte wanden.

(Wordt vervolgd.)